Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2017:2494

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
15-06-2017
Datum publicatie
16-06-2017
Zaaknummer
ak_17 _ 1176
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Last onder dwangsom opgelegd ten einde bedrijfsvoering van verzoekster aan de voor haar geldende geluidsnormen te laten voldoen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/3107
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Zwolle

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 17/1176

uitspraak van de voorzieningenrechter op het verzoek om voorlopige voorziening in het geschil tussen

[naam], gevestigd te [woonplaats], verzoekster,

gemachtigde: mr. Tj.P. Grünbauer,

en

het college van burgemeester en wethouders van Olst-Wijhe,

verweerder.

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: [naam], wonende te [woonplaats], hierna te noemen belanghebbende.

Procesverloop

Bij besluit van 9 mei 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder maatschap [naam] gelast om haar bedrijfsvoering aan de [adres] in [woonplaats] per

1 juni 2017, 0.01 uur, aan de voor haar geldende geluidsnormen te laten voldoen. Hieraan heeft verweerder een dwangsom verbonden van € 2.500,- per wekelijkse constatering dat niet aan de last is voldaan, met een maximum van € 25.000,-.

Tegen het bestreden besluit heeft verzoekster op 30 mei 2017 bezwaar gemaakt. Eveneens per brief van 30 mei 2017 heeft verzoekster de voorzieningenrechter verzocht om het bestreden besluit te schorsen tot zes weken na de door verweerder te nemen beslissing op bezwaar.

Bij uitspraak van 31 mei 2017 heeft de voorzieningenrechter bij wijze van ordemaatregel het bestreden besluit geschorst tot de behandeling ter zitting van het verzoek om voorlopige voorziening.

Het verzoek is behandeld ter zitting van 13 juni 2017. Namens verzoekster is verschenen

[naam] (hierna te noemen: [naam]), bijgestaan door zijn gemachtigde en

ing. T. van den Broek, geluiddeskundige (hierna te noemen: Van den Broek). Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A. Karolak-Landman en J.H.M. Custers, bijgestaan door ing. A.C. Barten, geluidsdeskundige (hierna te noemen: Barten). Belanghebbende is eveneens verschenen.

Overwegingen

1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

2. Ter beoordeling ligt voor of er aanleiding bestaat het bestreden besluit te schorsen.

3. Gelet op de begunstigingstermijn uit het bestreden besluit, heeft verzoekster een spoedeisend belang bij de beoordeling van haar verzoek tot schorsing van het bestreden besluit.

4. Voor de beoordeling of er aanleiding is het bestreden besluit te schorsen is vervolgens van belang of dit besluit naar verwachting in bezwaar in stand kan blijven.

5.1.

Ter zitting heeft verzoekster onder meer aangevoerd dat de last onder dwangsom ten onrechte aan maatschap [naam] is gericht, omdat deze onderneming heeft opgehouden te bestaan. Verzoekster is de rechtsopvolger van deze maatschap. De pluimveehouderij aan de [adres] is echter niet meegenomen in de v.o.f. van verzoekster, maar wordt gedreven als eenmanszaak door [naam]. Volgens verzoekster had verweerder daarom niet de maatschap maar [naam] moeten aanschrijven.

5.2.

De voorzieningenrechter stelt vast dat [naam] de drijvende persoon achter de inrichting aan de [adres] is en dat uit de aanhef van het bestreden besluit blijkt dat dit besluit aan hem (en zijn echtgenote) is gericht. In de daags voor de zitting door verzoekster overgelegde uittreksels uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel is vermeld dat op 9 maart 2017 is geregistreerd dat maatschap [naam] met ingang van

1 januari 2015 door verzoekster is voortgezet. Niet is gebleken dat verzoekster verweerder heeft meegedeeld dat de maatschap heeft opgehouden te bestaan. Mede nu verzoekster tijdig tegen het bestreden besluit is opgekomen en deze omissie in het besluit op bezwaar kan worden hersteld, ziet de voorzieningenrechter, anders dan verzoekster, in de omstandigheid dat de last onder dwangsom is opgelegd aan de maatschap geen aanleiding voor het oordeel dat dit besluit dient te worden geschorst.

Ondanks dat uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat de inrichting aan de [adres] thans wordt gedreven door [naam], zal de verzoekende partij in het vervolg van deze uitspraak gemakshalve blijven worden aangeduid als verzoekster. Daaronder dienen in voorkomend geval dan tevens te worden begrepen de maatschap [naam] en/of [naam].

6.1.

Verzoekster heeft verder tegen het bestreden besluit aangevoerd dat niet op deugdelijke wijze is vastgesteld dat de voor haar bedrijf geldende geluidsnormen zijn overschreden. Volgens verzoekster kan op basis van het geluidsrapport van 12 september 2016 van Barten niet de conclusie worden getrokken dat sprake is geweest van een overtreding, met name omdat bij de geluidsmeting waar dat rapport op ziet het stoorgeluidniveau niet deugdelijk is bepaald en geen stoorgeluidcorrectie is toegepast.

6.2.

De voorzieningenrechter overweegt dat verweerder bij besluit van 3 mei 2016 voor de inrichting aan de [adres] maatwerkvoorschriften heeft vastgesteld voor het maximaal te produceren geluid. Deze voorschriften bepalen onder meer dat in de representatieve bedrijfssituatie het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau Lar,lt, veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige toestellen en installaties alsmede door de in de inrichting verrichte werkzaamheden of activiteiten, op de gevel van de woning aan de [adres] in [woonplaats] (de woning van belanghebbende), op 5 meter hoogte, gedurende de nacht (van 23.00 uur tot 07.00 uur) niet meer mag bedragen dan 30 dB(A).

6.3.

In de nacht van 23 op 24 augustus 2016 heeft Barten voor de gevel van de woning aan de [adres] geluidsmetingen uitgevoerd. In zijn rapportage van 12 september 2016 concludeert Barten dat uit deze metingen blijkt dat de voorgeschreven geluidsnorm ter plaatse van de woning aan de [adres] in de nacht van 23 op 24 augustus met 3 dB(A) is overschreden. Uit de grafiek en bijbehorende tabel uit bijlage 3 bij dit rapport blijkt dat het gemiddelde geluidsniveau in deze nacht 32,9 DB(A) bedroeg. Namens verzoekster heeft

R. Kamphuis, werkzaam bij Van Westreenen adviseurs, per brief van 26 september 2016 gereageerd op het rapport van 12 september 2016. Per e-mail van 30 september 2016 heeft Barten op deze brief gereageerd. Tevens heeft hij op 28 oktober 2016 een herziene geluidsrapportage opgesteld, waarin ten opzichte van de rapportage van 12 september 2016 aanpassingen en/of verduidelijkingen zijn opgenomen. In de rapportage van 28 oktober 2016 concludeert Barten dat de voorgeschreven geluidsnorm ter plaatse van de woning aan de [adres] in de nacht van 23 op 24 augustus met 2 dB(A) is overschreden. Uit de grafiek en bijbehorende tabel uit bijlage 3 bij dit rapport blijkt dat het gemiddelde geluidsniveau in deze nacht 32,2 dB(A) bedroeg. Naar aanleiding hiervan heeft verweerder verzoekster per brief van 23 december 2016 meegedeeld voornemens te zijn om haar op straffe van een dwangsom te gelasten haar bedrijfsvoering aan de voor haar geldende geluidsnormen te laten voldoen. Tegen dit voornemen heeft G. Nap, werkzaam bij Van Westreenen adviseurs, per brief van 4 januari 2017 namens verzoekster een zienswijze ingediend. Op 18 januari 2017 heeft Barten op deze zienswijze gereageerd door onder meer een beknopt curriculum vitae en de kalibratiecertificaten van de geluidsmeter en de kalibrator over te leggen.

6.4.

De voorzieningenrechter overweegt dat Barten in zijn rapporten van 12 september 2016 en 28 oktober 2016 alsmede ter zitting zijn werkwijze tijdens de geluidsmetingen in de nacht van 23 op 24 augustus heeft toegelicht. Barten heeft onder meer aangegeven dat de metingen van 23.00 uur tot circa 23.45 uur en vanaf 06.20 uur bemand zijn uitgevoerd en in de tussenliggende periode onbemand zijn uitgevoerd. Op basis van logbestanden en audio-opnames zijn de metingen achteraf geanalyseerd. Barten heeft ter plaatse geconstateerd dat het geluidsniveau overduidelijk werd veroorzaakt door het geluid van de ventilatoren van de inrichting van verzoekster. Om deze reden heeft hij op de gemeten geluidsniveaus geen stoorgeluidcorrectie toegepast. Omdat de ventilatoren continu in werking waren, was het volgens Barten ook niet mogelijk om door middel van geluidsmetingen het stoorgeluidniveau te bepalen. Wel hebben langsrijdend verkeer, vogels en kikkers kortstondig de metingen verstoord. Op basis van analyse van de logbestanden en audio-opnames heeft Barten bepaald op welke momenten dat het geval is geweest. Die delen van de metingen zijn niet gebruikt bij het bepalen van het gemiddelde geluidsniveau. Voorts heeft Barten onder meer toegelicht dat de metingen onder de juiste weercondities zijn verricht.

6.5.

Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder op basis van de rapportages van Barten kunnen concluderen dat verzoekster de voor haar inrichting voorgeschreven geluidsnorm in de nacht van 23 op 24 augustus 2016 ter plaatse van de gevel van de woning aan de [adres] heeft overschreden. Niet bestreden is dat Barten beschikt over voldoende expertise om ter zake een deskundig rapport uit te kunnen brengen. Verzoekster heeft weliswaar kritische kanttekeningen geplaatst bij de rapportages van Barten, maar deze geven de voorzieningenrechter geen aanleiding voor het oordeel dat de conclusies uit de rapportages niet kunnen worden gevolgd. Met de toelichting die hij in zijn rapportages en ter zitting op zijn werkwijze heeft gegeven heeft Barten de voorzieningenrechter er van overtuigd dat in de nacht van 23 op 24 augustus 2016 ter plaatse van de gevel van de woning van belanghebbende een gemiddeld geluidsvolume is gemeten dat (afgerond) 2 dB(A) hoger ligt dan is toegestaan en dat deze normoverschrijding wordt veroorzaakt door het geluid van de ventilatoren van de inrichting van verzoekster. Voorts is de voorzieningenrechter uit het verhandelde ter zitting gebleken dat verzoekster in de periode tussen het uitvoeren van de geluidsmetingen in de nacht van 23 op 24 augustus 2016 enerzijds en het vaststellen van de last onder dwangsom op 9 mei 2017 anderzijds geen maatregelen heeft genomen om te waarborgen dat de geconstateerde overtreding zich niet meer zou voordoen. Verweerder heeft dan ook terecht aangenomen dat de situatie binnen de inrichting van verzoekster ten tijde van het nemen van het bestreden besluit niet wezenlijk was gewijzigd ten opzichte van de situatie waarin de overtreding is geconstateerd, zodat de uitkomsten van een nieuwe meting naar verwachting niet anders zullen zijn dan die van de meting in de nacht van 23 op 24 augustus.

6.6.

Dat Barten niet is aangewezen als toezichthouder, maakt het voorgaande niet anders. Barten is door verweerder ingeschakeld als geluidsdeskundige teneinde een deugdelijke en controleerbare vaststelling van de relevante feiten en omstandigheden te laten plaatsvinden. De voorzieningenrechter ziet in hetgeen verzoekster heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder de rapportages van Barten niet aan het bestreden besluit ten grondslag heeft mogen leggen.

6.7.

Op grond van het voorgaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat sprake was van een overtreding van de voorgeschreven geluidsnorm door verzoekster in de nacht van 23 op 24 augustus 2016 en dat verweerder bevoegd is om daartegen handhavend op te treden.

7. Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met een last onder bestuursdwang of dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisering bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

8. De voorzieningenrechter volgt verzoekster niet in haar stelling dat het thans handhavend optreden door verweerder onevenredig zou zijn tot het daarmee te dienen belang, omdat de gemeten overschrijding van de geluidsnorm slechts 2,2 dB(A) bedraagt en de overtreding zich alleen zou voordoen in een warme nacht met een lichte zuidoostenwind. Bij het eerdergenoemde besluit van 3 mei 2016 heeft verweerder voor de inrichting van verzoekster maatwerkvoorschriften vastgesteld om omwonenden te beschermen tegen een hogere geluidsproductie. Mede gelet hierop acht de voorzieningenrechter het handhavend optreden van verweerder tegen een overtreding van die voorschriften niet onevenredig tot het daarmee te dienen belang.

9.1.

Verzoekster heeft ten slotte aangevoerd dat de in het bestreden besluit gestelde begunstigingstermijn te kort is om de vereiste maatregelen te kunnen nemen om de geconstateerde overtreding te beëindigen.

9.2.

De voorzieningenrechter overweegt dat artikel 5:32a, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht voorschrijft dat bij een last onder dwangsom die strekt tot het voorkomen van verdere overtreding een termijn wordt gesteld gedurende welke de overtreder de last kan uitvoeren zonder dat een dwangsom wordt verbeurd. Onder meer in de uitspraak van

3 mei 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1179, overwoog de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) dat voor de vraag of een begunstigingstermijn in redelijkheid kan worden gesteld, slechts van belang is of binnen die termijn aan de last kan worden voldaan.

9.3.

Uit het verhandelde ter zitting is de voorzieningenrechter gebleken dat het van de inrichting afkomstige geluid dat bij de woning van belanghebbende is te horen met name afkomstig is van de ventilatoren van twee stallen (de zogenoemde stallen B en C). Ter zitting heeft verzoekster verklaard dat in stal C voor de ventilatoren inmiddels een frequentieregelaar is geïnstalleerd en dat voor stal B een frequentieregelaar is besteld. Deze zal eind juni worden geïnstalleerd. In een e-mail aan verweerder van 29 mei 2017 had G. Nap deze maatregel ook reeds aangekondigd. Van den Broek heeft ter zitting verklaard dat met behulp van de frequentieregelaars gedurende de nachtperiode een geluidsreductie van zeker 2 dB(A) zal worden bewerkstelligd. Barten heeft ter zitting ook gesteld dat met de frequentieregelaars naar verwachting aan de voorgeschreven geluidsnorm kan worden voldaan.

9.4.

Verweerder heeft ter zitting gesteld dat verzoekster voorafgaand aan het opleggen van de bestreden last onder dwangsom al voldoende tijd heeft gehad om de nodige maatregelen te nemen. Om die reden kon volgens verweerder in het bestreden besluit worden volstaan met een begunstigingstermijn van iets meer dan twee weken (het bestreden besluit is op

16 mei 2017 aan verzoekster verzonden). De voorzieningenrechter volgt verweerder hier niet in. Mede gelet op de hiervoor genoemde jurisprudentie van de Afdeling, is de voorzieningenrechter van oordeel dat verweerder bij het opleggen van de last onder dwangsom had moeten beoordelen of verzoekster binnen de gestelde begunstigingstermijn de vereiste maatregelen kon treffen om verdere overtreding te voorkomen. Niet in geschil is dat het geheel of gedeeltelijk uitzetten van de ventilatoren in de inrichting niet is aan te merken als een mogelijke maatregel om aan de last te voldoen. Tussen verweerder en verzoekster lijkt voorts niet in geschil dat het plaatsen van frequentieregelaars de beste oplossing is voor het voorkomen van verdere overtreding. Mede op basis van het verhandelde ter zitting en de door verzoekster overgelegde order- en opdrachtbevestiging, acht de voorzieningenrechter het aannemelijk dat iets meer dan twee weken te kort is voor het bestellen en plaatsen van de frequentieregelaars. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is de gestelde begunstigingstermijn voor verzoekster daarom onredelijk kort om aan de opgelegde last te kunnen voldoen.

9.5.

Nu de aan de last verbonden begunstigingstermijn naar het oordeel van de voorzieningenrechter onredelijk kort is, bestaat aanleiding om het verzoek om voorlopige voorziening toe te wijzen en het bestreden besluit (verder) te schorsen. Verzoekster heeft ter zitting gesteld dat de frequentieregelaar eind juni in stal B wordt geïnstalleerd en dat daarna nog een check zal worden gedaan om te bezien of aan de gestelde geluidsnormen wordt voldaan. Op basis van deze nog te verrichten handelingen acht de voorzieningenrechter een begunstigingstermijn tot en met vrijdag 7 juli 2017 redelijk. De voorzieningenrechter zal het bestreden besluit daarom tot en met deze datum schorsen.

10. Er bestaat aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die verzoekster voor de behandeling van haar verzoek om voorlopige voorziening redelijkerwijs heeft moeten maken. Gebleken is dat deze uitsluitend bestaan uit kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. De voorzieningenrechter stelt de hoogte van deze kosten vast op € 990,- (1 punt voor het indienen van het verzoek om voorlopige voorziening en 1 punt voor het verschijnen ter zitting; waarde per punt: € 495,-; wegingsfactor 1).

Daarnaast dient verweerder het door verzoekster betaalde griffierecht aan haar te vergoeden.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- wijst het verzoek om voorlopige voorziening toe;

- schorst het besluit van 9 mei 2017 tot en met vrijdag 7 juli 2017;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoekster tot een bedrag van

€ 990,-, te betalen aan verzoekster;

- gelast verweerder het betaalde griffierecht van € 333,- aan verzoekster terug te

betalen.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.J.B. Cornelissen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. P.J.H. Bijleveld, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

buiten staat te tekenen

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.