Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2017:2518

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
20-06-2017
Datum publicatie
20-06-2017
Zaaknummer
08/770156-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank Overijssel veroordeelt een 24-jarige man tot een gevangenisstraf van 3 jaar voor poging tot doodslag. De man heeft vorig jaar in de binnenstad van Enschede zijn slachtoffer zwaar mishandeld en geprobeerd hem van het leven te beroven door te schieten met een vuurwapen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Overijssel

Afdeling Strafrecht

Zittingsplaats Almelo

Parketnummer: 08/770156-16

Datum vonnis: 20 juni 2017

Vonnis op tegenspraak van de rechtbank Overijssel, meervoudige kamer voor strafzaken, rechtdoende in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1992 in [geboorteplaats] ( [land] ),

wonende in [woonplaats] ,

nu verblijvende in het huis van bewaring te Arnhem-Zuid.

1 Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 8 november 2016, 6 januari 2017, 7 maart 2017, 30 mei 2017 en 8 juni 2017. De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. A.C.J. Nettenbreijers en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman B.W.J. Krämer, advocaat te Amsterdam, naar voren is gebracht.

Ter terechtzitting van 6 januari 2017 is de tenlastelegging gewijzigd.

2 De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte primair wordt verweten dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot doodslag. Subsidiair wordt verdachte verweten dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot zware mishandeling en meer subsidiair aan een bedreiging.

Voluit luidt de tenlastelegging - na wijziging - aan de verdachte, dat:

hij op of omstreeks 27 juli 2016 te Enschede ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of één of meer andere personen opzettelijk van het leven te beroven, met een vuurwapen, althans een wapen meermalen, althans eenmaal op die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of die andere persoon/personen heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

ALTHANS, voor zover voor het vorenstaande onder 1 geen veroordeling mocht of zou

kunnen volgen, SUBSIDIAIR, ter zake dat

hij op of omstreeks 27 juli 2016 te Enschede ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of één of meer andere personen opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met een vuurwapen, althans een wapen meermalen, althans eenmaal op die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of die andere persoon/personen heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

ALTHANS, voor zover voor het vorenstaande onder 1 geen veroordeling mocht of zou

kunnen volgen, MEER SUBSIDIAIR, ter zake dat

hij op of omstreeks 27 juli 2016 te Enschede [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of één of meer andere personen heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend met een vuurwapen, althans een wapen meermalen, althans eenmaal op die [slachtoffer 2] en/of die andere persoon/personen geschoten.

3 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor het primair tenlastegelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 40 maanden, waarvan 10 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren en met aftrek van de tijd die verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Aan het voorwaardelijke deel van de vrijheidsstraf dienen als bijzondere voorwaarden te worden verbonden de in het reclasseringsrapport genoemde voorwaarden.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] dient te worden toegewezen tot een bedrag van € 500,-, inclusief de wettelijke rente en oplegging daarbij van de schadevergoedingsmaatregel.

De inbeslaggenomen kleding behoort te worden teruggegeven aan verdachte.

4 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

5 De beoordeling van het bewijs

Het standpunt van de raadsman

De raadsman heeft zich primair op het standpunt gesteld dat het opzet bij verdachte om een of meer anderen van het leven te beroven dan wel zwaar lichamelijk letsel toe te brengen heeft ontbroken en dat verdachte om die reden moet worden vrijgesproken. Verdachte ging er immers vanuit dat hij met een alarmpistool schoot en niemand kon verwonden.

Het oordeel van de rechtbank

het opzet bij verdachte

Tussen verdachte en de groep waartoe het slachtoffer [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] behoren, bestond al langere tijd onenigheid. Op 27 juli 2016 troffen zij elkaar opnieuw en vond er wederom een confrontatie plaats. Verdachte belde hierop zijn broer die hem vervolgens direct daarna in het bezit stelde van een omgebouwd vuurwapen, waarmee een persoon dodelijk kan worden verwond.

De broer van verdachte, [medeverdachte] heeft ter terechtzitting van 6 januari 2017 in zijn eigen zaak een verklaring afgelegd. Het proces-verbaal van deze zitting, inhoudende de verklaring van die [medeverdachte] is door de officier van justitie toegevoegd aan het dossier van verdachte. Kort en zakelijk weergegeven komt het erop neer dat verdachte op 27 juli 2016 aan zijn broer heeft gevraagd om hem het pistool te brengen. Verdachte had dat pistool al eerder in handen gehad. [medeverdachte] heeft niet, toen hij het wapen aan zijn broer gaf, gesproken over een alarmpistool. Hij begrijpt niet dat zijn broer dat zegt. Het was een doorgeboord pistool.

De rechtbank is van oordeel dat er geen feiten of omstandigheden zijn aangevoerd die ertoe zouden moeten leiden dat aan de juistheid van de verklaring van de broer van verdachte zoals afgelegd ter terechtzitting van 6 januari 2017 zou moeten worden getwijfeld.

Verdachte heeft verklaard dat hij met het wapen dat hij van zijn broer had gekregen, van korte afstand, heeft geschoten op het slachtoffer [slachtoffer 1] .

Verdachte heeft hiermee de aanmerkelijke kans voor lief genomen dat het slachtoffer zou worden gedood. De rechtbank is van oordeel dat er, mede gelet op de uiterlijke verschijningsvorm van het handelen van verdachte, sprake is van een poging tot doodslag.

De rechtbank is door de inhoud van de wettige bewijsmiddelen tot de overtuiging gekomen, dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 27 juli 2016 te Enschede ter uitvoering van het door hem voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 1] opzettelijk van het leven te beroven, met een vuurwapen op die [slachtoffer 1] heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

In geval van hoger beroep zullen de gebruikte bewijsmiddelen worden opgenomen in een aanvulling bij dit vonnis. De in die bewijsmiddelen voorkomende feiten en omstandigheden zijn redengevend voor deze beslissing.

De rechtbank heeft de eventueel in de tenlastelegging voorkomende schrijffouten verbeterd in de bewezenverklaring. Verdachte wordt hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan de verdachte primair meer of anders is tenlastegelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

6 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld bij de artikelen 287 en 45 Sr. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het primair bewezenverklaarde levert op het misdrijf: poging tot doodslag.

7 De strafbaarheid van de verdachte


Het standpunt van de raadsman

Subsidiair stelt de raadsman zich op het standpunt dat verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging, omdat verdachte heeft gehandeld in een situatie van noodweer.

Er was sprake van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding gericht tegen zijn persoon. Verdachte werd voor de tweede keer in zeer korte tijd aangevallen met een kapmes door [slachtoffer 1] . Er was niet enkel de vrees voor een aanranding, maar er was een onmiddellijk acuut dreigend gevaar voor verdachte dat hij gestoken zou worden en dit met de dood zou moeten bekopen. Verdachte heeft geen enkele mogelijkheid gehad om zich aan de aanranding te onttrekken.

Voor wat betreft de proportionaliteit heeft de raadsman betoogd dat verdachte terecht in de veronderstelling verkeerde dat hij een alarmpistool in handen had toen hij schoot om zijn belagers [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] af te schrikken.

Verder heeft de raadsman gesteld dat er geen sprake is van culpa in causa. Verdachte heeft niet zelf de confrontatie opgezocht. Verdachte had, toen hij het wapen van zijn broer had gekregen, niet de intentie om [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] op te zoeken. Verdachte wilde naar zijn vriendin en kwam op weg naar haar toe [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] tegen, die op hem afkwamen. Verdachte schrok daarvan, wilde omdraaien wat niet lukte, liet zijn fiets vallen en probeerde weg te rennen waarbij hij met het alarmpistool naar achteren schoot.

Tenslotte heeft de raadsman aangevoerd dat, mocht er niet proportioneel zijn gehandeld door verdachte, er sprake is van noodweerexces dan wel putatief noodweer.

Het oordeel van de rechtbank

(putatief) noodweer of noodweerexces

Verdachte heeft meermalen, in verschillende verklaringen bij de politie, verklaard dat hij, nadat de eerste confrontatie had plaatsgevonden op 27 juli 2016, zelf achter [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] is aangefietst. Ook de broer van verdachte heeft dat verklaard. Verdachte heeft zelf de confrontatie opgezocht, terwijl hij kort daarvoor in het bezit gesteld was van een vuurwapen en heeft ook daadwerkelijk op het slachtoffer geschoten.

Van een situatie van (putatief) noodweer of noodweerexces zoals door de raadsman bepleit is naar het oordeel van de rechtbank dan ook geen sprake. Dit verweer wordt door de rechtbank verworpen.

Er zijn ook overigens geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor het bewezenverklaarde feit.

8 De op te leggen straf of maatregel

8.1

De gronden voor een straf of maatregel

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. Ook neemt de rechtbank de volgende factoren in aanmerking.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een zeer ernstig geweldsdelict. Het incident heeft plaatsgevonden op klaarlichte dag in de binnenstad van Enschede waar op dat moment winkelend publiek aanwezig was. Verdachte wist dat het vuurwapen dat zijn broer aan hem had overhandigd een doorgeboord vuurwapen was, waarmee personen zouden kunnen worden gedood, dan wel zwaar zouden kunnen worden verwond. Door gebruik te maken van dit doorgeladen vuurwapen heeft verdachte niet alleen het slachtoffer, maar ook willekeurige personen ernstig in gevaar gebracht en verdachte heeft zich daarvan onvoldoende rekenschap gegeven. De rechtbank rekent dit verdachte zwaar aan.

Zo'n gebeurtenis tast in ernstige mate de gevoelens van veiligheid aan van degenen die daarmee direct worden geconfronteerd en veroorzaakt grote onrust in de maatschappij in het algemeen.

Verdachte is eerder veroordeeld voor geweldsdelicten. Deze eerdere veroordelingen en de daarin begrepen waarschuwingen hebben hem kennelijk niet kunnen weerhouden om opnieuw een strafbaar feit te plegen.

De rechtbank is van oordeel dat ter afdoening van het bewezenverklaarde feit slechts een vrijheidsstraf van substantiële duur kan worden opgelegd.

Anders dan door de officier van justitie is gevorderd zal de rechtbank aan verdachte een geheel onvoorwaardelijke vrijheidsstraf opleggen.

8.2

De inbeslaggenomen voorwerpen

De rechtbank is van oordeel dat de in beslag genomen kleding dient te worden teruggegeven aan verdachte.

9 De schade van benadeelden

9.1

De vordering van de benadeelde partij

De rechtbank zal de vordering van [slachtoffer 1] niet-ontvankelijk verklaren.

De gestelde schade is door de benadeelde partij niet voldoende onderbouwd. Het in de gelegenheid stellen van de benadeelde partij om zijn stelling alsnog nader te onderbouwen leidt tot een onaanvaardbare vertraging van de strafrechtelijke procedure.

De benadeelde partij kan zijn vordering in zoverre slechts aanbrengen bij de burgerlijke rechter.

10 De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op artikel 27 Sr.

11 De beslissing

De rechtbank:

vrijspraak/bewezenverklaring

  • -

    verklaart bewezen, dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

  • -

    verklaart niet bewezen wat aan verdachte primair meer of anders is tenlastegelegd en spreekt hem daarvan vrij.

strafbaarheid

  • -

    verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;

  • -

    verklaart dat het bewezenverklaarde het volgende strafbare feit oplevert: poging tot doodslag;

  • -

    verklaart verdachte strafbaar voor het primair bewezenverklaarde.

straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 3 (drie) jaren;

- bepaalt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

schadevergoeding

- bepaalt dat de benadeelde partij [slachtoffer 1] niet-ontvankelijk is in zijn vordering, en dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

de in beslaggenomen voorwerpen

- gelast de teruggave aan verdachte van de inbeslaggenomen kleding.

Dit vonnis is gewezen door mr. C.C.S. Koppes, voorzitter, mr. G.J. Stoové en

mr. H. Bloebaum, rechters, in tegenwoordigheid van J. Last, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 20 juni 2017.

Mr. Stoové is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.