Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2017:277

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
25-01-2017
Datum publicatie
25-01-2017
Zaaknummer
C/08/196161 / KG ZA 17-1
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Afwijzing vordering tot integrale nakoming van de managementovereenkomst, die moet worden gekwalificeerd als een overeenkomst van opdracht (7:400 BW). Een dergelijke overeenkomst kan ingevolge artikel 7:408 BW te allen tijde door de opdrachtgever worden opgezegd. Commerciële partijen kunnen afspreken die mogelijkheid uit te sluiten (7:413 lid 2 BW).

Uitleg van de overeenkomst tussen partijen met betrekking tot de vraag of partijen al dan niet hebben beoogd tussentijds opzegging van de overeenkomst onmogelijk te maken.

Voorshands oordelend is die onmogelijkheid niet beoogd. De gehanteerde opzegtermijn is kort gelet op de lange nakomings- en bestaansduur van de overeenkomst. Dit is niet gecompenseerd door een adequaat aanbod tot schadevergoeding. Aldus is sprake van een onregelmatige opzegging waardoor schadeplichtigheid is ontstaan. De kans dat deze korte opzegtermijn in een bodemzaak stand zal houden wordt groot geacht en zal zich dan vertalen in een juist daardoor vereiste hogere schadevergoeding. Het gaan in casu dan ook te ver om nog nakoming/voortduring van de overeenkomst te vergen voor de duur van een mogelijk langere opzegtermijn. Bovendien kunnen partijen niet meer door één deur, aangezien hun standpunten over hoe het in het kader van nakoming verder zou moeten mijlenver uiteen liggen. Nakoming zou alleen maar tot meer problemen aanleiding geven. Wat over (een deel van) december 2016 nog aan managementvergoeding betaald zou moeten worden laat zich in dit kort geding bij gebrek aan financiële gegevens niet vaststellen.

De reconventionele vordering, die kort gezegd inhoudt het weer toegankelijk maken van de administratie / de systemen die worden gebruiken voor boekingen, factureren en pintransacties, wordt toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/515
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Almelo

zaaknummer / rolnummer: C/08/196161 / KG ZA 17-1

Vonnis in kort geding van 25 januari 2017

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

INTERNATIONAL HOTEL MANAGEMENT GROUP B.V.,

gevestigd te Rheden,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

advocaat mr. H.C.W. Geffroy te Ede,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

HOTEL PAAL ACHT B.V.,

gevestigd op Terschelling,

gedaagden in conventie,

eiseressen in reconventie,

advocaat mr. S.R. Voorhorst te Baarn.

Partijen zullen hierna IHMG en HPA worden genoemd.

1 De weergave van het procesverloop

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding met de producties 1 tot en met 11;

  • -

    de brief van IHMG van 5 januari 2017, tevens houdende een akte eiswijziging, met

de producties 12 tot en met 25;

  • -

    de brief van 9 januari 2017 van HPA met een drietal producties;

  • -

    de mondelinge behandeling;

  • -

    de pleitnota van IHMG;

  • -

    de pleitnota van HPA;

  • -

    de eis in reconventie.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald op heden.

2 Waarvan kan worden uitgegaan

2.1.

De ondernemingsactiviteiten van HPA bestaan uit het exploiteren van het hotelcomplex, gelegen aan de Badweg 4 te Terschelling.

2.2.

De met het hotel verbonden onroerende zaak behoort toe aan enkele tientallen (individuele) appartementsgerechtigden.

2.3.

Enig aandeelhouder van HPA is de besloten vennootschap Hotel Paal Acht OG B.V. Enig bestuurder van Hotel Paal Acht OG B.V. was de Stichting Administratiekantoor Hotel Paal Acht (hierna: de Stichting).

2.4.

HPA heeft op 21 juli 2009 een managementovereenkomst gesloten met Sandton Hotelmanagement B.V., de rechtsvoorgangster van IHMG. De overeenkomst is gesloten voor de duur van 10 jaar, en derhalve eindigend op 30 juni 2019.

2.5.

Artikel 2 van die managementovereenkomst luidt als volgt:

Artikel 2 - Duur van de overeenkomst

a. De overeenkomst wordt aangegaan voor een periode van 10 (tien) jaar ingaande

1 juli 2009 en derhalve eindigend op 30 juni 2019.

Na het verstrijken van de in artikel 2a) genoemde periode wordt deze overeenkomst voortgezet met een aansluitende periode van 10 (tien) jaar. Deze overeenkomst wordt vervolgens voortgezet voor een aansluitende periode van telkens 10 jaar.

Beëindiging van deze overeenkomst vindt plaats door opzegging tegen het einde van de overeenkomst met inachtneming van een termijn van tenminste 1 (één) jaar.

Opzegging dient te geschieden bij deurwaardersexploot of per aangetekend schrijven.

2.6.

De rechten en verplichtingen uit hoofde van die managementovereenkomst zijn op 11 december 2014 met goedvinden van HPA door Sandton Hotelmanagement B.V. overgedragen aan en voortgezet door IHMG. IHMG exploiteert en voert het management over de ‘Sandton Hotels’ in Nederland en België.

2.7.

Op 17 maart 2015 is door partijen een addendum aan de dus reeds bestaande managementovereenkomst toegevoegd, waarin is bepaald dat de overeenkomst, ingaande

1 mei 2015, zou voortduren tot en met 30 april 2015 (lees: 2025). De inhoud van de reeds gemaakte en dus schriftelijk vastgelegde afspraken is in het addendum niet aangepast. De verwoording van de eerder gemaakte afspraken is gehandhaafd.

2.8.

Bij brief van 14 oktober 2016 heeft HPA de overeenkomst van partijen eenzijdig beëindigd door opzegging daarvan per 1 januari 2017.

2.9.

Bij brief van eveneens 14 oktober 2016 is IHMG op de hoogte gesteld van het besluit van de aandeelhoudersvergadering van HPA dat IHMG per 1 januari 2017 is ontslagen uit de vennootschapsrechtelijke functie van statutair bestuurder van HPA.

2.10.

Ingaande 16 december 2016 is door de aandeelhoudersvergadering van HPA mevrouw [A] tot statutair bestuurder benoemd naast IHMG. Vanaf 1 januari 2017 is IHMG dus geen statutair bestuurder meer van HPA en bekleedt enkel [A] die functie.

2.11.

[A] heeft na haar aantreden de (door)betaling van de managementfee aan IHMG geblokkeerd.

2.12.

Per 1 januari 2017 heeft IHMG aan HPA de toegang ontnomen tot de administratie van HPA inclusief de systemen waarvan HPA afhankelijk is voor onder meer de boekingen van de gasten, het factureren en het laten plaatsvinden van pintransacties.

3 De weergave van het geschil in conventie

3.1.

IHMG vordert na eiswijziging samengevat - veroordeling van HPA:

  1. tot het integraal nakomen van de managementovereenkomst jegens IHMG, tot aan de dag dat deze managementovereenkomst rechtsgeldig is geëindigd;

  2. tot het gehengen en gedogen dat IHMG van haar zijde de managementovereenkomst integraal en ongehinderd nakomt, een en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom ter grootte van € 10.000,- per dag voor elke dag dat HPA hiermee in gebreke blijft;

  3. tot betaling van de managementfee aan IHMG over de periode oktober tot en met december 2016 voor het bedrag van € 35.552,22 inclusief BTW, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente, alsmede de over de periode januari 2017 tot aan de dag dat de managementovereenkomst rechtsgeldig is geëindigd, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente;

  4. in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover.

3.2.

HPA voert gemotiveerd verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De weergave van het geschil in reconventie

4.1.

HPA vordert in reconventie samengevat - IHMG op straffe van verbeurte van een dwangsom te veroordelen om uiterlijk 48 uur na betekening van het vonnis de volledige administratie van HPA voor HPA toegankelijk te maken. Tevens vordert HPA IHMG te veroordelen in de (na)kosten van dit geding, te vermeerderen met de wettelijke rente.

4.2.

IHMG voert gemotiveerd verweer.

4.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

5 De beoordeling in conventie en in reconventie

5.1.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat IHMG met haar stelling dat HPA de managementvergoeding onbetaald heeft gelaten reeds een voldoende spoedeisend belang heeft gesteld en dat ook de overige vorderingen naar haar aard al spoedeisend zijn. De voorzieningenrechter zal dan ook overgaan tot de inhoudelijke beoordeling.

5.2.

Niet is in dit geding in geschil het vennootschapsrechtelijk ontslag van IHMG als bestuurder van HPA per 1 januari 2017. Wel is in dit geding in geschil de rechtmatigheid van de eenzijdige beëindiging van de overeenkomst van partijen per 1 januari 2017.

5.3.

Het standpunt van IHMG inhoudende dat de overeenkomst van partijen niet tussentijds door opzegging kan worden beëindigd, wordt voorshands oordelend niet gevolgd. Dit oordeel behoeft de volgende toelichting.

5.4.

De overeenkomst van partijen moet worden gekwalificeerd als een overeenkomst van opdracht in de zin van artikel 7:400 Burgerlijk Wetboek. Een dergelijke overeenkomst kan tussentijds door de opdrachtgever – in casu HPA - worden beëindigd door opzegging, waarbij een redelijke opzegtermijn in acht moet worden genomen. Artikel 7:408 BW luidt immers als volgt: “1. De opdrachtgever kan te allen tijde de overeenkomst opzeggen.”.

Dit laatste met dien verstande dat commerciële partijen - waarvan hier sprake is - kunnen afspreken die mogelijkheid uit te sluiten (zie artikel 7:413 lid 2 Burgerlijk Wetboek) .

5.4.

In casu is naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet in de op schrift vastgelegde afspraken te lezen dat partijen een dergelijke uitsluiting van de mogelijkheid van tussentijdse beëindiging zijn overeengekomen. Door IHMG is aangevoerd dat zulks wel impliciet bedoeld is af te spreken in artikel, 2 lid c van de overeenkomst, welke bepaling hiervoor onder 2.5 is aangehaald. Door HPA is weersproken dat partijen aldus de mogelijkheid van tussentijdse beëindiging hebben uitgesloten.

5.5.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat het bepaalde in artikel 2 lid b en c blijkens haar inhoud en strekking uitdrukkelijk alleen ziet op beëindiging van de overeenkomst tegen het naderend einde van de overeengekomen looptijd, en welke opzegtermijn dan in die situatie in acht moet worden genomen om te voorkomen dat de overeenkomst voor bepaalde tijd “automatisch” wordt verlengd. Daarin kan en mag voorshands oordelend niet ook worden gelezen dat daarmee tevens door partijen is beoogd af te spreken om tussentijdse beëindiging onmogelijk te maken. Partijen hebben toen en later kennelijk nagelaten om dat in die harde vorm vast te leggen. Door IHMG is ook niet aangevoerd dat partijen anderszins (nader) zijn overeengekomen dat tussentijdse beëindiging van het door hen overeengekomene is uitgesloten.

5.6.

Omdat het dus qua werking door partijen niet uitgesloten artikel 7:408 Burgerlijk Wetboek aan HPA de mogelijkheid is blijven bieden om te allen tijde de overeenkomst op te zeggen, kan niet aan de orde zijn de beoordeling van de vraag of de redelijkheid en billijkheid meebrengen dat opzegging slechts mogelijk is als daartoe een voldoende zwaarwegende grond bestaat. Wel is hier relevant of in casu uit de redelijkheid en billijkheid voortvloeit dat door HPA een bepaalde opzegtermijn in acht had moeten worden worden genomen of dat de opzegging gepaard had moeten gaan met een aanbod tot schadevergoeding. Hier dient (dus) aangesloten te worden bij wat rechtens geldt voor de beëindiging van duurovereenkomsten.

5.7.

De door HPA gehanteerde opzegtermijn van 2,5 maanden is gelet op de lange nakomings- en bestaansduur van de overeenkomst en de aard en omvang van de gemaakte afspraken en de ingrijpendheid van de beëindiging van deze overeenkomst voor de onderneming van IHMG kort te noemen. HPA had dat kunnen compenseren door het gelijktijdig doen van een adequaat aanbod tot schadevergoeding. Dat laatste is echter niet gedaan door HPA. Ook later heeft zij dat niet alsnog gedaan. Weliswaar is in een later stadium door HPA aan IHMG aangeboden om hun beëindigingsgeschil met een schikking te beëindigen tegen betaling door HPA aan IHMG van € 100.000,-, welk aanbod niet is aanvaard door IHMG. Onduidelijk is gebleven wat de component schadevergoeding is, die zou moeten zijn begrepen in dat aangeboden bedrag. Immers is dat bedrag kennelijk bedoeld geweest als een volledige finale afrekening van partijen, waarbij met name ook wordt afgerekend hetgeen waarop IHMG recht heeft tot de datum van 1 januari 2017 alsmede – kennelijk ook – de afrekening van de tussen partijen bestaande rekening-courant verhouding. In het bijzonder dat laatste oogt op voorhand gecompliceerd nu door IHMG ter zitting onweersproken is gesteld dat door haar – conform daartoe met HPA gemaakte afspraken - in de loop van de jaren middels die rekening-courant verhouding haar toekomende managementvergoedingen in de onderneming zijn gelaten en aldus “zijn geïnvesteerd” in dit hotelbedrijf. Een en ander loslatend op voormeld aangeboden bedrag, moet voorshands oordelend de conclusie zijn dat de daarin begrepen component voor schadevergoeding wegens onregelmatige beëindiging (veel) te gering is geweest als schade vergoeding voor juist deze snelle beëindiging. De voorzieningenrechter laat daarbij dan nog in het midden in hoeverre IHMG als opdrachtnemer nog enig toekomstig “loon” toekomt op grond van het zich mogelijk kunnen voordoen van de de in artikel 7:411 Burgerlijk Wetboek genoemde gevallen.

5.8.

Aldus oordelend, moet voorshands de conclusie zijn dat sprake is geweest van een onregelmatige opzegging, waardoor HPA jegens IHMG schadeplichtig is geworden, en zulks dus nog los van de in verband met die beëindiging op HPA rustende verplichting om deugdelijk met IHMG af te rekenen.

5.9.

De kans dat de bodemrechter alsnog later komt tot het oordeel dat de gehanteerde opzegtermijn via de weg van artikel 3:42 Burgerlijk Wetboek moet worden geconverteerd in een langere opzegtermijn, oordeelt de voorzieningenrechter thans nog als gering. Of anders gezegd: de kans moet groot worden geacht dat de gehanteerde korte opzegtermijn zich zal gaan vertalen in een juist daardoor vereiste hogere schadevergoeding. Het gaat in casu dan ook te ver om nog nakoming/voortduring van die overeenkomst te vergen voor de duur van een mogelijk langere opzegtermijn.

5.10.

Partijen kunnen ook niet meer door 1 deur. Hun standpunten over hoe het in het kader van nakoming verder zou moeten, liggen mijlenver uiteen. Over en weer is het vertrouwen geschaad. Nakoming zou alleen maar tot meer problemen aanleiding geven. Door HPA is aangevoerd dat op de feitelijk nakoming door IHMG geen prijs meer wordt gesteld, en dat zij in eigen beheer zorg heeft te dragen voor het management van de hotelvoorziening met toebehoren. Dit vooral ook om dat het daartoe vereiste vertrouwen aan de zijde van HPA vooralsnog geheel is komen te ontbreken.

5.11.

Het door IHMG onder 1 en 2 gevorderde gaat uit van de situatie dat de overeenkomst van partijen gewoon wordt voortgezet “alsof er niets aan de hand is” totdat deze rechtsverhouding alsnog rechtsgeldig is beëindigd. Hiervoor is reeds overwogen dat de voorzieningenrechter daartoe niet zal beslissen. Het onder 1 en 2 gevorderde zal daarom worden afgewezen. Overigens lenen die vorderingen zich ook voor afwijzing omdat daarmee in algemene bewoordingen “nakoming” wordt gevorderd, zonder daartoe specifieke ordemaatregelen als toelating e.d. te eisen in kort geding. Alleen voor dergelijke ordemaatregelen kan een kort geding een platform bieden. Een verkapt declaratoir met dwangsom - zoals verzocht - inhoudende dat sprake is van niet-nakoming en daaraan een einde moet worden gemaakt, leent zich niet in die vorm voor toewijzing in kort geding.

5.12.

Voorts wordt onder 3 – zoals gewijzigd – een betalingsveroordeling gevorderd van hetgeen waarop IHMG tot en met december 2016 recht meent te hebben op basis van de overeenkomst van partijen, alsmede doorbetaling van de managementvergoeding totdat de overeenkomst rechtsgeldig is beëindigd. Daartoe is weer nakoming ten grondslag gelegd.

Door HPA is bij wijze van verweer aangevoerd dat de aan IHMG toekomende managementvergoeding over de periode tot en met november 2016 reeds moet zijn betaald via de rekening-courantverhouding van partijen, en wel door IHMG aan zichzelf. Die voorstelling van zaken is ter zitting door IHMG niet als zodanig weersproken, zodat in dit kort geding voorshands voor juist moet worden gehouden dat betaling van het IHMG toekomende reeds heeft plaatsgevonden tot en met november 2016. Wat IHMG alleen over (een deel van) december 2016 nog zou toekomen aan managementvergoeding laat zich in dit kort geding bij gebrek aan financiële gegevens niet vaststellen.

5.13.

Door IHMG is in dit geding geen bevoorschotting gevorderd van haar toekomende schadevergoeding. Het gaat te ver om dat mede te begrijpen als grondslag voor de verzochte betalingsveroordeling die zo uitdrukkelijk is opgehangen aan de grondslag van nakoming.

5.14.

De slotsom luidt in conventie dan ook dat het door IHMG gevorderde moet worden afgewezen met veroordeling van IHMG als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten die in conventie aan de zijde van HPA zijn gevallen. De kosten aan de zijde van HPA worden begroot op:

- griffierecht 1.924,00

- salaris advocaat 816,00

Totaal € 2.740,00

5.15.

De vordering in reconventie leent zich voor toewijzing in na te melden zin. IHMG heeft het voor HPA onmogelijk gemaakt dat HPA (of een door haar in te schakelen derde) gebruik kan maken van haar eigen administratie, te weten van de geautomatiseerde boekings-, registratie- en betalingssystemen. IHMG stelt gebruik te maken van een haar toekomend opschortingsrecht door het gebruik maken van die systemen voor HPA onmogelijk te maken. In het nu eenmaal beperkte bestek van dit kort geding is onduidelijk gebleven wat over het blijven gebruiken door HPA zelf - zonder tussenkomst van IHMG - van die systemen in een situatie als deze is overeengekomen. Onduidelijk blijft ook of juist alleen dat ter beschikking stellen van die systemen een prestatie is van alleen IHMG, welke prestatie als zodanig zou kunnen worden opgeschort. Daarbij komt dat het inroepen van juist een dergelijk opschortingsrecht grote implicaties heeft voor de continuïteit van de onderneming van HPA, waarbij zelfs pinbetalingen door gasten tot de onmogelijkheden zijn gaan behoren. Daardoor wordt op onevenredige wijze schade veroorzaakt, wat voorkomen kan en moet worden. De gevorderde dwangsom zal worden teruggebracht en gemaximaliseerd.

5.16.

In reconventie zal IHMG als de in het ongelijk gestelde partij worden verwezen in de kosten die in dat geding zijn gevallen aan de zijde van HPA. De kosten aan de zijde van HPA worden begroot op € 408,00 (factor 0,5 x tarief € 816,00), zijnde het salaris advocaat.

6 De beslissing

De voorzieningenrechter

in conventie

6.1.

wijst af het gevorderde;

6.2.

veroordeelt IHMG in de proceskosten, aan de zijde van HPA tot op heden begroot op € 2.740,00, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover met ingang van de veertiende dag na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

6.3.

verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,

in reconventie

6.4.

veroordeelt IHMG om uiterlijk 5 x 24 uren na betekening van dit vonnis de volledige administratie van HPA voor HPA toegankelijk te maken,

6.5.

veroordeelt IHMG om aan HPA een dwangsom te betalen van € 2.500,00 voor elke dag of gedeelte daarvan dat IHMG niet aan de in 6.4. uitgesproken hoofdveroordeling voldoet, tot een maximum van € 50.000,00 is bereikt,

6.6.

veroordeelt IHMG in de proceskosten met bepaling dat indien deze kosten niet binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis zijn betaald, daarover de wettelijke rente is verschuldigd vanaf dat moment tot aan de dag der algehele voldoening. De kosten aan de zijde van HPA worden tot op deze uitspraak begroot op € 408,00 aan salaris van de advocaat,

6.7.

veroordeelt IHMG in de nakosten van deze procedure ten bedrage van respectievelijk € 131,-- zonder betekening en € 199,-- in geval van betekening, met bepaling dat indien deze kosten niet binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis zijn betaald, IHMG daarover de wettelijke rente is verschuldigd vanaf dat moment tot aan de dag der algehele voldoening,

6.8.

verklaart dit vonnis in reconventie uitvoerbaar bij voorraad,

6.9.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.L.J. Koopmans en in het openbaar uitgesproken op

25 januari 2017.1

1 type: coll: