Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2017:1766

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
29-03-2017
Datum publicatie
25-04-2017
Zaaknummer
08/996205-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Rechtbank wijst verzoek tot beëindiging vervolging af.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team strafrecht

Zittingsplaats Almelo

Parketnummer: 08/996205-16

SAS-nummer: 17/144

Beschikking van de enkelvoudige raadkamer op het verzoekschrift op grond van artikel 36 Sv van:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1956,

woonplaats kiezende ten kantore van mr. J.W. Soeteman,

1016 AH Amsterdam, Singel 362,

verder te noemen: verdachte,

bijgestaan door mr. J.W. Soeteman, advocaat te Amsterdam.

1 Het verloop van de procedure

Het verzoekschrift, gedateerd 1 februari 2017, is op 2 februari 2017 op de griffie van de rechtbank ontvangen.

Het verzoekschrift is behandeld op de niet openbare terechtzitting van de raadkamer van

29 maart 2017. Bij de behandeling zijn de officier van justitie mr. J.W. Bollen, verdachte en de raadsman gehoord.

De raadkamer heeft kennisgenomen van het door de officier van justitie overgelegde dossier van de strafzaak tegen verdachte.

2 Het standpunt van de officier van justitie

Overeenkomstig de inhoud van zijn aan de rechtbank overgelegde schriftelijke reactie op het verzoekschrift, is het verzoek van verdachte om de vervolging te beëindigen volgens de officier van justitie volstrekt prematuur. Het strafrechtelijk onderzoek naar verdachte betreft een omvangrijk en gecompliceerd onderzoek met de naam Wakatobi en is nog in volle gang. Verzoeker is als verdachte aangemerkt in zijn hoedanigheid als beoogd financieel directeur (CFO) van de onderneming [bedrijf] waarvoor een beursgang met een naar het oordeel van het Openbaar Ministerie bedrieglijke prospectus wordt voorbereid en waarin hij een belangrijke rol inneemt. Er is veel materiaal in beslag genomen dat moet worden bestudeerd alvorens een zinvol verhoor van verdachte kan worden voorbereid.

3 Het standpunt van verdachte en zijn raadsman

De raadsman van verdachte heeft - overeenkomstig de inhoud van de door hem aan de raadkamer overgelegde schriftelijke pleitnota - primair verzocht de onderhavige strafzaak ingevolge artikel 36, eerste lid, Sv, als geëindigd te verklaren omdat het Openbaar Ministerie stelselmatig weigert verzoeker in de gelegenheid te stellen in een verhoor duidelijk te maken dat de verdenking tegen hem onjuist is. Subsidiair heeft de verdediging verzocht de beslissing op het verzoekschrift voor de duur van een maand aan te houden teneinde het Openbaar Ministerie in de gelegenheid te stellen verzoeker alsnog als verdachte te horen. Wanneer het Openbaar Ministerie hiermee in gebreke blijft, dient de onderhavige strafzaak als geëindigd te worden verklaard. Hiertoe wordt aangevoerd dat reeds op 5 december 2016 een doorzoeking ter inbeslagneming heeft plaatsgevonden in de woning van verdachte, waarbij digitale gegevensdragers in beslag zijn genomen. De verdenking tegen verdachte heeft ertoe geleid dat het thans niet mogelijk is om het beursgangtraject van [bedrijf] voort te zetten, met alle financiële consequenties van dien. Ondanks herhaalde verzoeken aan het Openbaar Ministerie, is verdachte tot op heden nog steeds niet gehoord.

4 De bevoegdheid van de rechtbank

De rechtbank is, als het gerecht in feitelijke aanleg waar de strafzaak wordt vervolgd, bevoegd van het verzoekschrift kennis te nemen.

5 De ontvankelijkheid

Het verzoekschrift is tijdig ingediend.

6 De beoordeling

Toetsingskader

Op grond van artikel 36, eerste lid, van het Wetboek van strafvordering (Sv) kan ingeval een vervolging niet wordt voortgezet, het gerecht in feitelijke aanleg, voor hetwelk de zaak het laatst werd vervolgd, op verzoek van de verdachte, verklaren dat de zaak geëindigd is.

Overwegingen

Uit de processen-verbaal (stand van zaken) verdenking [verdachte] van de Fiscale Inlichten- en Opsporingsdienst (FIOD) van 1 december 2016 en 3 februari 2016 en de brief van de zaaksofficier van 24 maart 2017 komt naar voren dat het vermoeden bestaat dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan oplichting van investeerders in [bedrijf] , strafbaar gesteld in artikel 326 van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Volgens de FIOD zou verdachte de beoogd financieel directeur (CFO) zijn van de onderneming [bedrijf] waarvoor een beursgang met een naar het oordeel van het Openbaar Ministerie bedrieglijke prospectus wordt voorbereid, en waarin verzoeker als CFO een belangrijke rol inneemt. Volgens het Openbaar Ministerie presenteert verdachte de cijfers op een zodanige wijze dat een verlies van [bedrijf] wordt omgezet in een winst. Als de investeerders de werkelijke waarde van de aandelen zouden kennen, zouden ze deze vermoedelijk niet kopen, althans niet voor de prijs waarvoor ze nu gekocht zijn. De FIOD is nog volop bezig met dit omvangrijke onderzoek waarbij veel materiaal in beslag is genomen. Ook is volgens de officier van justitie vorige week een rechtshulpverzoek naar Portugal uitgegaan.

Op 5 december 2016 zijn, naast een doorzoeking van de woning van verdachte, nog dertien woningen en bedrijfspanden onderzocht en is op een aantal plaatsen een vordering tot uitlevering ter inbeslagneming van daarvoor vatbare voorwerpen gedaan. Dit alles heeft geleid tot inbeslagname van een grote hoeveelheid fysieke en digitale administratie.

Sinds 29 december 2016 heeft de raadsman zich herhaaldelijk tot de officier van justitie gewend en op 6 januari 2017 ook tot de hoofdofficier van justitie, met respectievelijk het verzoek een verhoor van verdachte in te plannen dan wel bezwaar te maken tegen de weigering van de officier van justitie om een verhoor in te plannen, echter zonder het door de verdediging beoogde resultaat. Volgens de officier van justitie is er gelet op de lopende onderzoeken geen sprake van dat de vervolging niet wordt voortgezet, zoals in artikel 36, eerste lid Sv wordt geëist voor een verklaring van het gerecht tot beëindiging van de zaak.

7 Het oordeel van de rechtbank

De raadkamer stelt vast dat het Openbaar Ministerie nog steeds opsporingshandelingen doet verrichten die de nodige tijd vergen. Ook wordt nader onderzoek gedaan naar een veelheid van inbeslaggenomen materiaal, waaronder digitale gegevensdragers. Dat betekent dat de opsporing en vervolging volop lopen en dat geen sprake is van het niet voortzetten van de vervolging. In het licht daarvan en in aanmerking genomen de thans beschikbare processtukken en de toelichting daarop van de officier van justitie ter zitting van de raadkamer, is de raadkamer van oordeel dat er voldoende aanwijzingen zijn voor het vermoeden dat verdachte zich samen met anderen schuldig heeft gemaakt aan (poging tot) oplichting van (toekomstige) investeerders in [bedrijf] , door deze voor te spiegelen dat de aandelen van [bedrijf] meer waard zijn dan deze in werkelijkheid zijn. Dat verdachte tot op heden nog niet is gehoord is een beslissing die aan de officier van justitie is en in het kader van het verzoek tot beëindiging van de zaak niet ter beoordeling of toetsing door de raadkamer voorligt. De raadkamer merkt voorts nog op dat onderzoeken als waarvan in het onderhavige geval sprake is in het algemeen tijdrovend zijn onder andere in verband met het in kaart brengen en onderzoeken van de doorgaans omvangrijke hoeveelheid aan beslaggenomen administratieve bescheiden alsmede de internationale aspecten van dergelijke onderzoeken. In het licht daarvan kan niet gezegd worden dat het onderzoek niet met de nodige voortvarendheid wordt opgepakt in aanmerking genomen dat de doorzoekingen recent hebben plaatsgevonden.

Het verzoek tot beëindigd verklaring van de zaak dient dan ook te worden afgewezen alleen al vanwege het feit dat van een gestaakte vervolging geenszins sprake is. De raadkamer ziet om dezelfde reden ook geen aanleiding de zaak ingevolge artikel 36, tweede lid Sv, voor bepaalde tijd aan te houden om het Openbaar Ministerie in de gelegenheid te stellen verdachte binnen deze termijn te laten horen.

8 De beslissing

De rechtbank wijst het verzoek af.

Deze beschikking is gegeven op 29 maart 2017 door mr. B.W.M. Hendriks, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. J.A. Krooshof, griffier.