Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2017:1667

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
18-04-2017
Datum publicatie
18-04-2017
Zaaknummer
08/760059-16 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een 38-jarige man uit Rotterdam is veroordeeld voor een straatroof in Zwolle tot een gevangenisstraf van 101 dagen, gelijk aan zijn voorarrest. Hij beroofde samen met een 28-jarige Rotterdammer het slachtoffer van een tas, waarin de dagopbrengst van zijn viswinkel zat. De mededader kreeg als medepleger dezelfde straf opgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Overijssel

Afdeling Strafrecht

Meervoudige kamer

Zittingsplaats Zwolle

Parketnummer: 08/760059-16 (P)

Datum vonnis: 18 april 2017

Vonnis op tegenspraak:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1979 in [geboorteplaats] (Marokko),

wonende in [woonplaats] .

1 Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 7 juni 2016, 16 augustus 2016, 22 december 2016 en 4 april 2017.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. G.C. Pol en van hetgeen door verdachtes raadsman mr. E.R. Weening, advocaat te Rotterdam naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

primair

zich, al dan niet samen met een ander, op 27 februari 2016 te Zwolle heeft schuldig gemaakt aan het plegen van een diefstal van meerdere goederen, waaronder een geldbedrag, waarbij door verdachte en/of zijn medeverdachte geweld is gebruikt;

subsidiair

zich, al dan niet samen met een ander, op 27 februari 2017 heeft schuldig gemaakt aan de heling van de hiervoor onder primair bedoelde goederen.

Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:

hij op of omstreeks 27 februari 2016 te Zwolle op de openbare weg, de Veemarkt,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een (linnen)tas, kleur blauw, (met inhoud: te weten de dagopbrengst (ongeveer euro 3.380 ,-)van het bedrijf van die [slachtoffer] en/of een rijbewijs en/of (een) kenteken(s) van een auto en/of een aanhangwagen en/of een Rabobankpas en/of een mobiele telefoon en/of een portemonnee en/of een sleutel (van kantoor)), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededaders, welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn

mededaders hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond dat

(op het moment dat die [slachtoffer] zijn bedrijf aan het afsluiten was),

-verdachte en/of zijn medeverdachte met veel geweld, dan wel veel kracht,

voornoemde tas uit de hand(en) van die [slachtoffer] heeft/hebben gerukt/getrokken

(waarna verdachte en/of zijn mededader hard wegrende(n), in een gereedstaande

auto stapte(n)/sprong(en) en (vervolgens) met hoge snelheid is/zijn weggere(e)d(en));

ALTHANS, voor zover voor het vorenstaande onder 1 geen veroordeling mocht of zou

kunnen volgen, SUBSIDIAIR, terzake dat

hij op of omstreeks 27 februari 2016 te Zwolle, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een goed, te weten een (linnen) tas. kleur blauw, (met inhoud, te weten: de dagopbrengst (ongeveer euro 3.380 ,-)van het bedrijf van die [slachtoffer] en/of

een rijbewijs en/of (een) kenteken(s) van een auto en/of een aanhangwagen en/of een Rabobankpas en/of een mobiele telefoon en/of een portemonnee en/of een sleutel (van kantoor)) heeft verworven, voorhanden gehad en/of overgedragen, terwijl hij en zijn mededaders ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van dit goed wist(en) dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De bewijsoverwegingen

4.1

Inleiding

Op zaterdag 27 februari 2016, omstreeks 20.50 uur heeft aangever [slachtoffer] zijn bedrijfspand aan de [adres] te Zwolle verlaten, met in zijn linkerhand een blauwkleurige linnen tas met hierin de dagopbrengst aan bankbiljetten, ongeveer € 3.000 en andere goederen waaronder kentekenbewijzen, een mobiele telefoon en een portemonnee. Tijdens het op slot doen van de deur van het pand is de linnen tas door een persoon uit zijn hand getrokken. Deze persoon is vervolgens in de richting van de Burgemeester Vos de Waelstraat gerend. Op een daarop volgend moment is door verbalisanten gezien dat de Fiat, die geparkeerd stond in laatstgenoemde straat en die al geruime tijd door de verbalisanten in de gaten werd gehouden, met flinke snelheid in de richting van de Rijksweg A28 is gereden. Het is de politie uiteindelijk gelukt deze Fiat tot stilstand te brengen. In de auto bevonden zich twee personen, te weten verdachte, als bestuurder en [medeverdachte] als bijrijder. Op de grond voor de bijrijdersstoel werd de hiervoor bedoelde blauwe linnen tas met inhoud aangetroffen. In het dashboardkastje bevond zich een blauw mapje met hierin een stapel bankbiljetten, ten bedrag van € 3380,- in totaal.

4.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft ter terechtzitting de veroordeling van verdachte gevorderd ten aanzien van het primair ten laste gelegde (medeplegen van diefstal met geweld).

4.3

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich - conform de inhoud van een op schrift gesteld pleidooi - op het standpunt gesteld dat verdachte van het onder primair en subsidiair ten laste gelegde moet worden vrijgesproken. De raadsman heeft daartoe - zakelijk weergegeven - onder meer het volgende aangevoerd:

De aanhouding van verdachte is dubbel onrechtmatig geweest. Ten eerste omdat de aanhouding heeft plaatsgevonden na een onrechtmatige “controle” en ten tweede omdat er geen sprake is geweest van een redelijk vermoeden van schuld aan enig strafbaar feit. Dit vormverzuim dient te leiden tot uitsluiting van de resultaten van de onrechtmatige aanhouding voor het bewijs, te weten (onder meer) de aangetroffen goederen in de Fiat.

In het geval de rechtbank niet tot bewijsuitsluiting concludeert, is, mede gelet op de verklaring van verdachte, niet bewezen dat verdachte wetenschap van de diefstal met geweld heeft gehad. Ten aanzien van de subsidiair ten laste gelegde opzetheling, geldt dat het enkel besturen van de auto waarin zich de dief bevindt nog geen (opzet)heling oplevert.

4.4

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank overweegt ten aanzien van het verweer dat de aanhouding van verdachte onrechtmatig is geweest, het volgende.

De controle waarbij verdachte en medeverdachte [medeverdachte] zich hebben geïdentificeerd, is verricht nadat er een melding was binnengekomen van het “Automatic Numberplate Recognition Portaal” dat een Fiat personenauto, waarin verdachte en de medeverdachte later zijn aangehouden, veelvuldig onder verdachte omstandigheden bij woninginbraken was gezien. Wat betreft deze controle en de resultaten daarvan is de rechtbank van oordeel dat het er voor de onderhavige strafzaak niet toe doet of deze controle al dan niet rechtmatig is geweest. Deze controle heeft immers niet plaats gevonden in het kader van het vooronderzoek naar de onderhavige diefstal. Sterker nog: de onderhavige diefstal zelf had op het moment van deze controle nog niet eens plaats gevonden. Verdachte en zijn medeverdachte [medeverdachte] zijn uiteindelijk niet na deze controle en ook niet als gevolg van deze controle, maar als gevolg van hetgeen hierna heeft plaatsgevonden aangehouden.

Naar het oordeel van de rechtbank, bestond er, los van hetgeen als gevolg van de controle bekend was geworden, ten tijde van de uiteindelijke aanhouding op de A28 een redelijk vermoeden dat de inzittenden van de Fiat zich schuldig hadden gemaakt aan een strafbaar feit, aangezien door de verbalisanten is gezien:

- dat deze Fiat zich tussen 19.45 en 20.45 uur meerdere malen heen en weer heeft verplaatst tussen de parkeerplaats van de Jumbo aan de Veemarkt en een parkeerplaats gelegen aan de Burgermeester Vos de Waelstraat, en

  • -

    dat er, nadat de Fiat om 20.45 uur geparkeerd stond op een parkeerplaats naast de woning aan de Veemarkt [nummer 1] , in de omgeving van waar de Fiat geparkeerd stond een rode gloed tevoorschijn kwam, als oplichtende remlichten, en dat tegelijkertijd een persoon vanaf de Veemarkt de Burgemeester Vos de Waelstraat in kwam rennen en

  • -

    dat direct hierna de Fiat uit laatstgenoemde straat kwam rijden en met hoge snelheid in de richting van de A28 is gereden en

  • -

    dat tijdens de achtervolging daarna, door de bestuurder van de Fiat een meermalen gegeven “volgteken” door de politie telkens is genegeerd, de bestuurder van de Fiat daarentegen heeft getracht de politieauto te passeren, en gedurende deze achtervolging er meerdere voorwerpen uit het raam aan de bijrijderszijde naar buiten zijn gegooid.

Het verweer dat van een onrechtmatige aanhouding sprake is geweest, wordt dan ook verworpen.

Ten aanzien van de vraag of het primair ten laste gelegde feit bewezen is overweegt de rechtbank als volgt.

Op grond van het proces-verbaal van bevindingen, de aangifte van [slachtoffer] en de verklaring van verdachte, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte en [medeverdachte] bij de ten laste gelegde diefstal met geweld betrokken zijn geweest. Dat [medeverdachte] degene is geweest die feitelijk [slachtoffer] van de ten laste gelegde goederen heeft beroofd, kan mede worden vastgesteld op grond van de verklaring van verdachte. Hij heeft verklaard dat [medeverdachte] , op het moment dat de Fiat geparkeerd stond bij de Veemarkt, 10 tot 15 minuten uit de auto is gegaan, en dat hij, nadat [medeverdachte] weer was ingestapt, richting de snelweg is gereden. Op grond van het feit dat verbalisant [verbalisant] , zoals genoemd, oplichtende remlichten heeft waargenomen terwijl hij tegelijkertijd een persoon van de Veemarkt in de richting van de Burgermeester Vos de Waelstraat straat zag rennen, kan worden geconcludeerd dat er reeds een persoon achter het stuur heeft gezeten die de pedalen van de auto bediende op het moment dat het feit werd gepleegd. Deze vaststelling wordt gesteund door de bevinding van verbalisant [verbalisant] dat, na de hiervoor bedoelde waarneming van verbalisant [verbalisant] , de Fiat aansluitend met hoge snelheid in de richting van de snelweg is gereden. De rechtbank hecht wat betreft de waarnemingen van verbalisanten [verbalisant] en [verbalisant] meer waarde aan het proces-verbaal van bevindingen dat vlak na het gebeurde op ambtseed is opgemaakt dan aan de verklaringen die zij maanden later afzonderlijk bij de rechter-commissaris dan wel ter zitting hebben afgelegd. Gezien het voorgaande en het feit dat er geen moment is geweest waarop verdachte en [medeverdachte] van plaats hebben kunnen wisselen, gaat de rechtbank er van uit, zoals de situatie was op het moment van de aanhouding, dat verdachte de bestuurder van de Fiat is geweest en dat [medeverdachte] , nadat hij aangever [slachtoffer] heeft beroofd, op de bijrijdersstoel heeft plaatsgenomen.

De rechtbank acht bewezen dat verdachte, anders dan hij heeft verklaard, wetenschap van en opzet op het delict heeft gehad. Op grond van de stukken is immers vast komen te staan dat verdachte en [medeverdachte] planmatig te werk zijn gegaan. Ze zijn samen vanuit Rotterdam naar Zwolle gereden en hebben gezamenlijk in de buurt van de plek waar uiteindelijk het delict heeft plaatsgevonden een langdurige – urenlange - voorverkenning verricht. Verdachte is daarbij nog vlak voordat het delict plaatsvond uit de auto geweest. Daarnaast is duidelijk geworden dat verdachte, op het moment dat [medeverdachte] de overval pleegde, in de auto heeft gewacht en de auto klaar had staan om er, nadat het feit was gepleegd, met hoge snelheid vandoor te kunnen gaan. Daarbij kan het niet anders dan dat verdachte, anders dan hij heeft verklaard, heeft gezien dat de overval was geslaagd nu de gestolen goederen voor de bijrijdersstoel zijn neergelegd en het gestolen geld in een mapje is gestopt en in het dashboardkastje is gelegd.

Naar het oordeel van de rechtbank onderbouwen de hiervoor genoemde feiten en omstandigheden eveneens dat er sprake is geweest van een zodanige nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en [medeverdachte] dat zij als medeplegers moeten worden aangemerkt. De rechtbank heeft daarbij onder meer rekening gehouden met de intensiteit van de samenwerking tussen verdachte en [medeverdachte] , het planmatige karakter van de overval, de onderlinge taakverdeling en het hiervoor beschreven aandeel dat verdachte in de voorbereiding en afronding van het feit heeft gehad. Daarbij acht de rechtbank met name van belang dat verdachte lijfelijk aanwezig is geweest op dan wel in de nabije buurt van de plaats delict. Hij heeft daardoor een significante rol kunnen vervullen op een belangrijk moment, namelijk door de vlucht mogelijk te maken vlak nadat het feit was gepleegd en daardoor de [verbalisant] veilig te stellen. De geringe rol die verdachte in de uitvoering van het delict heeft gehad wordt naar het oordeel van de rechtbank door voornoemde aspecten voldoende gecompenseerd en de bijdrage die verdachte aan het delict heeft geleverd is daarmee van voldoende gewicht om hem als medepleger aan te kunnen merken.

4.5

De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in de bijlage genoemde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat:

Primair

hij op 27 februari 2016 te Zwolle op de openbare weg, de Veemarkt, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een linnen tas, kleur blauw, met inhoud: te weten de dagopbrengst, ongeveer euro 3.380 ,-,van het bedrijf van die [slachtoffer] en een rijbewijs en kentekens van een auto en een aanhangwagen en een Rabobankpas en een mobiele telefoon en een portemonnee en een sleutel van kantoor, toebehorende aan [slachtoffer] , welke diefstal werd vergezeld van geweld tegen die [slachtoffer] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, welk geweld hierin bestond dat op het moment dat die [slachtoffer] zijn bedrijf aan het afsluiten was,

-zijn medeverdachte met veel kracht, voornoemde tas uit de hand van die [slachtoffer] heeft gerukt/getrokken waarna zijn mededader hard wegrende, in een gereedstaande auto stapte en zij vervolgens met hoge snelheid zijn weggereden.

De rechtbank heeft de in de tenlastelegging voorkomende schrijffouten verbeterd in de bewezenverklaring. Verdachte wordt hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

5 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in artikel 312 van het Wetboek van strafrecht (Sr). Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:

primair

Diefstal, vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

6 De strafbaarheid van verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor het bewezenverklaarde feit.

7 De op te leggen straf of maatregel

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van wat hij bewezen heeft geacht gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf maanden met aftrek van de tijd die hij reeds in voorarrest heeft doorgebracht.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit dat bij de bepaling van de straf dient te worden uitgegaan van de richtlijnen van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) die een gevangenisstraf van maximaal drie maanden voorschrijven, en dat er geen reden is om daarvan (naar boven toe) af te wijken.

7.3

De gronden voor een straf of maatregel

Verdachte heeft zich samen met een ander schuldig gemaakt aan een straatroof waarbij hij de eigenaar van een viswinkel na sluitingstijd met onverhoeds en met een harde ruk aan de tas - onder meer - de dagopbrengst afhandig heeft gemaakt. Verdachte heeft geen oog gehad voor de gevolgen die het feit voor het slachtoffer heeft gehad. De ervaring leert dat slachtoffers van een dergelijk feit, naast schade en overlast, in het algemeen langere tijd gevoelens van onveiligheid blijven ondervinden. Verdachte heeft op geen enkele wijze voor het feit zijn verantwoordelijkheid genomen.

Verdachte is blijkens het uittreksel uit de justitiële documentatie eerder met politie en justitie in aanraking geweest. Verdachte is - onder meer - in 2013 en 2014 voor het plegen van diefstallen (in vereniging) veroordeeld.

Reclassering Nederland heeft een rapport over verdachte uitgebracht met als datum 2 februari 2016. Alhoewel verdachte destijds zijn medewerking aan het reclasseringsonderzoek heeft verleend, is bij de reclassering de indruk ontstaan dat hij niet het ‘achterste van zijn tong’ heeft laten zien, vermoedelijk vanuit strategische zelfpresentatie en of een opportunisme dan wel sociaal wenselijkheid. De reclassering heeft een reclasseringstraject niet van meerwaarde en zelfs contra-geïndiceerd geacht, omdat het risico aanwezig werd geacht dat betrokkene zich sociaal wenselijk opstelt en ondertussen zijn leven leidt en daar weinig daadwerkelijk zicht op geeft. Ondanks dat ten tijde van de opmaak van het rapport in de leefsituatie van verdachte enkele zaken niet geheel op orde waren, schulden en geen werk, was de indruk destijds dat verdachte in staat moet worden geacht om problemen op adequate wijze aan te kunnen pakken. Er werden geen aanknopingspunten gezien op basis waarvan vanuit de reclassering een plan van aanpak opgesteld kon worden, dat onder meer gericht zou kunnen zijn op gedragsverandering, mede omdat verdachte daarin destijds niet ontvankelijk is gebleken. Ter terechtzitting is verder niet bekend geworden, afgezien van het feit dat hij een uitkering heeft, hoe het op dit moment met verdachte gaat en hoe zijn leefsituatie is.

Bij de bepaling van de straf worden in beginsel de geldende oriëntatiepunten van het LOVS als uitgangspunt genomen. Voor een “tasjesroof met een enkele ruk” geldt als richtlijn een gevangenisstraf voor de duur van drie maanden. De rechtbank ziet in de omstandigheid dat het feit in vereniging is gepleegd en in verdachtes strafblad reden een hogere straf, en wel een gevangenisstraf die qua duur gelijk is aan het voorarrest van 101 dagen, op te leggen.

8 De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op het hiervoor genoemde wetsartikel. Daarnaast berust deze beslissing op artikel 10 Sr.

9 De beslissing

De rechtbank:

bewezenverklaring

  • -

    verklaart bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

  • -

    verklaart niet bewezen wat aan verdachte primair meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid feit

  • -

    verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;

  • -

    verklaart dat het bewezenverklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

primair

Diefstal, vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

strafbaarheid verdachte

- verklaart verdachte strafbaar voor het onder primair bewezenverklaarde;

straf

  • -

    veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 101 dagen;

  • -

    bepaalt dat de tijd die de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Dit vonnis is gewezen door mr. F. van der Maden, voorzitter, mr. R.M. van Vuure en mr. E. Leentjes, rechters, in tegenwoordigheid van mr. B.E. Martini, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 18 april 2017.

Bijlage bewijsmiddelen

Leeswijzer

Deze bijlage maakt deel uit van het vonnis en bevat de bewijsmiddelen.

Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van de Eenheid Oost-Nederland met nummer PL0600-2016099734. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.

1.1.

Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] , pagina 14 e.v., inhoudende:

Omstreeks 20.50 uur, kwam ik uit mijn bedrijfspand. Dit betreft vishandel [slachtoffer] ,

gelegen aan de [adres] te Zwolle. Ik was van plan om naar huis te gaan. Rond deze tijd verlaat ik iedere zaterdag avond mijn pand. Dit is routine. Op dit tijdstip sluit ik iedere zaterdag avond af. Rechts naast mijn pand staat mijn viskar.

De deur van het pand gaat naar buiten toe open. Ik stond buiten en maakte aanstalten

om de deur af te sluiten. Op het moment dat ik de sleutel met mijn rechter hand uit mijn rechter broekzak wilde pakken om de deur op slot te doen, had ik in mijn linker hand een linnen tas. Deze tas is donker blauw van kleur. In deze tas zit onder andere de dag opbrengst.

Ik wilde de deur op slot draaien. Ik stond met mijn gezicht in de richting van de

deur. Op dat moment werd er met veel geweld, dan wel grote kracht, mijn tas uit mijn linker

hand getrokken. Ik schrok enorm en was overrompeld. Ik draaide mij om en zag een

persoon hard weg rennen. Ik kon zien dat het een man betrof. Ik zag dit aan zijn

postuur en manier van rennen. Ik twijfelde niet en rende achter de man aan.

Ik zag dat de man mijn tas in één van zijn handen hield. De man rende in de richting van de Burgemeester Vos de Waelstraat. Ik droeg klompen, hierdoor kon ik niet hard rennen en de man niet bij houden. Ik rende, vanaf mijn pand gezien, rechtsaf de Burgemeester Vos de Waelstraat in, maar ik zag hem daarna niet meer.

(..) Ik ben de achtervolging gestaakt en ben teruggelopen naar mijn bedrijfspand. Daar

trof ik de buurman en buurvrouw van mijn bedrijfspand. Mijn buren hadden gezien dat

er wat gaande was en gaven mij een telefoon zodat ik de politie kon bellen. De

buurman heeft van zijn waarneming een verklaring afgelegd.

(..)

De tas met dagopbrengst welke is ontvreemd kan ik als volgt omschrijven: Donker

blauwe linnen tas. De tas was niet voorzien van een opdruk. Door slijtage zat er op

de hoeken aan de onderzijde van de tas scheurtjes.

De inhoud van de tas kan ik als volgt omschrijven:

*Dagelijkse uitdraai van pinbedragen. Dit betrof een bedrag van ongeveer 1300,- euro.

*Contante dag opbrengst, papier geld: ongeveer 3000,- euro.

Dit betrof ongeveer 50 x 20,- euro, 40 x 50,- euro en 20 x 5,- euro.

*Rijbewijs ten name van [slachtoffer] .

*Kentekenbewijs, van de Nissan Patrol. Kenteken betreft de [kenteken 1] . Dit betreft een

pasje.

*Kentekenbewijs van de verkoopwagen van de markt. Dit betreft een oud papieren

kentekenbewijs ten name van [slachtoffer] . Het kenteken weet ik niet uit mijn hoofd.

* Rabobankpasje ten name van [slachtoffer] . pasnummer [nummer 2] .

rekeningnummer: [rekeningnummer] . De pas heb ik omstreeks 21:54 uur telefonisch geblokkeerd.

*Mobiele telefoon, zwart van kleur, merk “Sonim”. Het betreft een dikke telefoon met

een rubber zwart hoesje.

*portemonnee, bruin van kleur, type Heren portemonnee. uitklapbaar.

Inhoud van mijn portemonnee: 30 a 40 briefjes van 5,- euro. Rijbewijs, Rabobankpas, zorgpas van de Amersfoortse, Hanos pasje, kentekenbewijs van de Nissan Patrol.

*In het kleine geldvakje zat de sleutel van het kantoor aan huis.

(..)

Aan niemand werd het recht of de toestemming gegeven tot het plegen van liet feit.”

1.2

Proces-verbaal van bevindingen, pagina 17 e.v., inhoudende:

Wij, verbalisanten, [verbalisant] , Landelijke Eenheid ( [nummer 3] ), [verbalisant]

, Landelijke Eenheid ( [nummer 4] ) en [verbalisant] , Landelijke

Eenheid ( [nummer 5] ) verklaren het volgende:

Op zaterdag 27 februari 2Dl6, omstreeks 16:32 uur waren wij, verbalisanten van [verbalisant] , [verbalisant] en [verbalisant] , allen in burger gekleed en allen voorzien van onopvallend voertuig, belast met het opsporen van heterdaad situaties op de high impact crimes, op de rijksweg A28 ter hoogte van Harderwijk. Aldaar kregen wij de informatie dat er op het “automatic numberplate recognition” portaal gelegen aan de rijksweg A28 ter hoogte Nijkerk een “hit” door kwam op een voertuig voorzien van kenteken: [kenteken 2] . Dit voertuig zou op de rechter rijbaan van de rijksweg A26 rijden in de richting van Zwolle.

Ik, verbalisant [verbalisant] , hoorde van het real time intellengy center te Driebergen dat dit voertuig veelvuldig gezien was onder verdachte omstandigheden. Dnder andere nabij woningen waar een inbraak had plaats gevonden.

Ik, verbalisant van [verbalisant] reed met mijn voertuig op de rijksweg A28 ter hoogte

van Nunspeet en zag voor mij een Fiat Punto, zwart van kleur rijden voorzien van

kenteken [kenteken 2] . Ik heb vervolgens mijn collega’s bijgepraat met betrekking tot de

locatie en de gegevens van het voertuig.

Wij, verbalisanten van [verbalisant] , [verbalisant] en [verbalisant] , hebben vervolgens het voertuig

een “staartje” gegeven, dit wil zeggen het voertuig tijdelijk volgen. Wij zagen dat

het voertuig de afrit Zwolle centrum nam en onderaan de afrit rechts af sloeg in de

richting van het centrum. Wij zagen dat het voertuig over de Harm Smeengekade in de

richting van Willemskade reed. Wij zagen dat het voertuig rechts af sloeg de

Emmastraat op en parkeerde aan de Veemarkt, ter hoogte van pandnummer [nummer 6] , te Zwolle.

Wij zagen dat er twee mannen in het voertuig zaten van Noord Afrikaanse afkomst.

Op zaterdag 27 februari 2016, omstreeks 19:25 uur, heb ik, verbalisant [verbalisant] , de

regionale politie te Zwolle geheid met het verzoek het voorgenoemde voertuig door een

opvallend voertuig te laten controleren.

Op zaterdag 27 februari 2016, omstreeks 19:32 uur, zag ik, verbalisant van [verbalisant] , dat het voornoemde voertuig, op de Veemarkt ter hoogte van perceel [nummer 6] teZwolle, aan een controle door de regionale politie te Zwolle werd onderworpen.

Ik, verbalisant [verbalisant] , werd gebeld door de regionale eenheid collega’s welke het

voertuig gecontroleerd hadden. Ik hoorde de collega’s zeggen dat de beide personen,

welke zich legitimeerden te zijn [medeverdachte] en [verdachte] , beiden

afkomstig uit Rotterdam. Tevens hoorde ik de collega zeggen dat zij veelvuldig voor

kwamen ter zake woninginbraken en autokraken.

Ik, verbalisant van [verbalisant] , zag dat het voertuig zich na deze controle

verplaatste naar het parkeerterrein van de Jumbo, gelegen aan de Veemarkt te Zwolle.

Ik zag dat het voertuig op dit parkeerterrein in parkeerde en dat de beide personen

in het voertuig bleven zitten.

Op zaterdag 27 februari 2016 tussen 19:45 uur en 20:45 uur, hebben wij,

verbalisanten, van [verbalisant] , [verbalisant] en [verbalisant] , het voertuig meerdere malen zien

verplaatsen van de parkeerplaats hij de Jumbo naar een parkeergelegenheid gelegen aan

de Burgemeester Vos de Waelstraat zien rijden. Dit was bijzonder opmerkelijk te

noemen. Wij zagen dat het voertuig wegreed in de richting van de Ceintuurbaan en

vervolgens weer keerde en terug reed naar een van de voornoemde parkeerplekken.

Ik, verbalisant [verbalisant] , zag aan de Veemarkt ter hoogte van perceelnummer [nummer 6] , dit

betreft een flatgebouw, een man van ongeveer 1.80 meter lang, half lang donker haar, blauwe spijkerbroek, donkere jas en donkere schoenen met lichte onderrand staan

Deze persoon is later door mij positief herkend als zijnde de bestuurder van het

voertuig: [verdachte] .

Op zaterdag 27 februari 2016 omstreeks 20:45 uur zag ik, verbalisant [verbalisant] dat het

voornoemde voertuig geparkeerd stond aan de Burgemeester Vos de Waelstraat. Het

voertuig stond om de boek van de Veemarkt geparkeerd. Ik zag dat dit een

parkeerplaats betrof naast de woning welke gelegen is aan de Veemarkt [nummer 1] te Zwolle. (zie plattegrond welke is toegevoegd als bijlage)

Hierop hebben wij, verbalisanten van [verbalisant] , [verbalisant] en [verbalisant] , posities ingenomen

in de wijk gelegen nabij de Jumbo. Ik, verbalisant van [verbalisant] , heb positie ingenomen op liet parkeerterrein van de IJsselhallen gelegen aan de Veemarkt te Zwolle.

Ik, verbalisant [verbalisant] , heb positie ingenomen aan de Veemarkt ter hoogte van

perceelnummer [nummer 7] te Zwolle. Ik, verbalisant [verbalisant] , heb positie ingenomen op het kruispunt Burgemeester Vos de Waelstraat met de Lijnbaan te Zwolle.

Ik, verbalisant [verbalisant] , zag vanaf mijn positie dat er op de boek van de Veemarkt

met de Burgemeester Vos de Waelstraat een rode gloed tevoorschijn kwam als zijnde

oplichtende remlichten. tegelijkertijd zag ik een persoon vanaf de Veemarkt de

Burgemeester Vos de Waelstraat in rennen. Ik, verbalisant [verbalisant] , hoorde van collega [verbalisant] de bovenstaande bevindingen. Vervolgens zag ik, verbalisant [verbalisant] , uit de burgemeester Vos de Waelstraat de het voertuig, de Fiat Punto, rijden en zag dat deze rechtsaf sloeg de Lijnbaan op. Ik zag dat liet voertuig dit met flinke snelheid deed. Daarmee bedoel ik een geschatte snelheid van 70- 80 kilometer per uur. Hierbij rees mij liet vermoeden dat deze personen op de vlucht waren na mogelijk liet plegen van een diefstal al dan niet een ander strafbaar feit. Dit heb ik vervolgens gecommuniceerd richting mijn beide collega’s.

Vervolgens zag ik dat liet voertuig vanaf de Lijnliaan links af sloeg de Harm

Smeengekade op. Ik zag dat liet voertuig via de Pannekoekendijk de Katerdijk op reed

in de richting van de toerit van de rijksweg A28. Ik zag dat het voertuig de rijksweg

A28 op reed in de richting van Amersfoort. Wij, verbalisanten [verbalisant] en van [verbalisant] , hoorden de bevindingen van collega [verbalisant] mee en zijn ook de rijksweg A28 op gereden.

Ik, verbalisant [verbalisant] , reed op de linker rijbaan van de rijksweg A28 ter hoogte

van hectometerpaal 85.9 achter het voertuig en zag dat er iets uit het voertuig

gegooid werd op de vluchtstrook. Dit was een voorwerp van ongeveer de grote van een

pakje sigaretten en licht kleurig. Wij, verbalisanten van [verbalisant] , [verbalisant] en [verbalisant] , reden alle drie ter hoogte van Wezep achter het voertuig. En wilden het voertuig bij tankstation ‘t Loo ter hoogte hectometerpaal 80.2 staande houden.

Ik, verbalisant van [verbalisant] , ben ter hoogte van hectometerpaal 81.0 voorbij het

voertuig gereden en heb vervolgens doormiddel van politietransparant met daarop

‘volgen politie’ het voertuig een volgteken gegeven.

Ik, verbalisant [verbalisant] , ben ten tijde van het volgteken links- schuin achter het

voertuig gaan rijden. Ik, verbalisant [verbalisant] ben achter het voertuig b1ijven rijden.

Wij, verbalisanten van [verbalisant] , [verbalisant] en [verbalisant] , zagen dat het voertuig hieraan

in eerste instantie voldeed, maar op liet laatste moment ter hoogte van het puntstuk

de bestuurder zijn voertuig terug stuurde de rijksweg A28 op.

Ik, verbalisant [verbalisant] , ben vervolgens liet voertuig gepasseerd en heb tevens mijn

politietransparant aangezet met daarop volgen politie”.

Ik, verbalisant [verbalisant] , ben schuin rechts achter het voertuig gaan rijden.

Ik, verbalisant van [verbalisant] , ben schuin links achter liet voertuig gaan rijden en

heb vervolgens de optische signalen van liet voertuig aangezet om zodoende mij kenbaar

te maken als zijnde politie.

Ik, verbalisant [verbalisant] , reed voor het voertuig en zag dat het voertuig mij wilde passeren, dit zag ik doordat hij vanaf de linker naar de rechterzijde van de rijbaan heen en weer ging en probeerde mij te passeren, dit gebeurde tot drie keer toe en meerdere malen met behulp van richting aangeven. Dit heb ik doormiddel van insturen kunnen verhelpen. Zodoende bleef liet voertuig achter mij rijden en kon mij niet inhalen. Ten tijde dat ik voor het voertuig reed heb ik “volgen politie” gevoerd door middel van politietransparant.

Wij, verbalisanten van Kampenliout en [verbalisant] , zagen de hier bovenstaande bevindingen

ook. Ik, verbalisant [verbalisant] , ben ten tijde van dit traclitende inhalen mijn snelheid gaan

verlagen, zodoende zag ik dat het voertuig achter mij ook zijn snelheid verlaagde.

Ik, verbalisant van [verbalisant] , ben vervolgens vlak naast het voertuig gaan rijden.

Ik, verbalisant [verbalisant] , ben vervolgens vlak achter het voertuig gaan rijden en zag

dat er ter hoogte van hectometerpaal 77.5 nogmaals goederen uit het voertuig werden

gegooid. Ik zag dat dit vanuit de bijrijderszijde van het voertuig kwam en dat dit in

de richting van de vluchtstrook werd gegooid.

Op deze wij ze hebben wij het voertuig onder dwang tot stilstand weten te brengen op

de linker rijbaan van de rijksweg A28 ter hoogte van hectometerpaal 76.0 op de

vluchtstrook en de verdachten in liet voertuig aangehouden ter zake verdenking van

diefstal. Als bestuurder hebben wij daar aangehouden: [verdachte]

en als bijrijder: [medeverdachte]

Wij, verbalisanten van [verbalisant] , [verbalisant] en [verbalisant] , zagen na de aanhouding dat er in

het voertuig, voor de bijrijdersstoel een tweetal kentekenbewijzen lagen. Tevens

zagen wij dat er een blauwe stoffen tas lag met witte letters. Wij zagen dat de

kentekenbewijzen behoorden bij voertuigen welke op naam staat van “ [slachtoffer] ”.

Ik, verbalisant [verbalisant] , hoorde dat de meldkamer van de landelijke eenheid vertelde dat

er zojuist een overval was gepleegd op een viskraam aan de Veemarkt te Zwolle. Bij

deze overval was er geld en persoonlijke bezittingen weggenomen welke in een blauwe

tas zouden zitten. Ik hoorde de meldkamer zeggen dat deze viskraam eigendom was van

“ [slachtoffer] ”.

1.3

Proces-verbaal van verhoor [verdachte] , pag 26 e.v., onder meer inhoudende:

(..)

V= Hoe zijn jullie vanuit Rotterdam naar Zwolle gekomen?

A= We zijn met de auto naar Zwolle gereden. Ik bestuurde de auto.

V= Wat voor auto was het?

A= Een zwarte Fiat.

(..)

V= Waar moesten jullie in Zwolle zijn?

A= Ergens in het centrum.

(..)

V= Jullie hebben de auto een aantal keren verplaatst. Waarom was dat?

A= Gewoon, ik wilde een blokje gaan rijden.

V= Jullie hebben geen blokje gereden maar de auto een stukje verderop neergezet.

Waarom was dat?

A= Dat mag toch wel?

(..)

V= Volgens jou is [medeverdachte] degene geweest die uit de auto is gestapt toen jullie in

Zwolle waren. Waar stond je met de auto?

A= We stonden niet meer bij de Jumbo supermarkt maar een paar honderd meter verderop.

V= Waarom stapte [medeverdachte] uit?

(..)

V= Hoe lang is hij weggeweest?

A= Ik denk ongeveer 10 a 15 minuten.

V= Hoe kwam [medeverdachte] weer naar de auto?

A= (..) Opeens zag ik dat we de

snelweg weer opreden. Dit was na ongeveer 10 minuten.

V= Ben jij nog uit de auto geweest?

A= Ik ben 1 keer uitgestapt om te plassen. Dat was nog in Zwolle. Ik weet niet waar

dit was. [medeverdachte] zat op dat moment nog in de auto.

(..)