Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2017:194

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
11-01-2017
Datum publicatie
18-01-2017
Zaaknummer
C/08/159198 / HA ZA 14-356
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Schending precontractuele mededelingsplicht bank. Geslaagd beroep op dwaling. Afwijzing beroep op artikel 6:230 lid 1 BW. Afwijzing schadevergoeding wegens toerekenbare tekortkoming in de nakoming van de overeenkomst. De gedragingen van de medewerker van de bank, de schending van de mededelingsplicht en de overige omstandigheden van het geval dienen aangemerkt te worden als onrechtmatig en schadeveroorzakend jegens eiser. Verwijzing naar rol voor akte uitlating en comparitie over ongedaan making en/of “negatief contractbelang”.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/299
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Almelo

zaaknummer: C/08/159198 / HA ZA 14-356

datum vonnis: 11 januari 2017

Vonnis van de rechtbank Overijssel, meervoudige kamer voor burgerlijke zaken, in de zaak van:

1 de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
PCD PRODUCTS B.V.,

gevestigd te Borne,
2. [X] ,
wonende te [woonplaats 1] ,
3. [Y] ,
wonende te [woonplaats 2] ,

eisers in conventie,

verweerders in reconventie,
verder samen ook te noemen PCD c.s.,

advocaat: mr. P.F. Wolbers te Delden,

en

de naamloze vennootschap
ABN AMRO BANK N.V.,

statutair gevestigd te Amsterdam,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

verder te noemen ABN Amro,

advocaat: mr. R. de Kleijn te Utrecht.

1 Het procesverloop

1.1

Op 2 december 2015 heeft de rechtbank een tussenvonnis gewezen. Daarbij is aan
ABN Amro een bewijsopdracht gegeven.

1.2

Het getuigenverhoor aan de zijde van ABN Amro heeft op 10 maart 2016
plaatsgevonden. Als getuigen zijn gehoord:

- de heer [A] , relatiemanager bedrijven bij ABN Amro;

- de heer [B] , directeur ABN Amro Twente;

- de heer [C] , ex- werknemer bij ABN Amro, thans werkzaam bij Solveon.

1.3

Van de getuigenverhoren is een proces-verbaal opgemaakt.

1.4

PCD c.s. heeft afgezien van het houden van een getuigenverhoor aan hun zijde (contra-enquête).

1.5

Partijen hebben na het getuigenverhoor nog de volgende gedingstukken gewisseld:

  • -

    Akte uitlating na enquête aan de zijde van ABN Amro;

  • -

    Akte uitlating na enquête aan de zijde van PCD c.s.;

  • -

    Akte uitlating producties aan de zijde van ABN Amro.

1.6

Daarna is weer vonnis gevraagd. Dat vonnis is na aanhouding bepaald op vandaag.

2 De verdere beoordeling van het geschil

2.1

Verwezen wordt naar voormelde tussenvonnis en wel in het bijzonder naar wat daarin is weergegeven (de standpunten van partijen), is vastgesteld (de feiten waarvan kan worden uitgegaan) en is overwogen en beslist. De rechtbank volhardt daarbij. In voornoemd tussenvonnis heeft de rechtbank ABN Amro een bewijsopdracht gegeven.

2.2

De rechtbank heeft ABN Amro opdracht gegeven te bewijzen dat:

1. ABN Amro PCD c.s. heeft geïnformeerd over welke kredietvorm ABN Amro zou gaan aanbieden, waarom zij deze passender vond en wat de overeenkomst inhield.

2. Dat zij PCD c.s. heeft geïnformeerd over de verschillen in de opschortingsmogelijkheden van beide kredietvormen en dat ook het Starters BMKB de mogelijkheid kent om de aflossing gedurende een geruime periode op te schorten.

3. Dat het aanbod dat zij PCD c.s. heeft gedaan op het moment dat het voor PCD c.s. duidelijk was dat zij een ander krediet voor ogen had, dan zij had getekend, een passend aanbod was en het advies om het huidige krediet intact te houden een passend advies was (mail van 31 maart 2011, productie 11 bij productie 2).

2.3

De rechtbank stelt vast dat getuige [A] heeft verklaard:

De verklaring die ik ter comparitie heb afgelegd daar blijf ik bij. Mijn rol bij ABN Amro is dat als er kredieten worden aangevraagd door bedrijven deze dan onder andere bij mij terecht komen. In 2010 heb ik veelvuldig contact gehad met [X] . Ik weet niet zeker of er toen al een relatie was met ABN Amro. Ik denk niet dat ze klant waren. Zakelijk sowieso niet. [X] was enthousiast over zijn product, vertelde mij dat hij een mooie deal zou gaan sluiten. Wij hebben daarover in 2010 een paar keer contact gehad. Dat heeft erin geresulteerd dat er een businessplan is opgesteld.

Het is zo dat de klant een krediet wilde krijgen. Het is dan mijn taak om uit te zoeken hoe krijg je dat voor elkaar. Ik heb toen richting de heer [X] al aangegeven dat het waarschijnlijk een borgstellingskrediet zou moeten gaan worden, omdat een ander krediet waarschijnlijk niet mogelijk was. Als een aanvraag voor een krediet bij mij terecht komt dan neem ik contact op met mijn direct leidinggevende en collega’s en kijken we samen wat een passend krediet is. Mijn direct leidinggevende is [B] .

Ik heb altijd tegen de eisende partij gezegd dat het een borgstellingskrediet zou gaan worden. Omdat wij dat passend vinden. De inhoud van de overeenkomst heb ik inderdaad besproken. Dit heb ik besproken met de heer [X] Ik weet niet of de accountant hierbij aanwezig was. Volgens mij heb ik met de accountant de overeenkomst telefonisch doorgenomen. De hoofdlijnen dan. De hoofdlijnen waren dat besproken is dat het om een krediet ging van 200 duizend euro met 50 duizend euro in rekening-courant en de bijbehorende zekerheden. Ik weet niet of er ook is gesproken over de mogelijkheden die een borgstellingskrediet biedt wat betreft opschorting. Ik heb ook gezegd dat het een 6 jarige lening was. Wat de reactie was van de accountant weet ik niet meer. Het was meer een mededeling van mij.

Het gesprek met de heer [X] heeft in december of januari plaatsgevonden. Ik weet dat niet meer precies. Ik weet niet zeker of het gesprek heeft plaatsgevonden voordat de overeenkomst is getekend. Ik weet wel nog dat [X] mij vertelde wij hebben voor ABN Amro gekozen. Dan moet er dus ook een andere aanbieding geweest zijn. Gelet op de wijze waarop hij dat verwoord heeft.

Over de verschillen in de kredietvormen borgstellingskrediet en starterskrediet is niet gesproken.

Ik heb gezegd wij gaan voor een borgstellingskrediet dat was het meest passend. In de overeenkomst staat ook borgstellingskrediet genoemd. Als het een innovatieborgstellingskrediet zou zijn geweest zou dat er hebben gestaan. Een innovatieborgstellingskrediet ken ik ook wel. Ik weet niet waarom in de overeenkomst niet gesproken is over een startersborgstellingskrediet. Het krediet dat gegeven is is volgens mij het verruimde startersborgstellingskrediet.

Ik weet niet of ik de overeenkomst in de papierenversie met [X] doorgenomen heb.

Er is volgens mij niet gesproken over de mogelijkheid om later te starten met het aflossen van het krediet. Hier is ook niet naar gevraagd. Wij kunnen zelf bepalen wanneer de klant met de aflossing moet gaan starten. Het leek mij gepast om hiermee te starten een half jaar na het sluiten van de overeenkomst. Het businessplan gaf ook geen aanleiding hiervoor een ruimere termijn aan te nemen.

Op het moment van tekenen was de mogelijkheid van opschorting ook geen aandachtspunt. Het ging de klant erom om een krediet te krijgen. De klant was ook blij want had het krediet voor elkaar. Ook daarna is over opschorting van de aflossing niet gesproken. Wel is ongeveer een maand na het aangaan van de overeenkomst, of in maart of april gesproken over het omzetten naar een innovatieborgstellingskrediet.

Over de verschillen van een innovatie en startersborgstellingskrediet is niet gepraat. Dat was niet aan de orde.

Op uw vraag waarom in de begeleidende brief bij de kredietovereenkomst niet is verwezen naar het gesprek dat heeft plaatsgevonden over de inhoud van de overeenkomst antwoord ik u dat die begeleidende brief bij de kredietovereenkomst een standaardbrief is dat door een andere afdeling wordt opgemaakt. Het klopt dat ik die brief heb ondertekend.

Bij het gesprek op 17 maart was ik ook aanwezig. U vraagt mij wat volgens mij de aanleiding was voor de klant voor het aangaan van het gesprek op 17 maart. De aanleiding was volgens mij voor de klant het voordeel dat ze dachten te zien in de aflossingsstop van de lening in de situatie van een innovatieborgstellingskrediet. Er is gevraagd naar de mogelijkheden om het bestaande krediet om te zetten naar een innovatieborgstellingskrediet, naar de ruimere mogelijkheden om de aflossing stop te zetten. Er is niet gevraagd om de aflossing stop te zetten. Ik heb ook geen signaal geproefd dat nu al de aflossing stop gezet zal moeten worden.

Het aanbod dat gedaan is in de mail van 31 maart 2011 is door mij samen met [B] besproken. Of er kosten zouden moeten worden gemaakt voor het omzetten naar een innovatiekrediet dat wist ik niet. Om alle twijfel daarvoor te kunnen wegnemen hebben wij opgenomen dat omzetten voor de klant kosteloos zou zijn. Het deel over de kosten is door [B] opgenomen en intern besproken. Ik weet daar niets van.

U houdt mij voor dat in de mail van 31 maart 2011 ABN Amro ook schrijft “daarnaast hebben jullie nu al de mogelijkheid om de leningen acht kwartalen op te schorten”. U vraagt mij of dat daarvoor ook al met de eisende partij is besproken. Dat weet ik niet. Voor 17 maart is hier door mij niet over gesproken. Ik kan mij niet herinneren wat tot 17 maart exact besproken is over de situatie. Met situatie bedoel ik de periode na het tekenen van de overeenkomst waarin in één keer over opschortingsmogelijkheid werd gesproken met de klant naar aanleiding van de vraag om om te zetten naar het innovatieborgstellingskrediet.

Het is een eis die hoort bij het borgstellingskrediet dat de vennoten persoonlijk voor het krediet mee tekenen. Als dit geen eis zou zijn zal ABN Amro dat ook hebben verlangd van de vennoten. Wij willen de zekerheid dat een klant weet wat hij aangaat.

De hoogte van de hypothecaire zekerheid van 200 duizend euro is gebaseerd op de hoogte van het kredietaanvraag van ook 200 duizend euro.

Ik weet wel dat er een bepaalde waarde was van het woonhuis op dat moment. Ik weet niet of dat een op dat moment getaxeerde waarde betrof. Er is ook gekeken naar de mogelijke overwaarde er vindt altijd een kadastrale recherche plaats. Mijn gevoel zegt dat er wel een overwaarde was. Wat die precies was, dat zal blijken wel uit de stukken. Dat weet ik zo niet.

Er is mij voor het sluiten van de overeenkomst niet gevraagd om het aangevraagde kredietsom te verhogen. Wel heeft [X] gevraagd naar de mogelijkheden naar de toekomst toe. Hij heeft mij verteld dat hij dan mogelijk meer krediet nodig heeft, dat hij een forse omzetgroei verwachtte.

U houdt mij nog de mail van 31 maart 2011 voor, meer specifiek de zin gezien de beperking van het innovatiekrediet (….) Wat [B] met de beperking van het innovatiekrediet daar bedoelt weet ik niet dat zou u [B] kunnen vragen.

Op vragen van mr. de Kleijn heeft [A] geantwoord:

Het klopt dat ik in 2010 veel gesproken heb met [X] Op uw vraag of ik het idee had dat de eisende partij ervaring had met het ondernemen antwoord ik ja. Op de vraag of ik het idee had dat eisende partij ervaring had met financieren antwoord ik ook ja.

U vraagt mij of de klant heeft aangegeven dat de omvang (hoogte) van het krediet belangrijker was dan het type krediet. Ja volgens mij was de omvang belangrijker dan het type krediet.

U vraagt mij naar de rol van de accountant van de eisende partij, de heer [D] . Voor zover ik kan inschatten heeft de heer [D] in het geheel een adviserende rol voor [X en Y] gehad. Hij is register accountant en heeft als register accountant ook de stukken opgesteld. Als bank hechten wij daar wel een bepaalde waarde aan.

2.4

De rechtbank stelt vast dat [B] heeft verklaard:

De rol die ik in deze kwestie betreffende de kredietaanvraag heb gehad is dat ik in die tijd directeur ABN Amro Hengelo was. Ik stuurde een team van relatiemanagers aan. En had in dat kader ook met klanten zelf weleens gesprekken. Bij deze aanvraag ben ik ook meebeslisser geweest. Vóór het tekenen van de kredietovereenkomst ben ik niet bij de gesprekken met de eisende partij betrokken geweest. Dat deed de heer [A] .

Volgens mijn agenda heb ik voor het eerst op 17 maart 2011 een gesprek gehad met de eisende partij, maar mijn gevoel zegt dat ik eerder ook al wel een gesprek met ze heb gehad. Waarover dan gesproken zou zijn weet ik niet precies maar dat zal wel dit thema kunnen zijn geweest.

Over het aanbod dat gedaan is kan ik verklaren als volgt. De heer [A] maakt een aanvraag op. Dat ging om een financieringsaanvraag van 250 duizend euro met een borgstellingskrediet van 200 duizend euro. Die aanvraag krijg ik dan te zien. Ik geef daar mijn sign off voor af, dat houdt in dat ik het gezien heb en akkoord ben. En omdat het hier ging om een borgstellingskrediet moet het dan vervolgens ook naar de BSK afdeling. De BSK afdeling heeft ook haar fiat gegeven waarna twee weken later de overeenkomst ook door de eisende partij is getekend.

In de aanvraag is gesproken over een tijdelijk verruimde startersborgstellingskrediet. En daarvoor heb ik mijn fiat afgegeven. Waarom in de overeenkomst niet staat genoemd dat het om een tijdelijke verruimde startersborgstellingskrediet gaat weet ik niet.

Het aanbod dat gedaan is was passend omdat daarmee kon worden voldaan aan de financieringsbehoefte. Volgens het plan zou 200 duizend euro nodig zijn, er is uiteindelijk 250 duizend euro verstrekt. Dit was in de tijd dat de verruiming bestond. Een gewoon BSK ligt lager. De heren konden ook worden aangemerkt als starter, formeel waren ze doorstarter. Ook de aflossing en de rente kon binnen zes jaar worden voldaan. Daarom was het aanbod passend.

Er is ten tijde van de aanvraag intern niet over een innovatieborgstellingskrediet gesproken.

Op uw vraag of een innovatieborgstellingskrediet hier ook passend zou zijn geweest antwoord ik ik denk het niet. Er zou dan een lager bedrag aan zekerheden van de overheid worden verkregen. Het verschil is wel dat een innovatieborgstellingskrediet een termijn van 12 jaar kent en een startersborgstellingskrediet 6 jaar, maar nu kon er 50 duizend euro meer worden geleend. Dus de eerste twee jaar zou er weinig verschil zijn geweest, het startersborgstellingskrediet zou dan gunstiger zijn geweest, meer passender dan een innovatieborgstellingskrediet. Het startersborgstellingskrediet kent dan meer mogelijkheden.

Op uw vraag of de bank niet ook het innovatieborgstellingskrediet met de klant besproken had moeten hebben antwoord ik misschien wel. De omvang zou dan lager zijn geweest.

Destijds bij de aanvraag is het innovatieborgstellingskrediet niet bekeken. Er is alleen gekeken naar startersborgstellingskrediet. Dit is zo gegaan omdat de heer [A] die aanvraag waarin het ging om een startersborgstellingskrediet bij mij heeft neergelegd.

Op uw vraag of indien de heer [A] een innovatieborgstellingskrediet als aanvraag zou hebben voorgelegd dat dan met dezelfde bedragen te weten 200 duizend euro en 50 duizend euro in rekening-courant verstrekt zou kunnen worden, antwoord ik dat wij dat krediet niet zouden hebben verstrekt omdat dan veel minder dekking uit de borgstelling van de staat zou kunnen worden ontleend. Ik verwijs hiervoor ook naar de mail van 31 maart 2011. Daarin hebben wij opgenomen dat het indien een innovatieborgstellingskrediet zou zijn aangevraagd er een maximum borgstellingskrediet van 120 duizend euro mogelijk zou zijn geweest.

Het gesprek op 17 maart daar was ikzelf en de heer [A] bij aanwezig en ik neem aan [X en Y] , maar het kan ook zijn dat alleen [X] daarbij aanwezig is geweest. Verder was daar niemand bij aanwezig.

De aanleiding was volgens mij de onduidelijkheid bij [X en Y] over welke regeling ze nu hebben ontvangen. In grote lijnen ging het gesprek erover dat ze een innovatieborgstellingskrediet hadden willen hebben, het waarom het startersborgstellingskrediet is afgegeven en of er nog een andere regeling mogelijk was. Wij hebben aangegeven dat wat wij hadden aangeboden dat wij dat passend vonden. Het gesprek is erin geëindigd dat wij het een passend aanbod vonden, maar [X en Y] niet. Of er ook afspraken zijn gemaakt dat weet ik allemaal niet meer precies. Het is al bijna vijf jaar geleden. De mail van 31 maart 2011 is wel een voortvloeisel op het gesprek van 17 maart. Ik zeg nee bij deze dat er op de mail geen reactie van [X en Y] meer is gekomen omdat ik het niet zeker weet.

Ik weet niet of er op 17 maart ook over de mogelijkheden van opschorting is gesproken. Ik kan me voorstellen dat we dat wel genoemd hebben in het kader van het bespreken van de verschillen tussen het startersborgstellingskrediet en het innovatieborgstellingskrediet.

U houdt mij de zin voor in het mailbericht van 31 maart 2011 “daarnaast hebben jullie nu al de mogelijkheid om de leningen acht kwartalen op te schorten”. Dit is een standaard mogelijkheid van het borgstellingskrediet. Dat deze mogelijkheid bestaat zal ook als bijlage bij de offerte hebben gezeten ook is het op de site van Rijksdienst voor het Ondernemersschap te vinden. Hiervoor kan een verzoek worden ingediend bij de bank.

U houdt mij de mail voor waarin staat waarin het kosteloos omgezet kon worden. Als er kosten zouden moeten worden gemaakt voor het omzetten naar een innovatieborgstellingskrediet dan zouden wij dat met de overheid hebben geregeld of deze kosten voor eigen rekening hebben laten komen. De reden hiervan is dat wij graag een tevreden klant wilden. Over de kosten had ik bij de BSK afdeling vooraf navraag gedaan.

Met de beperking van het (innovatie)krediet als genoemd in het mailbericht van 31 maart 2011 bedoelde ik dat er dan minder krediet zou kunnen worden verleend. Het gaat om een bedrag van 50 duizend euro minder. Dat is wel een behoorlijk bedrag. Het advies om het krediet in stand te houden was passend omdat daarmee een hoger bedrag kon worden geleend.

2.5

De rechtbank stelt vast dat [C] heeft verklaard:

Ik heb in 2011 ABN Amro verlaten en ben toen bij Solveon in dienst getreden. Mijn rol bij de ABN was dat ik mij bezig hield met het verstrekken van kredieten met staatsgarantie. Wij krijgen van kantoor een kredietaanvraag binnen en die beoordelen wij dan en wij zeggen dan ja of nee.

In dit geval was de aanvraag oorspronkelijk een innovatief BSK. In verband met verruimde mogelijkheden van de staat voor een startersborgstellingsregeling vonden wij dat meer passend. De aanvraag voor een innovatief BSK is afgewezen, formeel moeten we dat afwijzen, daarna kan dan een nieuwe aanvraag worden ingediend. De redenen van het afwijzen van de aanvraag moeten we dan ook noemen. Als reden hebben wij aangegeven dat de verruimde startersborgstellingskrediet een meer passende regeling is. Kantoor moet dan een nieuwe aanvraag indienen bij de BSK afdeling. Dat is hier ook gebeurd. Die aanvraag heb ik goedgekeurd. De communicatie met de klant daar staan wij buiten. Voor iedereen van de BSK afdeling geldt dat er met klanten geen contact is. Bij het afwijzen van de aanvraag heb ik met de indiener van de aanvraag contact gehad. Dat is 1 persoon geweest. Ik weet niet meer wie de indiener van de aanvraag was. Maar in ieder geval is dat een medewerker van de ABN Amro bank die betrokken is bij de aanvragen van kredieten.

De bedoeling was een zo hoog mogelijk BSK in te passen. In geval van een innovatiefborgstellingskrediet is de verhouding 2:1. En in geval van een verruimde startersborgstellingsregeling is de verhouding 4:1. In het geval er 250 duizend euro geleend wordt betekent dat dus bij een startersborgstellingskrediet 200 duizend euro voor de staat en 50 duizend euro voor de bank. In geval van een innovatiefborgstellingskrediet is dat in hetzelfde voorbeeld ongeveer 166 duizend voor de staat en de rest voor de bank. Om een zo hoog mogelijk BSK in te passen is de bedoeling van de bank, ook van de overheid en de bank volgt hier de overheid.

Op uw vraag of indien het om andere bedragen aan kredietaanvraag zou gaan een innovatiefborgstellingskrediet dan wel door de bank afgegeven zou zijn antwoord ik dat dit afhankelijk is van de hoogte van de kredietaanvraag. Het verruimde startersborgstellingskrediet is beperkt tot 250 duizend euro.

Andere verschillen tussen beide genoemde kredietvormen is dat de looptijd verschillend is. Een innovatiefborgstellingskrediet kent een looptijd van 12 jaar. En daarnaast is het bij een innovatiefborgstellingskrediet mogelijk om pas na 3 jaar te starten met de eerste aflossing. Voor het overige zijn er geen verschillen. Voor beide regelingen geldt een minimum vereiste van 25% van het staatsgegarandeerde krediet aan borgstelling door de aanvragers. Verder is er nog een verschil dat in geval van een innovatief BSK de zekerheden echt berekend moeten worden. Terwijl bij een verruimde starters BSK aan de zachte zekerheden geen waarde hoeft te worden toegekend. Dit houdt in dat dan een hoger BSK afgegeven zou kunnen worden. Met zachte zekerheden bedoel ik pandrechten op voorraden en debiteuren en dergelijke.

Normaal is dat er twee volledige kalenderkwartalen na het sluiten van de overeenkomst gestart wordt met aflossing van het krediet. Dit zijn regels van de overheid. In geval van een innovatiefborgstellingskrediet is vooraf al mogelijk om de aflossing later in te laten gaan, indien op voorhand al duidelijk is dat onvoldoende ruimte is om aflossing te voldoen. Met het beoordelen van die aanvragen was ik niet betrokken. Dat doet het kantoor die het contact onderhoudt met de klant zelf.

In dit geval was er ook geen noodzaak om vast te houden aan de aanvraag van het innovatief BSK, dit mede gelet op de prognoses. Er was geen aanleiding om te veronderstellen dat een opschorting van de aflossing nodig zou zijn. Daarvoor waren de prognoses te goed. Indien wij een aanvraag afwijzen kan daar over gesproken worden. Als de noodzaak aanwezig is om toch aan de eerdere aanvraag vast te houden kan dat. Hier was die noodzaak er dus niet.

Op vragen van mr. De Kleijn antwoord ik als volgt:

U vraagt mij om een verliesdeclaratie die toegezonden wordt aan de staat toe te lichten. In geval van faillissement, het ophouden te bestaan van een bedrijf of het niet meer aan de betalingsverplichtingen kunnen voldoen van het bedrijf dan moeten wij een verliesdeclaratie opmaken en toezenden aan de staat. Wij moeten inderdaad verantwoording afleggen aan de staat. Dat is ook hier gebeurd. De staat was het met het verlenen van de verruimde startersborgstellingskrediet eens. Dat blijkt uit het feit dat de staat heeft gekeken naar de hoogte van het BSK en dat niet heeft gecorrigeerd.

In het voorstel dat naar de staat wordt toegestuurd staat ook vermeld dat de eerste aanvraag om het innovatiefborgstellingskrediet is afgewezen en waarom en welke aanvraag er nu wordt voorgelegd.

Op vragen van mr. Wolbers antwoord ik als volgt:

Het klopt dat de eerste aanvraag is afgewezen. Met contacten naar de klant toe ben ik niet betrokken. Ik weet niet of het gebruik is dat een afgewezen aanvraag naar de klant toe wordt gecommuniceerd. Ik communiceer dat wel met de kantooraanvrager die weet waarom het wordt afgewezen. Wat ik wel weet is dat er een offerte wordt neergelegd bij de klant door kantoor en als er een innovatiefborgstellingskrediet wordt verstrekt staat dat als zodanig daarin vermeld.

Op de vraag van mr. Wolbers of in de offerte ook staat vermeld of er een bepaalde financieringsvorm is afgewezen antwoord ik dat dat daarin niet staat vermeld. Op de vraag van mr. Wolbers dat de enige manier voor de klant om te vernemen dat een bepaalde financieringsvorm is afgewezen dan is dat de bank dat aan de klant moet vertellen antwoord ik ja.

Op de vraag van mr. Gerritsma of dat ook uit de inhoud van de overeenkomst kan blijken antwoord ik dat zoals ik net ook al heb verklaard dat als het gaat om een innovatief BSK dat uitdrukkelijk in de overeenkomst wordt vermeld. In het geval van een starters BSK wordt alleen “borgstellingskrediet” genoemd. Het kan best zijn dat er ook verruimde

startersborgstellingskrediet in de offerte staat. Ik weet dat niet. Bij de totstandkoming van de inhoud van de offerte of overeenkomst ben ik niet betrokken.

2.6

De rechtbank stelt vast dat bovenstaande getuigenverklaringen tegenstrijdig zijn. De heer [A] heeft verklaard dat door PCD c.s. nooit is aangegeven wat de essentiële punten voor hen waren. Volgens [A] is er een krediet voor werkkapitaal afgegeven en niet voor innovatie en was dit van het begin af aan de bedoeling. Volgens [A] heeft hij altijd tegen de andere partij gezegd dat het een borgstellingskrediet (hierna ook BSK) zou gaan worden.

2.7

Volgens [B] is destijds bij de aanvraag het innovatieborgstellingskrediet, niet bekeken. Er is volgens [B] alleen gekeken naar een startersborgstellingskrediet omdat [A] die aanvraag bij hem had neergelegd. Volgens [B] is er over een innovatieborgstellingskrediet niet gesproken, dit was niet aan de orde.

2.8

[C] heeft echter verklaard dat de oorspronkelijke aanvraag een innovatief BSK was. Die aanvraag is formeel en gemotiveerd afgewezen.

Dit is schriftelijk gebeurd. Pas daarna kon de bank een nieuwe aanvraag indienen. Volgens [C] is dat ook gebeurd. Kantoor heeft toen een nieuwe aanvraag ingediend voor een starters BSK.

Die is toegewezen. Volgens [C] staat ook in het voorstel dat naar de staat wordt gestuurd vermeld dat de aanvraag om een innovatiefborgstellingskrediet is afgewezen en waarom, ook heeft hij dit gecommuniceerd met de kantooraanvrager.

2.9

De verklaringen van [A] en [B] zijn tegenstrijdig met die van [C] .

De rechtbank ziet geen aanleiding te twijfelen aan de juistheid van de verklaring van [C] . Zijn verklaring wordt door ABN Amro ook niet tegengesproken.

2.10

De verklaring van [C] sluit ook aan bij de stelling van PCD c.s. dat zij een aanvraag hebben ingediend voor een Innovatie krediet en die aanvraag ook door de bank in behandeling is genomen. Volgens PCD c.s. zijn zij er steeds van uitgegaan dat zij voor die aanvraag ook de overeenkomst hebben getekend.

2.11

Uit de feiten volgt dat [A] de kredietaanvrager was voor ABN Amro in de onderhavige kwestie. [A] moet dan het innovatiefborgstellingskrediet hebben aangevraagd. Dit heeft ABN Amro ook niet weersproken. Tevens heeft ABN Amro niet weersproken dat dan [A] moet zijn ingelicht over het feit dat de aanvraag is afgewezen en waarom.

2.12

Gelet op de inhoud van de verklaring van [A] kan geconcludeerd worden dat [A] PCD c.s. niet heeft geïnformeerd over de afwijzing van de aanvraag. Volgens [A] was het van het begin af aan duidelijk dat er een startersborgstellingskrediet zou worden aangevraagd. Die verklaring blijkt thans niet juist.

2.13

Volgens [B] is er over een innovatiefborgstellingskrediet in het geheel niet gesproken, dit was niet aan de orde. Ook dit blijkt thans niet juist.

2.14

De rechtbank gaat dan ook uit van de onjuistheid van de verklaring van [B] en [A] hieromtrent. Tevens geeft dit de rechtbank aanleiding aan de juistheid van de rest van de verklaring van [B] en [A] te twijfelen. De rechtbank zal hiermee in de waardering van het bewijs rekening houden.

2.15

Dat ABN Amro PCD c.s. heeft geïnformeerd over welke kredietvorm zij zou gaan aanbieden, waarom zij deze passender vond, en wat de overeenkomst inhield, volgt evenmin uit bovenstaande verklaringen.

2.16

Volgens [A] heeft hij de verschillen in de kredietvormen niet besproken.

De mogelijkheid om later te kunnen starten met aflossen en de mogelijkheid van opschorting heeft hij ook niet gesproken. [A] zou enkel de hoofdpunten hebben besproken; de hoogte van het krediet en de duur van de kredietovereenkomst. Gespreksverslagen heeft ABN Amro niet opgemaakt (zie verklaring [A] ter comparitie afgelegd).

2.17

Dat het voor PCD duidelijk was dat zij een andere kredietvorm aanging dan door haar aangevraagd, volgt uit het bovenstaande niet. [A] heeft PCD c.s. niet over de afwijzing van de eerste aanvraag geïnformeerd.

2.18

Dat ABN Amro PCD c.s. heeft geïnformeerd over de meest essentiële kenmerken volgt ook uit het bovenstaande niet. Ook volgt dit niet uit de inhoud van de overeenkomst. De enkele vermelding van de looptijd van zes jaar in de overeenkomst is onvoldoende. Een innovatiefborgstellingskrediet kan bovendien maximaal voor 12 jaar worden aangegaan (productie 1 bij productie 5 en productie 4a bij dagvaarding). Partijen kunnen dus een kortere duur overeenkomen.

2.19

PCD c.s. stelt dat zij ervan is uitgegaan dat zij een Innovatie krediet heeft gekregen, waarbij de staat borg zou staan en de geldlening zou worden kwijtgescholden als het project zou mislukken. Volgens ABN Amro dient een dergelijk krediet bij de staat te worden aangevraagd.

2.20

De voorzieningenrechter heeft in het kort gedingvonnis van 9 mei 2014 geoordeeld dat ABN Amro pas in die procedure heeft gesteld dat een dergelijk krediet bij haar niet mogelijk was en zij PCD c.s. in de waan lijkt te hebben gelaten dat zij een dergelijk krediet had verkregen. De rechtbank neemt die conclusie hier over.

2.21

De rechtbank is van oordeel dat ABN Amro haar precontractuele mededelingsplicht heeft geschonden. Het feit dat PCD c.s. een onjuist beeld had van de eigenschappen van het product, kan ABN Amro worden tegengeworpen.

2.22

ABN Amro stelt bij herhaling dat zij betwist dat het voor haar kenbaar was dat PCD c.s. een specifieke kredietsom wenste. Uit de verklaringen van [A] en [C] volgt echter het tegendeel. Verwezen wordt ook naar productie 4a bij dagvaarding.

2.23

Primair vordert PCD c.s. te verklaren voor recht dat ABN Amro jegens PCD c.s. is tekortgeschoten door onder de gegeven omstandigheden geen uitvoering te geven aan hetgeen partijen in eerste instantie mondeling zijn overeengekomen. Dat er sprake was van een mondelinge overeenkomst betwist ABN Amro. PCD c.s. heeft geen feiten en omstandigheden gesteld waaruit volgt dat er reeds mondeling een overeenkomst was tot stand gekomen. De rechtbank gaat hier dan ook aan voorbij.

2.24

Subsidiair doet PCD c.s. een beroep op dwaling ex artikel 6:228 BW (dagvaarding onder 62). PCD c.s. stelt hiertoe dat indien ABN Amro een juiste voorstelling van zaken zou hebben gegeven, de kredietovereenkomst nimmer door hen zou zijn ondertekend (dagvaarding onder 74).

2.25

De rechtbank is van oordeel dat bovenstaande getuigenverklaringen en de daaruit volgende conclusie van schending van de precontractuele mededelingsplicht leiden tot een succesvol beroep op dwaling.

2.26

De rechtbank is van oordeel dat PCD c.s. bij een juiste voorstelling van zaken de overeenkomst niet onder dezelfde voorwaarden gesloten zou hebben.

2.27

Hoewel PCD c.s. niet met zoveel woorden een beroep doet op vernietiging van de overeenkomst, volgt dit wel uit de inhoud van de vorderingen. PCD c.s. vordert immers dat de rechtbank de kredietovereenkomst ongedaan zal maken. Ongedaan making van een overeenkomst is het rechtsgevolg van de vernietiging van die overeenkomst. De rechtbank zal dit deel van de vordering dan ook toewijzen.

2.28

Achteraf bezien is de vernietigde rechtshandeling reeds nietig geweest vanaf het moment waarop zij werd verricht. Het krediet in hoofdsom dat PCD c.s. van ABN Amro heeft ontvangen, dient zij als door ABN Amro onverschuldigd aan haar betaald aan ABN Amro terug te betalen. Alle in rekening gebrachte/afgeschreven rente- en andere op grond van de overeenkomst afgeschreven/betaalde bedragen, dient ABN Amro aan PCD c.s. terug te betalen. Voor de verleende borgstellingen en hypothecaire zekerheid bestaat geen titel meer.

2.29

De bevoegdheid tot vernietiging vervalt indien de wederpartij tijdig een wijziging van de gevolgen van de overeenkomst voorstelt, die het nadeel dat de tot vernietiging bevoegde bij instandhouding van de overeenkomst lijdt, op afdoende wijze opheft
(artikel 6:230 lid 1 BW).

2.30

ABN Amro heeft gesteld dat zij tijdig een passend aanbod heeft gedaan, ABN Amro is opgedragen haar stelling te bewijzen. De rechtbank is van oordeel dat de bank daarin niet is geslaagd.

2.31

ABN Amro heeft PCD c.s. geadviseerd het toenmalige krediet in stand te laten en niet te wijzigen. Volgens [B] was het aanbod en het advies passend, omdat daarmee een hoger bedrag kon worden geleend.

2.32

De rechtbank is van oordeel dat ABN Amro hiermee onvoldoende heeft aangetoond dat het aanbod en het advies passend was. Dat enkel op deze wijze een hoger bedrag kon worden geleend, betwist PCD c.s. en heeft ABN Amro onvoldoende onderbouwd.

2.33

Hierbij speelt mee dat PCD c.s. diverse zekerheden heeft verstrekt. Voorraad, vorderingen en inventaris zijn aan ABN Amro verpand. Verder is er voor het gehele bedrag van € 200.000,- zekerheid gesteld door het vestigen van een (extra) hypotheek op de woning waarbij is uitgegaan van een getaxeerde marktwaarde in 2010 van € 270.000,- en een reeds gevestigde hypotheek van € 126.000,-. Daarnaast hebben de beide vennoten persoonlijk voor het krediet meegetekend. Deze feiten en omstandigheden neemt ABN Amro in haar onderbouwing niet mee.

2.34

Daarnaast heeft [C] verklaard dat het verruimde borgstellingskrediet (wat ABN Amro heeft verstrekt) is beperkt tot € 250.000,- terwijl het innovatiefborgstellingskrediet een veel ruimere kredietmogelijkheid kent.

2.35

ABN Amro was er op dat moment van op de hoogte dat PCD c.s. in de toekomst verwachtte meer krediet nodig te hebben, in verband met verwachte forse omzetgroei.

2.36

Tenslotte kent het Innovatie krediet van de staat de mogelijkheid om bij tegenvallende resultaten of het mislukken van het project (een deel van) het krediet kwijt te schelden. Ook dit heeft ABN Amro in haar aanbod niet meegenomen.

2.37

Nu van een aanbod in de zin van het bepaalde in artikel 6:230 lid 1 BW geen sprake is en het beroep op dwaling slaagt, is de rechtbank van oordeel dat de vordering tot ongedaan making van de overeenkomst dient te worden toegewezen.

2.38

PCD c.s. vordert tevens dat de rechtbank ABN Amro zal veroordelen tot het vergoeden van de schade die zij heeft geleden als gevolg van een toerekenbare tekortkoming in de nakoming van de overeenkomst aan de zijde van ABN Amro, nader op te maken bij staat.

2.39

ABN Amro heeft de schade en het causaal verband tussen de schade en de vermeende toerekenbare tekortkoming gemotiveerd weersproken.

2.40

Vernietiging van de overeenkomst op grond van dwaling brengt mee dat er geen ruimte bestaat voor toewijzing van schadevergoeding wegens een tekortkoming in de nakoming van de overeenkomst (vgl. HR 11 oktober 2013, ECLI:NL:2013:CA3765, Vano/Foreburghstaete). Voor zover de vordering tot vergoeding van schade daarop is gegrond, kan dit niet slagen. Het slagen van het beroep op dwaling betekent immers niet dat de wederpartij van de dwalende jegens haar schadeplichtig is. Daarvoor dient een specifieke rechtsgrond aanwezig te zijn.

2.41

De rechtbank is van oordeel dat die rechtsgrond aanwezig is. De gedragingen van [A] , de schending van de mededelingsplicht en de overige omstandigheden van het geval dienen immers tevens als onrechtmatig en schadeveroorzakend jegens PCD c.s. te worden aangemerkt.

2.42

PCD c.s. heeft dan recht op het ‘negatief contractsbelang’, dat wil zeggen dat PCD c.s. in de situatie dient te worden gebracht waarin zij zou hebben verkeerd, indien zij de betreffende rechtshandeling niet zou hebben verricht.

2.43

De rechtbank is daarnaast van oordeel dat ook vorderingen tot vergoeding van schade als gevolg van de ongedaan making binnen de rechtsstrijd kunnen vallen. Te denken valt aan de verplichting als bedoeld in artikel 3:53 lid 2 BW.

2.44

Wat de ongedaan making en/of ‘het negatief contractsbelang’ dient in te houden daarover wenst de rechtbank door partijen nader te worden geïnformeerd. Ook of het feit dat ABN Amro de staat reeds als borg heeft aangesproken en de staat als borg ook aan ABN Amro heeft betaald, dienen partijen zich in dit kader uit te laten. De rechtbank zal de zaak hiervoor verwijzen naar de rol voor akte uitlating aan de zijde van PCD c.s., waarna ABN Amro zich per akte hierover mag uitlaten.

2.45

De rechtbank ziet tevens aanleiding om een comparitie te gelasten om aldaar beide aktes te bespreken, inlichtingen te vragen en te onderzoeken of partijen het op één of meerdere punten eens kunnen worden. Ook daarvoor zal de zaak worden verwezen naar de rol.

2.46

De beoordeling van de vordering in reconventie zal wederom worden aangehouden.

De beslissing

De rechtbank:

In conventie

I. Verwijst de zaak naar de civiele rol van deze rechtbank van woensdag 8 februari 2017 voor akte uitlating aan de zijde van PCD c.s. als overwogen onder 2.44 van dit vonnis.

II. Beveelt partijen in persoon en vertegenwoordigd door iemand die volledig van de zaak op de hoogte is en bovendien gemachtigd is om rechtshandelingen te verrichten, om op een nader te bepalen dag te verschijnen in het gerechtsgebouw te Almelo voor

mrs. J.M. Marsman, A.E. Zweers en A.H. Margadant om inlichten te verstrekken en een vereniging te beproeven.

III. Bepaalt dat, nadat bovenstaande aktes zijn genomen, de zaak weer naar de rol zal worden verwezen voor dagbepaling comparitie en draagt PCD c.s. op om er voor zorg te dragen dat uiterlijk de vrijdag voordien schriftelijk bericht ter griffie is ontvangen betreffende de verhinderdata van beide partijen.

In conventie en in reconventie

II. Houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen te Almelo door mrs. J.M. Marsman, A.E. Zweers en A.H. Margadant

is op 11 januari 2017 in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.