Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2017:2235

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
19-04-2017
Datum publicatie
31-05-2017
Zaaknummer
08/950481-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Raadkamer
Inhoudsindicatie

Verzoekschrift. Vergoeding van kosten klaagschriftprocedure. Niet-ontvankelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Afdeling Strafrecht

Zittingsplaats Almelo

Parketnummer: 08/950481-14

Verzoekschriftnummer: 16/204

Beschikking van de enkelvoudige raadkamer op het verzoekschrift op grond van artikel 591a Sv van:

[verzoeker],

geboren op [geboortedag] 1957 in [geboorteplaats],

wonende in [woonplaats], aan de [adres],

verder te noemen: verzoeker.

1 Het verloop van de procedure

Het verzoekschrift met bijlagen, gedateerd 2 maart 2016, is op 3 maart 2016 op de griffie van de rechtbank ontvangen. Het is ondertekend en ingediend door verzoeker, bijgestaan door mr. X.B. Sijmons, advocaat te Amersfoort.

Het verzoek strekt ertoe aan verzoeker op grond van artikel 591a Sv een vergoeding ten laste van de Staat toe te kennen tot een bedrag van in totaal € 2.574,77 c.q. € 2.501,21, bestaande uit:

  • -

    € 121,80, althans: € 48,24 (afhankelijk van de keuze tussen de Reisregeling binnenland en kosten openbaar vervoer) voor zijn ten behoeve van het onderzoek en de behandeling van de zaak gemaakte reiskosten, en

  • -

    € 2.452,97 voor de kosten van zijn raadsman.

Daarnaast strekt het verzoek tot het op grond van artikel 591a Sv toekennen van een vergoeding van € 550,-- voor de kosten van het opstellen, indienen en bijwonen van de behandeling ter zitting van het verzoekschrift.

Het verzoekschrift is behandeld op de openbare zitting van de raadkamer van

19 april 2017.

Bij de behandeling zijn de officier van justitie, verzoeker en de raadsman gehoord.

De raadkamer heeft ook kennisgenomen van de volgende stukken:

  • -

    de naar aanleiding van het verzoekschrift door het Openbaar Ministerie op 4 maart 2016 gedateerde conclusie,

  • -

    de naar aanleiding van het verzoekschrift door de officier van justitie op 4 maart 2017 gedateerde schriftelijke reactie, en

  • -

    de ter terechtzitting door de raadsman overgelegde pleitnota.

2 De standpunten van verzoeker en de raadsman en de officier van justitie

De raadsman heeft ter zitting het verzoekschrift toegelicht aan de hand van een pleitnota, welke pleitnota aan deze beschikking is gehecht en als hier ingelast wordt beschouwd.

De officier van justitie heeft ter zitting gepersisteerd bij zijn schriftelijke reactie van

4 maart 2017. Ook deze reactie is aan deze beschikking gehecht en wordt als hier ingelast beschouwd.

3 De ontvankelijkheid

Het verzoekschrift is tijdig ingediend nu het verzoekschrift strekt tot vergoeding van kosten die gemaakt zijn in het kader van de klaagschriftprocedure op grond van artikel 552a Sv naar aanleiding van het klaagschrift van 14 oktober 2015, welke procedure met de beschikking van 9 december 2015 onherroepelijk is geëindigd nu daartegen geen cassatieberoep is ingesteld. Verzoeker heeft tijdig binnen drie maanden na het eindigen van de klaagschriftprocedure het verzoek tot schadevergoeding ingediend.

4 De beoordeling

Verzoeker vraagt vergoeding van kosten die hij heeft moeten maken in het kader van de klaagschriftprocedure naar aanleiding van het voornoemde klaagschrift op grond van artikel 552a Sv. Bij beschikking van 9 december 2015 is het klaagschrift van verzoeker gedeeltelijk gegrond verklaard. De raadkamer overweegt als volgt.

Art. 591a, vierde lid, Sv verklaart onder meer het bepaalde in art. 591, vijfde lid, Sv van overeenkomstige toepassing. Dat betekent dat de bepalingen ten aanzien van de vergoeding van kosten tevens van toepassing zijn op een aantal met name genoemde procedures. Daarbij gaat het onder andere om de behandeling van klaagschriften als bedoeld in de artikelen 552a tot en met 552b Sv (in verband met onder meer inbeslagneming, een strafbeschikking of een schikking als bedoeld in art. 511c Sv, verbeurdverklaring en onttrekking aan het verkeer). Uit de opsomming van de procedures die van overeenkomstige toepassing zijn verklaard, wordt duidelijk dat de afloop van de strafzaak in dit kader, anders dan in art. 591a, tweede lid, Sv, geen voorwaarde is voor de toekenning van een vergoeding. Bij de behandeling van klaagschriften als bedoeld in de artikelen 552a tot en met 552b kan het bijvoorbeeld gaan om belanghebbenden tegen wie geen strafzaak aanhangig is (geweest). De in art. 591a, tweede lid, Sv neergelegde voorwaarde dat de zaak is geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan art. 9a Sr, moet in die gevallen worden bezien in het licht van de voor de verzoeker gunstige afloop van de desbetreffende procedure, bijvoorbeeld het gegrond verklaren van het klaagschrift. In zoverre wordt de regeling van art. 591, vijfde lid, Sv wel als een zelfstandige regeling gezien die los staat van de vergoedingsregeling die rechtstreeks is gerelateerd aan de strafzaak als zodanig.

Dat neemt echter niet weg dat in voorkomende gevallen op grond van het eveneens van overeenkomstige toepassing verklaarde art. 591a, tweede lid, Sv moet worden gedacht aan zaken die eindigen met een gegrondverklaring van het klaagschrift. De raadkamer van de rechtbank Overijssel heeft op 9 december 2015 het klaagschrift van verzoeker tegen het beslag gedeeltelijk gegrond verklaard. Dat brengt volgens de raadkamer met zich mee dat alleen al om die reden verzoeker niet ontvankelijk verklaard moet worden in het verzoek tot schadevergoeding (vgl. Hoge Raad, 3 februari 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG2191 en Hoge Raad 22 september 2015 ECLI:NL:HR:2015:2756 en de conclusie van AG Bleichrodt). In laatstgenoemd arrest, gewezen op het beroep in cassatie in het belang van de wet van de Advocaat-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden, overweegt de Hoge Raad onder meer: ‘De (…) in dit arrest besliste gevallen kenmerken zich hierdoor dat weliswaar de desbetreffende strafzaak niet is geëindigd met een niet-veroordelende einduitspraak in de zin van art. 348 en 350 Sv, maar desalniettemin aannemelijk is dat geen aansprakelijkstelling door de strafrechter zal volgen. In dat type gevallen achtte de Hoge Raad het redelijk de toepasselijkheid van art. 591a, tweede lid, Sv niet uit te sluiten’.

In de onderhavige zaak is niet alleen geen sprake van een klaagschrift ingevolge artikel 552a Sv dat gegrond verklaard is, maar bovendien is verzoeker volgens de officier van justitie nog steeds verdachte en is de (hoofd)zaak tegen verzoeker dus nog niet geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel.

De raadkamer leidt uit de aangehaalde arresten van de Hoge Raad af dat voor inwilliging van een verzoek als het onderhavige alleen plaats zou kunnen zijn indien de strafzaak tegen verzoeker is geëindigd op de wijze als in art. 591a Sv vermeld, dus zonder oplegging van straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan art. 9a Sr. Dat is (nog) niet het geval. Ook om die reden (naast het feit dat het klaagschrift in het kader waarvan de kostenvergoeding wordt gevraagd slechts gedeeltelijk gegrond verklaard is) moet verzoeker niet ontvankelijk verklaard worden in zijn verzoek om schadevergoeding.

5 De beslissing

De voorzitter verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in het verzoek.

Deze beschikking is gegeven door mr. Hendriks, voorzitter, in tegenwoordigheid van Endlich, griffier, ondertekend door de voorzitter en de griffier en in het openbaar uitgesproken op 19 april 2017.