Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2017:2707

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
04-07-2017
Datum publicatie
06-07-2017
Zaaknummer
C/08/202995 / KG ZA 17-189
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Verzet
Inhoudsindicatie

De man moet medewerking verlenen bij de afwikkeling van de echtscheiding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Zwolle

zaaknummer / rolnummer: C/08/202995 / KG ZA 17-189

Vonnis in verzet in kort geding van 4 juli 2017

in de zaak van

[de man] ,

wonende te [plaats] ,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

gedaagde in het verzet,

advocaat mr. S. Yücel te Amersfoort,

tegen

[de vrouw] ,

wonende te [plaats] ,

gedaagde in conventie,

eiser in reconventie,

eiser in het verzet,

advocaat mr. S.M. Wolff te Zwolle.

Partijen zullen hierna de vrouw en de man genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het op 9 mei 2017 tussen partijen gewezen verstekvonnis in de zaak met zaak-/rolnummer C/08/200527 / KG ZA 17-110

  • -

    de verzetdagvaarding d.d. 7 juni 2017 met daarin een eis in reconventie

  • -

    de bij brieven van 14 en 15 juni 2017 toegezonden producties van de vrouw

  • -

    de mondelinge behandeling van 19 juni 2017

  • -

    de pleitnota van de vrouw

  • -

    de pleitnota van de man.

1.2.

Hierna is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Partijen zijn tot 12 maart 2007 in algehele gemeenschap van goederen met elkaar gehuwd geweest.

2.2.

Bij vonnis van 12 februari 2014 is de verdeling van de tussen partijen ontbonden huwelijksgemeenschap vastgesteld. In dat vonnis is bepaald dat de vrouw dient mee te werken aan de toedeling aan de man van de voormalig echtelijke woning aan de [adres 1] (hierna te noemen de woning) en de panden van partijen aan de [adres 2] te Zwolle (hierna te noemen de panden), tegen gelijktijdig ontslag van de vrouw uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de op de woning en de panden gevestigde hypotheken. De man is in het betreffende vonnis onder meer veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 80.825,00 aan de vrouw wegens overbedeling.

2.3.

De man heeft op 30 juni 2014 een bedrag van € 25.000,00 aan de vrouw betaald en op 1 juli 2014 een bedrag van € 24.850,00 aan de stichting derdengelden van de toenmalige advocaat van de vrouw.

2.4.

Bij beschikking van 11 mei 2015 van deze rechtbank is op verzoek van de vrouw de door de man te betalen kinder- en partneralimentatie opnieuw vastgesteld. In deze beschikking is onder meer het volgende overwogen:
“De rechtbank overweegt ten aanzien van het inkomen van de man het volgende. (…) Omtrent de (hoogte van de) inkomsten van de man uit verhuur van 2 winkelruimten en twee appartementen in de panden [adres 2] verschillen partijen van mening. De rechtbank stelt het volgende vast. Er zijn twee bedrijfsruimten, welke thans worden verhuurd aan [X] en [Y] . De man ontvangt van [X] huur, gas, water en elektra van € 1.391,50 per maand en van [Y] € 300,-- per maand, inclusief 21% BTW aan huur en € 350,-- per maand, inclusief 21% BTW aan pacht. Daarnaast is komen vast te staan dat de man nog immer de twee appartementen aan derden verhuurd, in plaats van, zoals door de man aanvankelijk gesteld, één appartement aan een derde waarbij hij één appartement zelf zou bewonen. Uit de stukken blijkt dat de man van mevrouw Z. een bedrag van € 480,-- (€ 280,-- + € 200,--) per maand aan huur, € 50,-- per maand als voorschot op de vergoeding voor de bijkomende leveringen en diensten en € 20,-- per maand aan overige kosten

ontvangt. Uit de stukken blijkt voorts dat de man van de heer Van D. een bedrag van € 445,-- per maand aan huur, € 110,-- per maand als voorschot op de vergoeding voor de bijkomende leveringen en diensten en € 45,-- per maand aan overige kosten ontvangt.

In de beschikking van het Hof is nog een splitsing gemaakt tussen de door de man ontvangen huur en overige kosten uit de appartementen en de door de man ontvangen huur en overige kosten uit de kapsalon, doordat de huur e.d. uit de kapsalon in de jaarstukken van de man was vermeld, terwijl dit bij huur en overige kosten uit de appartementen niet het geval was. Het hof heeft toen separaat rekening gehouden met inkomsten van de man uit de verhuur van de twee appartementen van

€ 7.200,-- op jaarbasis. Uit de door de man overgelegde jaarstukken 2012 en 2013 blijkt dat huur en overige kosten uit de appartementen wel in de jaarstukken zijn vermeld, zodat de rechtbank niet afzonderlijk rekening zal houden met netto inkomsten van de man uit verhuur van de appartementen.

De man heeft jaarstukken 2012 en 2013 overgelegd betreffende bet bedrijf Sparerib Store. De man heeft ter zitting verklaard dat hij de activiteiten van dit bedrijf in 2012 heeft beëindigd. De man heeft tevens verklaard dat in de jaarstukken 2013 in de netto omzet geen rekening is gehouden met € 300,-- per maand, inclusief 21% BTW aan huur en € 350,-- per maand, inclusief 21% BTW aan pacht van [Y] .

Uit de jaarstukken 2013 blijkt dat het bedrijfsresultaat van de onderneming van de man € 9.603,-- per jaar bedraagt. De rechtbank zal dit bedrag corrigeren, waarbij rekening wordt gehouden met extra omzet van [Y] .”

2.5.

De man heeft op 3 september 2015 een bedrag van € 4.020,00 aan de vrouw betaald. Bij deze betaling staat als omschrijving vermeld:

“eindbedrag van 10.275 minus de huur van 6255 (9 maanden huur van 695 euro) blijft over 4020euro”

2.6.

Partijen zijn thans nog steeds ieder voor de onverdeelde helft eigenaar van de woning en de panden en hoofdelijk aansprakelijk voor de op deze onroerende zaken rustende hypothecaire schulden. De hypothecaire schuld op de woning bedraagt

€ 236.000,00 en die op de panden € 120.000,00.

2.7.

In de panden zijn twee winkelruimtes en twee appartementen gevestigd, die door de man worden verhuurd aan derden.

2.8.

De vrouw heeft de woning per 1 mei 2017, althans medio mei 2017 verlaten.

3 Het geschil in conventie

3.1.

De vrouw vordert bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:

primair

  • -

    te bepalen dat de woning en de panden verkocht dienen te worden,

  • -

    te bepalen dat een NVM makelaar te Zwolle, althans een door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen makelaar, in opdracht en voor rekening van partijen zal bemiddelen bij de verkoop van de woning en de panden, waarbij partijen ieder de helft van de kosten van de verkoop (waaronder de makelaarscourtage) dragen,
    - de vrouw last en machtiging te verlenen de woning en de panden zonder toestemming van de man onderhands dan wel openbaar te verkopen tegen een door de vrouw te bepalen verkoopprijs met behulp van een door haar dan wel door de voorzieningenrechter benoemde makelaar, en met bepaling van de wijze waarop van een en ander kennis zal worden gegeven aan de man,

  • -

    de man in geval van verkoop van de woning en de panden op straffe van verbeurte van een dwangsom te veroordelen om binnen twee dagen na een daartoe strekkend schriftelijk verzoek van de vrouw zijn volledige medewerking te verlenen aan de eigendomsoverdracht van zijn aandeel in die onroerende zaken en te verschijnen, voor zover dit rechtens noodzakelijk is, bij een door de vrouw aan te wijzen notaris en zijn medewerking te verlenen aan het doen verlijden van een (notariële) akte strekkende tot eigendomsoverdracht,

  • -

    te bepalen dat indien de man niet uiterlijk op de zevende dag na betekening van dit vonnis zijn medewerking als hiervoor beschreven heeft verleend, dit vonnis dezelfde kracht zal hebben als een (notariële) akte strekkende tot eigendomsoverdracht van het aandeel van de man in voornoemde onroerende zaken en te bepalen dat dit vonnis in de plaats komt van voormelde (notariële) akten,

- te bepalen dat de kosten van de makelaar en de notaris ten laste komen van de man en de vrouw, ieder bij helfte, en te bepalen dat de opbrengst van de verkoop onder de notaris blijft en dat hij zal zorgdragen voor aflossing van de hypothecaire geldleningen,

- te bepalen dat de man uiterlijk voor de datum van levering aan de koper/derde, de woning met afgifte van de sleutels dient te ontruimen met alle daarin aanwezige personen en zaken, en dat de man de woning ook daarna ontruimd dient te houden,

- te bepalen dat de man binnen twee werkdagen na betekening van dit vonnis aan de vrouw een voorschot op de huurinkomsten ten bedrage van € 25.000,- betaalt,

- te bepalen dat door de man binnen twee werkdagen na betekening van dit vonnis op straffe van verbeurte van een dwangsom de huurovereenkomsten geldend vanaf 12 februari 2014 en de bankafschriften vanaf 12 februari 2014 worden overgelegd,

- te bepalen dat de man op straffe van verbeurte van een dwangsom rekening en verantwoording aflegt jegens de vrouw over de huurinkomsten vanaf 14 februari 2014 en voorts dat de man 50% van de huurinkomsten p.m. betaalt aan de vrouw,

althans die beslissing te nemen die de voorzieningenrechter in goede justitie juist acht, met veroordeling van de man in de kosten van deze procedure,

Subsdiair vordert de vrouw bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:

- te bepalen dat de man binnen twee werkdagen na betekening van dit vonnis een NVM

makelaarskantoor te Zwolle onvoorwaardelijk de opdracht verstrekt tot de verkoop van de woning en de panden, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom,

- de man op straffe van verbeurte van een dwangsom te veroordelen om in verband met de verkoop van de woning en de panden alle medewerking te verlenen voor de verkoop en overdracht daarvan.

3.2.

De vrouw legt aan deze vorderingen het navolgende ten grondslag. De vrouw heeft de man herhaaldelijk verzocht om medewerking te verlenen aan de uitvoering van het vonnis van 12 februari 2014, maar de man weigert dit. De man is net als de vrouw niet in staat de op de woning en de panden rustende hypothecaire geldleningen over te nemen, zodat de woning en de panden verkocht dienen te worden. Van de vrouw kan niet verwacht worden dat zij langer in de onverdeeldheid blijft zitten met de man en dat de panden nog langer door de man worden verhuurd. De man weigert inzage te geven in de huurovereenkomsten en in de huurinkomsten. De helft van de huurinkomsten van na 12 februari 2014 komen aan de vrouw toe en geschat wordt dat de maandelijkse huurinkomsten van de man € 5.000,00 bedragen.

3.3.

De man voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 Het geschil in reconventie

4.1.

De man vordert bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:

  • -

    te bepalen dat de woning verkocht dient te worden middels tussenkomst van Woonaccent Makelaars Van Dorsten te Zwolle, waarbij de vraag- en laatprijs in gezamenlijk overleg tussen partijen en de makelaar wordt bepaald,

  • -

    te bepalen dat indien de man vóór 1 juli 2017 er niet in slaagt de vrouw te ontslaan uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de op de panden rustende hypothecaire geldleningen, deze panden, dan wel één dezer panden, eveneens dienen/dient te worden verkocht middels tussenkomst van voornoemde makelaar, waarbij de vraag- en laatprijs in gezamenlijk overleg tussen partijen en de makelaar wordt bepaald en waarbij de man de gelegenheid krijgt alsnog de financiering in orde te brengen tot aan het moment dat een koop met een derde wordt gesloten,

  • -

    te bepalen dan wel vast te stellen dat de hoofdsom van overbedeling ad € 80.825,00 genoemd in het vonnis van 12 februari 2014 door de man gedeeltelijk is voldaan middels betalingen per juni/juli 2014 en september 2014, van in totaal € 54.020,00,

  • -

    primair te bepalen dan wel vast te stellen dat de hoofdsom van overbedeling ad

€ 80.825,200 genoemd in het vonnis van 12 februari 2014 door de man gedeeltelijk is voldaan middels het niet door hem bij de vrouw opeisen van de aan hem toekomende huurpenningen voortvloeiende uit de huurovereenkomst met betrekking tot de woning over de periode oktober 2014 tot en met april 2017, zijnde 31 maandelijkse termijnen groot

€ 695,00 per maand, derhalve een totaalbedrag van € 21.545,00, dan wel subsidiair te bepalen dat de vrouw aan de man verschuldigd is 31 maandelijkse huurtermijnen van

€ 695,00 per maand, derhalve een totaalbedrag van € 21.545,00,

- primair te bepalen dan wel vast te stellen dat de hoofdsom van overbedeling genoemd in het vonnis van 12 februari 2014 door de man gedeeltelijk is voldaan middels het niet bij de vrouw opeisen van de aan hem toekomende bedragen ter zake van aan de vrouw geleverde diensten als nader gespecificeerd onder punt F van het petitum van de verzetdagvaarding, dan wel subsidiair te bepalen dat de vrouw aan de man verschuldigd is 34 maandelijkse termijnen ter zake van geleverde diensten zoals gespecificeerd onder punt F van het petitum van de verzetdagvaarding.

Geheel subsidiair, voor het geval de voorzieningenrechter oordeelt dat de vrouw enige rechten kan doen gelden op de door de man over de periode van 12 februari 2014 tot heden gegenereerde huurinkomsten met betrekking tot de panden en/of de woning, vordert de man te bepalen dat de vrouw aan de man dient te vergoeden de helft van de door de man betaalde eigenaarslasten betreffende die panden over de periode van 12 februari 2014 tot heden.

4.2.

De man legt aan deze vorderingen het navolgende ten grondslag. Enige maanden na het vonnis van 12 februari 2014 is er nader overleg tussen partijen geweest, hetgeen heeft geleid tot een overeenkomst tussen partijen. Overeengekomen is onder meer dat de woning en de panden vanaf 27 juni 2014 nog drie jaar op naam van beide partijen zouden blijven staan en dat de vrouw vanaf oktober 2014 een (kale) huur van € 695,00 per maand voor de voortdurende bewoning van de woning aan de man zou betalen. Ook is overeengekomen dat de man de vrouw vóór 1 juli 2014 een bedrag van € 50.000,00 ineens zou betalen en vervolgens drie jaarlijkse termijnen van € 10.275,00, telkens vóór 1 juli van het volgende jaar. De man heeft het bedrag van € 50.000,00 betaald. Ook heeft hij op 3 september 2015 een bedrag van € 4.020,00 aan de vrouw betaald. De vrouw heeft tot aan haar vertrek uit de woning geen huur betaald en de man heeft de door haar verschuldigde huurpenningen verrekend met de nog door hem aan de vrouw verschuldigde gelden. De vrouw heeft ook geweigerd de maandelijkse verbruikskosten van diensten met betrekking tot de woning die aan haar ten goede zijn gekomen te betalen, net als de motorrijtuigenbelasting en de verzekeringspremie voor de door haar gebruikte auto. Deze bedragen dienen eveneens te worden verrekend, hetgeen ertoe leidt dat de man terzake van de woning en de panden niets meer aan de vrouw verschuldigd is en dat het recht van verrekening vastgelegd moet worden.

Gelet op de tussen partijen gesloten overeenkomt, heeft de man nog tot eind juni 2017 de tijd om de panden op zijn naam te doen zetten en de vrouw te ontslaan uit de hoofdelijke aansprakelijkheid. De man voorziet dat dit voor de woning niet zal lukken, maar voor de panden loopt er nog een financieringsaanvraag.

4.3.

De vrouw voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

5 De beoordeling in conventie en in reconventie

5.1.

Partijen zijn het er over eens dat de woning verkocht dient te worden en dat Woonaccent Makelaars Van Dorsten te Zwolle bij deze verkoop zal bemiddelen.

5.2.

Voor wat betreft de panden stelt de man dat hij als gevolg van de nader tussen partijen gesloten overeenkomst nog tot eind juni 2017 de tijd heeft om deze panden op zijn naam te krijgen. Volgens de man loopt er een aanvraag voor de financiering van de beide panden en voor ontslag van de vrouw uit de hoofdelijke aansprakelijkheid en dienen de panden verkocht te worden indien deze aanvraag niet op 1 juli 2017 is goedgekeurd.

5.3.

De vrouw betwist de door de man gestelde overeenkomst. Wat hier echter ook van zij, de datum van 1 juli 2017 is reeds verstreken en indien de door de man ingediende aanvraag inmiddels is goedgekeurd, bestaat er geen noodzaak tot verkoop van de panden. Bepaald zal worden dat voor zover de man er thans niet in is geslaagd de vrouw uit de hoofdelijke aansprakelijkheid te doen ontslaan voor wat betreft de op de panden rustende hypothecaire geldleningen, deze panden via eerdergenoemde makelaar verkocht dienen te worden. De man kan in dat geval, niettegenstaande zijn verplichting tot het meewerken aan een spoedige verkoop van de panden, tot aan het moment dat een koopovereenkomst met betrekking tot de panden wordt gesloten uiteraard trachten alsnog de financiering van de panden rond te krijgen, zodat er geen noodzaak bestaat tot het opnemen van een dergelijke bepaling in het dictum van dit vonnis.

5.4.

De man vordert dat de vraag- en laatprijs van de woning en de panden in gezamenlijk overleg tussen partijen en de makelaar wordt bepaald. De vrouw heeft geen verweer gevoerd tegen deze vordering, zodat deze kan worden toegewezen. Hierbij zal wel worden bepaald dat voor zover partijen geen overeenstemming bereiken over de te hanteren vraag- en laatprijs, zij zich wat dit betreft dienen te conformeren aan de adviezen van de makelaar.

5.5.

Hoewel de man heeft toegezegd contact op te zullen nemen met de makelaar, zal hij, gelet op de voortdurende strijd tussen partijen, toch worden veroordeeld om binnen een week na betekening van dit vonnis aan de eerdergenoemde makelaar de onvoorwaardelijke opdracht te verstrekken tot verkoop van de woning en, voor zover van toepassing, de panden. Ook zal de man worden veroordeeld tot het – voor het geval zich een koper meldt – ondertekenen van het voorlopige koopcontract met betrekking tot de woning en de panden.

5.6.

De gevorderde veroordeling tot het in geval van verkoop meewerken aan de eigendomsoverdracht van het aandeel van de man in de woning en de panden is als niet weersproken eveneens toewijsbaar, met dien verstande dat de notaris doorgaans door de koper(s) gekozen wordt. Daarbij zal worden bepaald dat dit vonnis in de plaats treedt van de medewerking van de man, voor het geval de man in gebreke blijft aan de veroordeling te voldoen. Dit zal eveneens worden bepaald ten aanzien van de veroordelingen tot het verstrekken van de verkoopopdracht en het ondertekenen van de voorlopige koopcontracten. Vanwege deze indeplaatsstelling bestaat er geen noodzaak tot het opleggen van een dwangsom ter zake van de medewerking aan de eigendomsoverdracht en ter zake van het verstrekken van de verkoopopdracht en het ondertekenen van de voorlopige koopcontracten.

5.7.

Zoals door de vrouw gevorderd en niet door de man is weersproken, zal eveneens worden bepaald dat partijen ieder de helft van de kosten van de verkoop van de woning en de panden zullen dragen. Aangezien het gebruikelijk is dat de notaris ervoor zorgdraagt dat de opbrengst van de verkoop van de onroerende zaken eerst wordt aangewend ter aflossing van de hypothecaire geldleningen, bestaat er geen noodzaak te bepalen dat die opbrengst onder de notaris blijft en deze voor aflossing van de hypothecaire geldleningen zal zorgdragen.

5.8.

De man betoogt dat hij niet volledig kan voldoen aan de vordering tot ontruiming, nu de panden worden verhuurd aan derden. De vrouw heeft echter slechts de ontruiming van de woning gevorderd, zodat aan dit verweer van de man voorbij kan worden gegaan. Voor zover de man ook nog deels gebruik maakt van de panden, is hij uiteraard wel verplicht deze in geval van verkoop vóór de eigendomsoverdracht onder afgifte van de sleutels met al het zijne te verlaten.

5.9.

Voor wat betreft het door de vrouw gevorderde voorschot op de huurinkomsten ten bedrage van € 25.000,00 stelt de man zich op het standpunt dat de vrouw geen recht heeft op de inkomsten uit verhuur. Volgens de man is bij het bepalen van de kinder- en partneralimentatie reeds rekening gehouden met de huurinkomsten. Ook wijst hij erop dat de woning en de panden aan hem zijn toebedeeld, voor welke toedeling de vrouw ruimschoots is gecompenseerd, en dat hij sindsdien alle kosten met betrekking tot de panden betaalt. Indien de huuropbrengsten gedeeld moeten worden, moet de vrouw ook de helft van de aan de panden verbonden kosten betalen en zal de man met terugwerkende kracht om een wijziging van zijn alimentatieverplichtingen vragen, aldus de man.

5.10.

Voorop gesteld wordt dat met betrekking tot een voorziening in kort geding, bestaande in een veroordeling tot betaling van een geldsom, terughoudendheid op haar plaats is. De rechter zal daarbij niet alleen hebben te onderzoeken of het bestaan van een vordering van de eiser op de gedaagde voldoende aannemelijk is, maar ook of daarnaast sprake is van feiten en omstandigheden die meebrengen dat uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening is vereist, terwijl de rechter in de afweging van de belangen van partijen mede zal hebben te betrekken de vraag naar - kort gezegd - het risico van onmogelijkheid van terugbetaling, welk risico kan bijdragen tot weigering van de voorziening.

5.11.

De vrouw is niet ingegaan op de stelling van de man dat bij het bepalen van de hoogte van de partner- en kinderalimentatie reeds rekening is gehouden met de huurinkomsten. Uit de hiervoor onder 2.4 genoemde beschikking van 11 mei 2015 lijkt bovendien te volgen dat deze stelling van de man juist is. Nu vooralsnog onvoldoende aannemelijk is geworden dat de vrouw aanspraak kan maken op een deel van de inkomsten die de man uit de verhuur van de panden ontvangt, zal het gevorderde bedrag van

€ 25.000,00 worden afgewezen. Dit geldt eveneens voor de gevorderde toekomstige huurtermijnen, alsmede voor de vordering tot het afleggen van rekening en verantwoording over de huurinkomsten en tot het overleggen van de huurovereenkomsten en de bankafschriften. Overigens lijkt de man met het verstrekken van de huurovereenkomsten en transactieoverzichten die door de vrouw als productie 4 zijn overgelegd, reeds aan laatstgenoemde vordering te hebben voldaan.

5.12.

Gelet op hetgeen hiervoor onder 5.11 is overwogen, behoeft de subsidiaire vordering van de man met betrekking tot de vergoeding van de helft van de eigenaarslasten – welke vordering feitelijk geen subsidiaire vordering, maar een voorwaardelijke vordering betreft – geen bespreking meer.

5.13.

De overige (primaire en subsidiaire) vorderingen van de man kunnen niet worden toegewezen. Die vorderingen betreffen immers naar aard en strekking geen voorlopige voorzieningen, maar beogen tussen partijen een bepaalde rechtstoestand bindend vast te stellen en hebben derhalve een declaratoir karakter. De toewijsbaarheid van de betreffende vorderingen moet reeds daarop afstuiten.

5.14.

Gelet op het feit dat partijen gewezen echtelieden zijn, zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd. De voorzieningenrechter ziet in de omstandigheden van het geval geen aanleiding om van dit uitgangspunt af te wijken.

6 De beslissing

De voorzieningenrechter

in conventie

6.1.

vernietigt het tussen partijen op 9 mei 2017 gewezen verstekvonnis in de zaak met zaak-/rolnummer C/08/200527 / KG ZA 17-110,

en opnieuw rechtdoende:

in conventie en in reconventie

6.2.

bepaalt dat de tot de gemeenschappelijke eigendom van partijen behorende woning aan de [adres 1] dient te worden verkocht en dat Woonaccent Makelaars Van Dorsten te Zwolle bij voornoemde verkoop zal bemiddelen,

6.3.

bepaalt dat, indien de man er per heden niet in is geslaagd de vrouw te doen ontslaan uit de hoofdelijke aansprakelijkheid met betrekking tot de op de panden aan de [adres 2] rustende hypothecaire geldleningen, die panden dienen te worden verkocht en dat Woonaccent Makelaars Van Dorsten te Zwolle bij voornoemde verkoop zal bemiddelen,

6.4.

bepaalt dat de vraag- en laatprijs van de woning en – voor zover van toepassing – de panden in gezamenlijk overleg tussen partijen en de makelaar wordt vastgesteld, met dien verstande dat indien partijen hierover geen overeenstemming bereiken zij zich wat dit betreft dienen te conformeren aan de adviezen van de makelaar,

6.5.

veroordeelt de man om binnen één week na betekening van dit vonnis aan voornoemde makelaar de onvoorwaardelijke opdracht te verstrekken tot verkoop van de woning en – voor zover voldaan is aan de onder 6.3 genoemde voorwaarde – de panden,

6.6.

veroordeelt de man voor het geval een kandidaat-koper naar het oordeel van de makelaar op redelijk te achten voorwaarden bereid is tot aankoop van de woning en/of de panden over te gaan, om binnen één week na een daartoe strekkend schriftelijk verzoek van de makelaar het voorlopig koopcontract/de voorlopige koopcontracten te ondertekenen,

6.7.

veroordeelt de man om in geval van verkoop van de woning en/of de panden

binnen één week na een daartoe strekkend schriftelijk verzoek van de vrouw, zijn volledige medewerking te verlenen aan de eigendomsoverdracht van zijn aandeel in die onroerende zaken en – voor zover dit daartoe rechtens noodzakelijk is – te verschijnen voor de instrumenterende notaris, zulks op een door de notaris te bepalen datum en plaats, en zijn medewerking te verlenen aan het doen verlijden van een (notariële) akte strekkende tot eigendomsoverdracht,

6.8.

bepaalt dat wanneer de man in gebreke blijft aan de in 6.5, 6.6 en/of 6.7 uitgesproken veroordelingen te voldoen, dit vonnis in de plaats treedt van zijn medewerking aan, toestemming voor of ondertekening van de verkoopopdracht en/of het voorlopig koopcontract en/of de notariële leveringsakte,

6.9.

bepaalt dat partijen ieder de helft van de kosten van de verkoop van de woning en de panden, waaronder de makelaarscourtage en andere kosten van de makelaar en de kosten van de notaris – voor zover die laatste voor hun rekening komen – zullen dragen,

6.10.

bepaalt dat de man de woning aan de [adres 1] in geval van verkoop uiterlijk 48 uur vóór de dag van eigendomsoverdracht onder afgifte van de sleutels ontruimd dient te hebben met alle daarin aanwezige personen en zaken,

6.11.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

6.12.

compenseert de proceskosten tussen partijen, in die zin dat zij ieder hun eigen kosten dragen,

6.13.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. T.R. Hidma en in het openbaar uitgesproken op 4 juli 2017.