Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2017:278

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
24-01-2017
Datum publicatie
25-01-2017
Zaaknummer
C/08/192336 / HA RK 16-147
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Bescherming persoonsgegevens. Verwijdering uit zoekmachine Google Search: het recht om vergeten te worden.

Wetsverwijzingen
Wet bescherming persoonsgegevens
Wet bescherming persoonsgegevens 16
Wet bescherming persoonsgegevens 23
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JA 2017/40

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Almelo

zaaknummer / rekestnummer: C/08/192336 / HA RK 16-147

Beschikking van 24 januari 2017

in de zaak van

[verzoeker] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoeker, verder te noemen [verzoeker] ,

advocaat mr. P.J.G. van der Donck te Houten,

tegen

de rechtspersoon naar buitenlands recht

GOOGLE INC.,

gevestigd te Mountain View (Verenigde Staten),

verweerster, verder te noemen Google,

advocaat mrs. R.D. Chavannes en D. Verhulst te Amsterdam.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het verzoekschrift,

  • -

    de brief van 12 oktober 2016 van de zijde van Google,

  • -

    het verweerschrift,

  • -

    de mondelinge behandeling op 19 december 2016,

  • -

    de pleitnota’s van partijen.

1.2.

De beschikking is bepaald op vandaag.

2 De feiten

2.1.

Bij vonnis van 4 september 2012 van de rechtbank Zutphen is [verzoeker] wegens het plegen van ontuchtige handelingen met een minderjarige veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden, waarvan 10 maanden voorwaardelijk. [verzoeker] heeft hoger beroep ingesteld tegen voornoemd vonnis. Bij arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (hierna: het Gerechtshof) van 9 juli 2013 heeft het Gerechtshof het vonnis van 4 september 2012 vernietigd en, opnieuw rechtdoende, [verzoeker] wegens het plegen van ontuchtige handelingen veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk.

2.2.

Google biedt de internetzoekmachine Google Search (hierna: ook de zoekmachine) aan. Deze zoekmachine stelt gebruikers in staat informatie elders op het internet te vinden. Gebruikers kunnen aan de hand van één of meer zoektermen een zoekopdracht geven, waarna de zoekmachine een pagina met zoekresultaten op internet weergeeft. De zoekresultatenpagina toont hyperlinks (URL’s) die verwijzen naar webpagina’s, maar bijvoorbeeld ook naar afbeeldingen, video’s of locaties. De selectie en ordening van de zoekresultaten en de vertoning daarvan aan de gebruiker zijn het dynamisch product van een geautomatiseerd, algoritmisch proces. Dit algoritme selecteert en ordent zoekresultaten aan de hand van meer dan 200 factoren.

2.3.

Bij het opgeven van de naam [verzoeker] als zoekterm in de zoekmachine worden op de zoekresultatenpagina diverse URL’s weergegeven die verwijzen naar - onder meer - webpagina’s, afbeeldingen en een video.

2.4.

Op 23 augustus 2016 heeft verzoeker bij Google een verzoek ingediend tot verwijdering van een aantal URL’s uit zoekresultaten in de zoekmachine. Op
31 augustus 2016 heeft Google dit verzoek van [verzoeker] afgewezen.

2.5.

Daarop heeft [verzoeker] zich thans genoodzaakt gezien om het onderhavige verzoek in te dienen.

3 Het verzoek en het verweer

3.1.

Het verzoek van [verzoeker] strekt, na aanpassing daarvan tijdens de mondelinge behandeling op 19 december 2016, er - kort gezegd - toe dat Google wordt bevolen om de volgende URL’s uit de zoekresultaten te verwijderen dan wel af te schermen:

  1. [URL 1] ,

  2. [URL 2] ,

  3. [URL 3] ,

  4. [URL 4] ,

zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom en met veroordeling van Google in de kosten van dit geding, waaronder de kosten van vertaling.

3.2.

Indien op voornoemde URL’s wordt geklikt verschijnen respectievelijk een bericht van de Facebookpagina (Community) “ [xxxx] ”, een filmpje van [verzoeker] met zijn toenmalige bedrijf [X] op de woonbeurs, een foto van [verzoeker] met op de achtergrond het logo en de naam van zijn toenmalige bedrijf [X] en een artikel waarin [verzoeker] wordt vermeld met daarbij een foto van hem.

3.3.

Aan het verzochte legt [verzoeker] - samengevat weergegeven - primair ten grondslag dat de gegevensverwerking onrechtmatig is, omdat het op grond van artikel 8 lid 5 van de Richtlijn 95/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 24 oktober 1995 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens (PbEG 1995, L281/31) (hierna: de Privacyrichtlijn) juncto artikel 16 van de Wet bescherming persoonsgegevens (hierna: Wbp) verboden is om strafrechtelijke persoonsgegevens te verwerken en er geen sprake is van een uitzondering op de toepassing van dit verbod.

Subsidiair stelt [verzoeker] zich op het standpunt dat de verwerking van de betreffende persoonsgegevens ook voor het overige onverenigbaar is met de Privacyrichtlijn en de Wbp en dat Google inbreuk maakt op het fundamentele recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer en van persoonsgegevens zoals verankerd in de artikelen 7 en 8 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: het Handvest) alsmede in artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (hierna: EVRM). Op grond van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof) van
13 mei 2014 in de zaak C-131/12, Costeja, ECLI:EU:C:2014:317 (hierna: het
Costeja-arrest) beroept [verzoeker] zich op zijn recht op verwijdering van verwerkte persoonsgegevens dan wel zijn recht op bezwaar tegen verwerking van persoonsgegevens. Er is sprake van strijd met de kwaliteitseisen, ontoelaatbare gegevensverwerking en bijzondere redenen, zodat is voldaan aan de criteria voor het recht op uitwissing van persoonsgegevens.

[verzoeker] stelt dat de combinatie van gegevensverwerking een totale exposure betekent van zijn persoonsgegevens, te weten zijn naam, afbeeldingen en films van hemzelf, alsook de vermelding van zijn voormalige bedrijf in combinatie met een gekleurde weergave van de behandeling van de strafzaak ter zitting in eerste aanleg, terwijl uit het hoger beroep volgt dat die gekleurde weergave in strijd is met de veroordeling in hoger beroep. [verzoeker] is geen bekende Nederlander en behoeft zich in dit opzicht niet meer te laten welgevallen dan een willekeurige andere Nederlander. Evenwel wordt zijn gehele identiteit kenbaar gemaakt.
De inhoud van het Facebook-bericht, dat verschijnt als op URL 1 wordt geklikt, is onrechtmatig omdat het in strijd is met de waarheid en de maatschappelijke zorgvuldigheid.

Ook een belangenafweging dient op grond van artikel 46 juncto artikel 36 of 40 Wbp in zijn voordeel uit te vallen.

3.4.

Google voert gemotiveerd verweer en concludeert tot afwijzing van het verzoek, met veroordeling van [verzoeker] in de proceskosten, uitvoerbaar bij voorraad.

3.5.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Voor de beoordeling van het verzoek van [verzoeker] zijn de overwegingen uit het Costeja-arrest van belang. In dit arrest heeft het Hof duidelijkheid verschaft over de toepassing van de Privacyrichtlijn, die is geïmplementeerd in de Wbp, op de verrichtingen van de exploitant van een zoekmachine.

4.2.

Het Hof heeft in het Costeja-arrest onder rechtsoverweging 28 vastgesteld dat de verrichtingen van een exploitant van een zoekmachine dienen te worden gekwalificeerd als ‘verwerking’, nu door het geautomatiseerd, onophoudelijk en systematisch op het internet te zoeken naar aldaar gepubliceerde informatie de exploitant van een zoekmachine gegevens ‘verzamelt’, ‘indexeert’, ‘vastlegt’, ‘ordent’ en in voorkomend geval in de vorm van zoekresultatenlijsten ‘verstrekt’ aan internetgebruikers die zoekacties doen. Aangezien deze verrichtingen uitdrukkelijk en onvoorwaardelijk door artikel 2, sub b van de Privacyrichtlijn worden beoogd, moeten zij als ‘verwerking’ in de zin van deze bepaling worden gekwalificeerd. Nu niet is betwist dat deze verrichtingen betrekking hebben op persoonsgegevens, zijnde gegevens betreffende een geïdentificeerde of identificeerbare natuurlijk persoon, een zogenaamde betrokkene in de zin van artikel 2, sub a van de Privacyrichtlijn, te weten [verzoeker] , dienen deze verrichtingen te worden gekwalificeerd als ‘verwerking van persoonsgegevens’, waarop de privacywetgeving van toepassing is.

4.3.

Bovendien oordeelt het Hof dat Google als verantwoordelijke voor de gegevensverwerking ten behoeve van de zoekactiviteiten kan worden aangemerkt. Het Hof heeft in dit kader in rechtsoverweging 32 gewezen op de omschrijving van verantwoordelijke in artikel 2, sub d, van de Privacyrichtlijn, zijnde ‘de natuurlijke of rechtspersoon, de overheidsinstantie, de dienst of enig ander lichaam die, respectievelijk dat, alleen of tezamen met anderen, het doel van en de middelen voor de verwerking van persoonsgegevens vaststelt’ en vervolgens onder rechtsoverweging 33 geoordeeld dat het de exploitant van de zoekmachine is die het doel van en de middelen voor deze activiteit vaststelt en dus van de door hem zelf in dat kader verrichte verwerking van persoonsgegevens, zodat hij krachtens dat artikel 2 sub d, moet worden geacht ‘de verantwoordelijke’ voor deze verwerking te zijn. Het Hof merkt in dit verband op dat, aangezien de activiteit van een zoekmachine bovenop de activiteit van webredacteurs komt en de grondrechten op privéleven en op bescherming van persoonsgegevens aanzienlijk kan aantasten, de exploitant van een zoekmachine in het kader van zijn verantwoordelijkheden, zijn bevoegdheden en zijn mogelijkheden moet verzekeren dat zijn activiteit voldoet aan de vereisten van de Privacyrichtlijn. Enkel op die wijze kunnen de in de Privacyrichtlijn vervatte waarborgen hun volle werking krijgen en kan een doelmatige en volledige bescherming van de betrokkenen (en met name van hun privéleven) daadwerkelijk tot stand worden gebracht.

4.4.

Wat de omvang van de verantwoordelijkheid van de exploitant van de zoekmachine betreft, stelt het Hof vast dat de exploitant van een zoekmachine onder bepaalde voorwaarden verplicht is om van de resultatenlijst die na een zoekopdracht op de naam van een persoon wordt weergegeven, koppelingen te verwijderen naar door derden gepubliceerde webpagina’s waarop informatie over deze persoon is te vinden. Het Hof preciseert dat de exploitant van de zoekmachine daartoe ook verplicht kan zijn indien deze naam of deze informatie niet vooraf of gelijktijdig van deze webpagina’s is gewist en, in voorkomend geval, zelfs wanneer de publicatie ervan op deze webpagina’s op zich rechtmatig is (rechtsoverweging 88 Costeja-arrest).

4.5.

Bij een verzoek als het onderhavige dient in het kader van de Privacyrichtlijn (en de Wbp) een belangenafweging plaats te vinden waarbij de fundamentele rechten van de verschillende partijen dient te worden gewogen. Het gaat daarbij om de grondrechten van betrokkene die zoals hierboven vermeld tot uitdrukking komen in de Privacyrichtlijn, te weten het recht op privacy en het recht op bescherming van persoonsgegevens van de betrokkene, en de grondrechten van de internetgebruiker en (wellicht ook) van de exploitant van de zoekmachine op vrijheid van meningsuiting (oftewel recht op informatie).

4.6.

Hoewel in beginsel mag worden aangenomen dat aan het recht op privacybescherming van persoonsgegevens en het recht op vrijheid op meningsuiting evenveel gewicht toekomen, omdat het gelijkwaardige rechten zijn, oordeelt het Hof in het Costeja-arrest dat de privacy-rechten in beginsel voorrang hebben op het (economische) belang van de zoekmachine-exploitant en het belang van internetgebruikers om kennis te nemen van informatie. Het Hof merkt op dat een evenwicht moet worden gevonden tussen de betrokken belangen.

4.7.

Door de exploitant van de zoekmachine als ‘verantwoordelijke’ te kwalificeren met betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens op bronpagina’s van derden, draagt het Hof de exploitant van de zoekmachine expliciet de taak op om de fundamentele rechten (belangen) af te wegen bij de beslissing of de verwerking van persoonsgegevens op bronpagina’s van derden ten opzichte van betrokkene(n) gerechtvaardigd is. Indien de betrokkene het niet eens is met de beslissing van de exploitant van de zoekmachine staat er een rechtsgang naar de rechter open. De rechtsbescherming van betrokkene als betrokkene zijn grondrechten gewaarborgd wenst te zien is ook in de Privacyrichtlijn verankerd. De betrokkene kan op grond van de Wbp (waarin de Privacyrichtlijn is geïmplementeerd) verzoeken de verwijzingen naar (een) webpagina(’s) uit de zoekresultaten te verwijderen of af te schermen.

4.8.

Met inachtneming van het vorenstaande dient vervolgens de vraag te worden beantwoord of Google de door [verzoeker] onder rechtsoverweging 3.1. vermelde URL’s dient te verwijderen dan wel af te schermen.

4.9.

Google heeft in haar verweerschrift betoogd dat [verzoeker] geen belang heeft bij een eventuele verwijdering van zoekresultaten met een ruimere toepassing dan de Nederlandse versie van Google Search, te weten google.nl. Daartoe stelt Google dat een internetgebruiker vanuit Nederland door Google standaard wordt door geleid naar de Nederlandse Google Search versie. Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit de enkele niet nader onderbouwde stelling dat een internetgebruiker in Nederland standaard wordt doorgestuurd naar de Nederlandse versie van Google Search niet dat het is uitgesloten dat een internetgebruiker op andere manieren, door bijvoorbeeld aanpassing van bepaalde instellingen, in Nederland ook gebruik kan maken van een andere versie dan de Nederlandse versie van Google Search. Gelet hierop is er geen aanleiding om het verzoek te beperken tot de Nederlandse versie van Google Search.

4.10.

Het verweer van Google dat de Nederlandse rechter geen rechtsmacht heeft om een uitspraak te doen over een verzoek tot verwijdering van informatie van buitenlandse versies van Google Search, zoals google.com, nu die informatie onder de rechtsmacht van de buitenlandse rechter valt, passeert de rechtbank, nu het mogelijk is dat een gebruiker van Google Search ook in Nederland gebruik kan maken van google.com en de Wbp in een dergelijke situatie ook van toepassing is nu de verantwoordelijke gebruikt maakt van zich in Nederland bevindende geautomatiseerde middelen.

4.11.

[verzoeker] legt aan zijn verzoek primair ten grondslag dat de gegevensverwerking van Google in de zoekmachine onrechtmatig is, omdat artikel 8 lid 5 Privacyrichtlijn in verbinding met artikel 16 Wbp Google verbiedt strafrechtelijke persoonsgegevens te verwerken. [verzoeker] stelt daartoe dat de gewraakte URL’s in de zoekresultaten in Google Search kunnen worden aangemerkt als verwerking van strafrechtelijke persoonsgegevens. Een uitzondering op de toepassing van dit verbod doet zich niet voor, aldus [verzoeker] .

4.12.

Google betwist gemotiveerd dat zij in het onderhavige geval bijzondere persoonsgegevens ten aanzien van [verzoeker] heeft verwerkt. [verzoeker] miskent volgens Google dat de zoekresultaten die verschijnen bij een zoekopdracht op zijn naam geen bijzondere persoonsgegevens bevatten als bedoeld in artikel 16 Wbp. Het enkele feit dat Google met zoekresultaten verwijst naar bronpagina’s met daarop gegevens die mogelijk als bijzondere persoonsgegevens kunnen worden aangemerkt, maakt nog niet dat Google die bijzondere persoonsgegevens verwerkt en daarvoor verantwoordelijk moet worden gehouden, aldus Google.

4.13.

Op grond van artikel 16 Wbp is de verwerking van (onder meer) strafrechtelijke persoonsgegevens verboden, behoudens enkele in de Wbp omschreven uitzonderingen. In deze bepaling is de grondgedachte van artikel 8 Privacyrichtlijn geïmplementeerd, te weten dat de verwerking gericht op bijzondere categorieën persoonsgegevens, waaronder strafrechtelijke persoonsgegevens, door de EU-lidstaten moet worden verboden behoudens afwijkingen die een Lid-Staat kan toestaan uit hoofde van nationale bepalingen welke passende en specifieke waarborgen bieden. Uit de Memorie van Toelichting van de Wbp blijkt dat het hierbij gaat om gegevens in verband met strafbaar of hinderlijk gedrag, die tot de gevoelige gegevens behoren, omdat de betrokken personen anders worden behandeld dan anderen als gevolg van het verwijtbaar gedrag waarmee zij in verband worden gebracht (Kamerstukken II, 1997/1998, 25 892, nr. 3, p. 102 en 118).

4.14.

Onder het begrip ‘strafrechtelijke persoonsgegevens’ moet worden verstaan zodanige concrete feiten en omstandigheden dat zij als een als strafbaar feit te kwalificeren bewezenverklaring – in de zin van artikel 350 Wetboek van Strafvordering (Sv) – kunnen dragen. Hieruit volgt de maatstaf of vastgestelde gedragingen een zwaardere verdenking dan een redelijk vermoeden van schuld opleveren, in die zin dat te verwerken strafrechtelijke gegevens in voldoende mate moeten vaststaan (vgl. Hoge Raad 29 mei 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH4720).

4.15.

Aan de orde is thans allereerst de vraag of het in dit geval gaat om de verwerking van bijzondere persoonsgegevens. Het gaat daarbij gelet op hetgeen reeds onder 4.2. is overwogen om de op het internet gepubliceerde gegevens betreffende een geïdentificeerde of identificeerbare natuurlijke persoon die door de exploitant van de zoekmachine in de vorm van een resultatenlijst met hyperlinks aan de internetgebruiker wordt verstrekt.

4.16.

Met betrekking tot URL 1 overweegt de rechtbank dat het in dit geval gaat om de inhoud van de bronpagina die te vinden is door te klikken op URL 1, te weten het bericht op de Facebookpagina (Community) “ [xxxx] ”. Het verweer van Google dat de inhoudelijke beoordeling van het verzoek slechts betrekking zou hebben op de zoekresultaten, faalt derhalve. De rechtbank verwijst in dit kader naar hetgeen zij hiervoor heeft overwogen en meer in het bijzonder naar rechtsoverweging 4.3. en 4.4.. De inhoud van de bronpagina waarop URL 1 betrekking heeft bevat naar het oordeel van de rechtbank strafrechtelijke persoonsgegevens. De in dit bericht vermelde gegevens kunnen redelijkerwijs tot de identificatie van [verzoeker] als verdachte of dader leiden. De bronpagina bevat immers naast de volledige naam van [verzoeker] en een verwijzing naar zijn voormalige bedrijf, een kop waaruit, mede gelet op de context van de Facebookpagina (Community), kan worden afgeleid dat [verzoeker] zich (mogelijk) schuldig heeft gemaakt aan het plegen van ontuchtige handelingen met een minderjarige, en de eis van de openbaar aanklager. Op basis daarvan oordeelt de rechtbank dat er ten aanzien van [verzoeker] sprake is van verwerking van gegevens waarvan in voldoende mate kan worden aangenomen dat sprake is van een zwaardere verdenking dan een redelijk vermoeden van schuld ter zake strafbaar handelen. Daarmee wordt met betrekking tot URL 1 voldaan aan de hiervoor omschreven maatstaf van de Hoge Raad (zie rechtsoverweging 4.14.).

4.17.

Voor zover zou moeten worden geoordeeld dat de inhoudelijke beoordeling enkel betrekking zou dienen te hebben op het zoekresultaat, dan is de rechtbank ook van oordeel dat het vermelde bij het zoekresultaat ten aanzien van URL 1 zodanig is dat er ten aanzien van [verzoeker] sprake is van verwerking van gegevens waarvan in voldoende mate kan worden aangenomen dat sprake is van een zwaardere verdenking dan een redelijk vermoeden van schuld ter zake strafbaar handelen. Er staat namelijk (zonder exacte opmaak) onder meer: “ [plaatsnaam] : Oppas tientallen keren... - [xxxx] ..., [initialen verzoeker] , [URL 5] , de Rechtbank in Zutphen de eis van het OM 30 ...” (zie productie 4 bij het verzoekschrift en productie 12 bij het verweerschrift). Deze informatie is, in onderlinge samenhang bezien, zo specifiek dat zij ook redelijkerwijs tot de identificatie van [verzoeker] als verdachte of dader kunnen leiden, zodat daarmee ook wordt voldaan aan de eerdergenoemde maatstaf van de Hoge Raad.

4.18.

Nu het verzoek ten aanzien van URL 1 strafrechtelijke persoonsgegevens betreft, geldt in beginsel het verbod van verwerking van deze gegevens zoals is bepaald in
artikel 16 Wbp. Voorts is niet gebleken van een van de uitzonderinggronden die limitatief en exclusief zijn opgesomd in artikel 22 Wbp op de toepassing van het verbod tot verwerking van de strafrechtelijke persoonsgegevens.

4.19.

Met betrekking tot URL 2, URL 3 en URL 4 overweegt de rechtbank als volgt.

Google heeft aangevoerd dat URL 3 en URL 4 niet als zoekresultaat verschijnen bij een zoekopdracht op “ [verzoeker] ” en dat er derhalve geen verwerking van persoonsgegevens van [verzoeker] plaatsvindt. [verzoeker] heeft ter zitting hiertegen aangevoerd dat URL 3 en

URL 4 wel verschijnen in de vorm van thumbnails (foto’s/afbeeldingen) in de resultatenlijst. Deze stelling is verder niet gemotiveerd betwist door Google. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de foto’s/afbeeldingen die verschijnen na een zoekopdracht op “ [verzoeker] ” ook te beschouwen als een zoekresultaat. Er is derhalve sprake van verwerking van persoonsgegevens van [verzoeker] .

4.20.

[verzoeker] stelt zich op het standpunt dat een portret alleen al een bijzonder persoonsgegeven is. Google heeft zich op het standpunt gesteld dat deze stelling te ver gaat en dat het in het onderhavig geval niet gaat om de bescherming van raskenmerken.

4.21.

De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt. Uit de Memorie van Toelichting op artikel 16 Wbp blijkt dat het begrip "ras" dezelfde betekenis heeft als in artikel 1 van de Grondwet. Het begrip moet ruim worden opgevat en omvat ook huidskleur, afkomst en nationale of etnische afstamming. Aangezien van een foto of afbeelding het ras van een betrokkene kan worden afgeleid is een foto, afbeelding of een video waarin iemand met zijn gezicht in beeld verschijnt, een bijzonder persoonsgegeven in de zin van artikel 16 Wbp (vgl. het arrest van de Hoge Raad van 23 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK6331).

Dit betekent dat het verzoek ten aanzien van URL 2, URL 3 en URL 4 betrekking heeft op bijzondere persoonsgegevens in de zin van artikel 16 Wbp, zodat het in beginsel verboden is om deze gegevens te verwerken. Gesteld noch gebleken is dat sprake is van een van de uitzonderinggronden die limitatief en exclusief zijn opgesomd in artikel 18 Wbp op de toepassing van het verbod tot verwerking van persoonsgegevens betreffende iemands ras.

4.22.

Google heeft zich op het standpunt gesteld dat zij een beroep kan doen op een uitzondering, hetzij op grond van artikel 23 lid 1 sub b Wbp, hetzij op grond van
artikel 3 Wbp, hetzij - buitenwettelijk - op grond van artikel 11 en artikel 16 Handvest, artikel 10 EVRM en artikel 7 Grondwet.

4.23.

In artikel 23 lid 1 sub b Wbp ligt de rechtvaardigingsgrond voor de ontheffing van het verbod besloten in het handelen of het gedrag van de betrokkene zelf. Dat de gegevens openbaar zijn, moet derhalve volgen uit gedrag van de betrokkene waaruit de intentie om openbaar te maken uitdrukkelijk blijkt. Van een dergelijke situatie is met betrekking tot URL 1 geen sprake. Uit het gedrag van [verzoeker] is immers op geen enkele wijze de uitdrukkelijke intentie af te leiden dat [verzoeker] heeft gewild dat het bericht van de Facebookpagina openbaar zou worden gemaakt.

4.24.

Voor zover Google met betrekking tot URL 1 een beroep doet op artikel 3 van de Wbp faalt dit beroep, aangezien het Hof in het Costeja-arrest heeft geoordeeld dat Google zich niet op de media-exceptie kan beroepen. Het in dit kader gedane beroep op
artikel 11 en artikel 16 Handvest, artikel 10 EVRM en artikel 7 Grondwet, faalt evenzeer, nu, mede gelet op de summiere toelichting van Google, er geen aanleiding is om te concluderen dat in het onderhavige geval de Wbp buiten toepassing moet blijven om de rechten en belangen van anderen te beschermen. Daarbij komt dat in de Wbp ruimte wordt geboden om dergelijke fundamentele rechten en belangen mee te wegen.

4.25.

Naar het oordeel van de rechtbank ligt dit anders voor URL 2, URL 3 en URL 4. De rechtbank is van oordeel dat het beroep op artikel 23 lid 1 sub b Wbp door Google ten aanzien van voornoemde URL’s slaagt. Op basis van de voorhanden zijnde gegevens concludeert de rechtbank dat de intentie om deze gegevens openbaar te maken uitdrukkelijk blijkt uit de gedragingen van [verzoeker] . De openbaar gemaakte gegevens hebben betrekking op zakelijke en reclame-activiteiten van [verzoeker] in het kader van zijn voormalige bedrijf [X] . Zo wordt in het You-tube-filmpje door [verzoeker] een ontwerp van [X] aangeprezen. [verzoeker] profileert zich derhalve uitdrukkelijk, via een filmpje en (een verwijzing naar) nieuwsberichten van [naam website] , waarin - onder meer een foto van hem is geplaatst met op de achtergrond het logo van zijn bedrijf - in de publiciteit om zijn voormalige bedrijf [X] te promoten. Naar het oordeel van de rechtbank legitimeert vorenstaande de verwerking door Google van de (bijzondere) persoonsgegevens ten aanzien van URL 2, URL 3 en URL 4. Het vorenstaande leidt evenzeer tot de conclusie dat de subsidiaire door [verzoeker] aangevoerde grondslag niet tot een ander oordeel leidt. Niet kan worden ingezien dat de door [verzoeker] opgeworpen belangenafweging zou moeten leiden tot het oordeel dat ook de URL’s 2, 3 en 4 zouden moeten worden verwijderd. De rechtbank is van oordeel dat er in ieder geval geen sprake is van ontoereikendheid of een gebrek aan relevantie met betrekking tot de voornoemde uitingen. Ook van bovenmatigheid is geen sprake. Niet kan immers worden ingezien dat het zakelijk verleden van [verzoeker] thans niet meer kenbaar zou moeten of hoeven te zijn.

4.26.

Vorenstaande leidt de rechtbank tot de conclusie dat het verzoek van [verzoeker] om Google te bevelen om URL 1 te verwijderen dan wel af te schermen op na te melden wijze toewijsbaar is en dat het verzoek met betrekking tot URL 2, URL 3 en URL 4 wordt afgewezen.

4.27.

De rechtbank zal Google opdragen om binnen twee weken na de (rechtsgeldige) betekening van de beschikking aan het bevel tot verwijdering van URL 1 te voldoen.

4.28.

Nu partijen uiteindelijk over en weer op enig punt in het ongelijk zijn gesteld, wordt hierin aanleiding gevonden om de proceskosten tussen hen te compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

beveelt Google om binnen twee weken na (rechtsgeldige) betekening van deze beschikking, de verwijzing naar de volgende URL die voortkomt uit de zoekopdracht naar de naam van [verzoeker] :

1. [URL 1] ,

uit de zoekresultaten te verwijderen, een en ander op straffe van een aan [verzoeker] betalen dwangsom van € 5.000,-- per dag tot een maximumbedrag van € 250.000,--, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum in verzuim,

5.2.

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.3.

compenseert de proceskosten tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

5.4.

wijst af het meer of anders verzocht.

Deze beschikking is gegeven te Almelo door mr. G.G. Vermeulen en in het openbaar uitgesproken op 24 januari 2017.1

1 type: coll: