Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2017:2516

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
20-06-2017
Datum publicatie
20-06-2017
Zaaknummer
08.730020-16 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vrijspraak medeplichtigheid hennepteelt. Zie ook: ECLI:NL:RBOVE:2017:2517

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Overijssel

Afdeling Strafrecht

Meervoudige kamer

Zittingsplaats Zwolle

Parketnummer: 08.730020-16 (P)

Datum vonnis: 20 juni 2017

Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1996 te [geboorteplaats] ,

wonende te [adres 1]

1 Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 6 juni 2017.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie

mr. G.R.C. Nijpels en van hetgeen door verdachte en de raadsman mr. M.J.H. Mühlstaff, advocaat te Deventer, naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1: in de periode van 1 november 2015 tot en met 23 november 2015 in Deventer bedrijfsmatig samen met anderen hennepplanten heeft geteeld en/of hennep aanwezig heeft gehad;

feit 2: in de periode van 1 april 2015 tot en met 23 november 2015 in Deventer samen met anderen elektriciteit heeft gestolen.

Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:

1.

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 november 2015 tot en met 23 november 2015 te Deventer in de uitoefening van beroep of bedrijf tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan de [adres 2] ) een hoeveelheid van (in totaal) 6103 gram hennep en/of een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 1091, althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet, terwijl dit gepleegde feit (mede) betrekking heeft op een grote hoeveelheid van een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die Wet, welke hoeveelheid meer bedraagt dan de bij algemene maatregel van bestuur bepaalde hoeveelheid van een middel (te weten 1091, althans meer dan 200 hennepplanten en/of delen

daarvan);

2.

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 april 2015 tot en met 23 november 2015 te Deventer tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (telkens) met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening (in een pand gelegen aan de [adres 2] ) heeft weggenomen 74.636 kWh, althans een hoeveelheid elektriciteit, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan Enexis B.V., in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededaders, waarbij verdachte en/of zijn mededaders zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft en/of die/dat weg te nemen elektriciteit onder zijn/haar/hun bereik hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking.

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De bewijsoverwegingen

4.1

Inleiding

Op maandag 23 november 2015 is door de politie een onderzoek ingesteld naar een bedrijfspand aan de [adres 2] te Deventer. In het bedrijfspand stonden onder andere twee opleggers. Na onderzoek bleek dat in beide opleggers een in werking zijnde hennepkwekerij aanwezig was.

De vader van verdachte was de huurder van het bedrijfspand aan de [adres 2] te Deventer. Verdachte heeft ten aanzien van beide ten laste gelegde feiten geen verklaring willen afleggen.

4.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt vrijgesproken van het onder 1 ten laste gelegde – het telen van hennep in vereniging – en van het onder 2 ten laste gelegde – de diefstal van elektrische stroom in vereniging – omdat dit niet wettig en overtuigend kan worden bewezen.

Kortgezegd heeft de officier van justitie hiertoe aangevoerd dat de vader van verdachte het bedrijfspand huurde en dat verdachte wist dat in dat pand hennepkwekerijen aanwezig waren. Daarbij was verdachte, volgens de gemaakte camerabeelden, regelmatig in het bedrijfspand aanwezig. Dit is volgens de officier van justitie onvoldoende om wettig en overtuigend te kunnen bewijzen dat verdachte samen met anderen hennep heeft geteeld dan wel samen met anderen elektriciteit heeft gestolen, zodat vrijspraak voor beide ten laste gelegde feiten moet volgen.

4.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft zich - overeenkomstig een aan de rechtbank overgelegde schriftelijke pleitnota - ten aanzien van het onder 1 en 2 ten laste gelegde op het standpunt gesteld dat vrijspraak moet volgen, wegens het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs.

De raadsman heeft aangevoerd dat verdachte geen enkele actieve betrokkenheid heeft gehad bij de hennepkwekerijen in de bedrijfsloods van zijn vader. Daarbij is tevens geen sprake geweest van medeplegen, omdat uit het dossier onvoldoende is gebleken van nauwe en bewuste samenwerking van verdachte met een ander of anderen. Tevens was geen sprake van medeplichtigheid van verdachte aan de hennepkwekerijen, gelet op de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling en de rol in de voorbereiding, de uitvoering of afhandeling van het delict.

4.4

Het oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde:

De rechtbank acht - met de officier van justitie en de raadsman - niet bewezen wat aan verdachte onder 1 is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken. Uit het voorhanden zijnde bewijs kan enkel volgen dat verdachte wist van de aanwezigheid van de hennepkwekerij en regelmatig aanwezig was in het pand waar de kwekerij zich bevond en dat door zijn vader gehuurd werd, maar waar ook andere - niet aan hennepteelt gerelateerde - bedrijfsmatige activiteiten plaatshadden. Niet is gebleken dat verdachte op enigerlei wijze een bijdrage aan de kwekerij heeft geleverd. Daarmee is niet komen vast te staan dat verdachte al dan niet in bewuste en nauwe samenwerking met anderen hennep heeft geteeld of aanwezig heeft gehad.

Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde:

De rechtbank acht - met de officier van justitie en de raadsman - niet bewezen wat aan verdachte onder 2 is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken. Uit het dossier kan niet worden afgeleid dat verdachte op de hoogte was van het feit dat illegaal elektriciteit ten behoeve van de hennepkwekerij werd afgenomen, laat staan dat hij daaraan een significante bijdrage heeft geleverd.

5 De op te leggen straf of maatregel

5.1

De inbeslaggenomen voorwerpen

De officier van justitie heeft ten aanzien van het in beslag genomen geldbedrag van

(€ 1.140,--) gevorderd dat dit wordt teruggegeven aan verdachte.

De verdediging heeft ten aanzien van de in beslaggenomen goederen geen standpunt ingenomen.

De rechtbank zal de teruggave aan verdachte gelasten van het aan hem toebehorende in beslag genomen geldbedrag van € 1.140,--, aangezien dit niet vatbaar is voor verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer en het belang van strafvordering zich niet tegen teruggave verzet.

6 De beslissing

De rechtbank:

bewezenverklaring

- verklaart niet bewezen dat verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;

de inbeslaggenomen voorwerpen

- gelast de teruggave van het geldbedrag van € 1.140,-- aan verdachte.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.H.W.R. Orriëns-Schipper, voorzitter, mr. G. Edelenbos en mr. V.P.K. van Rosmalen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M. van Nassau, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 20 juni 2017.

Buiten staat

Mr. Edelenbos is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.