Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2017:2698

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
05-07-2017
Datum publicatie
05-07-2017
Zaaknummer
08/952785-15 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank Overijssel veroordeelt een 65-jarige man tot een gevangenisstraf van 1 jaar met een proeftijd van 3 jaar. Daarnaast moet de man een geldboete betalen van 14.000 euro. De man heeft zich, samen met zijn echtgenote, gedurende een periode van acht jaar schuldig gemaakt aan misbruik van het in Nederland geldende sociale verzekeringsstelsel door geen melding te maken van verrichte werkzaamheden en het verzwijgen van vermogen, terwijl zij van de gemeente Almelo een bijstandsuitkering ontvingen. Werkzaamheden werden verricht in het bedrijf van hun zoon en zij ontvingen een erfenis.

Zie ook: ECLI:NL:RBOVE:2017:2699

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Overijssel

Afdeling Strafrecht

Meervoudige kamer

Zittingsplaats Almelo

Parketnummer 08/952785-15 (P)

Datum vonnis: 5 juli 2017

Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1952 in [geboorteplaats] ,

wonende in [adres]

1 Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 21 juni 2017.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie

mr. W.E.M. van Erp en van hetgeen door verdachte en de raadsvrouw mr. D. Greven, advocaat te Enschede, naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

De verdenking komt er kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte samen met een ander in strijd met een wettelijke verplichting heeft nagelaten gegevens ten behoeve van zijn bijstandsuitkering aan de gemeente Almelo te verstrekken.

Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:

hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 16 november 2007

tot 12 oktober 2015 te Almelo, in elk geval in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen,

(telkens )in strijd met een verdachte en/of echtgenoot/partner krachtens

wettelijk voorschrift opgelegd verplichting, te weten de Algemene bijstandswet

en/of de Wet werk en bijstand en/of de Participatiewet, opzettelijk

heeft/hebben nagelaten tijdig het/de benodigde gegeven(s) aan het bestuur van

de gemeente Almelo, dan wel aan het bestuur van die gemeente te verstrekken,

immers heeft/hebben verdachte en/of echtgenoot/partner (telkens) niet

(volledig) aan genoemde instantie(s) gemeld -zakelijk weergegeven -

dat verdachte en/of echtgenoot/partner werkzaamheden heeft/hebben verricht

en/of inkomsten (uit arbeid en/of als zelfstandige en/of uit onbekende

bron(nen)heeft/hebben genoten en/of over vermogen heeft/hebben beschikt,

terwijl dit/deze feit(en) kan/kunnen strekken tot bevoordeling van zichzelf

en/of een anderen of anderen, (zulks) terwijl verdachte wist, althans

redelijkerwijze moest vermoeden dat dat/die gegeven(s) van belang was/waren

voor de vaststelling van verdachtes en/of eens anders recht op een

verstrekking en/of tegemoetkoming, te weten een (bijstands)uitkering, dan wel

voor de hoogte en/of de duur van die verstrekking of tegemoetkoming.

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De bewijsoverwegingen

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht op basis van de observaties, verschillende getuigenverklaringen, verdachtes eigen verklaring en hetgeen in de woning van verdachte is aangetroffen, bewezen dat verdachte het tenlastegelegde tezamen en in verenging heeft begaan.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw bepleit integrale vrijspraak, waartoe zij, zakelijk weergegeven, stelt:

  • -

    dat uit de bewijsmiddelen niet blijkt dat verdachte inkomsten heeft genoten;

  • -

    dat niet wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte redelijkerwijs moest vermoeden dat de gegevens betreffende het aangetroffen geld van belang waren voor zijn recht op bijstand;

  • -

    dat niet overtuigend kan worden bewezen dat verdachte op zijn minst redelijkerwijs moest vermoeden dat de gegevens omtrent zijn verrichte werkzaamheden van belang waren voor zijn recht op een bijstandsuitkering.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank overweegt, gelet op de inhoud van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting, het volgende.1

Verbalisant [verbalisant 1] heeft, zakelijk weergegeven, het volgende gerelateerd:

Bij besluit van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Almelo is aan verdachte en diens echtgenote, zijnde medeverdachte [medeverdachte] , met ingang van 1 januari 2004 ingevolgde de WWB (per 1 januari 2015 de Participatiewet), een uitkering toegekend naar de norm van een echtpaar. Daarin staat onder “vermogen” dat de grens voor het vrij te laten vermogen voor verdachte en diens echtgenote € 10.210,00 is. Verder staat onder “Inlichtingenverplichting” onder meer dat verdachte en zijn echtgenote verplicht zijn direct alles te melden dat van invloed kan zijn op het recht op bijstand en dat in ieder geval wijzigingen in de financiële situatie dienen te worden doorgegeven.2

Op 20 februari 2008 is door verdachte en zijn echtgenote een inlichtingenstaat ingevuld om het recht op uitkering vast te kunnen stellen. Het betreft een inlichtingenstaat waarin verschillende vragen worden gesteld over onder andere het verrichten van vrijwilligerswerk. Op dit formulier zijn alle vragen met “nee” beantwoord door een kruisje te zetten in het hokje met het antwoord “nee”. Bij vraag 10 wordt expliciet de vraag gesteld: “Bent u aan het werk als vrijwilliger of doet u ander werk waarvoor u niet wordt betaald ? Deze vraag is beantwoord met: “nee” door het hokje voor het woord “nee” aan te kruizen.3

Op grond van artikel 17 van de Wet werk en bijstand zijn verdachte en diens echtgenote verplicht op verzoek of onverwijld uit eigen beweging, mededeling te doen van alle feiten en omstandigheden waarvan redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand.

Door verdachte en zijn echtgenote zijn statusoverzichten van maart 2007, september 2008 en december 2009 ingevuld, ondertekend en ingeleverd bij de Sociale Dienst. Op de door hen ingeleverde formulieren is nimmer een wijziging/aanvulling aangebracht. Onder het kopje “inkomsten” is nimmer vermeld dat er werkzaamheden werden verricht en bij wie de werkzaamheden werden verricht. In de statusoverzichten worden verdachte en zijn echtgenote erop gewezen dat zij wijzingen ten aanzien van welke aard dan ook dienen te vermelden op de zogenaamde mutatieformulieren. Door verdachte en zijn echtgenote is nimmer een mutatieformulier ingeleverd waarop staat vermeld dat door verdachte werkzaamheden worden verricht binnen het bedrijf van zijn zoon [betrokkene] . In geen van de statusformulieren dan wel mutatieformulieren is door verdachte en zijn echtgenote bovendien melding gemaakt van een erfenis.4

Op 12 oktober 2015 heeft er een doorzoeking plaatsgevonden op het adres [adres] , zijnde het woonadres van verdachte en zijn echtgenote, waarvan de beslaglijst bij dit proces-verbaal wordt gevoegd.5

Een bij vorenvermeld proces-verbaal gevoegde beslaglijst betreffende object [adres] , houdt, zakelijk weergegeven, onder meer het volgende in:

Code Omschrijving

A2 € 3.280,00

A1 € 1.051,40

A2 € 2.700,00

A3 sieraden

A2 horloges

C5 sieraden, horloges6

In het kader van de bij verdachte inbeslaggenomen voorwerpen zijn verschillende sieraden aangeboden aan juweliershuis [naam] , tevens beëdigd taxateur. Er is een taxatierapport opgemaakt. Gebleken is dat de nieuwwaarde is bepaald op € 21.105,00 en de executiewaarde op € 5.925,00.7

Verdachte heeft, zakelijk weergegeven, het volgende verklaard:

In de tenlastegelegde periode hadden mijn echtgenote en ik een uitkering van de Sociale Dienst van de gemeente Almelo. Een in die periode ontvangen erfenis van zo’n € 6.000,-- hebben wij, hoewel wij wel wisten dat dat moest, niet gemeld bij de gemeente Almelo.

Het klopt dat ik in de tenlastegelegde periode gedurende een aantal jaren regelmatig, bijna dagelijks, op het bedrijf van mijn zoon [betrokkene] aanwezig was en daar wat hand en spandiensten verrichtte. [betrokkene] was namelijk veel voor zijn werk 3 à 4 dagen per week in Polen. Meestal was ik daar tegen 09.00 uur om de zaak te openen voor de werknemers en in de loop van de middag sloot ik de zaak weer af. Als er klanten waren schonk ik koffie voor ze in en leidde ik ze vaak rond in het bedrijf. Als ze de handel hadden bekeken en voor bepaalde goederen interesse hadden, werden daarvan door mij foto’s gemaakt die ik, in verband met het bepalen van de prijs, naar mijn zoon stuurde. Ik vulde ook wel eens een urenstaat in voor een uitzendkracht en ik ging wel eens met eens werknemer met de auto op pad om een bestelling af te leveren. Van deze verrichtingen heb ik geen melding gemaakt op de daarvoor bestemde formulieren van de gemeente die door mij en mijn echtgenote werden ondertekend.8

Gelet op de inhoud van vorenstaande bewijsmiddelen acht de rechtbank bewezen dat verdachte en zijn echtgenote in de tenlastegelegde periode bij de uitkerende instantie welbewust geen melding hebben gemaakt van door verdachte verrichte werkzaamheden. De rechtbank overweegt daartoe dat de door verdachte ter terechtzitting beschreven verrichtingen dienen te worden aangemerkt als op geld waardeerbare werkzaamheden die relevant zijn voor het bepalen van het recht op uitkering en de hoogte en/of duur daarvan, en aldus vermeld hadden moeten worden op de daarvoor bestemde formulieren. Verdachte en zijn echtgenote hadden dit moeten weten, te meer nu in bovengenoemde op 20 februari 2008 ingevulde inlichtingenstaat uitdrukkelijk wordt gevraagd of hij werk doet als vrijwilliger of ander werk doet waarvoor hij niet wordt betaald.

Door en namens verdachte is onder meer betoogd dat verdachte heeft voldaan aan zijn meldplicht, nu hij ten overstaan van een in dienst van de gemeente Almelo werkzaam zijnde arbeidsdeskundige heeft verklaard, regelmatig naar de zaak van zijn zoon te gaan. Dit zou moeten blijken uit een door de raadsvrouw ter terechtzitting overgelegd verslag van genoemde arbeidsdeskundige. De rechtbank overweegt daarover dat, afgezien van het feit dat het formulier niets vermeld over de verrichte werkzaamheden, een mededeling aan een arbeidsdeskundige niet de vereiste weg is om voor een uitkering relevante gegevens te verstrekken, maar dat daarvoor de op de uitkering betrekking hebbende mutatieformulieren bestemd en relevant zijn. Dit is ook expliciet vermeld op de bovengenoemde door verdachte en zijn echtgenote ontvangen statusoverzichten. Dit verweer van de verdediging wordt dan ook verworpen.

Voorts acht de rechtbank gelet op de inhoud van vorenstaande bewijsmiddelen eveneens bewezen dat verdachte en zijn echtgenote aan het bestuur van de gemeente Almelo welbewust geen melding hebben gemaakt van het vermogen waarover zij beschikten. Verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij de door hen ontvangen erfenis van ongeveer € 6.000 niet heeft gemeld, terwijl hij wist dat hij hiertoe wel gehouden was. In dit kader is ook de waarde van de sieraden die bij de doorzoeking van de woning van verdachte en zijn echtgenote van belang, nu in combinatie daarmee hun vermogen boven de grens van het vrij te laten vermogen uitkomt.

Dat verdachte en/of zijn echtgenote voor de verrichte werkzaamheden inkomsten hebben/heeft genoten en deze niet zou/zouden hebben gemeld, is naar oordeel van de rechtbank niet wettig en overtuigend bewezen, zodat voor dat onderdeel van de tenlastelegging vrijspraak dient te volgen.

4.5

De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de genoemde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat:

hij in de periode van 16 november 2007 tot 12 oktober 2015 te Almelo,

tezamen en in vereniging met een ander, (telkens) in strijd met een verdachte en echtgenote krachtens wettelijk voorschrift opgelegd verplichting, te weten de Algemene bijstandswet en/of de Wet werk en bijstand en/of de Participatiewet, opzettelijk

heeft nagelaten tijdig de benodigde gegevens aan het bestuur van

de gemeente Almelo te verstrekken, immers hebben verdachte en echtgenote (telkens) niet (volledig) aan genoemde instantie gemeld - zakelijk weergegeven -

dat verdachte werkzaamheden heeft verricht en verdachte en echtgenote over vermogen hebben beschikt, terwijl deze feiten kunnen strekken tot bevoordeling van zichzelf

en een ander, zulks terwijl verdachte wist dat die gegevens van belang waren voor de vaststelling van verdachtes en eens anders recht op een verstrekking en/of tegemoetkoming, te weten een bijstands uitkering, dan wel

voor de hoogte en/of de duur van die verstrekking of tegemoetkoming;

De rechtbank heeft de in de tenlastelegging voorkomende schrijffouten verbeterd in de bewezenverklaring. Verdachte wordt hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

5 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in artikel 227b jo. artikel 47 van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op het misdrijf:

medeplegen van in strijd met een krachtens wettelijk voorschrift opgelegde verplichting, opzettelijk nalaten tijdig de benodigde gegevens te verstrekken, terwijl het feit kan strekken tot bevoordeling van zichzelf of een ander en terwijl hij weet dat de gegevens van belang zijn voor de vaststelling van zijn of eens anders recht op een verstrekking of tegemoetkoming dan wel de hoogte of duur van een dergelijke verstrekking of tegemoetkoming, meermalen gepleegd.

6 De strafbaarheid van verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezenverklaarde feiten.

7 De op te leggen straf of maatregel

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 1 jaar voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren en een geldboete van € 14.000,--, waarbij de officier van justitie heeft opgemerkt dat genoemd bedrag is gerelateerd aan de waarde van onder verdachte inbeslaggenomen goederen waarop conservatoir beslag is gelegd.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw bepleit bij een bewezenverklaring, gelet op verdachtes ter terechtzitting gebleken persoonlijkheden en zijn beperkte draagkracht, matiging van de straf.

7.3

De gronden voor een straf of maatregel

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij het volgende van belang.

Verdachte heeft, samen met zijn echtgenote, ter behoud van hun bijstandsuitkering, gedurende een langere periode, misbruik gemaakt van het in dit land geldende sociale verzekeringsstelsel door geen melding te maken van verrichte werkzaamheden en het verzwijgen van vermogen. Niet alleen het vertrouwen dat in het maatschappelijk verkeer in de juistheid van bepaalde geschriften en het verstrekken van gegevens aan de uitkerende instantie wordt gesteld, is door het handelen van verdachte in ernstige mate aangetast, maar ook de gemeente Almelo is daardoor voor een aanzienlijk bedrag financieel benadeeld.

Bij het bepalen van de straf en de hoogte ervan heeft de rechtbank bij haar overwegingen de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) betrokken. Deze oriëntatiepunten vermelden bij een benadelingsbedrag van € 125.000,-- tot € 150.000,--, een gevangenisstraf van 9 tot 12 maanden.

Verder heeft de rechtbank bij de op te leggen straf rekening gehouden met de duur van de strafprocedure en het feit dat verdachte, blijkens het uittreksel uit de documentatie, niet eerder ter zake strafbare feiten is veroordeeld. Tevens wordt rekening gehouden met verdachtes ter terechtzitting gebleken persoonlijke omstandigheden, zoals die met name zijn verwoord in het reclasseringsadvies van 14 juni 2017. Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat verdachte conform de door de officier van justitie gevorderde straffen dient te worden veroordeeld, waarbij de rechtbank bij het bepalen van de hoogte van na te melden geldboete, rekening heeft gehouden met de ter terechtzitting gebleken draagkracht van verdachte.

De rechtbank zal de gevangenisstraf geheel voorwaardelijk opleggen teneinde verdachte ervan te weerhouden zich in de toekomst andermaal in te laten met strafbare feiten.

8 De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24, 24c, 27 en 57 Sr.

9 De beslissing

De rechtbank:

bewezenverklaring

- verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid feit

- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;

- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

het misdrijf:

medeplegen van in strijd met een krachtens wettelijk voorschrift opgelegde verplichting, opzettelijk nalaten tijdig de benodigde gegevens te verstrekken, terwijl het feit kan strekken tot bevoordeling van zichzelf of een ander en terwijl hij weet dat de gegevens van belang zijn voor de vaststelling van zijn of eens anders recht op een verstrekking of tegemoetkoming dan wel de hoogte of duur van een dergelijke verstrekking of tegemoetkoming, meermalen gepleegd;

strafbaarheid verdachte

- verklaart verdachte strafbaar voor het bewezenverklaarde;

straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van één jaar;

- bepaalt dat deze gevangenisstraf in zijn geheel niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten;

- kan de tenuitvoerlegging gelasten indien verdachte voor het einde van de proeftijd van drie jaren de navolgende voorwaarde niet is nagekomen;

- stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- bepaalt dat de tijd die de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

- veroordeelt verdachte tevens tot een geldboete ten bedrage van € 14.000,--
(veertienduizend euro), bij gebreke van betaling en van verhaal te vervangen door
hechtenis gedurende 105 dagen.

Dit vonnis is gewezen door mr. B.T.C. Jordaans, voorzitter, mr. Y. Cenik en
mr. A.M. den Dulk, rechters, in tegenwoordigheid van P.G.M. Klaassen, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 5 juli 2017.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van de sociale recherche Twente met nummer 2015/23 van 4 januari 2016. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal en de daarbij gevoegde bijlagen.

2 Een door [verbalisant 1] , sociaal rechercheur, opgemaakt proces-verbaal, pagina 3 en de bij dit proces-verbaal gevoegde bijlage op pagina’s 9 t/m 11.

3 Een door [verbalisant 1] , sociaal rechercheur, opgemaakt proces-verbaal, pagina 7 en de bij dit proces-verbaal gevoegde bijlage op pagina’s 303 t/m 307.

4 Een door [verbalisant 1] , sociaal rechercheur, opgemaakt proces-verbaal, pagina 7 en 8 en de bij dit proces-verbaal gevoegde bijlage op pagina’s 308 t/m 310.

5 Een door [verbalisant 1] , sociaal rechercheur, opgemaakt proces-verbaal, pagina 10.

6 Een door [verbalisant 2] opgemaakte beslaglijst d.d. 12 oktober 2015, bijlage pagina 347.

7 Een door [verbalisant 1] , sociaal rechercheur, opgemaakt proces-verbaal, pagina 625 en de bij dit proces-verbaal gevoegde bijlage op pagina’s 631 en 632.

8 Het proces-verbaal van de terechtzitting van 21 juni 2017, onder meer inhoudende de verklaring van verdachte.