Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2017:2774

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
13-07-2017
Datum publicatie
13-07-2017
Zaaknummer
C/08/203490 / KG ZA 17-202
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Ontruiming standplaats

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Zwolle

zaaknummer / rolnummer: C/08/203490 / KG ZA 17-202

Vonnis in kort geding van 13 juli 2017

in de zaak van

[A] ,

wonende te [plaats] ,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

advocaat mr. J.W. Both te Dronten,

tegen

de publiekrechtelijke rechtspersoon

GEMEENTE KAMPEN,

zetelend te Kampen,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

advocaat mr. J.J.M. Pinners te Zwolle.

Partijen zullen hierna [A] en de gemeente genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 20 juni 2017 met bijbehorende producties

  • -

    de bij brief van 26 juni 2017 toegezonden producties van de gemeente

  • -

    de mondelinge behandeling van 29 juni 2017

  • -

    de pleitnota van [A]

  • -

    de pleitnota van de gemeente met daarin een eis in reconventie.

1.2.

Hierna is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

De gemeente is eigenaar van de woonwagenstandplaats aan de [adres 1] (hierna te noemen de standplaats). Ter plaatse bevinden zich nog drie andere standplaatsen die thans niet verhuurd worden.

2.2.

Partijen hebben op 29 februari 1996 een huurovereenkomst gesloten met betrekking tot de standplaats, ingaande 1 maart 1996.

2.3.

Op enig moment is op de standplaats een grote woonwagen gebouwd (hierna te noemen de woonwagen).

2.4.

De gemeente heeft de standplaats per juli 2008 verhuurd aan de heer [X] (hierna te noemen [X] ).

2.5.

[A] en [X] zijn vanaf juli 1991 tot en met september 1994 met elkaar gehuwd geweest. Na hun scheiding hebben zij hun affectieve relatie voortgezet.

2.6.

In 2007 heeft de gemeente de vier standplaatsen aan de [adres 1] –

onder voorwaarden – aan de toenmalige huurders te koop aangeboden. [A] is per brief van 20 november 2007 een dergelijk aanbod gedaan, zulks voor een bedrag van € 24.960,00. Ten aanzien van de voor de koop geldende voorwaarden staat in deze brief onder meer het volgende vermeld:

“Burgemeester en wethouders hebben bij deze verkoop bovendien de voorwaarde gesteld dat uw betalingsachterstand bij de gemeente moet zijn betaald vóórdat de overdracht van de standplaats bij de notaris plaatsvindt.

Mocht blijken dat het voor een of meerdere huurders financieel niet haalbaar is om de standplaats te kopen, dan gaat de verkoop niet door.”

2.7.

[A] heeft de gemeente per brief van 3 december 2007 laten weten de standplaats te willen kopen en haar om een schoongrondverklaring gevraagd. Nadat de gemeente had aangegeven niet verplicht te zijn een dergelijke verklaring af te geven, heeft [A] per brief van 13 december 2007 nogmaals kenbaar gemaakt de standplaats te willen kopen en zelf een onderzoek naar de grond te zullen doen.

2.8.

Op 17 maart 2008 heeft de gemeente [A] een brief gestuurd waarin onder meer vermeld staat:
“Het heeft wat voeten in de aarde gehad, maar nu gaat de verkoop van uw woonwagenstandplaats toch werkelijk plaatsvinden. In deze brief leg ik u uit wat de verdere procedure zal zijn.

Koopovereenkomst

Hierbij ontvangt u twee exemplaren van de koopovereenkomst. Wilt u de exemplaren ondertekenen en allebei voor 1 mei a.s. terugsturen? (..)

(..)

Definitieve overdracht

De overdracht van de grond kan plaatsvinden als:

  • -

    alle vier de huurders van een standplaats aan de [adres 1] tot koop overgaan;

  • -

    (..)

  • -

    er geen huur/belastingenschulden meer zijn te verrekenen. De notaris controleert dit vóór de overdracht.”

2.9.

De gemeente heeft van geen van de toenmalige huurders van de standplaatsen een ondertekende huurovereenkomst retour ontvangen.

2.10.

Op 8 juli 2009 heeft de gemeente een brief gestuurd aan de makelaar die de belangen van (onder meer) [A] behartigde. In deze brief staat, voor zover van belang, vermeld:

“Bovendien wijs ik er nogmaals op dat alle 4 de betrokkenen de grond moeten kopen. Besluit één van hen dit niet te doen, dan gaat de verkoop aan de anderen ook niet door.”

2.11.

Een door [X] in december 2010 opgevraagde offerte voor het verplaatsen van de woonwagen bedraagt € 94.368,00, exclusief de kosten van het monteren van een nieuwe onderafzetting.

2.12.

In een verslag van een gesprek dat [A] en [X] op 4 juli 2011 met de gemeente hebben gevoerd staat onder meer het volgende vermeld:

“De bijeenkomst is gepland omdat mevr. [A] en de heer [X] duidelijkheid willen hebben over wat er met de standplaatsen aan de [adres 1] gaat gebeuren.

(..)
Ook komt aan de orde dat de gemeente de standplaatsen wilde verkopen aan de bewoners maar dat dit uiteindelijk geen doorgang kon vinden omdat de standplaatsen vervuild bleken te zijn.
De bewoners wilden wel kopen maar alleen als de gemeente een schoongrondverklaring wilde afgeven. De gemeente weigerde dit omdat het niet ging om een locatie waar gebouwd mag worden. De bewoners hebben toen zelf een onderzoek laten doen en hieruit bleek dat de grond vervuild is. Daarna heeft de gemeente zelf onderzoek laten doen en blijkt de vervuiling dusdanig dat de gemeente een saneringsplicht heeft.

De saneringsplicht houdt in dat de woonwagens in ieder geval van de standplaats af moeten om het werk goed te kunnen uitvoeren. (..)

Mevr. [A] en de heer [X] geven aan dat zij wel uitgekocht willen worden en dat dit ook voor de andere bewoners geldt mits aan een aantal voorwaarden wordt voldaan. (..)”

2.13.

Een op 6 oktober 2011 door de gemeente aan [X] verstuurde brief luidt, voor zover relevant, als volgt:

“Al geruime tijd bent u met de gemeente in overleg over het aankopen van de woonwagenstandplaats die u momenteel bewoont. Een en ander moet resulteren in het ondertekenen van een koopovereenkomst.

Zoals wij u op 11 februari 2010 schreven heeft er een bodemonderzoek plaatsgevonden. Eerst een verkennend bodemonderzoek en naar aanleiding daarvan een nader bodemonderzoek. Gebleken is dat er sprake is van een bodemverontreiniging met brandstofcomponenten. Hierdoor wordt het onmogelijk om in de huidige situatie tot verkoop van de standplaatsen over te gaan.

Gelet op de onmogelijkheid nu te verkopen, zijn we genoodzaakt de gemeenteraad hierover te informeren. Immers het raadsbesluit van 15 november 2007 tot verkoop kan niet meer worden uitgevoerd. Voorts ziet het er naar uit dat de bodem gesaneerd moet worden. In dat kader zal tevens onderzoek worden gedaan naar de aansprakelijkheid voor de bodemverontreiniging. (..) ”

2.14.

De gemeente heeft een arrest overgelegd van 18 maart 2014 in een zaak van een voormalige huurder van de standplaats aan de [adres 2] tegen de gemeente. In dat arrest is een vonnis van de kantonrechter te Zwolle van 23 oktober 2012 bekrachtigd en is onder meer overwogen:

“Ook heeft hij [appellant, voorzieningenrechter] niets aangevoerd dat volledige stopzetting van iedere huurbetaling gedurende enkele jaren rechtvaardigt.(..)
Het jarenlang geen huur betalen is naar het oordeel van het hof dermate ernstig dat dit ontbinding van de huurovereenkomst rechtvaardigt, (..)”.

2.15.

[A] en [X] hebben de gemeente op 30 oktober 2014 een brief gestuurd, waarin onder meer het volgende vermeld staat:
“Over de staanplaats [adres 1] wat er nou mee gebeuren moet

We hebben een beetje over en weer gepraat maar waren het niet echt met elkaar eens

(..)

Maar om een lang verhaal maar in te korten

Vroegen ze wat wij een reaal bedrag vonden om weg te gaan

(..)
wij zijn uitgekomen op een bedrag van 350000,-

(..)

Daar gaan we met ons allen voor weg en ruimen dan alles op inc de wagen en maken ons vak leeg

(..)”

2.16.

Bij vonnis van 18 augustus 2015 heeft de kantonrechter te Zwolle de huurovereenkomst tussen de gemeente en [X] ontbonden en is [X] veroordeeld tot ontruiming van de standplaats, aangezien [X] in strijd had gehandeld met de huurovereenkomst door de standplaats niet zelf te bewonen, maar de standplaats aan een derde in gebruik te geven, welke derde op de standplaats een bedrijf uitoefende. Het betreffende vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

2.17.

In april 2016 hebben [A] en [X] de kantonrechter te Zwolle om het medehuurschap van [A] verzocht. Dit verzoek is bij vonnis van 28 juni 2016 afgewezen.

2.18.

[A] heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de kantonrechter van 18 augustus 2015. In de betreffende memorie van grieven staat over de eigendom van de woonwagen vermeld:

“De woonwagen die daar als sinds jaar en dag op staat, tot op de dag van vandaag, is van partijen samen en is relatief luxe en kostbaar.”

[X] heeft tijdens het pleidooi van 31 maart 2017 in de betreffende hoger beroep procedure, bij welk pleidooi [A] ook aanwezig was, ten aanzien van de eigendom van de woonwagen blijkens het proces-verbaal van de betreffende zitting het volgende verklaard:
“juridisch gezien is [A] de eigenaar van de woning, maar wij zijn één. Er zijn geen eigendomspapieren, want kadastraal is er niks geregeld. In 1999/2000 is het huis gebouwd door mijzelf. De bouwmaterialen en dergelijke zijn betaald door degene die maar net op dat moment naar de bouwmarkt ging. Er is geen hypotheek op de wagen. Wij zouden pas een hypotheek krijgen als de grond van ons zou zijn. (..) Er is geen bewijs van wie de wagen precies is.”

2.19.

In een door [X] aanhangig gemaakt kort geding bij de voorzieningenrechter te Zwolle en in een door [X] en [A] aangespannen procedure bij het College voor de Rechten van de Mens is als feit vastgesteld dat [X] en [A] gezamenlijk eigenaar zijn van de woonwagen.

2.20.

Bij arrest van 23 mei 2017 heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden het vonnis van de kantonrechter van 18 augustus 2015 bekrachtigd. In dat arrest is, voor zover van belang, het volgende overwogen:

“Het hof overweegt dat de ontbinding van de huurovereenkomst impliceert dat [X] geen rechten meer kan doen gelden op de standplaats en dat hij met het zijne en de zijnen met medeneming van de aan hem toebehorende eigendommen deze standplaats zal dienen te ontruimen. Mevrouw [A] is geen partij in deze procedure. Van haar staat vast dat zij ook geen medehuurster is. Wel is zij waarschijnlijk mede-eigenaar van de woonwagen en pretendeert zij een leveringsrecht te hebben, waarover in deze procedure geen beslissing is komen te vallen. Het gaat het bestek van deze procedure, waarin [A] niet is betrokken, te buiten dat de gemeente wordt gemachtigd een waarschijnlijk in mede-eigendom van [A] toebehorende wagen – in de woorden van [X] – te “knijpen” (vernietigen).”

2.21.

In een door de gemeente op 3 april 2017 van [X] en [A] ontvangen brief staat, voor zover relevant, vermeld:

“Wij, [X] en [A] , verklaren dat wij samen eigenaar zijn van de wagen aan [adres 1] .”

2.22.

Op 26 juni 2017 heeft de gemeente het arrest van het gerechtshof van 23 mei 2017 en het vonnis van de kantonrechter van 18 augustus 2015 (nogmaals) aan [X] laten betekenen, waarbij de ontruiming van de standplaats is aangezegd tegen 7 september 2017.

2.23.

Bij brief van 16 juni 2016 heeft mr. Both de gemeente namens [A] en [X] aansprakelijk gesteld uit hoofde van onrechtmatige (overheids-)daad, alsmede uit hoofde van toerekenbare tekortkoming. In deze brief staat onder meer vermeld dat er wilsovereenstemming is bereikt over de koop van de grond “waarop sinds jaar en dag de waardevolle wagen van cliënten staat.”

3 Het geschil in conventie

3.1.

[A] vordert de gemeente bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis te verbieden om het vonnis van de kantonrechter van 18 augustus 2015 en/of het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 23 mei 2017 verder ten uitvoer te leggen, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 230.000,00 en met veroordeling van de gemeente in de proceskosten, de nakosten daaronder begrepen.

3.2.

De gemeente voert verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 Het geschil in reconventie

4.1.

De gemeente vordert [A] bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis te veroordelen om de standplaats binnen twee weken met al het hare en de haren en onder medeneming van al haar (mede)eigendommen, waaronder de woonwagen, te ontruimen en ontruimd te houden, met veroordeling van [A] in de kosten van de procedure, de nakosten daaronder begrepen.

4.2.

[A] voert verweer.

4.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

5 De beoordeling in conventie

5.1.

Het spoedeisend belang vloeit voort uit de aard van het gevorderde en is ook overigens niet door de gemeente weersproken.

5.2.

[A] legt aan haar vordering ten grondslag dat de gemeente onrechtmatig jegens haar handelt door over te gaan tot ontruiming van de standplaats. Volgens [A] is er wilsovereenstemming bereikt over de koop van de standplaats en heeft zij recht op levering van de standplaats, althans heeft de gemeente in de gegeven omstandigheden een dooronderhandelingsplicht ten aanzien van die (ver)koop. [A] stelt tevens dat zij de enige eigenaar is van de op de standplaats geplaatste woonwagen en dat de gemeente haar eigendomsrechten dient te respecteren. Volgens [A] heeft de gemeente gelet op het dictum van het vonnis van de kantonrechter van 18 augustus 2015 ook helemaal geen ontruimingsbevoegdheid met betrekking tot de woonwagen en kan [A] de hoge kosten van het verwijderen van de woonwagen niet betalen.

5.3.

Nog daargelaten of [A] wel ontvankelijk is in haar vordering nu zij [X] niet in de procedure heeft betrokken, overweegt de voorzieningenrechter als volgt.

5.4.

Vooropgesteld wordt dat met de bekrachtiging van het vonnis van de kantonrechter van 18 augustus 2015 door het gerechtshof, er thans van dient te worden uitgegaan dat [X] zijn verplichtingen uit de huurovereenkomst niet is nagekomen en dat de betreffende tekortkomingen de ontbinding van de huurovereenkomst rechtvaardigen. Voor zover [A] in de onderhavige procedure op dit punt verweer heeft gevoerd, dient aan dat verweer voorbij te worden gegaan, nu een executie kort geding geen verkapt rechtsmiddel kan zijn.

5.5.

[A] stelt zich primair op het standpunt aanspraak te kunnen maken op levering van de standplaats. Volgens [A] is met het versturen van de hiervoor onder 2.7 genoemde brieven wilsovereenstemming bereikt over de koop van de standplaats, althans is op een – niet nader door haar aangeduid – later moment wilsovereenstemming over die koop bereikt.

5.6.

Hoewel de brieven van [A] van 3 en 13 december 2007 in beginsel duiden op een aanvaarding van het door de gemeente gedane aanbod, is onvoldoende aannemelijk geworden dat tussen partijen een koopovereenkomst met betrekking tot de standplaats bestaat. De gemeente heeft immers aan haar aanbod tot verkoop van de standplaats verschillende voorwaarden verbonden, waaronder de voorwaarde dat de huurders van de andere standplaatsen ook tot koop van die standplaatsen zouden overgaan. Tussen partijen is niet in geschil dat deze voorwaarde niet vervuld is.

5.7.

[A] heeft ter zitting aangevoerd dat de gemeente voornoemde voorwaarden heeft prijsgegeven. Dat de gemeente [A] op een later moment een onvoorwaardelijk aanbod tot koop van de standplaats heeft gedaan en dat [A] dat aanbod vervolgens heeft aanvaard, is echter niet aannemelijk geworden. De hiervoor onder 2.13 genoemde brief van 6 oktober 2011 biedt hiertoe geen aanknopingspunten. Uit deze brief volgt slechts dat de gemeente naar aanleiding van de uitkomst van een bodemonderzoek vooralsnog niet meer tot verkoop van de grond over kon/wilde gaan. Nu niet aannemelijk is geworden dat er een koopovereenkomst tussen partijen bestaat, wordt de stelling van [A] dat zij aanspraak kan maken op levering van de standplaats gepasseerd.

5.8.

[A] stelt ook dat de gemeente tot en met 2014 met haar is blijven onderhandelen over de koop van de standplaats en dat de houding van de gemeente ineens veranderde op het moment dat zij een nieuwe medewerker in dienst kreeg. Volgens [A] heeft de gemeente de onderhandelingen vervolgens op onrechtmatige wijze gestaakt en heeft de gemeente een verplichting tot onderhandelen.

5.9.

Dat [A] na 2011 met de gemeente is blijven onderhandelen over de koop van de standplaats is niet aannemelijk geworden. Uit het hiervoor onder 2.12 genoemde verslag van het gesprek dat [A] en [X] op 4 juli 2011 met de gemeente hebben gehad volgt dat op dat moment reeds duidelijk was dat de verkoop niet door kon gaan omdat de standplaatsen vervuild bleken te zijn. Ook blijkt uit dat verslag dat [A] , [X] en de huurders van de andere standplaatsen door de gemeente uitgekocht wilden worden. Vast staat dat [A] en [X] bij brief van 30 oktober 2014 aan de gemeente kenbaar hebben gemaakt tegen betaling van een bedrag van € 350.000,00 de standplaats te zullen ontruimen. Dat partijen is de tussenliggende periode zijn blijven onderhandelen over de verkoop van de standplaats blijkt nergens uit.

Namens de gemeente is wat dit betreft ter zitting verklaard dat de provincie haar op enig moment in 2011 – kennelijk na het versturen van de brief van 6 oktober 2011 – duidelijk heeft gemaakt dat zij geen verplichting had tot het saneren van de grond en dat de bodemverontreiniging dus geen beletsel vormde voor de verkoop van de standplaatsen. Volgens de gemeente bleek op dat moment echter dat de huurders van de andere standplaatsen een huurachterstand hadden en was de verkoop van de standplaatsen gelet op de daarvoor (in de brief van 17 maart 2008 genoemde) geldende voorwaarden om die reden vervolgens niet meer aan de orde. De voorzieningenrechter acht deze verklaring plausibel, aangezien deze aansluit bij het hiervoor onder 2.14 genoemde arrest, waaruit volgt dat ten aanzien van tenminste één huurder sprake was van een huurachterstand. Nu niet aannemelijk is geworden dat de gemeente met [A] is blijven onderhandelen over de verkoop van de standplaats, kan evenmin volgehouden worden dat de gemeente een verplichting heeft tot dooronderhandelen met [A] . Ook aan deze stelling zal derhalve voorbij worden gegaan.

5.10.

De stelling dat [A] de enige eigenaar is van de woonwagen en de stelling dat het veel geld kost om deze van de standplaats te verwijderen, kunnen [A] evenmin baten. Vooropgesteld wordt dat [X] in eerdere procedures, waarbij [A] ook betrokken is geweest, steeds heeft verklaard dat hij samen met [A] eigenaar is van de woonwagen en dat [X] en [A] dit ook in brieven aan de gemeente kenbaar hebben gemaakt. Het is dus de vraag hoeveel waarde thans moet worden gehecht aan de stelling van [A] dat zij de enige eigenaar is van de woonwagen. Wat hier echter ook van zij, voorshands moet er van worden uitgegaan dat [A] jegens de gemeente geen enkel recht of titel heeft tot gebruik van de standplaats. Niet aannemelijk is immers geworden dat het tot een koop van de standplaats is gekomen, dit terwijl [A] geen huurder of medehuurder is van de standplaats. [A] kan zich jegens de gemeente er dan ook niet op beroepen als (enig) eigenaar van de woonwagen gerechtigd te zijn de woonwagen ter plaatse te laten staan. Eventuele problemen ten aanzien van de executie van het vonnis van 18 augustus 2015 heeft de gemeente ondervangen met het instellen van een reconventionele vordering, waarover later meer.

Dat het verwijderen van de woonwagen veel geld kost, is een omstandigheid die voor risico van [A] komt, nu zij er (al dan niet met [X] ) zelf voor gekozen heeft een grote woonwagen te bouwen op grond die niet haar eigendom is.

5.11.

[A] heeft nog aangevoerd dat er ten aanzien van de tussen [X] en de gemeente gesloten huurovereenkomst sprake is geweest van misbruik van omstandigheden, althans dwaling, nu die huurovereenkomst slechts voor de vorm en op aanraden van een extern adviseur van de gemeente op naam van [X] is gezet. Ter zitting heeft zij de vernietiging van de betreffende huurovereenkomst ingeroepen en een beroep gedaan op de tussen haar en de gemeente in 1996 gesloten huurovereenkomst. Aangezien [A] de betreffende stelling echter onvoldoende heeft toegelicht, zal hieraan voorbij worden gegaan.

5.12.

[A] heeft tot slot nog gesteld dat sprake is van een onrechtmatige overheidsdaad, alsmede dat de gemeente door natrekking eigenaar is geworden van de woonwagen en heeft een beroep gedaan op een opschortingsrecht. Ook aan deze stellingen en dit beroep zal echter voorbij worden gegaan. Dat sprake zou zijn van een onrechtmatige overheidsdaad of van natrekking doet thans niet ter zake, nu [A] meent uit dien hoofde een schadevergoedingsvordering op de gemeente te hebben, terwijl zij in casu slechts tracht de ontruiming van de standplaats tegen te houden. Van een opschortingsrecht aan de zijde van [A] is geen sprake, aangezien de door [A] gepretendeerde geldvorderingen thans nog niet opeisbaar zijn.

5.13.

De conclusie uit het voorgaande is dat de vordering van [A] zal worden afgewezen.

5.14.

[A] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van de gemeente worden begroot op:

- griffierecht € 618,00

- salaris advocaat 816,00

Totaal € 1.434,00

6 De beoordeling in reconventie

6.1.

De gemeente vordert veroordeling van [A] tot ontruiming van de standplaats. Zij legt aan deze vordering ten grondslag dat [A] geen recht of titel heeft om de woonwagen op de standplaats te laten staan en dat [A] heeft aangegeven niet bereid te zijn om de woonwagen vrijwillig van de standplaats te verwijderen.

6.2.

Het spoedeisend belang vloeit voldoende voort uit de stellingen van de gemeente en is ook overigens niet door [A] weersproken.

6.3.

[A] heeft aangevoerd dat toewijzing van de vordering van de gemeente onomkeerbare gevolgen heeft en dat de vordering om die reden moet worden afgewezen. Zij miskent hiermee echter dat de rechter op grond van vaste jurisprudentie in kort geding ook een voorziening kan treffen waarvan de gevolgen in feite niet meer herstelbaar zijn. Overigens heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in het arrest van 23 mei 2017 geen beslissing genomen over de vernietiging van de woonwagen.

6.4.

Zoals hiervoor in conventie reeds is overwogen, is voorshands voldoende aannemelijk geworden dat [A] jegens de gemeente geen enkel recht of titel heeft tot het gebruik van de standplaats. Gelet hierop acht de voorzieningenrechter dan ook aannemelijk dat de rechter in een bodemprocedure tot het oordeel zal komen dat [A] de standplaats dient te ontruimen. De vordering tot ontruiming zal thans derhalve worden toegewezen.

6.5.

Aangezien de door de gemeente gevorderde ontruimingstermijn onduidelijk is, zal bepaald worden dat de ontruiming binnen twee weken na betekening van dit vonnis dient plaats te vinden. [A] heeft naar het oordeel van de voorzieningenrechter voldoende tijd gehad om een andere standplaats te vinden, zodat er geen aanleiding bestaat voor een langere ontruimingstermijn.

6.6.

[A] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van de gemeente worden begroot op een bedrag van

€ 408,00 aan salaris advocaat (factor 0,5 × tarief € 816,00).

7 De beslissing

De voorzieningenrechter

in conventie

7.1.

wijst de vordering af,

7.2.

veroordeelt [A] in de proceskosten, aan de zijde van de gemeente tot op heden begroot op € 1.434,00,

in reconventie

7.3.

veroordeelt [A] om binnen twee weken na betekening van dit vonnis de standplaats aan de [adres 1] met al het hare en de haren en onder medeneming van al haar (mede)eigendommen, waaronder de zich op de standplaats bevindende woonwagen, te ontruimen en ontruimd te houden,

7.4.

veroordeelt [A] in de proceskosten, aan de zijde van de gemeente tot op heden begroot op € 408,00,

in conventie en in reconventie

7.5.

veroordeelt [A] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 205,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [A] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak,

7.6.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,

7.7.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.J.H. van Meegen en in het openbaar uitgesproken op 13 juli 2017.