Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2017:230

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
18-01-2017
Datum publicatie
23-01-2017
Zaaknummer
08/996110-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Raadkamer
Inhoudsindicatie

Klaagschrift. Beslaglegging geldbedrag/goudstukken, drie auto's en banksaldo's. De raadkamer verklaart het klaagschrift ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Afdeling Strafrecht

Zittingsplaats Almelo

Parketnummer: 08/996110-15

Klaagschriftnummer: 16/1062

Beschikking van de enkelvoudige raadkamer op het klaagschrift, op grond van artikel 552a Sv van:

[klager],

geboren op [geboortedag] 1965 in [geboorteplaats] (Turkije),

wonende in [woonplaats], aan de [adres 1],

verder te noemen: klager.

1 Het verloop van de procedure

Het klaagschrift, gedateerd 22 november 2016, is op 28 november 2016 op de griffie van de rechtbank ontvangen. Het is ingediend namens klager, door mr. J.O.A.N. de Vries, advocaat te Amersfoort.

Het klaagschrift betreft een op grond van artikel 94a Sv gelegd beslag op:

  • -

    een geldbedrag en goudstukken ter waarde van € 311.376,75;

  • -

    een personenauto van het merk Ford type Mustang met het kenteken [kenteken 1], waarvoor een zekerheidsstelling ten bedrage van € 25.000,-- is afgegeven;

  • -

    een personenauto van het merk Mercedes met het kenteken [kenteken 2];

  • -

    een personenauto van het merk Volkswagen type Golf met het kenteken [kenteken 3];

  • -

    een bankrekening met IBAN [bankrekening 1] met een saldo van € 9.744,05 credit;

  • -

    een bankrekening met IBAN [bankrekening 2] met een saldo van € 33.154,96 credit;

  • -

    een bankrekening met IBAN [bankrekening 3] met een portefeuille ter waarde van € 15.044,25;

  • -

    een bankrekening met IBAN [bankrekening 4] met een saldo van € 41.486,33 credit;

  • -

    een bankrekening met IBAN [bankrekening 5] met een saldo van € 6.346,25 credit;

  • -

    een bankrekening met IBAN [bankrekening 6] met een saldo van € 16.214,29 credit;

  • -

    een bankrekening met IBAN [bankrekening 7] met een saldo van € 4.322,69 credit;

  • -

    een bankrekening met IBAN [bankrekening 8] met een saldo van

€ 3.934,03 credit;

  • -

    een bankrekening met IBAN [bankrekening 9] met een saldo van € 8.471,14 credit;

  • -

    onroerende registergoederen met een waarde van € 1.151.310,--.

Zakelijk weergegeven wordt geklaagd over:

  • -

    de inbeslagneming

  • -

    het uitblijven van een last tot teruggave

Het klaagschrift is behandeld op de openbare zitting van de raadkamer van 11 januari 2017.

Bij de behandeling zijn de officier van justitie, klager en de raadsvrouw gehoord.

De raadkamer heeft kennis genomen van het door de officier van justitie overgelegde “klaagschriftdossier”.

2 De standpunten van klager, de raadsvrouw en de officier van justitie

Klager maakt bezwaar tegen de inbeslagneming en het uitblijven van een last tot teruggave. De raadsvrouw heeft ter zitting het klaagschrift toegelicht.

Het standpunt van de officier van justitie luidt samengevat dat het klaagschrift ongegrond moet worden verklaard.

3 De bevoegdheid van de rechtbank

De rechtbank Overijssel is bevoegd van het klaagschrift kennis te nemen.

4 De ontvankelijkheid

Het klaagschrift is ontvankelijk.

5 De beoordeling

Op grond van de stukken en de behandeling op de zitting stelt de raadkamer het volgende vast.

Vooropgesteld moet worden dat het onderzoek in raadkamer naar aanleiding van een klaagschrift als bedoeld in artikel 552a Sv een summier karakter draagt. Dat betekent dat van de rechter niet kan worden gevergd ten gronde in de mogelijke uitkomst van een nog te voeren hoofdzaak of ontnemingsprocedure te treden. Daarvoor is in de beklagprocedure geen plaats, omdat ten tijde van een dergelijke procedure veelal het dossier zoals dat uiteindelijk aan de zittingsrechter in de hoofd- of ontnemingszaak zal worden voorgelegd, nog niet compleet is en omdat voorkomen moet worden dat de beklagrechter vooruitloopt op het in de hoofd- of de ontnemingszaak te geven oordeel. Het beperkte karakter van de beklagprocedure komt tot uitdrukking in enkele van de aan te leggen toetsingsmaatstaven.

Maatstaf

Het beklag richt zich tegen een beslag als bedoeld in artikel 94a Sv, tweede lid, Sv. De raadkamer dient te onderzoeken a) of er ten tijde van zijn beslissing sprake was van verdenking van of veroordeling wegens een misdrijf waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd en b) of zich niet het geval voordoet dat hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, aan de verdachte een verplichting tot betaling van een geldboete dan wel de verplichting tot betaling van een geldbedrag ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel zal opleggen.

Feiten en omstandigheden

Op 4 april 2016 is in het kader van een strafrechtelijk financieel onderzoek tegen klager conservatoir beslag gelegd op de hiervoor onder 1 genoemde vermogensbestanddelen.

Overwegingen

Klager wordt verdacht van leidinggeven/deelnemen aan een criminele organisatie, witwassen en het handelen in strijd met bepalingen van de Wet op de kansspelen. Dit zijn telkens misdrijven waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd. Het vermoeden bestaat dat klager door het plegen van deze strafbare feiten veel geld heeft verdiend, zodat het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, aan de verdachte een verplichting tot betaling van een geldboete dan wel de verplichting tot betaling van een geldbedrag ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel zal opleggen. Dit is door de verdediging ook niet weersproken, zodat de raadkamer vaststelt dat de inbeslagneming rechtmatig heeft plaatsgevonden.

Klager stelt dat het noodzakelijk is dat de beslagen op de drie auto’s, de geldbedragen en de bankrekeningen worden opgeheven, zodat hij zijn vaste lasten kan voldoen en de verbouwing en de schade aan zijn pand aan de [adres 2] in [plaats] kan voltooien/herstellen.

Voorts stelt klager dat de rechter bij de beoordeling van een beklag over inbeslagneming ter motivering van zijn beslissing ervan blijkt dient te geven te hebben onderzocht of er een redelijke verhouding bestaat tussen de waarde van hetgeen in beslag is genomen en de mogelijke hoogte van de betalingsverplichting. Gelet op de hoogte waarop het ontnemingsbedrag wordt geschat in verhouding tot de waarde van de inbeslaggenomen registergoederen zou het disproportioneel zijn om het conservatoire beslag op de overige vermogensbestanddelen te laten voortduren.

De raadkamer overweegt daarover het volgende.

Als uitgangspunt heeft te gelden dat uit het arrest van de Hoge Raad van 7 januari 2014 (ECLI:NL:HR:2014:38, NJ 2014/66) volgt dat de in geval van beslaglegging uit hoofde van artikel 94a Sv toe te passen toetsingsmaatstaf niet uitsluit dat de rechtbank, indien de omstandigheden van het geval dat meebrengen, bij de beoordeling van het klaagschrift tevens onderzoekt of voortzetting van het beslag in overeenstemming is met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. Naar het oordeel van de raadkamer is van zodanige omstandigheden in de onderhavige zaak niet gebleken nu het niet, althans moeilijk kunnen voldoen van de vaste lasten en het niet, althans moeilijk kunnen financieren van de verbouwing en het herstel van de schade aan zijn pand aan de [adres 2] in [plaats] daarvoor onvoldoende grondslag bieden. De raadkamer heeft in dat verband ook betekenis gehecht aan het feit dat klager in een eerder stadium reeds € 25.000,-- als zekerheidsstelling heeft afgegeven teneinde weer de beschikking over de inbeslaggenomen Ford Mustang te krijgen, zodat klager kennelijk in staat is om buiten de beslagen vermogensbestanddelen om aan geld te komen.

Wat betreft de gestelde vermeende onevenredige verhouding tussen de waarde van hetgeen in beslag is genomen en de mogelijke hoogte van de betalingsverplichting overweegt de raadkamer dat uit het arrest van de Hoge Raad van 15 januari 2008 (ECLI:NL:HR:2008:BB9890) volgt dat in geval van beslaglegging uit hoofde van artikel 94a Sv de toe te passen toetsingsmaatstaf niet vergt dat de raadkamer een onderzoek doet naar de proportionaliteit tussen de waarde van de inbeslaggenomen vermogensbestanddelen en de hoogte van de eventueel op te leggen geldboete of van het te ontnemen bedrag. Omstandigheden van het geval kunnen meebrengen dat de rechter in de motivering van zijn beslissing ervan blijk dient te geven een dergelijk onderzoek te hebben verricht. Zodanige omstandigheden zijn hier niet gebleken. Als zodanige omstandigheid kan - alleen al vanwege het feit dat het in de aanvraag voor het strafrechtelijk financieel onderzoek berekende bedrag een voorlopige berekening betreft - niet gelden het feit dat de vermeende waarde van de in beslag genomen onroerende registergoederen het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel per persoon blijkens het proces-verbaal conservatoir beslag van 4 april 2016 op dat moment wordt geschat (€ 516.000,=) reeds ruimschoots zou overstijgen. In dit verband is voorts van belang dat voor het conservatoir strafvorderlijk beslag de wetgever de regeling van het conservatoir beslag in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering tot uitgangspunt heeft genomen, zij het met de in de artikel 94c onder a tot en met f Sv genoemde uitzonderingen. De in die bepaling onder a genoemde uitzondering heeft de wetgever aanleiding gegeven tot het daarna onder b vervatte voorschrift ten aanzien van de vermelding van een maximumbedrag in het proces-verbaal van inbeslagneming of het beslagexploit. In dat verband heeft de wetgever nog met zoveel woorden tot uitdrukking gebracht dat het belang van het vermelden van het maximumbedrag is gelegen in het kunnen aanbieden van een zekerheidstelling als bedoeld in artikel 118a Sv alsmede in de kenbaarheid voor derden die in de beslagen voorwerpen mogelijk ook verhaalsobjecten voor hun vorderingen zien. Daarom moet worden aangenomen dat met de vermelding van het maximumbedrag niet is beoogd het maximale bedrag aan te geven waarvoor het beslag mag worden gelegd, maar het bedrag waarvoor de beslaglegger een vordering op de beslagdebiteur pretendeert en verhaal beoogt te zoeken. Een andere opvatting, namelijk dat het aangegeven maximumbedrag de maximale hoogte bepaalt van het te leggen beslag, zou in een geval als het onderhavige kunnen meebrengen dat het Openbaar Ministerie in zijn recht van verhaal zou worden beknot ingeval ook andere crediteuren hun verhaalsrechten zouden uitoefenen, nog daargelaten dat volgens de officier van justitie onderzoek inmiddels heeft uitgewezen dat het wederrechtelijk verkregen voordeel uiteindelijk veel hoger zal liggen dan de eerdere voorlopige berekening van € 516.000,= per persoon. Niet kan worden aangenomen dat de wetgever een dergelijke afwijking van de in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering voorziene regeling van het conservatoir beslag heeft gewild (ECLI:NL:HR:2006:AU4691). De raadkamer verwerpt dan ook het verweer van de raadsvrouw.

Conclusie

De raadkamer is op grond van het voorgaande van oordeel dat het klaagschrift ongegrond moet worden verklaard.

6 De beslissing

De raadkamer verklaart het klaagschrift ongegrond.

Deze beschikking is gegeven door mr. B.W.M. Hendriks, rechter, in tegenwoordigheid van mr. B.M. Hoek, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 18 januari 2017.