Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2017:208

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
18-01-2017
Datum publicatie
19-01-2017
Zaaknummer
C/08/195105 / KG ZA 16-416
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

De vraag of de vennootschapsovereenkomst rechtsgeldig buitengerechtelijk is ontbonden door eiseres is in dit kort geding niet te beantwoorden. Voorts is het onvoldoende aannemelijk dat de bodemrechter zal concluderen dat eiseres het concurrentiebeding heeft geschonden en dat daarin een gewichtige reden is gelegen om de VOF te ontbinden en dat het, vooruitlopend daarop, niet aangewezen is om te bepalen dat gedaagde met uitsluiting van eiseres als enige voorlopig gerechtigd is de onderneming voort te zetten.

Los van het vorenstaande ligt het, gelet op de beschuldigingen over en weer van partijen in de rede om te veronderstellen dat in de bodemprocedure met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid geoordeeld zal worden dat in redelijkheid de samenwerking tussen partijen niet kan worden voortgezet.

Resteert de vraag of er thans, voorafgaande aan de te verwachten ontbinding, er ook reden is voor het nemen van een ordemaatregel die ertoe leidt dat één van partijen voorlopig - totdat de bodemrechter over de beëindiging van de VOF heeft geoordeeld dan wel partijen het zelf daarover eens zijn geworden - met uitsluiting van de andere partij de onderneming mag voortzetten. Deze vraag beantwoordt de voorzieningenrechter ontkennend. Zowel het gevorderde in conventie als in reconventie wordt afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/331
OR-Updates.nl 2017-0059
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Almelo

zaaknummer / rolnummer: C/08/195105 / KG ZA 16-416

Vonnis in kort geding van 18 januari 2017

in de zaak van

[X] ,

wonende te [woonplaats 1] ,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

verder te noemen [X] ,

advocaat mr. F. Kolkman te Almelo,

tegen

[Y] ,

wonende te [woonplaats 2] ,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

verder te noemen [Y] ,

advocaat mr. R.F. Kötter te Wierden.

1 De procedure

1.1.

[X] heeft gevorderd als vermeld in de dagvaarding. Nadien heeft zij nog enkele producties ingebracht.

1.2.

[Y] heeft een eis in reconventie ingesteld. Zij heeft ook producties ingebracht. Van de producties die op 5 januari 2017 door [Y] zijn overgelegd is geen kennis genomen, aangezien deze te laat zijn ingediend. Partijen zijn hiervan door de griffie telefonisch op de hoogte gesteld.

1.3.

De zaak is behandeld ter terechtzitting van 6 januari 2017. Ter zitting zijn verschenen: [X] , vergezeld door mr. Kolkman, en [Y] , vergezeld door
mr. Kötter. De standpunten zijn, mede aan de hand van pleitnota’s en de namens [Y] daaraan gehechte producties, toegelicht.

1.4.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Partijen hebben op 1 oktober 2010 de vennootschap onder firma “De Rijssense Kledingkamer V.O.F.” (hierna: de VOF) opgericht. De VOF exploiteert een winkel in kleding en accessoires.

2.2.

In oktober 2010 hebben partijen een overeenkomst van vennootschap onder firma (hierna: de vennootschapsovereenkomst ) gesloten. De venootschapsovereenkomst bevat, voor zover hier relevant, de volgende bepalingen:

“(…)

Artikel 4: Inbreng

(…)

Lid 2: Met betrekking tot de te leveren arbeid komen partijen overeen wekelijks tenminste 40 uur arbeid in te brengen.

(…)

Artikel 6: Bevoegdheid

Lid 1: Iedere vennoot is bevoegd voor de vennootschap te handelen en te tekenen, gelden

voor haar uit te geven en te ontvangen, de vennootschap aan derden en derden aan de

vennootschap te verbinden, tenzij dit niet met het doel van de vennootschap in verband staat.

Lid 2: De medewerking van beide vennoten wordt echter gevorderd voor:

(…)

c: het in dienst nemen en het ontslaan van personeel, anders dan wegens een dringende reden in de zin der wet, alsmede het verlenen en intrekken van procuratie;

(…)

j: het aangaan van rechtshandelingen, anders dan hiervoor genoemd, waarvan het belang of de waarde een bedrag van €500 te boven gaat, waaronder niet begrepen het opnemen van beschikbare gelden bij de bankier van de vennootschap; splitsing van de overeenkomst teneinde de werking van deze bepaling te ontgaan is daarbij niet toegestaan.

Artikel 7: Samenwerking

De vennoten verdelen hun werkzaamheden in onderling overleg. Zij verbinden zich jegens

elkaar om geen handelingen te verrichten waartegen één van hen zich uitdrukkelijk heeft

verzet.

(…)

Artikel 9: Berekening winst en verdeling

(…)

Lid 3: De zakelijk verreden kilometers zullen tegen de fiscaal geaccepteerde kilometerprijs,

thans €0,19, onder overlegging van een gespecificeerde kilometeradministratie ten laste van het resultaat van de vennootschap worden gebracht en desgewenst aan de betreffende vennoot worden uitbetaald dan wel worden bij geschreven op diens kapitaalrekening. Declaratie van de zakelijke kilometers zal maandelijks geschieden.

(…)

Artikel 11: Ziekte en arbeidsongeschiktheid

Lid 1: Tijdens ziekte of arbeidsongeschiktheid van een der vennoten zal de andere vennoot de werkzaamheden van de arbeidsongeschikte vennoot waarnemen. (…)

Artikel 12: Einde vennootschap

De vennootschap eindigt:

(…)

d: Indien één der vennoten zijn recht op onmiddellijke ontbinding van de vennootschap inroept vanwege het feit dat de andere venno(o)t(en) één of meer van de bepalingen van deze overeenkomst overtreedt, niet nakomt of niet behoorlijk nakomt.

Artikel 14: Voortzetting, overname en verblijven

Lid 1: Indien de vennootschap eindigt bestaat een recht tot voortzetting van het bedrijf van de vennootschap en wel:

(…)

d: In geval van ontbinding overeenkomstig het bepaalde in artikel 12 sub d voor de venno(o)t(en) die met recht de ontbinding heeft/hebben ingeroepen.

(…)

Artikel 15: Concurrentie

Lid 1: Het is ieder der vennoten verboden tijdens de duur van de vennootschap bij een gelijke of soortgelijke onderneming als die der vennootschap werkzaam te zijn of daarbij

rechtstreeks of zijdelings betrokken te zijn, behoudens schriftelijke toestemming van

de andere venno(o)t(en).

(…)”

2.3.

[X] heeft sinds april 2016 last van een tennisarm.

2.4.

[A] , dochter van [X] , is in juni 2016 de kledingzaak
“Dream It” gestart. Deze kledingzaak is gevestigd in Rijssen.

2.5.

Op 3 september 2016 heeft er een incident plaatsgevonden tussen partijen.

2.6.

[X] is op 8 september 2016 geopereerd aan haar tennisarm en arbeidsongeschikt geraakt.

2.7.

Op 15 november 2016 heeft [X] [Y] gesommeerd om de bepalingen van de vennootschapsovereenkomst na te komen en de overtredingen met onmiddellijke ingang te staken en gestaakt te houden.

2.8.

Bij brief van 30 november 2016 heeft [X] de vennootschapsovereenkomst buitengerechtelijk ontbonden en daarbij aanspraak gemaakt op haar recht tot voortzetting van de VOF.

2.9.

Op 28 december 2016 heeft [X] haar werkzaamheden in de VOF hervat.

3 Het geschil

In conventie

3.1.

[X] vordert in conventie samengevat weergegeven - [Y] te veroordelen om alle medewerking te verlenen aan de afwikkeling en overdracht van de VOF aan [X] , met achterlating van alle bezittingen van de VOF waaronder de voorraden, de kassa, de sleutels, de administratie en de agenda’s, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom, en met veroordeling van [Y] in de kosten van dit geding.

3.2.

[X] heeft hier - kort gezegd - het volgende aan ten grondslag gelegd. Tussen partijen zijn, vanaf het moment bekend was dat [X] geopereerd moest worden aan een tennisarm, diverse geschillen gerezen met betrekking tot de VOF, doordat [Y] meerdere malen diverse bepalingen van de vennootschapsovereenkomst heeft overtreden.

3.3.

Op 3 september 2016 is de situatie geëscalueerd doordat [Y] haar onvrede over Dream It heeft geuit. [X] werd de toegang tot de VOF geweigerd en [Y] heeft vervolgens die dag de winkel zonder haar toestemming gesloten.

3.4.

[X] was voornemens zich in de periode na de operatie toe te leggen op administratieve werkzaamheden, werkzaamheden die zij gelet op haar arbeidsongeschiktheid zou kunnen verrichten. [X] heeft diverse keren aangeboden om de administratie te verzorgen en de inkoop van de VOF samen te doen, doch dit aanbod werd telkens door [Y] afgeslagen. De echtgenoot van [Y] heeft [X] ook diverse berichten gezonden waarin op dwingende toon te kennen werd gegeven dat [X] geen contact meer met [Y] mocht opnemen. Daardoor kon [X] in feite niets meer doen in de VOF, ondanks haar nadrukkelijke verzoek om tijdens haar overzienbare periode van arbeidsongeschiktheid betrokken te blijven bij het reilen en zeilen van de VOF.

3.5.

Achteraf is [X] gebleken dat [Y] zelf ook nauwelijks meer in de winkel aanwezig was, terwijl in artikel 11 lid 1 van de vennootschapsovereenkomst is overeengekomen dat bij ziekte van de ene vennoot de werkzaamheden altijd door de andere vennoot worden overgenomen. [X] stelt dat [Y] door haar werkzaamheden als kapster niet volledig beschikbaar is voor de VOF, zoals is bepaald in artikel 4 lid 2 van de vennootschapsovereenkomst. Voor haar werkzaamheden als kapster werft [Y] klanten bij de VOF en daarbij hanteert zij een vorm van koppelverkoop in die zin dat knipklanten, zonder overleg met [X] , een vaste korting van 10 tot 15% op kleding ontvangen.

3.6.

Daarnaast heeft [Y] - zonder enig overleg met, laat staan met toestemming of instemming van, [X] - in strijd met artikel 6 lid 2 onder c van de vennootschapsovereenkomst, tegen onevenredige tarieven personeel aangenomen via het payrollbedrijf van haar zoon, de hantekening van [X] vervalst om een inleenovereenkomst met Fortium te sluiten, het loon van een medewerkster (deels) zwart uitbetaald, in strijd met artikel 6 lid 2 onder j van de vennootschapsovereenkomst namens de VOF aankopen gedaan ten behoeve van de VOF, in strijd met artikel 9 lid 3 van de vennootschapsovereenkomst, te veel reiskosten gedeclareerd, in strijd met
artikel 6 lid 2 onder j van de vennootschapsovereenkomst, onnodig personeel aangenomen en diverse zaken weggenomen die toebehoren aan de VOF, zoals de agenda en de computer.

3.7.

Ondanks sommatie heeft [Y] nagelaten de bepalingen van de vennootschapsovereenkomst na te komen en de overtredingen te staken en gestaakt te houden. [X] zag zich derhalve genoodzaakt om de ontbinding van de vennootschapsovereenkomst in te roepen en aanspraak te maken op haar recht tot voortzetting van de VOF.

3.8.

[Y] heeft verweer gevoerd tegen de buitengerechtelijke ontbinding door [X] en de daaraan ten grondslag gelegde overtredingen van de vennootschapsovereenkomst. [Y] stelt - kort gezegd - dat zij [X] in

september 2016 heeft voorgesteld om de inkoop te doen, maar [X] gaf aan dat zij na de operatie nog te veel last had van haar arm en zij verzocht [Y] om de inkoop te doen. Daarna is het van een gezamenlijke inkoop niet meer gekomen. Voorts stelt [Y] dat de door haar verrichte reguliere inkoop wordt bestreken door het bepaalde in artikel 6 lid 1 en niet door het bepaalde in artikel 6 lid 2 onder j van de vennootschapsovereenkomst. [Y] had de inkoop reeds twee maanden zelfstandig verricht toen (van de zijde van) [X] daarover een opmerking werd gemaakt. In een goedlopende kledingzaak kan geen inkoop worden gedaan tot een bedrag van slechts € 500,-- en zonder inkoop kan een winkel niet voortbestaan. Het personeelslid [B] is al meer dan een jaar geleden in overleg met [X] via [Z] Personeelsdiensten, het bedrijf van de zoon van [Y] , ingeschakeld. Dit wordt ook bevestigd in de aangifte die [X] tegen [Y] heeft gedaan. Tijdens de mediation is besproken en overeengekomen dat [C] volledig op flexibele basis, via payrolling, in de VOF zou worden ingezet. Op deze wijze werden de door de arbeidsongeschiktheid van [X] weggevallen uren opgevangen. [Y] stelt voorts dat het inzetten van personeel via payrolling niet onder artikel 6 lid 2 onder c van de vennootschapsovereenkomst valt. Met betrekking tot het vervalsen van de handtekening van [X] om een inleenovereenkomst met Fortium te sluiten, stelt [Y] dat bij de beoordeling van de strafwaardigheid van het gedrag de omstandigheden waaronder het feit is begaan een rol spelen. [Y] moest, door de langdurige en onafgebroken arbeidsongeschiktheid van [X] en omdat communicatie tussen partijen niet meer mogelijk was, kiezen tussen twee kwaden: of het inschakelen van extra personeel of de winkel sluiten. In het belang van de VOF heeft zij er voor gekozen om de winkel niet te sluiten. De stelling van [X] dat zonder noodzaak extra personeel is ingeschakeld is, is merkwaardig. Dit zou betekenen dat de uitval van [X] geen enkele consequentie zou hebben gehad. Het standpunt van [X] dat [Y] extra personeel zou hebben aangetrokken om haar werkzaamheden als kapster te kunnen verrichten, is een persoonlijke gevolgtrekking die niet op feiten is gebaseerd. [Y] betwist dat zij [X] de toegang tot de winkel heeft ontzegd. Na de gebeurtenissen op 3 september 2016, waarover de perceptie van [Y] beduidend afwijkend is van die van [X] , kon [Y] die middag de draad niet meer oppakken en heeft zij de winkel de rest van de middag gesloten. Voor het overige is de winkel gedurende de arbeidsongeschiktheid van [X] open gesteld. [Y] heeft [X] , na haar mededeling dat zij met ingang van
28 december 2016 weer in staat was om haar werkzaamheden te hervatten, niets in de weg gelegd. [Y] bestrijdt voorts dat zij artikel 4 lid 2 van de vennootschapsovereenkomst heeft geschonden. Dat zij soms familieleden of bekenden thuis knipt, leidt niet tot de conclusie dat zij naast de VOF thuiskapster is. Ten slotte worden de agenda en de computer met enige regelmaat door [Y] na sluitingstijd meegenomen naar huis voor het bijhouden van de administratie.

In reconventie

3.9.

[Y] vordert in reconventie - samengevat weergegeven - om:

I. [X] te schorsen van de bevoegdheid om als vennoot in de VOF rechten of plichten aan te gaan voor en namens deze VOF;

II. [X] te gebieden om zich te onthouden - zowel direct als indirect- van enige gedraging waarbij de schijn wordt gewekt dat zij nog bevoegd is om als vennoot van de VOF tussen partijen rechten of plichten aan te gaan;

III. [X] te veroordelen om het winkelpand, staande en gelegen te [plaats] aan de [adres] binnen drie dagen na de betekening van dit vonnis met de haren te verlaten en verlaten te houden en ter vrije beschikking te stellen aan [Y] onder inlevering van alle sleutels aan eiseres tegen behoorlijk bewijs van afgifte,

IV. [X] te verbieden om de naam “Rijssense Kledingkamer” te gebruiken,

V. [X] te veroordelen om binnen drie dagen na de betekening van het in deze te wijzen vonnis over te gaan tot afgifte aan [Y] van alle bezittingen van de VOF, waaronder de bankpas betreffende de bankrekening van de VOF, de agenda’s en de administratie, tegen behoorlijk wijs van afgifte,

VI. [X] te verbieden om het in artikel 15 van de vennootschapsovereenkomst geformuleerde concurrentiebeding te overtreden,

al het voorgaande op straffe van verbeurte van een dwangsom en met veroordeling van [X] in de kosten van dit geding.

3.10.

[Y] heeft - samengevat weergegeven - het volgende aan haar vorderingen ten grondslag gelegd. Door het - via Facebook - met zeer grote frequentie verspreiden en liken van berichten van Dream It en haar frequente aanwezigheid in Dream It, waarbij zij volgens getuigen haar dochter heeft geassisteerd, heeft [X] het concurrentiebeding, zoals dat is geformuleerd in artikel 15 van de vennootschapsovereenkomst, overtreden. Ter onderbouwing wordt verwezen naar arbeidsrechtelijke jurisprudentie waarin is geoordeeld dat een concurrentie- of relatiebeding via social media kan worden overtreden. Door haar handelwijze handelt [X] tevens onrechtmatig jegens [Y] . [X] handelt niet in het belang van de VOF en berokkent de VOF daarmee schade.

3.11.

[Y] stelt dat het veelvuldig overtreden van het concurrentiebeding door [X] voor de rechter in de bodemprocedure redelijkerwijs aanleiding zal zijn om te komen tot ontbinding van de vennootschapsovereenkomst. Ook de duurzaam verstoorde samenwerking tussen partijen in de VOF is een gewichtige reden om tot ontbinding van de vennootschapsovereenkomst over te gaan. [Y] stelt dat redelijkerwijs verwacht kan worden dat de rechter in de bodemprocedure haar als de meest aangewezen partij zal aanmerken om de VOF voort te zetten. Daarbij speelt mee dat zij tijdens de periode van arbeidsongeschiktheid van [X] de exploitatie van de winkel door de VOF gedurende bijna vier maanden op succesvolle wijze heeft voortgezet. Ook op grond van de door haar opgedane ervaring in de kledingbranche is [Y] geschikt om de VOF voort te zetten. [X] heeft geen achtergrond in de modewereld.

3.12.

[X] heeft gemotiveerd verweer gevoerd. [X] stelt dat zij door het liken en sporadisch delen van Facebook-berichten van Dream It het concurrentiebeding niet heeft overtreden. Zij komt wel eens in de winkel van haar dochter om koffie te drinken. De getuigenverklaringen die [Y] heeft overgelegd zijn vaag en worden betwist door drie getuigenverklaringen die door [X] zijn overgelegd. Dream It richt zich bovendien op kleding voor meisjes en jongvolwassenen, terwijl de VOF zich richt op de leeftijdscategorie 30-60 jaar. Er is sprake van een geheel andere doelgroep en collectie die niet concurrerend is.

4 De beoordeling in conventie en in reconventie

4.1.

De vorderingen over en weer hangen met elkaar samen en worden gezamenlijk beoordeeld

4.2.

Het spoedeisend belang van partijen vloeit in voldoende mate voort uit hun stellingen en wordt ook niet betwist door partijen.

4.3.

Onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:1970:AB7022) is buitengerechtelijke ontbinding van de vennootschapsovereenkomst mogelijk op grond van artikel 12 onder d van de vennootschapsovereenkomst, aangezien uit dit artikelonderdeel blijkt dat partijen het recht van buitengerechtelijke ontbinding zijn overeengekomen. Dit overeengekomen recht is niet in strijd met artikel 7A:1684 van het Burgerlijk Wetboek (BW).

4.4.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is de vraag of de vennootschapsovereenkomst rechtsgeldig buitengerechtelijk is ontbonden door [X] in dit kort geding niet te beantwoorden, nu [Y] de door [X] daaraan ten grondslag gelegde stellingen gemotiveerd heeft betwist. Derhalve staat niet, althans onvoldoende, vast dat [Y] een of meer bepalingen van de vennootschapsovereenkomst niet of niet behoorlijk is nagekomen en zo dit wel vaststaat of deze niet (behoorlijke) nakoming ontbinding rechtvaardigt. Onderhavige procedure leent zich niet voor nader onderzoek, mogelijk met bewijslevering. Een bodemprocedure is daarvoor de geëigende weg. Het gevolg hiervan is dat bij de beoordeling van de vorderingen in conventie uitgangspunt moet zijn dat in onvoldoende mate is komen vast te staan dat [X] de vennootschapsovereenkomst terecht heeft ontbonden bij brief van 30 november 2016. Van een situatie zoals bepaald in artikel 14 lid 1 onder d van de vennootschapsovereenkomst is derhalve vooralsnog geen sprake.

4.5.

Met inachtneming van het vorenoverwogene bestaat er voor toewijzing van het gevorderde in conventie geen aanleiding, nu het gevorderde enkel is gebaseerd op de buitengerechtelijke ontbinding van de vennootschapsovereenkomst.

4.6.

Op grond van artikel 7A:1684 lid 1 BW kan de rechter op vordering van een der vennoten de VOF wegens gewichtige redenen ontbinden. Voor het door [Y] gevorderde is onder meer aan de orde de vraag of in de bodemprocedure zal worden geoordeeld dat de VOF tussen partijen ontbonden dient te worden en of in het belang van de onderneming een voorlopige voorziening is geëist.

4.7.

Voor zover [Y] zich op het standpunt stelt dat het veelvuldig overtreden van het concurrentiebeding door [X] voor de rechter in de bodemprocedure zonder meer aanleiding is om de VOF te ontbinden, is de voorzieningenrechter van oordeel dat [Y] , dit, gelet op de gemotiveerde betwisting van [X] , onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt. Voorshands is de voorzieningenrechter van oordeel dat het liken en delen van facebook-berichten van Dream It niet als een concurrerende activiteit kan worden gezien die de conclusie rechtvaardigt dat het concurrentiebeding als bedoeld in artikel 15 van de vennootschapsovereenkomst is geschonden. Onvoldoende aannemelijk is geworden dat [X] doelbewust en uit zakelijk oogpunt berichten van Dream It heeft geliked of gedeeld in die zin dat zij daarmee heeft beoogd de bedrijfsbelangen van de VOF te schaden. Mede gelet op de omstandigheid dat er ook sprake is van een moeder/dochter-relatie dienen de bedoelde activiteiten van [X] voorshands oordelend veeleer te worden beschouwd als plaatsvindend in de privésfeer van de betrokkenen. Gelet op de gemotiveerde betwisting door [X] is naar het oordeel van de voorzieningenrechter evenmin vast komen te staan dat [X] met enige regelmaat actief is bij Dream It. De door [Y] overgelegde getuigenverklaringen zijn dermate summier en vaag dat daaruit niet valt af te leiden dat [X] haar dochter assisteert in Dream It. De enkele sporadische aanwezigheid in de winkel van haar dochter is daartoe onvoldoende. Bij dit alles laat de voorzieningenrechter nog in het midden of beide ondernemingen zich al dan niet richten op dezelfde doelgroep(en), hetgeen ook twistpunt is tussen partijen. De voorlopige conclusie is dan ook dat onvoldoende aannemelijk is dat de bodemrechter zal concluderen dat [X] het concurrentiebeding heeft geschonden en dat daarin een gewichtige reden is gelegen om de VOF te ontbinden en dat het, vooruitlopend daarop, niet aangewezen is om te bepalen dat [Y] met uitsluiting van [X] als enige voorlopig gerechtigd is de onderneming voort te zetten.

4.8.

Los van het vorenstaande ligt het, gelet op de beschuldigingen over en weer van partijen in de rede om te veronderstellen dat in de bodemprocedure met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid geoordeeld zal worden dat in redelijkheid de samenwerking tussen partijen niet kan worden voortgezet. Uit het verhandelde ter zitting blijkt ook dat beide partijen hun samenwerking willen beëindigen.

4.9.

Resteert de vraag of er thans, voorafgaande aan de te verwachten ontbinding, er ook reden is voor het nemen van een ordemaatregel die ertoe leidt dat één van partijen voorlopig - totdat de bodemrechter over de beëindiging van de VOF heeft geoordeeld dan wel partijen het zelf daarover eens zijn geworden - met uitsluiting van de andere partij de onderneming mag voortzetten. Deze vraag beantwoordt de voorzieningenrechter ontkennend en hij acht daartoe het volgende redengevend.

4.10.

Hoewel duidelijk is dat de verstandhouding tussen partijen is verstoord, is de voorzieningenrechter niet gebleken dat zij in een zodanig ernstige mate is verstoord dat thans een goede bedrijfsvoering niet meer mogelijk is. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat [X] na haar periode van arbeidsongeschikt haar werkzaamheden eind
december 2016, met instemming van [Y] , weer heeft hervat, en dat, gelet op het verhandelde ter zitting, niet is gebleken dat dit tot een onwerkbare situatie heeft geleid, waarbij wordt meegewogen dat partijen, net zoals in de periode voordat de conflicten zijn ontstaan, op verschillende dagen dan wel dagdelen in de VOF aanwezig zijn en zij in die zin niet constant op elkaars lip zitten. In de omstandigheid dat partijen mogelijk niet meer in staat zullen zijn om gezamenlijk de inkoop te verrichten, ziet de voorzieningenrechter thans onvoldoende aanleiding om tot een andere conclusie te komen, nu partijen dit kunnen oplossen door met elkaar bijvoorbeeld af te spreken dat zij om de beurt de inkoop, al dan niet gezamenlijk met een ander personeelslid, zullen verrichten. Bovendien hebben beide partijen met de door hen summierlijk aangevoerde - en door de ander weersproken - feiten en omstandigheden onvoldoende onderbouwd waarom de ene partij en niet de andere partij de meest gerede partij is om de VOF voorlopig voort te zetten en bevatten de zich in het dossier bevindende stukken ook overigens onvoldoende concrete aanknopingspunten op basis waarvan de voorzieningenrechter hierover een beslissing kan nemen. Daarbij komt dat in de omstandigheid dat [X] enige maanden arbeidsongeschikt is geweest een complicerende factor is gelegen en dat het naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet redelijk is om dit thans in het nadeel van [X] mee te laten wegen, te meer nu niet op voorhand is uit te sluiten dat de partij die thans als meest gerede partij zou worden aangewezen om de VOF voort te zetten reeds daardoor een voorsprong heeft in de bodemprocedure.

4.11.

Vorenstaande leidt de voorzieningenrechter tot de slotsom dat zowel het gevorderde in conventie als het gevorderde in reconventie zal worden afgewezen.

4.12.

In de omstandigheid dat zowel het gevorderde in conventie als het gevorderde in reconventie zal worden afgewezen ziet de voorzieningenrechter aanleiding de proceskosten te compenseren in die zin dat zowel [X] als [Y] ieder hun eigen kosten dragen.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

In conventie en in reconventie

5.1.

wijst het gevorderde door [X] af,

5.2.

wijst het gevorderde door [Y] af,

5.3.

compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.M. Verhoeven en in het openbaar uitgesproken op

18 januari 2017.1

1 type: coll: