Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2017:2411

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
14-06-2017
Datum publicatie
17-12-2020
Zaaknummer
AK_ZWO_17_694
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2018:2050, Niet ontvankelijk
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Weigering handhavend op te treden tegen aanwezigheid van coniferen op deel van een perceel; strijdig met het bestemmingsplan en valt niet onder het overgangsrecht; verweerder had niet van handhaving mogen afzien; beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Zwolle

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 17/694

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] te [woonplaats] , eiser,

gemachtigde: mr. J. Schooljan,

en

het college van burgemeester en wethouders van Staphorst, verweerder

gemachtigde: mr. M.R. Kruisselbrink.

Als derde-partijen hebben aan het geding deelgenomen: [naam 1] en [naam 2], te Staphorst.

Procesverloop

Bij besluit van 1 augustus 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder het verzoek van eiser om handhavend op te treden tegen de aanwezigheid van coniferen op een deel van het perceel aan de [adres 1] in Staphorst afgewezen.

Bij besluit van 9 februari 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder naar aanleiding van het bezwaar van eiser het primaire besluit gehandhaafd met een aanpassing van de motivering.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 mei 2017.

Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde en vergezeld door [naam 3] Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en door C. van Olst. Namens de derde-partijen is verschenen [naam 2] .

Overwegingen

1. Eiser woont aan de [adres 2] in Staphorst. Hij heeft op 12 april 2016 een verzoek ingediend bij verweerder om handhavend op te treden tegen de aanwezigheid van coniferen op het perceel van zijn buren aan de [adres 1] in Staphorst. Op dit perceel wonen de derde-partijen. Het handhavingsverzoek ziet specifiek op coniferen aan de westkant van het achterste deel van het perceel waarop de planologische bestemming ‘agrarisch met waarden – landschap en natuur’ rust (de coniferen).

2. Verweerder heeft het verzoek om handhaving afgewezen omdat naar mening van verweerder geen sprake is van een overtreding. Verweerder stelt zich primair op het standpunt dat de coniferen niet in strijd zijn met het vigerende bestemmingsplan, en subsidiair dat de coniferen onder het overgangsrecht vallen omdat deze waren toegestaan onder het voorheen geldende bestemmingsplan. Tijdens de behandeling ter zitting heeft verweerder verder gesteld dat eiser geen belang heeft bij zijn verzoek.

3. De rechtbank overweegt als volgt.

Het vigerende bestemmingsplan

4.1

Het perceel aan de [adres 1] (het perceel) is gelegen binnen het plangebied van het bestemmingsplan “Buitengebied” van de gemeente Staphorst. Op het achterste deel van het perceel is het bestemmingsplan “Buitengebied, herziening Lankhorsterweg 22/24(a)” van toepassing.

Op grond van artikel 2 van de voorschriften behorend bij het bestemmingsplan “Buitengebied, herziening Lankhorsterweg 22/24(a)” zijn de regels gegeven in het bestemmingsplan “Buitengebied”, voor zover hier van belang, van overeenkomstige toepassing (de planregels).

Uit de verbeelding behorend bij het bestemmingsplan “Buitengebied, herziening Lankhorsterweg 22/24(a)” volgt dat het achterste gedeelte van het perceel waar de coniferen zich bevinden de bestemming ‘agrarisch met waarden – landschap en natuur’ heeft.

Op grond van artikel 7.1 van de planregels zijn gronden met deze bestemming, voor zover van belang, bestemd voor:

“a. het behoud, de bescherming en/of het herstel van de landschappelijke en natuurlijke waarden, met dien verstande dat hieronder het behoud en/of herstel van de volgende essentiële ruimtelijke kenmerken wordt begrepen:

(…)

 het halfopen landschap;

(…)

met daaraan ondergeschikt:

(…)

k. tuin, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding ‘tuin’;

alsmede voor:

l. het behoud van de uitwendige hoofdvorm van gebouwen, ter plaatse van de aanduiding ‘karakteristiek’;

met de daarbij behorende:

(…)

s. tuinen, erven en terreinen;

(…)

u. groenvoorzieningen;”

Op grond van artikel 1.77 van de planregels zijn ‘landschappelijke waarden’ de “aan een gebied toegekende waarden in verband met de waarneembare verschijningsvormen van dat gebied”.

Op grond van artikel 1.83 van de planregels zijn ‘natuurlijke waarden’ de “aan een gebied toegekende waarde in verband met de geologische, bodemkundige en biologische elementen, voorkomend in dat gebied”.

Op grond van artikel 7.5.2, onder m, van de planregels wordt onder strijdig gebruik met de bestemming ‘agrarisch met waarden – landschap en natuur’ in elk geval begrepen “het gebruik van gronden buiten het bouwvlak als erf of tuin”.

4.2

Gelet op de hiervoor weergegeven planregels van het vigerende bestemmingsplan is primair in geschil of de coniferen dienen tot behoud, bescherming en/of herstel van de landschappelijke en natuurlijke waarden die aan het achterste deel van het perceel zijn toegekend.

4.3

Zowel verweerder als eiser verwijzen voor de aan het perceel toegekende landschappelijke en natuurlijke waarden naar het Landschapsplan Staphorst van 14 april 2011 (het landschapsplan, bijlage 2 bij het verweerschrift). De rechtbank onderschrijft deze benadering. In de toelichting bij het bestemmingsplan “Buitengebied” wordt ten aanzien van de ‘huidige landschappelijke kwaliteiten’ van het plangebied verwezen naar de voorloper van het landschapsplan, de Uitgangspuntennotitie Landschapsplan Staphorst april 2010 – 28 mei 2011. Aannemelijk is derhalve dat het landschapsplan de huidige landschappelijke en natuurlijke waarden bevat die aan het plangebied zijn toegekend waarop in het bestemmingsplan wordt gedoeld.

4.4

Het landschapsplan kent zeven landschapstypen. De rechtbank stelt vast dat het perceel ligt op de grens tussen de landschapstypen (i) Beekdallandschap Reest en (ii) Jonge Ontginningslandschap.

De karakteristiek van het landschapstype Beekdallandschap Reest is op pagina 15 van het landschapsplan als volgt omschreven: “halfopen, kleinschalig, “idyllisch” laaglandbeekdal met sterk meanderende beek, coulissen, madelanden en bolvormige eenmansessen”, en “typische “uitstulping” van het beekdal (geomorfologisch: uitblazingskom) met de Vledders en Leijer Hooilanden; grootschalig en open gebied met zijbeek Streitenvaart”. Beplanting binnen dit landschapstype is als volgt omschreven: “gevarieerd beplantingspatroon van singels, (hakhout)bosjes en wegbeplanting (eik), houtwallen (plaatselijk), sortiment: eik, els, linde”.

De karakteristiek van het landschapstype Jonge Ontginningslandschap is op dezelfde pagina als volgt omschreven: “jonge ontginningen van voormalige hoogveen-complexen, lintbebouwing met grote erven en tamelijk veel groen, grote groene kamers door wegbeplanting”. Beplanting binnen dit landschapstype is als volgt omschreven: “groene kamerstructuur bestaande uit laanbeplanting van eiken, karakteristieke eikenrijen haaks op Staphorster Bos, restanten van perceelsgrensbeplanting, assortiment: eik (es)”.

4.5

Eiser stelt zich op het standpunt dat het perceel is gelegen in het open westelijk deel van het landschapstype Beekdallandschap Reest waarbinnen geen erfafscheiding is toegestaan. Eiser verwijst daartoe naar pagina 22 en pagina 30 van het landschapsplan. De rechtbank volgt dit standpunt niet. De rechtbank stelt vast dat op pagina 30 van het landschapsplan is opgenomen dat “voor het Reestdal wordt gestreefd naar behoud en ontwikkeling van het kleinschalige en afwisselende natuur- en cultuurlandschap. Daarbij wordt het verschil tussen [het] half open oostelijke deel en het relatief open westelijke deel verder ontwikkeld. Bouwstenen hiervoor zijn: (…) solitaire bomen en erven met erfbeplanting aan de Lankhorsterweg/Heerenweg”. In het landschapsplan is aldus geen sprake van een ‘open westelijk deel’, maar van een ‘relatief open westelijk deel’. Erfbeplanting aan de Lankhorsterweg is daarbinnen toegestaan, zo volgt uit het hiervoor weergegeven citaat uit het landschapsplan. De rechtbank is dan ook van oordeel dat een erfafscheiding niet reeds op zichzelf in strijd is met de landschappelijke en natuurlijke waarden die aan het perceel zijn toegekend.

4.6

Verweerder stelt zich op het standpunt dat de coniferen op het perceel zijn toegestaan, omdat zij passen binnen het ‘halfopen’ landschap en derhalve niet in strijd zijn met het landschapstype Beekdallandschap Reest. De rechtbank volgt ook dit standpunt niet. Hoewel de coniferen het perceel niet omsluiten, en in die zin sprake is van een ‘halfopen’, althans ‘relatief open’, landschap, passen coniferen naar het oordeel van de rechtbank niet binnen de landschappelijke en natuurlijke waarden van het landschapstype Beekdallandschap Reest. Het landschapsplan kent namelijk een specifiek beplantingsassortiment voor dit landschapstype (zie pagina 15 en pagina 33 van het landschapsplan). Coniferen vallen daaronder niet. Ook in het beplantingsassortiment van het landschapstype Jonge Ontginningslandschap worden coniferen niet genoemd. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat de coniferen niet dienen tot behoud, de bescherming en/of het herstel van de landschappelijke en natuurlijke waarden die aan het perceel zijn toegekend.

4.7

Verweerder heeft zich verder op het standpunt gesteld dat de coniferen zijn toegestaan op grond van artikel 7.1, aanhef en onder s. en/of u. van de planregels. Ook dat standpunt volgt de rechtbank niet. Gelet op de woorden ‘alsmede voor’ en ‘met de daarbij behorende’ in artikel 7.1 van de planregels, zijn de leden s. en u. van het artikel ondergeschikt aan gebruik van de gronden voor het behoud van de uitwendige hoofdvorm van gebouwen, dat enkel is toegestaan ter plaatse van de aanduiding ‘karakteristiek’ (lid l van artikel 7.1 van de planregels). Het perceel kent de aanduiding ‘karakteristiek’ niet. Ondergeschikte ‘tuinen, erven en terreinen’ en ‘groenvoorzieningen’ zijn dan ook niet toegestaan. Dat geen sprake is van een zelfstandige bestemming tot ‘tuinen, erven en terreinen’ en/of ‘groenvoorzieningen’, ziet de rechtbank bevestigd in artikel 7.5.2, aanhef en onder m. van de planregels, dat bepaalt dat onder strijdig gebruik in elk geval wordt begrepen ‘het gebruik van gronden buiten het bouwvlak als erf of tuin’. Zelfstandig gebruik als erf of tuin is kortom niet toegestaan.

4.8

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het gebruik van het perceel door de aanwezigheid van de coniferen in strijd is met artikel 7.1, aanhef en onder a, van de planregels. Van belang is vervolgens of dit gebruik is toegestaan op grond van het overgangsrecht (het subsidiaire standpunt van verweerder).

Het overgangsrecht

5.1

Op grond van artikel 61.B, eerste lid van de planregels mag het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, worden voortgezet.

Op grond van artikel 61.B, vierde lid van de planregels is het eerste lid niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsregels van dat plan.

Voorafgaand aan de inwerkingtreding van het bestemmingsplan “Buitengebied” en het bestemmingsplan “Buitengebied, herziening Lankhorsterweg 22/24(a)” was op het perceel het bestemmingsplan “Buitengebied Staphorst” van toepassing dat is vastgesteld op 18 oktober 1994.

Tussen partijen is niet in geschil dat op grond van dit bestemmingsplan aan het achterste deel van het perceel de bestemming ‘agrarisch gebied met landschappelijke en natuurlijke waarde’ was toegekend. De rechtbank onderschrijft dit standpunt.

Op grond van artikel 6.A van de regels behorend bij het bestemmingsplan “Buitengebied Staphorst” zijn de gronden die zijn aangewezen als ‘agrarisch gebied met landschappelijke en natuurlijke waarde’ bestemd voor, voor zover hier van belang, “het behoud, de bescherming en/of het herstel van de landschappelijke en natuurlijke waarden, zoals deze tot uitdrukking komen in het begroeiingspatroon (houtsingels) en overige vegetatie, het verkavelingspatroon, de openheid dan wel de relatieve openheid (half open landschap), het (micro-)reliëf en/of de fauna”.

Op grond van artikel 1, onder ac, van de planregels bij het bestemmingsplan “Buitengebied Staphorst”, wordt onder ‘landschappelijke waarde’ verstaan: “aan een gebied toegekende waarden in verband met de waarneembare verschijningsvorm van dat gebied”.

Op grond van artikel 1, onder ad, van de planregels bij het bestemmingsplan “Buitengebied Staphorst”, wordt onder ‘natuurlijke waarden’ verstaan: “aan een gebied toegekende waarden in verband met de geologische, bodemkundige en biologische elementen, voorkomend in dat gebied”.

5.2

De rechtbank stelt vast dat de landschappelijke en natuurlijke waarden die op grond van het bestemmingsplan “Buitengebied Staphorst” aan het perceel zijn toegekend in dat bestemmingsplan niet nader zijn uitgewerkt. Door geen van partijen is gesteld dat de landschappelijke en natuurlijke waarden die aan het perceel zijn toegekend, in de loop der tijd zijn gewijzigd. De rechtbank gaat er derhalve van uit dat dezelfde landschappelijke en natuurlijke waarden aan het perceel waren toegekend onder toepassing van het bestemmingsplan “Buitengebied Staphorst” als onder toepassing van het bestemmingsplan “Buitengebied”. Nu de coniferen, gelet op hetgeen de rechtbank ten aanzien van het bestemmingsplan “Buitengebied” heeft overwogen, niet dienen tot het behoud, de bescherming en/of het herstel van die waarden, is de rechtbank van oordeel dat de coniferen evenmin waren toegestaan onder het bestemmingsplan Buitengebied Staphorst. De coniferen vallen dan ook niet onder het overgangsrecht.

Tussenconclusie

6.1

Het voorgaande betekent dat het gebruik van het perceel door de aanwezigheid van de coniferen in strijd is met het vigerende bestemmingsplan en niet valt onder het overgangsrecht. Dit gebruik levert derhalve een overtreding op van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, dat, voor zover hier van belang, verbiedt om gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan te gebruiken.

6.2

In geval van een overtreding van een wettelijk voorschrift zal een bestuursorgaan dat bevoegd is om handhavend op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken vanwege het algemeen belang dat is gediend met handhaving. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisatie bestaat. Verder kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

De belangenafweging

7.1

Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser geen belang heeft bij handhaving, omdat een coniferenhaag op zijn eigen perceel het uitzicht op de coniferen van de buren belemmert en de door eiser gestelde overlast bij verwijdering van de coniferen niet verandert. Volgens verweerder stelt eiser overlast te ondervinden van de lantaarnpalen op het perceel van de buren en wordt het zicht op die lantaarnpalen, althans het lichtschijnsel van die lantaarnpalen, bij verwijdering van de coniferen niet minder. Daarnaast stelt verweerder dat de coniferen vervangen kunnen worden door een andere erfafscheiding, waardoor het door eiser gewenste ‘open uitzicht’ alsnog niet zou ontstaan.

7.2

Voor zover verweerder zich aldus op het standpunt stelt dat handhavend optreden zodanig onevenredig is in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien, overweegt de rechtbank als volgt.

Niet aannemelijk is dat eiser in het geheel geen belang heeft bij verwijdering van de coniferen. De rechtbank begrijpt de stellingen van eiser aldus, dat hij de coniferenhaag op zijn eigen perceel wenst te verwijderen, maar dit nog niet heeft gedaan omdat hij dan tegen de coniferen van de buren aankijkt. Gelet hierop, en op het algemeen belang dat gediend is bij handhaving in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift, is de rechtbank van oordeel dat niet is gebleken dat sprake is van een situatie waarin handhaving om deze reden onevenredig moet worden geacht in verhouding tot de daarmee te dienen belangen. Verweerder had om die reden dan ook niet van handhaving mogen afzien.

Conclusie

8. Het beroep is gegrond. De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen.

9. De rechtbank ziet geen aanleiding om zelf in de zaak te voorzien, omdat verweerder bij de afweging of tot handhaving wordt overgegaan, welke handhavingsmaatregel wordt genomen en welke voorwaarden daarbij gelden over een ruime mate van beleidsvrijheid beschikt. Gelet op de aard van het door de rechtbank geconstateerde gebrek en het feit dat dit noopt tot een nieuwe besluitvoering van verweerder, ziet de rechtbank geen aanleiding om een bestuurlijke lus toe te passen.

10. De rechtbank zal verweerder opdragen een nieuwe beslissing te nemen op het bezwaarschrift van eiser met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van zes weken. De rechtbank merkt op dat deze termijn pas begint nadat de termijn om hoger beroep in te stellen ongebruikt is verstreken of, indien hoger beroep wordt ingesteld, nadat op het hoger beroep is beslist.

11. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.

12. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 990 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 495 en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    draagt verweerder op binnen zes weken na het gezag van gewijsde krijgen van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 168 aan eiser te vergoeden;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 990.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.C. Rozeboom, rechter, in aanwezigheid van mr. A. van der Weij, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.