Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2017:1708

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
31-03-2017
Datum publicatie
20-04-2017
Zaaknummer
5616705 \ HA VERZ 16-174
Formele relaties
Tussenuitspraak: ECLI:NL:RBOVE:2017:1709
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst met een onderwijzeres in het basisonderwijs. De kantonrechter stelt vast dat er sprake is van wantrouwen in de onderlinge verhoudingen binnen de relatief kleine schoolgemeenschap en dat de arbeidsrelatie als gevolg daarvan duurzaam verstoord is geraakt. Het verzoek van de werkgever wordt toegewezen op basis van een voldragen g-grond met toekenning van een transitievergoeding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Onderwijs Totaal 2018/743
AR 2017/2047
AR-Updates.nl 2017-0483
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Zwolle

Zaaknummer : 5616705 \ HA VERZ 16-174

Beschikking van de kantonrechter van 31 maart 2017

in de zaak van

de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid VERENIGING VOOR PROTESTANTS CHRISTELIJK ONDERWIJS TE HASSELT,
gevestigd en kantoorhoudende te Hasselt,

verzoekende partij, hierna te noemen VPCO,

gemachtigde: mr. M.B. Tol,

tegen

[verweerster] ,
wonende te [woonplaats],

verwerende partij, hierna te noemen [verweerster] ,

gemachtigde: mr. M.H. van Belzen-Stam

1 De procedure

1.1.

Op 30 december 2016 is ter griffie ontvangen het verzoekschrift met producties (genummerd 1 t/m 45) van VPCO om de arbeidsovereenkomst tussen partijen te ontbinden. [verweerster] heeft een verweerschrift met producties (genummerd 1 t/m 11) ingediend.

1.2.

Op 10 maart 2017 heeft een zitting plaatsgevonden. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen ter toelichting van hun standpunten naar voren hebben gebracht en van de zijde van VPCO zijn pleitaantekeningen overgelegd en voorgedragen. Voorafgaand aan de zitting heeft VPCO bij brief van 1 maart 2017 nog nadere producties toegezonden (genummerd 46 t/m 51) en heeft [verweerster] bij brief van 23 januari 2017 nog een aanvullende productie toegezonden.

2 De feiten

2.1

VPCO is een vereniging die primair onderwijs aanbiedt op vier verschillende schoollocaties in (de omgeving van) Hasselt. Als algemeen bovenschools directeur over de vier scholen is door het bestuur van de vereniging aangesteld de heer [A] . Daarnaast heeft elke school een eigen schooldirecteur.

2.2

[verweerster] is sinds 13 november 1996 bij VPCO in dienst als groepsleerkracht tegen een salaris van laatstelijk € 2.241,73 per maand, exclusief vakantietoeslag en eindejaarsuitkering, bij een deeltijdfactor van 69,55%. [verweerster] is tot op heden voornamelijk werkzaam geweest in de onderbouw van de CBS Prins Willem Alexander (hierna aangeduid als ‘Prins Willem Alexanderschool’ of kortweg ‘de school’).

2.3

Op 20 maart 2014 heeft [verweerster] een e-mailbericht gestuurd naar twee bestuursleden van VPCO, waarin zij zich in negatieve bewoordingen uitlaat over de heer [A] . In verband hiermee heeft [verweerster] op 28 mei 2014 van het bestuur een besluit tot berisping ontvangen. Dit betreft een disciplinaire maatregel als bedoeld in artikel 3.17 cao PO (collectieve arbeidsovereenkomst primair onderwijs).

2.4

In het rapport van de onderwijsinspectie van 17 november 2015 wordt de school als zwak beoordeeld. Daarbij is tussen schoolleiding en inspectie overeengekomen dat reeds in juni 2016 een herbeoordeling zal plaatsvinden. Binnen deze relatief korte periode moeten de bevindingen die tot het oordeel “zwak” hebben geleid, worden verbeterd. Onder het kopje ‘belangrijkste bevindingen’ vermeldt het rapport:

- De eindopbrengsten van 2013, 2014 en 2015 (…) zijn van onvoldoende niveau.

(…)

- In de kleutergroepen dient geborgd te worden dat alle (tussen)doelen planmatig aan bod komen;

- de school heeft een positieve ontwikkeling doorgemaakt:

(…)

2.5

Met een bezoek aan de school heeft de schoolinspecteur op 19 november 2015 de uitslag van het rapport van de inspectie aan de leerkrachten van de school meegedeeld. In verband daarmee was ook de heer [A] die dag op de school aanwezig.

2.6

Op 3 december 2015 schrijft mevrouw [verweerster] een e-mail met daarbij een brief aan de heer [A] . De brief is mede ondertekend door haar collega [X] . Het bestuur heeft deze brief nadien aangemerkt en behandeld als een klacht van [verweerster] . In deze brief schrijft [verweerster] onder meer:

Op 19 november 2015 hadden wij na afloop van de toelichting van de inspecteur van onderwijs, een gesprek.

Dit gesprek is als erg intimiderend ervaren. (…)

Ook de manier waarop u het lokaal van mevrouw [verweerster] binnen kwam, waarbij u meteen op boze toon vroeg of mevrouw [verweerster] zich niet schaamde voor het feit dat we als school zwak zijn beoordeeld was erg intimiderend. Hierop gaf mevrouw [verweerster] aan dat ze de heer [B] bij het gesprek wilde hebben. Vervolgens greep u mevrouw [verweerster] bij de bovenarmen beet (…)

2.7

Op 17 december 2015 vindt naar aanleiding van deze brief een gesprek plaats tussen [verweerster] en haar gemachtigde en twee afgevaardigden van het schoolbestuur (de heer [C] en mevrouw mr. [D] ). Het bestuur gaat vervolgens over tot nader onderzoek naar aanleiding van de klacht van [verweerster] . Bij brief van 20 april 2016 schrijft het bestuur:

(…)Nu sprake is van uiteenlopende verklaringen en er geen getuigen zijn geweest van het door u weergegeven incident, ziet het bestuur geen grond om over te gaan tot het nemen van nadere maatregelen (…)

2.8

Op 10 maart 2016 vindt er op de school een teamoverleg plaats met de leerkrachten. Tijdens dat overleg uit [verweerster] kritiek op de aan de school toegewezen intern begeleider. Het optreden van [verweerster] tijdens dit overleg is aanleiding voor een gesprek op 4 april 2016 met [B] (schooldirecteur) en [E] (HR adviseur).

2.9

Op 22 april 2016 schrijft mr. [D] van Akorda Onderwijsdienstverlening namens het schoolbestuur aan de gemachtigde van [verweerster] een uitgebreide brief die eindigt met:

(…)

De signalen over gevoelens van onveiligheid en de achterdocht die daarmee gepaard gaat maken duidelijk dat mevrouw [verweerster] niet bij machte is haar functioneren in het verbetertraject of haar verdere rol in de school te scheiden van de escalatie op 17 november 2015 en het feit dat ook toen de kwestie rond de berisping opnieuw een rol heeft gespeeld.

Dit blijkt ook door haar gedrag in het kader van de voorbereiding van het bezoek van de inspecteur maar ook door haar gedrag in het team. Het team van de Prins Willem Alexanderschool is een klein team dat wordt gehinderd door de wijze waarop mevrouw [verweerster] in het team functioneert. Tijdens de meest recente teamvergadering neemt mevrouw [verweerster] volstrekt geen deel aan het overleg in het team en neemt zij een houding aan waaruit blijkt dat het hele teamoverleg haar tegen staat. Gebleken is dat de overige teamleden last hebben van dit onprofessionele gedrag.

Op grond daarvan concludeert het bestuur dat van een functionele samenwerking geen sprake kan zijn en feitelijk sprake is van een onwerkbare situatie waarbij op ieder moment opnieuw sprake kan zijn van een nieuwe escalatie. (…)

2.10

Bij brief van 27 april 2016 schrijft mr. [D] in een brief aan [verweerster] dat aan haar aansluitend op de mei-vakantie, derhalve met ingang van 9 mei 2016, een time-out wordt verleend:

(…) Deze time-out brengt met zich mee dat het u tot nader orde niet is toegestaan de school/schoolplein te bezoeken of contact op te nemen met de teamleden, inclusief de directeur van de Prins Willem Alexanderschool. Omdat de time-out wordt verleend in opdracht van het schoolbestuur, is van ongeoorloofde afwezigheid geen sprake en zal uw salaris worden doorbetaald alsof u daadwerkelijk uw werkzaamheden verricht.

2.11

Op 27 juni 2016 vindt de herbeoordeling van de Onderwijsinspectie plaats en scoort de school voldoende, zodat de beoordeling ‘zwak’ komt te vervallen

2.12

In het najaar van 2016 vinden er gesprekken plaats onder leiding van een mediator. Deze gesprekken hebben niet geleid tot een oplossing van het geschil tussen [verweerster] en de schoolleiding.

2.13

Bij brief van 17 november 2016 heeft (de gemachtigde van) [verweerster] haar klacht met betrekking tot het voorval op donderdag 19 november 2015 voorgelegd aan de landelijke klachtencommissie voor het bijzonder onderwijs in Den Haag. Er is door de commissie nog niet op de klacht beslist.

3 Het verzoek

3.1.

VPCO verzoekt ingevolge artikel 7:671b lid 1, onderdeel a, van het Burgerlijk Wetboek (BW) de arbeidsovereenkomst met [verweerster] te ontbinden primair op grond van artikel 7:669 BW lid 3, onderdeel e (verwijtbaar handelen), dan wel subsidiair onderdeel g (verstoorde arbeidsverhouding), zonder toekenning van een transitievergoeding of een billijke vergoeding.

3.2.

VPCO legt aan haar verzoek kort samengevat ten grondslag dat zij het vertrouwen in een vruchtbare samenwerking met [verweerster] is verloren, doordat [verweerster] een groot wantrouwen ten toon spreidt richting de bovenschoolse directeur, de heer [A] , en zich evenmin achter diens aanpak van onderwijskundige verbeteringen in de school stelt. De negatieve houding van [verweerster] richting de bovenschoolse directeur, is volgens VPCO in haar verzoekschrift primair aan te merken als verwijtbaar handelen van [verweerster] en dient daarom tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst te leiden. Subsidiair kan de situatie die op school is ontstaan door de houding van [verweerster] worden aangemerkt als een duurzame verstoring van de arbeidsverhouding. Nu de heer [A] als bovenschools directeur tevens te maken heeft met de andere scholen binnen VPCO kan van herplaatsing geen sprake zijn. De ontstane verstoring van de arbeidsverhouding dient daarom tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst te leiden. Volgens VPCO komt aan [verweerster] geen transitievergoeding toe omdat [verweerster] aanspraak heeft op een vergoeding op basis van de geldende cao.

3.3.

[verweerster] verweert zich tegen het verzoek en stelt primair dat de verzochte ontbinding moet worden afgewezen. Subsidiair, in geval van toewijzing van de ontbinding, verzoekt zij om toekenning van een transitievergoeding en een billijke vergoeding (€ 50.000,= bruto) aan haar.

4 De beoordeling

4.1

De kantonrechter gaat ervan uit dat er geen opzegverbod van toepassing is, nu door geen van partijen is aangevoerd dat daarvan sprake zou zijn.

4.2

Bij de beoordeling van het verzoek staat voorop dat uit artikel 7:669 lid 1 BW volgt dat de arbeidsovereenkomst alleen kan worden ontbonden indien daar een redelijke grond voor is en herplaatsing van de werknemer binnen een redelijke termijn niet mogelijk is of niet in de rede ligt. In artikel 7:669 lid 3 BW is nader omschreven wat onder een redelijke grond moet worden verstaan. Bij regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 23 april 2015 (Stcrt. 2015/12685) zijn daarvoor nadere regels gesteld (Ontslagregeling).

4.3

De feiten die aan het verzoek tot ontbinding ten grondslag zijn gelegd hebben betrekking op het gedrag en met name de houding van [verweerster] richting de schoolleiding (schoolbestuur en haar bovenschoolse directeur-bestuurder). Dat hierbij sprake is van (ernstig) verwijtbaar handelen van [verweerster] als bedoeld in artikel 7:669 BW lid 3 onder e is naar het oordeel van de kantonrechter onvoldoende concreet gemaakt. Daarbij neemt de kantonrechter in aanmerking dat het handelen van [verweerster] in maart 2014, toen zij zich in een brief negatief uitliet over de heer [A] , intern is afgedaan middels de procedure die tot een berisping heeft geleid. Dit incident speelt daarom geen rol meer met betrekking tot de beoordeling van de e-grond. Het primaire verzoek op basis van de e-grond wordt daarom niet toewijsbaar geacht.

4.4

De verdere beoordeling zal derhalve betrekking hebben op de subsidiaire grond, de verstoring van de arbeidsverhouding. In verband hiermee is van belang dat de Onderwijsinspectie in 2013 al heeft vastgesteld dat de eindopbrengsten van de Prins Willem Alexanderschool onder de norm lagen, dat de school in de daarop volgende jaren verbeteringen heeft doorgevoerd, die hebben geleid tot het oordeel “positieve ontwikkeling doorgemaakt” maar dat de school in november 2015 door de Onderwijsinspectie toch als zwak is beoordeeld. Eén van de aandachtspunten bij dit voor de school teleurstellende resultaat lag in het onderwijs aan de kleutergroepen en raakte daarmee direct het werkterrein van [verweerster] .

Uit de stukken blijkt voorts dat de bovenschoolse directeur, [A] , in de periode van het verbetertraject na november 2015 nauw betrokken was bij het proces binnen de school om tot verbetering en daarmee tot opheffing van het predicaat ‘zwak’ te komen.

4.5

Volgens [verweerster] is er geen sprake van een arbeidsverhouding die zodanig verstoord is geraakt dat verdere samenwerking niet meer mogelijk zou zijn. [verweerster] voert aan dat er sprake is geweest van een vervelende samenloop van omstandigheden, maar dat er nog wel mogelijkheden zijn om de arbeidsrelatie weer te herstellen. Bovendien, zo voert [verweerster] aan, zal zij in de dagelijkse praktijk op school niet veel problemen ondervinden aangezien zij goed overweg kan met de kinderen, de ouders en haar directe collega’s op school. Naar het oordeel van de kantonrechter gaat [verweerster] met deze benadering teveel voorbij aan het feit dat de houding van [verweerster] ten opzichte van de bovenschoolse directeur wordt gekenmerkt door wantrouwen van haar kant en dat juist dit wantrouwen heeft geleid tot de situatie die VPCO thans typeert als onwerkbaar.

4.6

Het wantrouwen van [verweerster] richting de bovenschoolse directeur kwam reeds in 2014 tot uitdrukking in de brief die zij toen aan enkele bestuursleden heeft gestuurd en waarin zij zich negatief uitliet over de persoon van de directeur, [A] . Hoewel [verweerster] aanvoert dat dit incident wat haar betreft is afgesloten na de officiële berisping van het bestuur, is toch niet gebleken dat dit incident nadien in het geheel geen rol meer heeft gespeeld in de onderlinge verhoudingen in de relatief kleine schoolgemeenschap. In elk geval is gebleken dat haar wantrouwen in de persoon van de directeur met die berisping niet is beëindigd. Uit hetgeen door partijen naar voren is gebracht leidt de kantonrechter af dat dit wantrouwen met name tot uitdrukking is gekomen in het door [verweerster] aangevoerde incident van 19 november 2015. Een andere illustratie van dit wantrouwen is te vinden in de door [A] en [B] met nadruk geschetste, onvoldoende medewerking van [verweerster] aan de verbeterplannen van [A] , waar nu juist een gedeelde visie op de uitvoering van de verbeterplannen een voorwaarde was om in de relatief korte tijd van het verbetertraject (november 2015 – juni 2016) met succes de (dis)kwalificatie “zwak” weg te kunnen werken.

4.7

Tussen partijen staat vast dat op 19 november 2015 de Onderwijsinspecteur de school heeft bezocht om het resultaat van de beoordeling mee te delen. Naast het team van leerkrachten van de school was ook de heer [A] daarbij aanwezig. [verweerster] stelt dat [A] die dag, na afloop van het bezoek van de inspecteur, bij haar in de klas kwam en dat zij zich daardoor erg geïntimideerd heeft gevoeld. Volgens [verweerster] heeft [A] haar bij de bovenarmen vastgepakt om haar tegen te houden toen zij haar leidinggevende, [B] , bij het gesprek wilde halen. Wat hier ook van zij, vaststaat dat [verweerster] naar aanleiding van dit door haar benoemde incident op 3 december 2015 een brief heeft geschreven naar het bestuur. Het bestuur heeft deze brief als klacht aangemerkt en behandeld. De conclusie van het bestuur was vervolgens dat zij geen grond zag om maatregelen te nemen, aangezien er sprake was van uiteenlopende verklaringen over het gebeurde en er overigens geen getuigen zijn geweest van het gebeurde. Dit incident en de behandeling van de klacht daarover hebben volgens VPCO doorgewerkt in de weinig coöperatieve houding van [verweerster] ten aanzien van processen binnen de school om tot een verbetering van de beoordeling te komen.

4.8

VPCO heeft dit laatste onderbouwd door te wijzen op de uitlatingen van [verweerster] tijdens een teamoverleg op 10 maart 2016. Daarin heeft [verweerster] openlijk kritiek geuit ten aanzien van de deskundigheid en daarmee het gezag van de begeleider, die door het bestuur aan de school was toegewezen om het verbetertraject te faciliteren en te doen slagen. Tevens heeft zij afbreuk gedaan aan de positie en het gezag van haar leidinggevende, directeur van de schoollocatie, [B] , door te stellen dat hij er ook ‘niets aan kan doen’ omdat ‘hij ook maar in dienst is van’ daarmee indirect verwijzend naar het bestuur dan wel de bovenschoolse directeur. Deze uitlatingen van [verweerster] zijn nadien met haar besproken op 4 april 2016. Dat gesprek vond plaats tussen [B] , [verweerster] en een adviseur van personeelszaken. Van dit gesprek is een verslag opgemaakt, waarvan de juistheid nadien door [verweerster] wordt betwist. Ook over de juistheid van het verslag vindt dan weer een gesprek plaats op 21 april 2016 tussen [verweerster] en [B] . In deze gang van zaken, een teamoverleg waarover nagepraat moet worden en vervolgens een gesprek over een gespreksverslag, komt naar het oordeel van de kantonrechter het wantrouwen van [verweerster] richting het bestuur en de directeur bestuurder tot uitdrukking.

Ook later, in een briefwisseling tussen de gemachtigde van [verweerster] (brief van 13 juni 2016, prod 30 bij vrz) en de gemachtigde van het schoolbestuur blijkt dat [verweerster] haar eigen leidinggevende [B] nog steeds ziet als slechts een tussenschakel tussen haar en de bovenschoolse directeur. De kantonrechter leidt daaruit eveneens af dat het wantrouwen jegens [A] haar benadering van haar direct leidinggevende is gaan kleuren.

Naar het oordeel van de kantonrechter is het bij deze stand van zaken niet onbegrijpelijk dat het schoolbestuur eind april 2016 tot de conclusie is gekomen dat er een onwerkbare situatie is ontstaan en daarom heeft besloten om [verweerster] op non-actief te stellen door middel van een time-out.

4.9

Dat de verstandhouding tussen partijen nadien is hersteld is naar het oordeel van de kantonrechter niet gebleken. Weliswaar hebben er in het najaar van 2016 gesprekken plaatsgevonden in het kader van mediation. Deze gesprekken hebben echter niet tot een oplossing geleid. De kantonrechter kan [verweerster] daarom niet volgen in haar verweer dat herstel van de samenwerking tot de mogelijkheden moet behoren. Op geen enkele wijze is gebleken dat de communicatiekloof tussen [verweerster] en het schoolbestuur en haar directeur kleiner is geworden. Juist het feit dat [verweerster] op 17 november 2016 haar klacht jegens de bovenschoolse directeur alsnog heeft voorgelegd aan de landelijke klachtencommissie, wekt niet de indruk dat het vertrouwen binnen afzienbare tijd hersteld zal zijn. Daarnaast is ter zitting gebleken dat de verschillen in inzicht met betrekking tot de betekenis van de rapportage van de inspectie en de door [A] gekozen verbeteringsplannen nog steeds volop aanwezig zijn.

4.10

De kantonrechter komt daarom tot het oordeel dat de arbeidsverhouding tussen [verweerster] en VPCO ernstig en duurzaam verstoord is geraakt, zodanig dat van VPCO in redelijkheid niet langer gevergd kan worden dat het dienstverband met [verweerster] nog langer wordt voortgezet. Nu [verweerster] ook op de andere schoollocaties van VPCO te maken zal hebben met hetzelfde bestuur en dezelfde bovenschoolse directeur ligt herplaatsing niet in de rede.

4.11

De conclusie is dat de kantonrechter het verzoek van de werkgever zal toewijzen op basis van een voldragen g-grond en dat de arbeidsovereenkomst met toepassing van artikel 7:671b lid 8, onderdeel a, BW zal worden ontbonden met ingang van 1 mei 2017. Dat is de datum waarop de arbeidsovereenkomst bij regelmatige opzegging zou zijn geëindigd, verminderd met de duur van deze procedure.

4.12

Naar het oordeel van de kantonrechter komt aan [verweerster] , in verband met deze beëindiging van de arbeidsovereenkomst, een transitievergoeding toe als bedoeld in artikel 7:673 BW. VPCO heeft weliswaar betoogt dat de cao primair onderwijs een regeling bevat die in mindering strekt op de transitievergoeding. Naar het oordeel van de kantonrechter is echter niet gebleken van een dergelijke gelijkwaardige regeling. De regeling die op 1 juli 2016 in de nieuwe cao PO is opgenomen betreft juist voor het bijzonder onderwijs een versoberde regeling, in verband met het recht op een transitievergoeding. Aan [verweerster] wordt daarom de transitievergoeding toegekend, die in dit geval uitkomt op € 23.725,06 bruto.

4.13

De kantonrechter ziet geen aanleiding om aan de werknemer een billijke vergoeding toe te kennen. Gelet op artikel 7:671b lid 8, onderdeel c, BW is voor toekenning van een billijke vergoeding alleen plaats indien de ontbinding van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever. Uit de wetsgeschiedenis volgt dat ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van een werkgever zich slechts zal voordoen in uitzonderlijke gevallen, bijvoorbeeld als een werkgever grovelijk de verplichtingen niet nakomt die voortvloeien uit de arbeidsovereenkomst en er als gevolg daarvan een verstoorde arbeidsverhouding ontstaat of als een werkgever een valse grond voor ontslag aanvoert met als enig oogmerk een onwerkbare situatie te creëren (zie: Kamerstukken II, 2013-2014, 33 818, nr. 3, pag. 34). Een dergelijke situatie doet zich hier niet voor.

4.14

Gelet op de uitkomst van de zaak, is de kantonrechter van oordeel dat het redelijk is dat partijen ieder hun eigen proceskosten dragen.

5 De beslissing

De kantonrechter:

5.1

ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen met ingang van 1 mei 2017;

5.2

bepaalt dat aan [verweerster] een transitievergoeding toekomt van € 23.725,06 bruto en veroordeelt VPCO tot betaling van dit bedrag;

5.3

bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;

5.4

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr. J.A.O.M. van Aerde, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 31 maart 2017. (ap)