Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2017:2004

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
09-05-2017
Datum publicatie
16-05-2017
Zaaknummer
C/08/200122 / KG ZA 17-101
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Beroep op artikel 2.20 lid 1 sub a en b BVIE en artikel 5 Handelnaamwet slaagt niet. Merk en teken zijn niet identiek. Geen sprake van soortgelijke waren of diensten en geen verwarringsgevaar. Gedaagde in conventie heeft oudere handelsnaamrechten, maar geen oudere rechten van plaatselijke betekenis in de zin van artikel 2.23 lid 2 BVIE.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Zwolle

zaaknummer / rolnummer: C/08/200122 / KG ZA 17-101

Vonnis in kort geding van 9 mei 2017

in de zaak van

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

INVESTEQ PARTICIPATIES B.V.,

gevestigd te Bleiswijk,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

BRUUT CONCEPTS B.V.,

gevestigd te Zwolle,

3. de vennootschap onder firma ONZE ZAAK, tevens handelend onder de naam BRUUT ZWOLLE,

gevestigd te Zwolle,

eiseressen in conventie,

verweersters in reconventie,

advocaten mr. R. Klöters en mr. W.M. Kemkers te Amsterdam,

tegen

[X] , mede handelend onder de naam BRUUT EVENT en SCOOPZ EVENTS,

zaakdoende te [plaats],

gedaagde in conventie,

eiser in reconventie,

advocaten mr. P-A.Th.A.M van Egmond en mr. H.W. de Weijs te Arnhem.

Eiseressen in conventie, verweersters in reconventie zullen hierna gezamenlijk Investeq c.s. genoemd worden en afzonderlijk Investeq, BRUUT Concepts en Onze Zaak. Gedaagde in conventie, eiser in reconventie zal hierna [X] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 3 april 2017 met bijbehorende akte overlegging producties

  • -

    de akte overlegging producties van [X] met een eis in reconventie

  • -

    de aktes overlegging aanvullende producties van Investeq c.s.

  • -

    de mondelinge behandeling van 11 april 2017

  • -

    de pleitnota van Investeq c.s.

  • -

    de pleitnota van [X] .

1.2. Vanwege (vergeefse) schikkingsonderhandelingen hebben partijen om uitstel van het vonnis verzocht tot heden.

2 De feiten

2.1.

Op 21 mei 2012 heeft Id.ea B.V., een onderneming die zich bezighield met groothandelsactiviteiten, import en export, retailhandel en horeca een aanvraag voor het woordmerk ‘Bruut’ gedeponeerd bij het Benelux Bureau voor de Intellectuele Eigendom (BBIE), zulks onder meer voor klasse 33, zijnde alcoholhoudende dranken, klasse 41, zijnde onder meer ontspanning en sportieve en culturele activiteiten en voor klasse 43, zijnde restauratie (het verstrekken van voedsel en dranken). Deze aanvraag is op 14 juni 2012 gepubliceerd. Op 10 september 2012 is vervolgens het betreffende woordmerk (hierna te noemen het merk) ingeschreven en gepubliceerd.

2.2.

Investeq, opgericht op 4 februari 2016, is de moedermaatschappij van BRUUT Concepts. Zij heeft het merk in maart 2016 van Id.ea B.V. gekocht.

2.3.

BRUUT Concepts is een onderneming die op 23 maart 2016 is opgericht en zich (onder meer) bezighoudt met de verkoop van haar eigen ‘BRUUT’ champagne aan zowel particulieren als bedrijven. Daarnaast werkt zij met diverse partijen samen teneinde deze champagne te promoten. In het handelsregister van de Kamer van Koophandel staan als handelsnamen van BRUUT Concepts ‘BRUUT Concepts B.V.’ en ‘BRUUT Champagne’ vermeld en als activiteiten “Communicatie- en grafisch ontwerp” en “Het bedenken en ontwikkelen van marketing- en verkoop concepten”.

2.4.

Onze Zaak, opgericht op 16 juli 2015, drijft een eet- en danscafé in de binnenstad van Zwolle. Zij heeft in het handelsregister van de Kamer van Koophandel als handelsnaam onder meer ‘Bruut Zwolle’ laten registreren en maakt gebruik van de website www.bruutzwolle.nl.

2.5.

[X] houdt zich sinds juli 2011 bezig met het organiseren van (dans)evenementen, te weten “urban”/“afrohouse” dancefeesten. Aanvankelijk deed hij dit onder de handelsnaam Scoopz Events. Op 20 juli 2012 heeft [X] voor het eerst een evenement georganiseerd onder de naam ‘Bruut!’. Inmiddels heeft [X] onder die naam in heel Nederland meer dan honderd evenementen georganiseerd.

2.6.

[X] heeft op 30 december 2013 een aanvraag voor onderstaand beeldmerk gedeponeerd bij het BBIE, zulks voor klasse 41. Ook heeft [X] op die datum een zogenaamd i-depot bij het BBIE laten registreren, waarin het concept ‘Bruut!’ voor dance events is beschreven. Op 10 januari 2014 is het beeldmerk door het BBIE ingeschreven.

2.7.

[X] maakt bij zijn dansevenementen, op zijn Facebookpagina en op zijn websites www.bruutevent.nl en www.bruutevent.com gebruik van voornoemd beeldmerk, soortgelijke logo’s en van de woorden BRUUT / BRUUT! / Bruut (hierna te noemen de tekens). Op de Facebookpagina van [X] worden de dansevenementen door [X] aangeduid als ‘Bruut Event’.

2.8.

Op 27 januari 2017 heeft [X] een dancefeest georganiseerd in Stadscafé Blij/Club Zo in het centrum van Zwolle. Deze zaak is gevestigd op een afstand van 50 à 100 meter van de door Onze Zaak gedreven onderneming. Bij dit evenement heeft [X] veelvuldig gebruik gemaakt van de tekens en op Facebook heeft [X] het evenement aangekondigd als ‘Bruut! Zwolle’.

2.9.

De raadsman van Investeq c.s. heeft per brief van 14 februari 2017 aan [X] kenbaar gemaakt dat hij inbreuk maakt op de merk- en handelsnaamrechten van Investeq c.s. en heeft hem gesommeerd deze inbreuk te staken. De (voormalige) raadsman van [X] heeft op 21 februari 2017 op deze brief gereageerd. [X] heeft vervolgens een voor 24 maart 2017 in Zwolle gepland staand evenement geannuleerd.

2.10.

[X] heeft voor de komende maanden verschillende dansevenementen gepland staan in diverse plaatsen in Nederland.

2.11.

[X] heeft inmiddels onvoorwaardelijk toegezegd dat zolang Onze Zaak in Zwolle de naam ‘Bruut Zwolle’ gebruikt voor haar horecaonderneming, hij de naam ‘Bruut’ niet meer zal gebruiken voor evenementen in Zwolle.

3 Het geschil in conventie

3.1.

Na aanvulling van de eis ter zitting vorderen Investeq c.s. bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:

I. [X] met onmiddellijke ingang te bevelen ieder gebruik van het merk ‘BRUUT’ of daarmee overeenstemmende tekens, waaronder begrepen ‘Bruut’ en BRUUT!’, alsmede de gestileerde vormen van het woord ‘Bruut’ zoals in het lichaam van de dagvaarding omschreven, in de volledige Benelux te staken en gestaakt te houden;

II. [X] te gebieden met onmiddellijke ingang ieder gebruik van met de handelsnaam ‘Bruut Zwolle’, overeenstemmende handelsnamen ‘Bruut Event’, ‘Bruut’ en www.bruutevent.com en www.bruutevent.nl te staken en gestaakt te houden;

III. [X] te gebieden het BBIE binnen zeven dagen na betekening van dit vonnis te verzoeken de inschrijving d.d. 30 december 2013 van het merk ‘BRUUT’ in het merkenregister door te (doen) halen en de raadsman van Investeq c.s. daarop binnen twee dagen na verzending een kopie van dit verzoek te doen toekomen;

IV. [X] te gebieden om binnen zeven dagen na betekening van dit vonnis Facebook schriftelijk te verzoeken het profiel ‘Bruut Event’ zodanig aan te passen dat niet langer sprake is van inbreuk op de rechten van Investeq c.s. en de raadsman van Investeq c.s. daarop binnen twee dagen na verzending in het bezit te stellen van een afschrift van de daartoe strekkende correspondentie met Facebook, alsook de raadsman binnen twee dagen na de ontvangst daarvan in het bezit te stellen van een kopie van een eventuele reactie van Facebook daarop;

V. [X] te gebieden met onmiddellijke ingang het gebruik van de domeinnamen www.bruutevent.nl en www.bruutevent.com te staken en gestaakt te houden en de

domeinnaamregistraties binnen zeven dagen na betekening van dit vonnis over te dragen aan Investeq en de raadsman van Investeq c.s. gelijktijdig in het bezit te stellen van een afschrift van de daartoe strekkende relevante correspondentie met de door [X] ingeschakelde domeinnaam administrateur;

VI. [X] te bevelen binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis aan de raadsman van Investeq c.s., onder overlegging van deugdelijk bewijsmateriaal, een schriftelijke en gedetailleerde opgave te doen van alle verschillende uitingen waarbij gebruik is gemaakt van de inbreukmakende en/of onrechtmatig gebruikte namen en/of tekens ‘BRUUT’ en ‘Bruut Event’ onder vermelding van de duur van en/of het aantal exemplaren waarmee iedere afzonderlijke uiting plaatsvindt en/of heeft plaatsgevonden;

VII. [X] te bevelen binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis alle in voorraad zijnde exemplaren van de op de merken- en/of handelsnaamrechten van Investeq c.s. inbreukmakende en/of onrechtmatig gebruikte exemplaren van producten/voorwerpen ten kantore van de raadsman van Investeq c.s. of op een door Investeq c.s. op te geven ander adres ter vernietiging af te geven;

VIII. [X] te bevelen aan Investeq c.s. ten titel van dwangsom te betalen een bedrag van

€ 5.000,00, althans een door de voorzieningenrechter in goede justitie vast te stellen bedrag, per afzonderlijke overtreding van de hiervoor onder I. t/m VII. genoemde bevelen, dan wel, naar keuze van Investeq c.s., voor iedere dag of dagdeel dat [X] in strijd handelt met bovengenoemde bevelen, of enig gedeelte daarvan;

IX. [X] ex artikel 1019h Rv te veroordelen in de volledige proceskosten, waaronder de volledige door Investeq c.s. in het kader van het geding gemaakte kosten van rechtsbijstand conform de specificaties die als productie in het geding zijn gebracht, alsook in de nakosten ex art 237 lid 4 Rv;

X. die voorzieningen te treffen die de voorzieningenrechter in goede justitie aangewezen acht, al dan niet verzwaard met een dwangsom;

XI. de termijn waarbinnen de hoofdzaak dient te worden ingesteld ex artikel 1019i Rv te bepalen op zes maanden.

3.2.

Investeq c.s. leggen aan deze vorderingen het navolgende ten grondslag. Investeq c.s. zijn een samenwerkingsverband aangegaan, die er op neerkomt dat zij dansevenementen in Onze Zaak organiseren onder de naam ‘BRUUT’, waarbij de Bruut Champagne van Bruut Concepts verkocht wordt. [X] organiseert eveneens dansevenementen en maakt daarbij gebruik van de tekens. Ook voert [X] de handelsnamen ‘Bruut’ en ‘Bruut Event’ en gebruikt hij de domeinnamen www.bruutevent.nl en www.bruutevent.com, terwijl Onze Zaak en BRUUT Concepts al langer beschikken over handelsnaamrechten met het onderdeel ‘Bruut’. [X] komt hiermee in het vaarwater van Investeq c.s. en inmiddels is duidelijk geworden dat sprake is van gevallen van verwarring. [X] maakt door het gebruik van de tekens inbreuk op de merk- en handelsnaamrechten van Investeq c.s en als gevolg van deze onrechtmatige handelwijze hebben Investeq c.s. schade geleden en dreigen zij nog verdere schade te lijden. Het gebruik van de tekens moet daarom op grond van artikel 2.20 lid 1 sub a of b Benelux-verdrag inzake de intellectuele eigendom (BVIE) of op grond van artikel 5 Handelsnaamwet (Hnw) worden verboden.

3.3.

[X] voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 Het geschil in reconventie

4.1.

[X] vordert bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis Investeq c.s. op straffe van verbeurte van een dwangsom te veroordelen om binnen veertien dagen na heden ieder gebruik, online dan wel offline, van de aanduiding ‘BRUUT’ of daarmee overeenstemmende tekens, te staken en gestaakt te houden, meer in het bijzonder (maar niet beperkt tot) ieder gebruik van de aanduiding ‘BRUUT’ in haar handelsnaam, merk, logo, domeinnaam en op haar website(s) en social media pagina’s. Ook vordert [X] Investeq c.s. ex artikel 1019h Rv te veroordelen in de volledige in het kader van de reconventionele vordering gemaakte proceskosten en in de nakosten.

4.2.

[X] legt aan deze vorderingen ten grondslag dat hij ten aanzien van de aanduiding ‘BRUUT(!)’ over oudere rechten van plaatselijke betekenis in de zin van artikel 2.23 lid 2 BVIE beschikt, te weten oudere handelsnaamrechten en rechten ex artikel 6:162 BW. Volgens [X] heeft hij voor zover als gevolg van het gebruik van de naam ‘BRUUT’ door Investeq c.s. gevaar voor verwarring te duchten is, recht op en spoedeisend belang bij een onmiddellijk verbod van de aanduiding ‘BRUUT’ jegens Investeq c.s., zulks op grond van artikel 6:162 BW.

4.3.

Investeq c.s. voeren verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

5 De beoordeling in conventie

5.1.

Vooropgesteld wordt dat [X] Investeq c.s. onvoorwaardelijk – en dus ongeacht de uitkomst van deze procedure – heeft toegezegd dat hij de naam ‘BRUUT’ niet meer voor evenementen in Zwolle zal gebruiken, zolang Onze Zaak de naam ‘Bruut Zwolle’ gebruikt voor haar café in Zwolle.

5.2.

Investeq c.s. doen wat betreft de gestelde merkinbreuk een beroep op artikel 2.20 lid 1 sub a en b BVIE. Ervan uitgaande dat Investeq c.s. een spoedeisend belang hebben bij hun vorderingen en voor zover het woordmerk ‘BRUUT’ al onderscheidend vermogen heeft, faalt dit beroep. Hiertoe wordt het volgende overwogen.

5.3.

Op grond van artikel 2.20 lid 1 sub a BVIE kan een merkhouder op grond van zijn uitsluitend recht iedere derde die niet zijn toestemming hiertoe heeft verkregen, het gebruik van een teken verbieden wanneer dat teken gelijk is aan het merk en in het economisch verkeer gebruikt wordt voor dezelfde waren of diensten als die waarvoor het merk is ingeschreven. Deze bepaling ziet vooral op gevallen van namaak, waarbij het teken (vrijwel) identiek is aan het merk. Een teken is gelijk aan een merk wanneer het zonder wijziging of toevoeging alle bestanddelen van het merk afbeeldt, of wanneer in het zijn geheel beschouwd verschillen vertoont die dermate onbeduidend zijn dat zij aan de aandacht van de gemiddelde consument kunnen ontsnappen. Dit is in casu naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet het geval. Het teken dat [X] gebruikt als merk, zijnde het teken dat hiervoor onder 2.6 is afgebeeld, bevat weliswaar het woord Bruut, maar hierachter staat een uitroepteken vermeld met daaromheen een krul die uitmondt in een sierlijke onderstreping. Er zijn dus duidelijke verschillen tussen het merk en het teken.

5.4.

Op grond van artikel 2.20 lid 1 sub b BVIE kan het gebruik van een teken verboden worden wanneer dat teken gelijk is aan of overeenstemt met het merk en in het economisch verkeer gebruikt wordt voor dezelfde of soortgelijke waren of diensten, indien daardoor bij het publiek verwarring kan ontstaan, inhoudende het gevaar van associatie van het merk. Dit verwarringsgevaar dient globaal te worden beoordeeld volgens de indruk die het teken en het merk bij de gemiddelde consument van de betrokken waren of diensten achterlaat, met inachtneming van alle relevante omstandigheden van het geval, met name de onderlinge samenhang tussen de overeenstemming van merk en teken en de soortgelijkheid van de waren of diensten.

5.5.

Er is in casu sprake van een dusdanige gelijkenis dat geoordeeld kan worden dat het teken en het merk met elkaar overeenstemmen als bedoeld in artikel 2.20 lid 1 sub b BVIE. Investeq c.s. hebben echter onvoldoende aannemelijk gemaakt dat [X] het teken dat hij als merk gebruikt, in het economisch verkeer voor dezelfde of soortgelijke waren of diensten gebruikt als Investeq c.s. Volgens Investeq c.s. organiseren zij gezamenlijk dansevenementen in Onze Zaak, maar zij hebben deze stelling niet, althans onvoldoende, onderbouwd. Uit de als productie 7 door Investeq c.s. overgelegde stukken kan alleen worden afgeleid dat in Onze Zaak een Oud & Nieuwfeest is georganiseerd en dat er een feest heeft plaatsgehad vanwege het 1-jarig bestaan van het café. Het organiseren van enkele feesten is echter onvoldoende om tot het oordeel te komen dat Onze Zaak dansevenementen organiseert. Het enkele feit dat het door [X] gebruikte merk in dezelfde klasse is ingeschreven als het merk van Investeq is daartoe evenmin voldoende. Overigens volgt uit de overgelegde stukken ook niet dat BRUUT Concepts en Investeq mede-organisator waren van de betreffende feesten. Het beroep van Investeq c.s. op artikel 2.20 lid 1 sub b BVIE faalt dus. Dit geldt des te meer nu Investeq c.s. ook onvoldoende aannemelijk hebben gemaakt dat sprake is van verwarringsgevaar. In dit kader is, zoals overwogen, ten eerste relevant dat niet aannemelijk is geworden dat partijen het beeldmerk en het woordmerk voor dezelfde of soortgelijke diensten gebruiken. Verder is van belang dat [X] heeft toegezegd de naam Bruut in Zwolle niet meer te gebruiken en dat niet, althans onvoldoende, is gebleken dat Investeq c.s. ook buiten Zwolle actief zijn op het gebied van het organiseren van dansevenementen. Weliswaar hebben Investeq c.s. onder punt 4 van hun pleitnota een opsomming gegeven van evenementen die elders in Nederland zouden zijn georganiseerd, maar dit betreffen kennelijk evenementen waarvoor Bruut Concept de champagne heeft verzorgd en gesteld noch gebleken is dat dit dansevenementen betroffen. De enkele door Investeq c.s. als productie 17 overgelegde poster is in dit kader onvoldoende. Tot slot speelt ook een rol dat Investeq c.s. hun stelling dat daadwerkelijk sprake is geweest van verwarring, gelet op het daartegenover door [X] gevoerde verweer, onvoldoende hebben onderbouwd. De enige concrete aanwijzing voor de gestelde verwarring zou het door Investeq c.s. overgelegde bericht van Jan Bel kunnen zijn, maar het is goed mogelijk dat dit bericht op een ander evenement betrekking heeft.

5.6.

De conclusie uit het voorgaande is dat de stelling van Investeq c.s. dat [X] inbreuk maakt op haar merkrechten faalt.

5.7.

Investeq c.s. stellen zich ook op het standpunt dat [X] inbreuk maakt op de handelsnaamrechten van BRUUT Concepts en Onze Zaak en doen in dat kader een beroep op artikel 5 Handelsnaamwet (Hnw).

5.8.

Op grond van het bepaalde in artikel 5 Hnw is het verboden een handelsnaam te voeren, die, vóórdat de onderneming onder die naam werd gedreven, reeds door een ander rechtmatig werd gevoerd, of die van diens handelsnaam slechts in geringe mate afwijkt, een en ander voor zover dientengevolge, in verband met de aard van de beide ondernemingen en de plaats waar zij zijn gevestigd, bij het publiek verwarring tussen de ondernemingen is te duchten. Onder een handelsnaam wordt ingevolge artikel 1 Hnw verstaan de naam waaronder een onderneming wordt gedreven. Dit is de naam waaronder men feitelijk handelt, de naam die naar buiten toe (op commerciële wijze) wordt gebruikt als aanduiding van de onderneming.

5.9.

Voldoende aannemelijk is geworden dat Onze Zaak de naam Bruut Zwolle vanaf haar oprichting in juli 2015 naar het publiek toe gebruikt als aanduiding van de door haar gedreven onderneming. Investeq c.s. hebben bij dagvaarding herhaaldelijk betoogd dat [X] de handelsnamen ‘Bruut’ en ‘Bruut Event’ voert, zodat ook hiervan zal worden uitgegaan. [X] stelt zich op het standpunt dat hij deze handelsnamen vanaf april 2012 is gaan gebruiken en dat hij dus over oudere handelsnaamrechten beschikt dan Bruut Zwolle.

5.10.

Investeq c.s. hebben niet betwist dat [X] op 20 juli 2012 voor het eerst een dansevenement heeft georganiseerd onder de naam ‘Bruut!’, zodat hiervan kan worden uitgegaan. [X] heeft met het overleggen van producties 9 tot en met 12 naar voorshands oordeel voldoende aannemelijk gemaakt dat hij na 20 juli 2012 maar vóór juli 2015 op verschillende plaatsen in Nederland diverse dansevenementen heeft georganiseerd en dat hij daarbij naar het publiek toe, bij de evenementen zelf maar ook via zijn websites en via social media, gebruik heeft gemaakt van de aanduiding ‘Bruut(!)’. Aldus heeft de onderneming van [X] reeds vóór juli 2015 in het economisch verkeer landelijk – en dus ook in Zwolle – de handelsnaam ‘Bruut’ gevoerd, hetgeen betekent dat [X] oudere rechten op die handelsnaam heeft dan Bruut Zwolle. Ook indien dit overigens niet het geval zou zijn, zou het beroep van Investeq c.s. op artikel 5 Hnw niet slagen omdat zij, zoals hiervoor is overwogen, niet aannemelijk hebben gemaakt dat er als gevolg van het gebruik van de betreffende handelsnaam verwarring te duchten is. Om diezelfde reden faalt een beroep op artikel 5a Hnw, voor zover Investeq c.s. daarop een impliciet beroep hebben gedaan.

5.11.

Voor wat betreft BRUUT Concepts stelt [X] zich op het standpunt dat zij alleen het merk Bruut gebruikt voor het aanbieden en verhandelen van champagne en dat er van het voeren van de handelsnaam ‘BRUUT Concepts’ door haar geen sprake is. Wat er ook zij van dit laatste, ook indien BRUUT Concepts wel een ouder handelsnaamrecht heeft dan [X] , kan haar dit niet baten. De aard van de beide ondernemingen verschilt immers zodanig van elkaar dat er geen verwarring te duchten is, zeker niet nu niet aannemelijk is geworden dat BRUUT Concepts ook dansevenementen organiseert.

5.12.

De conclusie uit het voorgaande is al met al dat voorshands onvoldoende aannemelijk is dat de bodemrechter tot het oordeel zal komen dat [X] met het gebruik van de tekens in strijd handelt met de handelsnaamrechten van Investeq c.s. Dit betekent dat al haar vorderingen zullen worden afgewezen.

5.13.

Investeq c.s. dienen als de in het ongelijk gestelde partij hoofdelijk in de proceskosten te worden veroordeeld. [X] heeft op grond van artikel 1019h Rv veroordeling van Investeq c.s. gevorderd in de volledige proceskosten. Uit hoofde van die bepaling komen desgevorderd de redelijke en evenredige gerechtskosten en andere kosten die de in het gelijk gestelde partij heeft gemaakt voor vergoeding in aanmerking, tenzij de billijkheid zich daartegen verzet. [X] heeft deze kosten onder overlegging van een specificatie gesteld op € 16.032,50 en daarbij aangevoerd dat van dit bedrag € 280,00 exclusief 6% kantoorkosten en btw ziet op de vordering in reconventie. Investeq c.s. hebben deze kosten summier weersproken. De voorzieningenrechter is van oordeel dat in casu sprake is van een kort geding in de categorie normaal waarvoor in de Indicatietarieven in IE-zaken een bedrag van € 15.000,00 als redelijk en evenredig is begroot. De proceskosten zullen aldus als volgt worden begroot:

- griffierecht € 287,00

- salaris advocaat 15.000,00

Totaal € 15.287,00

5.14.

De door [X] gevorderde nakosten zullen eveneens worden toegewezen, als hierna vermeld.

6 De beoordeling in reconventie

6.1.

[X] stelt zich op het standpunt dat hij beschikt over oudere rechten van plaatselijke betekenis in de zin van atikel 2.23 lid 2 BVIE. Hij beroept zich daarbij niet alleen op de hiervoor in conventie genoemde oudere handelsnaamrechten, maar ook op artikel 6:162 BW. Wat dit laatste betreft voert [X] aan dat hij de aanduiding ‘BRUUT!’ ook vanaf april 2012 als onderscheidingsteken is gaan gebruiken en dat hij het recht heeft op te treden tegen navolging van overeenstemmende namen/tekens, ten gevolge waarvan verwarringsgevaar te duchten is met zijn onderscheidingstekens. Voor zover dus als gevolg van het gebruik van de naam ‘Bruut’ door Investeq c.s. gevaar voor verwarring te duchten is, meent [X] dat Investeq c.s. ieder gebruik van de aanduiding Bruut dient te staken.

6.2.

Dienaangaande wordt als volgt overwogen. [X] stelt dat hij ‘Bruut’ al in april 2012, dus voordat Id.ea B.V. de aanvraag deed tot het deponeren van het woordmerk Bruut, als handelsnaam voerde. Hoewel uit de producties 2 tot en met 5 van [X] blijkt dat [X] in april 2012 reeds bezig was met de organisatie van het eerste evenement onder de naam ‘BRUUT!’, volgt uit deze stukken niet dat [X] op dat moment al de handelsnaam Bruut voerde. [X] spreekt in de betreffende e-mails, het budgetplan en de factuur van 27 juni 2012 over het ‘concept Bruut’ en boven het budgetplan en de factuur staat de naam Scoopz Events vermeld. Als productie 6 heeft [X] een poster overgelegd die voor het evenement van 20 juli 2012 gemaakt zou zijn, alsmede een aankondiging van het betreffende evenement op Facebook. Voor zover uit deze stukken al het voeren van de handelsnaam ‘Bruut’ kan worden afgeleid, geldt dat nergens uit blijkt dat deze stukken dateren van vóór 21 mei 2012. De voorzieningenrechter gaat er derhalve voorshands van uit dat [X] niet reeds voor die datum de handelsnaam ‘Bruut’ voerde. Aangezien evenmin is gebleken dat [X] naar het publiek toe al vóór 21 mei 2012 de aanduiding ‘Bruut’ als onderscheidingsteken gebruikte, gaat zijn stelling dat hij over oudere rechten ex artikel 6:162 BW beschikt niet op. Overigens is er, zoals hiervoor in conventie is overwogen, ook geen gevaar voor verwarring te duchten als gevolg van het gebruik van de naam ‘Bruut’ door Investeq c.s., hetgeen [X] in conventie trouwens ook zelf betoogt.

6.3.

De conclusie is dat de vorderingen van [X] worden afgewezen.

6.4.

[X] dient te worden veroordeeld in de kosten van deze procedure. Investeq c.s. hebben veroordeling van [X] gevorderd in de volledige proceskosten ex artikel 1019h Rv. Investeq c.s. stellen hun kosten onder overlegging van een specificatie in conventie en reconventie in totaal op een bedrag van € 19.550,00, waarvan zij schatten dat een bedrag van € 2.250,00 betrekking heeft op de reconventie. De voorzieningenrechter acht de in reconventie door Investeq c.s. opgevoerde kosten in de gegeven omstandigheden redelijk, zodat een bedrag van € 2.250,00 aan proceskosten zal worden toegewezen.

6.5.

De door Investeq c.s. gevorderde nakosten zullen eveneens worden toegewezen, als hierna vermeld.

7 De beslissing

De voorzieningenrechter

in conventie

7.1.

wijst de vorderingen af,

7.2.

veroordeelt Investeq c.s. hoofdelijk, des dat de een betalende, de ander zal zijn bevrijd, in de proceskosten, aan de zijde van [X] tot op heden begroot op € 15.287,00,

7.3.

veroordeelt Investeq c.s. in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat Investeq c.s. niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan het vonnis hebben voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak,

in reconventie

7.4.

wijst de vorderingen af,

7.5.

veroordeelt [X] in de proceskosten, aan de zijde van Investeq c.s. tot op heden begroot op € 2.250,00,

7.6.

veroordeelt [X] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [X] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak.

in conventie en in reconventie

7.7.

verklaart voormelde proceskostenveroordelingen – met inbegrip van de nakosten – uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. T.R. Hidma en in het openbaar uitgesproken op 9 mei 2017.