Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2017:1631

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
13-04-2017
Datum publicatie
13-04-2017
Zaaknummer
08/993167-16, 17/82
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank oordeelt dat de officier van justitie bepaalde in beslag genomen goederen aan de Zwitserse autoriteiten moet kunnen afgeven. Deze goederen zijn in beslag genomen op het jacht Ebony Shine.

Dat jacht blijft aan de ketting liggen van het openbaar ministerie (OM). Dat oordeelt de rechtbank Overijssel. Het OM nam het jacht op verzoek van de Zwitserse autoriteiten in beslag vanwege een strafrechtelijk onderzoek tegen de vice-president van Equatoriaal-Guinea, die ook de zoon is van de president. Zwitserland verdenkt de man van witwassen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Afdeling Strafrecht - Strafraadkamer

Zittingsplaats Zwolle

Lurisnummer: KLR-I-2016103727

Parketnummer: 08/993167-16

Raadkamernummer: 17/82

Datum: 13 april 2017

Beslissing op de vordering van de officier van justitie op grond van artikel 552p van het Wetboek van Strafvordering, in het kader van het uit Zwitserland afkomstige internationale rechtshulpverzoek, in de aldaar aanhangige strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1968 in [geboorteplaats] (Republiek Equatoriaal Guinea),

z.v.w.o.v.h.t.l.,

verder te noemen: de verdachte,

die in de verzoekende staat wordt verdacht van overtreding van artikel 305bis van het Zwitsers Wetboek van Strafrecht (witwassen).

De officier van justitie van het Functioneel Parket, mr. J.M. Mul, heeft gevorderd verlof te verlenen om de door de rechter-commissaris in beslag genomen stukken van overtuiging die zijn vermeld in bijlage 2 behorende bij proces-verbaal d.d. 20 december 2016 aan hem ter beschikking te stellen, teneinde deze aan de Zwitserse autoriteiten af te geven.

De stukken van overtuiging zijn in beslag genomen tijdens een doorzoeking op het schip “Ebony Shine” te Den Helder, onder leiding van de rechter-commissaris.

1 Het verloop van de procedure

De vordering is gedateerd 24 januari 2017 en is op 26 januari 2017 op de griffie van de rechtbank ontvangen. De vordering is behandeld op de openbare terechtzitting van de meervoudige raadkamer van 16 maart 2017. Bij de behandeling zijn de officieren van justitie, mr. Mul en mr. C.J. Zweers, en de raadslieden van verdachte, mrs. J.I.M.G. Jahae en Th.O.M. Dieben, beiden advocaat in Amsterdam gehoord.

De rechtbank heeft kennis genomen van de inhoud van het dossier, waaronder:

- de beschikking van de rechter-commissaris d.d. 6 december 2016, en de voorafgaande vordering van de officier van justitie, overgelegd door de officier van justitie;

- het proces-verbaal van doorzoeking ter inbeslagneming van 20 december 2016, met twee bijlagen, overgelegd door de officier van justitie;

- het klaagschrift van mr. Jahae van 8 februari 2017, alsmede het klaagschrift van 6 januari 2017.

De rechtbank heeft tevens kennis genomen van de volgende stukken die in de zaken met rekestnummers 17/16 en 17/17 (welke zaken gelijktijdig met de onderhavige zaak zijn behandeld) zijn overgelegd:

  • -

    het rechtshulpverzoek van de Prosecuters with the Office of the Prosecuter General (Ministère public) van de Republique et Canton de Geneve, Zwitserland, van
    2 december 2016, met bijlagen;

  • -

    het aanvullend rechtshulpverzoek van dezelfde Prosecuters van 5 december 2016.

2 Bevoegdheid

De rechtbank Overijssel is bevoegd tot kennisneming van de vordering van de officier van justitie.

3 Verdrags- en wettelijke bepalingen

De rechter stelt vast dat het rechtshulpverzoek is gegrond op:

  • -

    het Europees Verdrag aangaande de wederzijdse Rechtshulp in strafzaken (Straatsburg, 20 april 1959);

  • -

    het Tweede Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag aangaande de wederzijdse rechtshulp in strafzaken (Straatsburg, 8 november 2001);

  • -

    Overeenkomst ter uitvoering van het tussen de Regeringen van de Staten van de Benelux Economische Unie, de Bondsrepubliek Duitsland en de Franse Republiek op 14 juni 1985 te Schengen gesloten akkoord betreffende de geleidelijke afschaffing van de controles aan de gemeenschappelijke grenzen (Schengen, 19 juni 1990);

  • -

    het Verdrag inzake het witwassen, de opsporing, de inbeslagneming en de confiscatie van opbrengsten van misdrijven (Straatsburg, 8 november 1990).

Van toepassing zijn voorts de artikelen 552k, 552l en 552p van het Wetboek van Strafvordering (Sv).

4 Het standpunt van de officier van justitie en de verdediging

De officieren van justitie hebben ter zitting de vordering toegelicht, inhoudende dat de vordering voor inwilliging vatbaar is, nu aan alle vereisten is voldaan.

De verdediging heeft aangevoerd dat het gevorderde moet worden afgewezen, omdat zowel de doorzoeking van het schip als de inbeslagneming van de stukken van overtuiging onrechtmatig is.

5 De beoordeling

Bij de beoordeling van de vraag of het gevorderde verlof kan worden verleend, dient de raadkamer het volgende toetsingskader aan te leggen. Indien het rechtshulpverzoek is gegrond op een verdrag – hier het Europees Verdrag aangaande de wederzijdse rechtshulp in strafzaken d.d. 20 april 1959 (met aanvullende protocollen) en de overeenkomst betreffende de wederzijdse rechtshulp in strafzaken tussen de lidstaten van de Europese Unie en het als integraal onderdeel hiervan afgesloten Protocol – dient aan dat verzoek ingevolge artikel 552k, eerste lid, Sv zoveel mogelijk het verlangde gevolg te worden gegeven. Deze bepaling dient aldus te worden verstaan dat slechts van inwilliging van het verzoek kan worden afgezien, indien zich belemmeringen van wezenlijke aard voordoen, die voortvloeien uit het toepasselijke verdrag onderscheidenlijk de wet, in het bijzonder artikel 552l Sv, dan wel indien door de inwilliging van het rechtshulpverzoek wordt gehandeld in strijd met fundamentele beginselen van Nederlands strafprocesrecht.

Met inachtneming van de verlofcriteria in het toepasselijke verdrag dient derhalve de raadkamer ook te beoordelen of het rechtshulpverzoek en de uitvoering daarvan voldoen aan de wettelijke eisen.

Op grond van de stukken en de behandeling op de zitting stelt de raadkamer vast dat de vordering is gebaseerd op de – hierboven genoemde – toepasselijke verdragen, dat het rechtshulpverzoek is uitgegaan van een bevoegde autoriteit en dat de vordering ook overigens voldoet aan de ter zake geldende wet- en regelgeving.

Het uitgangspunt dat aan een op een Verdrag gebaseerd rechtshulpverzoek dat ook overigens voldoet aan de daaraan door wet en verdragen gestelde eisen, zoveel mogelijk het verlangde gevolg dient te worden gegeven, brengt mee dat de rechter in het kader van de verlofprocedure ex artikel 552p Sv bij zijn oordeel of het verlof kan worden verleend in het belang van de waarheidsvinding van een in het buitenland lopend onderzoek, als regel mag vertrouwen op het oordeel dienaangaande van de justitiële autoriteiten van de verzoekende staat. De verlofrechter zal zich ook bij deze uitleg wel een eigen oordeel moeten vormen over de vraag of aannemelijk is dat de inbeslaggenomen stukken kunnen bijdragen aan de waarheidsvinding. Onder omstandigheden, mede afhankelijk van hetgeen door de verdachte is aangevoerd, zal daarbij niet met een globaal oordeel kunnen worden volstaan en zal een kaal beroep op het vertrouwensbeginsel het oordeel van de voorzitter niet kunnen dragen.

Met inachtneming van dat toetsingskader stelt de raadkamer vast dat verdachte door de Zwitserse autoriteiten wordt verdacht van witwassen. Gelet daarop concludeert de raadkamer dat de op het schip “Ebony Shine” inbeslaggenomen stukken van overtuiging, waaronder een pedicuresetje, redelijkerwijze van belang kunnen zijn voor het Zwitserse strafrechtelijke onderzoek en daarom de waarheidsvinding met betrekking tot de door de Zwitserse autoriteiten geformuleerde verdenking kunnen dienen. Verder is de rechtbank van oordeel dat geen sprake is van strijd met fundamentele beginselen van Nederlands strafprocesrecht.

Gelet op het voorgaande is de vordering toewijsbaar.

6 De beslissing

De raadkamer verleent het verzochte verlof.

Deze beschikking is gegeven door mr. B.T.C. Jordaans, voorzitter, mr. J.H.W.R. Orriëns-Schipper en mr. M. van Bruggen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S.W. de Boer, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 13 april 2017.