Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2017:1618

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
24-01-2017
Datum publicatie
12-04-2017
Zaaknummer
08/770064-15 (ontnemingsvordering)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een 34-jarige man uit Hengelo moet bijna 32.000 euro aan illegaal verdiend geld aan de Staat betalen. Ontneming.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Afdeling Strafrecht

Parketnr. : 08/770064-15 (ontnemingsvordering)

Datum : 24 januari 2017

Beslissing op de vordering ex artikel 36e Wetboek van Strafrecht

van de officier van justitie, ter griffie van deze rechtbank ingekomen op 13 januari 2016, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1982 te [geboorteplaats] ,
wonende te [woonplaats] .

hierna te noemen: [verdachte] ./

Het onderzoek ter terechtzitting is aangevangen op 11 februari 2016 en voortgezet op
22 maart 2016. Het onderzoek ter terechtzitting is op 22 maart 2016 geschorst ten behoeve van een schriftelijke reactieronde.

Ter terechtzitting van 13 december 2016 heeft de inhoudelijke behandeling van de ontnemingsvordering plaatsgevonden, waarbij [verdachte] en zijn raadsman
mr. J.M. Keizer, advocaat te Amsterdam, zijn verschenen. Als officier van justitie is op
13 december 2016 verschenen mr. M. Zwartjes.

De rechtbank heeft kennisgenomen van:

- de stukken behorende tot het dossier in de strafzaak met voornoemd parketnummer;

  • -

    het vonnis van deze rechtbank d.d. 25 februari 2016 in de strafzaak met bovenvermeld parketnummer;

  • -

    het door de bevoegde verbalisanten [verbalisant] en [verbalisant] , beiden brigadier van politie en financieel rechercheur, werkzaam bij de Politie Eenheid Oost-Nederland, District Twente, Team Financiële Recherche, op 9 september 2015 in de wettelijke vorm opgemaakt rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel per delict, proces-verbaalnummer 2015136724, met de daarbij gevoegde bijlagen;

De rechtbank heeft naar aanleiding van de bij beslissing van deze rechtbank van 22 maart 2016 bepaalde schriftelijke reactieronde voorts kennisgenomen van:

  • -

    een conclusie van antwoord d.d. 21 juli 2016 van de raadsman van [verdachte] ;

  • -

    een conclusie van repliek van de officier van justitie d.d. 29 september 2016;

  • -

    een conclusie van dupliek d.d. 11 november 2016 van de raadsman van [verdachte] .

OVERWEGINGEN

De officier van justitie heeft gevorderd dat [verdachte] zal worden veroordeeld tot betaling aan de Staat van het geschatte voordeel dat hij heeft genoten door middel van of uit de baten van het feit, zoals ten laste gelegd in de onderliggende strafzaak, welk voordeel door de officier van justitie thans, na een ter terechtzitting van 13 december 2016 gedane wijziging, wordt geschat op € 34.129,25.

De rechtbank heeft [verdachte] in de onderliggende strafzaak met genoemd parketnummer bij vonnis van 25 februari 2016 veroordeeld voor een gewoonte maken van opzetheling in de periode van 19 november 2012 tot en met 20 maart 2015 in de gemeente Hengelo (O).

De raadsman van [verdachte] heeft bij conclusie van antwoord bovenvermelde schatting bestreden en heeft daartoe - kort samengevat - aangevoerd dat:

- [verdachte] ter zake van de doorverkochte 11 bermmaaiers (zaaknummer 7) maximaal 330 euro (11 maal 30 euro) winst heeft behaald;

- [verdachte] geen wederrechtelijk voordeel heeft genoten ter zake van de door hem aangekochte 15 stalen rijplaten (zaaknummer 17), aangezien 12 rijplaten inbeslaggenomen zijn en uit de verklaring van [naam 1] volgt dat de overige 3 rijplaten zich nog op het terrein aan de [adres] te Hengelo moeten bevinden;

- [verdachte] geen wederrechtelijk voordeel heeft genoten ter zake van verkochte onderdelen van een Volkswagen Golf met kenteken [kenteken 1] (zaaknummer 14), een Volkswagen Scirocco met kenteken [kenteken 2] (zaaknummer 15) en een Mercedes Sprinter met kenteken [kenteken 3] (zaaknummer 18), aangezien de overblijfselen van voornoemde auto’s in de loods aan de [adres] te Hengelo zijn aangetroffen;

- het door [verdachte] genoten wederrechtelijk voordeel ter zake van de doorverkochte partij gestolen metaal en ijzer (zaaknummer 19) maximaal € 2.287,10 heeft bedragen, uitgaande van een in de markt van gebruikt(e) ijzer/metalen gebruikelijke winst van € 0,10 per kilogram;

- in de voordeelsberekening ten onrechte uitgegaan is van de (vermeende opbrengst van) niet teruggevonden goederen, terwijl als wederrechtelijk verkregen voordeel uitsluitend de daadwerkelijk behaalde winst mag gelden waarop de inkoopkosten van de aangetroffen goederen in mindering dienen te worden gebracht;

- het wederechtelijk verkregen voordeel op nihil dient te worden gesteld, aangezien de (inkoop)kosten, met inachtneming van de bij voornoemd vonnis van 25 februari 2016 toegewezen vorderingen van de benadeelde partijen vele malen hoger zijn dan de door [verdachte] genoten opbrengsten.

De officier van justitie heeft bij conclusie van repliek - kort samengevat - gesteld dat:

- het door [verdachte] genoten wederrechtelijk voordeel ter zake van de doorverkochte bosmaaiers (zaaknummer 7) met een bedrag van maximaal € 340,-- verminderd zou moeten worden als de rechtbank de verklaring van [naam 4] omtrent het doorverkopen voor een vriendenprijs aannemelijk zou achten;

- niet aannemelijk is geworden dat de resterende 3 rijplaten (zaaknummer 17) op het terrein aan de [adres] te Hengelo zijn blijven liggen;

- onvoldoende aannemelijk is gemaakt dat [verdachte] slechts de restanten hield van de gestolen auto’s (zaaknummer 14, 15 en 18), aangezien [verdachte] als huurder en bedrijfsleider toegang had tot de loods aan de [adres] te Hengelo;

- het voor [verdachte] mogelijk was om met een legaal bedrijf in oud ijzer een grotere winst te behalen op het doorverkopen van metaal en ijzer (zaaknummer 19) dan € 0,10 per kilogram;

- de inkoopkosten van de aangetroffen goederen niet in mindering dienen te worden gebracht op het berekende wederrechtelijk verkregen voordeel nu die kosten niet gemaakt zijn ten behoeve van de in- en verkoop van de goederen waarover het wederrechtelijk verkregen voordeel is berekend.

De raadsman van [verdachte] heeft bij conclusie van dupliek bij zijn eerdere standpunten gepersisteerd en ten aanzien van de zaaknummers 14, 15, 18, 19, 21, 24 en 25 aanvullend aangevoerd dat voor het bepalen van de omvang van het door [verdachte] wederrechtelijk verkregen voordeel uit door hem verkochte goederen relevant is of hij ten tijde van de verkoop ervan toegang had tot de zich in de loods aan de [adres] te Hengelo bevindende goederen. De raadsman van [verdachte] heeft in dit verband nogmaals gewezen op de verklaring van getuige [naam 4] .

De raadsman heeft ten aanzien van de kosten van de inkoop van gestolen goederen aangevoerd dat die kosten (ongeacht of deze goederen worden doorverkocht) in rechtstreeks verband staan met het begaan van de strafbare feiten en aldus voor aftrek in aanmerking moeten kunnen komen.

Ter terechtzitting van 13 december 2016 heeft de officier van justitie haar (gewijzigde) vordering toegelicht en daartoe onder meer aangevoerd dat kosten slechts kunnen worden afgetrokken indien die kosten ook hebben geleid tot voordeel en dat het standpunt ten aanzien van zaaksnummers 7 en 19 onvoldoende is onderbouwd.

De raadsman van [verdachte] heeft ter terechtzitting van 13 december 2016 onder meer aangevoerd dat de totale inkoop van goederen heeft geleid tot verkoop van een deel van die (gestolen) goederen en dat bij het bepalen van de aftrek van kosten de kosten van totale inkoop moeten worden afgetrokken en niet naar ieder (verkocht) goed afzonderlijk gekeken dient te worden.

BEOORDELING

De rechtbank is op grond van de stukken van het voorbereidend onderzoek en gelet op wat tijdens het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gebracht van oordeel dat [verdachte] wederrechtelijk voordeel heeft genoten door middel van en/of uit de baten van het bewezenverklaarde feit ter zake waarvan [verdachte] bij genoemd vonnis is veroordeeld.

De rechtbank zal voor de schatting van de hoogte van het door [verdachte] wederrechtelijk verkregen voordeel de voordeelsberekening, zoals door de officier van justitie overgelegd ter terechtzitting van 13 december 2016, als uitgangspunt nemen, te weten:

Zaaknummer 7: bosmaaiers € 2.200,00

Zaaknummer 14: VW Golf € 2.465,12

Zaaknummer 15: VW Scirocco € 3.068,75

Zaaknummer 17: rijplaten € 1.389,56

Zaaknummer 18: Mercedes Sprinter € 1.566,12

Zaaknummer 19: Oud ijzer en metaal € 21.727,45

Zaaknummer 21: Stihl zaag € 462,50

Zaaknummer 23: Oud ijzer vrachtauto [kenteken 4] € 496,00

Zaaknummer 24: Goederen van [naam 2] € 378,75

Zaaknummer 25: Goederen van [naam 3] € 375,00

Wederrechtelijk verkregen voordeel € 34.129,25

De rechtbank overweegt hierover het navolgende.

Bosmaaiers (zaaknummer 7)

De rechtbank acht het, gelet op in het bijzonder de verklaring van [naam 4] , onder meer inhoudende dat [verdachte] 4 bosmaaiers voor een “vriendenprijs” heeft verkocht, voldoende aannemelijk dat door [verdachte] bij de verkoop van deze bosmaaiers geen wederrechtelijk verkregen voordeel is genoten.

De rechtbank neemt voor het vaststellen van de hoogte van het door [verdachte] wederrechtelijk verkregen voordeel van de overige 7 bosmaaiers als uitgangspunt dat dergelijke bosmaaiers blijkens advertenties op “Marktplaats” voor € 375,00 worden aangeboden, zoals blijkt uit voornoemd rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel (pagina 6). Als inkoopprijs neemt de rechtbank 25% van de door aangever opgegeven waarde van € 700,--, zodat die als kosten in mindering worden gebracht. Het door [verdachte] wederrechtelijk verkregen voordeel uit de verkoop van 7 bosmaaiers schat de rechtbank dan op € 1.400,-- (7 verkochte bosmaaiers à € 375,00 = € 2.625,00 minus inkoop

€ 175,-- per stuk) .

VW Golf, VW Scirocco en Mercedes Sprinter (zaaknummers 14, 15 en 18)

De rechtbank stelt vast dat [verdachte] geen inzicht heeft gegeven wat er met de gestolen auto’s is gebeurd. De verklaring van [naam 4] legt de rechtbank wat betreft dit onderdeel van de ontnemingsvordering, als zijnde onvoldoende duidelijk, terzijde. Op grond van de voorhanden zijnde overige bewijsmiddelen acht de rechtbank voldoende aannemelijk dat de gestripte onderdelen van de auto’s door [verdachte] zijn verkocht, nu die onderdelen niet zijn teruggevonden in de loods waar de chassis van die auto’s zijn aangetroffen. Volgens vaste jurisprudentie is in het helerscircuit gebruikelijk dat 25% van de opgegeven waarde van losse goederen wordt betaald door helers. De rechtbank acht het reëel om die 25% als uitgangspunt te nemen voor de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel. Op grond daarvan schat de rechtbank het door [verdachte] wederrechtelijk verkregen voordeel uit de verkoop van auto-onderdelen van de VW Golf, VW Scirocco en Mercedes Sprinter op een totaalbedrag van € 7.100,00 (€ 2.465, 13 + € 3.068,75 + 1.566,12).

Rijplaten (zaaknummer 17)

De rechtbank acht aannemelijk geworden dat de kosten van inkoop van de rijplaten hoger zijn geweest dan de opbrengst uit verhuur en/of gedeeltelijke verkoop, zodat [verdachte] hiervan geen wederrechtelijk verkregen voordeel heeft genoten.

IJzer en metaal (zaaknummer 19)

Gelet op de inhoud van het strafdossier en het bewezenverklaarde feit staat in voldoende mate vast dat [verdachte] wederrechtelijk verkregen voordeel heeft genoten uit de opbrengsten van de doorverkoop van gestolen ijzer en metaal. De rechtbank is anders dan de verdediging van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat de inkoop van het metaal en ijzer via het normale tarief heeft plaatsgevonden en stelt de inkoopprijs vast op 25% van de dagwaarde, geschat op € 0,35 per kilogram. De rechtbank schat het door [verdachte] wederrechtelijk verkregen voordeel uit de verkoop van metaal en ijzer op een totaalbedrag van € 21.725,45 (22871 kg. x € 0,95 (€ 1,30 minus € 0,35 = € 0,95)).

Stihl zaag (zaaksnummer 21)

Oud ijzer vrachtauto [kenteken 4] (zaaksnummer 23

Goederen van [naam 2] (zaaksnummer 24)

Goederen van [naam 3] (zaaksnummer 25)

De rechtbank stelt vast dat terzake van het berekende wederrechtelijk verkregen voordeel uit de verkoop van voornoemde goederen door de verdediging geen verweer is gevoerd. De rechtbank kan zich verenigen met de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel in de ontnemingsrapportage en neemt de hierboven genoemde bedragen uit die ontnemingsrapportage als zijnde wederrechtelijk verkregen voordeel telkens over.

Inkoopkosten

De rechtbank is van oordeel dat de door de verdediging opgevoerde (totale) inkoopkosten niet voor aftrek in aanmerking kunnen komen. De rechtbank stelt voorop dat ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel het voordeel betreft dat door het aan de ontneming ten grondslag gelegde delict is verworven en dat de ontneming tot doel heeft een veroordeelde in de oorspronkelijke economische toestand te brengen. Naar vaste jurisprudentie kunnen bij de bepaling van de hoogte van het wederrechtelijk verkregen voordeel slechts de kosten die in directe relatie staan tot het delict gelden als kosten die voor aftrek in aanmerking komen. Voor aftrek komen uitsluitend die kosten in aanmerking die niet zouden zijn gemaakt als het strafbare feit niet was gepleegd. Voorts worden de kosten per delict berekend en kunnen slechts de kosten in aanmerking komen die ook daadwerkelijk tot enig voordeel hebben geleid. In het geval dat door een veroordeelde geheelde goederen nog niet zijn (door)verkocht ten tijde van de inbeslagneming, zoals hier aan de orde is, is naar het oordeel van de rechtbank van voor aftrek in aanmerking komende kosten nog geen sprake. Door die geheelde goederen onder zich te houden, kan veroordeelde het risico van inbeslagneming van deze goederen niet afwentelen op de Staat door de inkoop van deze kosten financieel te compenseren bij het vaststellen van het wederrechtelijk verkregen voordeel op de verkochte goederen.

Benadeelde partijen

Gelet op het bepaalde in artikel 36e, lid 9, van het Wetboek van Strafrecht zal de rechtbank,

nu [verdachte] bij voornoemd vonnis van 25 februari 2016 is veroordeeld tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partijen, met die beslissingen rekening houden in dier voege dat dat deze bedragen op het toegewezen bedrag aan wederrechtelijk verkregen voordeel pas in mindering moeten worden gebracht, nadat deze bedragen door [verdachte] aan de benadeelde partijen, dan wel aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partijen, zijn betaald. Dit geldt echter slechts voor zover het voordeel van [verdachte] teniet wordt gedaan door een vergoeding van de schade aan de benadeelde partij. Dit heeft betrekking op de volgende vorderingen tot de hierna te noemen bedragen:
- de toegewezen vordering van [benadeelde 1] tot een bedrag van € 286,95;
- de toegewezen vordering van [benadeelde 2] tot een bedrag van € 500,00;
- de toegewezen vordering van [benadeelde 3] B.V. tot een bedrag van € 2.500,00;
- de toegewezen vordering van [benadeelde 4] tot een bedrag van € 1.417,00.

Draagkracht

De rechtbank stelt ambtshalve vast dat geen omstandigheden bekend zijn geworden op grond waarvan voorshands aannemelijk is dat [verdachte] nu en in de toekomst over onvoldoende financiële daagkracht zal beschikken om aan een hem op te leggen betalingsverplichting te kunnen voldoen. De rechtbank ziet dan ook geen redenen om het te ontnemen bedrag thans te matigen.

Conclusie

De rechtbank schat het totale bedrag van het wederrechtelijk verkregen voordeel van [verdachte] op € 31.939,70.

De rechtbank zal de vordering van de officier van justitie, zijnde deze vordering ook overigens op de wet gegrond, toewijzen tot een bedrag van € 31.939,70.

BESLISSING

De rechtbank:

- stelt het bedrag, waarop het wederrechtelijk voordeel wordt geschat, vast op

€ 31.939,70.

- legt aan [verdachte] de verplichting op om ter zake van ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel aan de Staat te voldoen een bedrag van € 31.939,70.

- vermindert de betalingsverplichting met een bedrag van € 286,95, met ingang van het moment waarop [verdachte] aan [benadeelde 1] de vordering ten bedrage van € 286,95 heeft voldaan;

- vermindert de betalingsverplichting met een bedrag van € 500,00 met ingang van het moment waarop [verdachte] aan [benadeelde 2] de vordering ten bedrage van € 500,00 heeft voldaan;

- vermindert de betalingsverplichting met een bedrag van € 2.500,00 met ingang van het moment waarop [verdachte] aan [benadeelde 3] B.V. de vordering ten bedrage van

€ 2.500,00 heeft voldaan;

- vermindert de betalingsverplichting met een bedrag van € 1.417,00 met ingang van het moment waarop [verdachte] aan [benadeelde 4] de vordering ten bedrage van

€ 1.417,00 heeft voldaan;

-wijst de vordering van de officier van justitie voor het meer of anders gevorderde af.

Aldus gewezen door mr. S. Taalman, voorzitter, mrs. F. van Maden en M. van Bruggen, rechters, in tegenwoordigheid van H. Kamp als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 24 januari 2017.