Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2017:159

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
16-01-2017
Datum publicatie
17-01-2017
Zaaknummer
ak_17_1 en ak_17_2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Intrekking drank- en horecavergunningen door de burgemeester van Wierden wegens eerdere intrekking drank- en horecavergunning door burgemeester van Hengelo; koppeling niet in strijd met DHW en Besluit eisen zedelijk gedrag DHW; niet aannemelijk dat verzoeker geen verwijt treft van sluiting van lokaliteit A; afwijzing verzoeken om voorlopige voorziening.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Horeca 2017/2897
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Zwolle

Bestuursrecht

zaaknummer: Awb 17/1 en Awb 17/2

uitspraak van de voorzieningenrechter op het verzoek om voorlopige voorzieningen in de zaken tussen

[naam 1] h.o.d.n. Café [naam 2] en [naam 3], te Wierden, verzoeker,

gemachtigde: J.E.E. Eshuis,

en

de burgemeester van Wierden, verweerder.

Procesverloop

Bij besluiten van 22 december 2016 (de primaire besluiten) heeft verweerder de aan verzoeker verleende drank- en horecavergunningen voor Café [naam 2] , [adres 1] te Wierden (lokaliteit B) en [naam 3] , [adres 2] te Wierden (lokaliteit C) met ingang van 14 dagen na de bekendmaking van deze besluiten ingetrokken.

Verzoeker heeft tegen de primaire besluiten bezwaar gemaakt. Hij heeft de voorzieningenrechter verzocht om voorlopige voorzieningen te treffen.

Bij besluiten van 4 januari 2017 heeft verweerder besloten de vergunningen in trekken direct na de uitspraak van de voorzieningenrechter dat de voorlopige voorzieningen niet worden toegewezen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 januari 2017.

Verzoeker is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde.

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door ing. A.J. Lock-Louwerens en

A. ter Avest bpa.

Overwegingen

1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

2. De voorzieningenrechter stelt voorop dat de bestreden besluiten zien op het verbod om alcoholische dranken te verstrekken en niet op sluiting van de horecagelegenheden.

3. Aan verzoeker is op 25 november 2010 voor de horecagelegenheid Café [naam 2] een vergunning verleend als bedoeld in artikel 3 van de Drank- en Horecawet (DHW),

Op 6 november 2012 is een dergelijke vergunning verleend voor de horecagelegenheid [naam 3]

Verzoeker is eveneens eigenaar en exploitant van Café [naam 2] te Hengelo (lokaliteit A). De voor deze horecagelegenheid verleende DHW-vergunning is met ingang van 4 november 2016 ingetrokken met toepassing van artikel 31, eerste lid, aanhef en onder b en c, van de DHW. De door verzoeker ten aanzien van deze intrekking gevraagde voorlopige voorziening is bij uitspraak van 2 november 2016 door de voorzieningenrechter afgewezen.

Verweerder heeft aan de thans bestreden besluiten van 22 december 2016 ten grondslag gelegd dat verzoeker zowel in Hengelo als in Wierden de natuurlijke persoon is voor wiens rekening en risico de horecabedrijven worden uitgeoefend en in die zin leidinggevende is van de horecagelegenheden lokaliteit B en lokaliteit C. Omdat de burgemeester van Hengelo besloten heeft de DHW-vergunning van verzoekers horecagelegenheid A in te trekken, is verweerder verplicht de aan verzoeker verleende vergunningen in te trekken, gezien het imperatieve karakter van artikel 31, eerste lid, aanhef en onder b, van de DHW, juncto artikel 8, tweede lid van de DHW, juncto artikel 5, eerste lid van het Besluit eisen zedelijk gedrag DHW.

4. Ingevolge artikel 1 van de DHW wordt voor de toepassing van deze wet onder

leidinggevende verstaan:

“1°. de natuurlijke persoon of de bestuurders van een rechtspersoon of hun gevolmachtigden, voor wiens rekening en risico het horecabedrijf of het slijtersbedrijf wordt uitgeoefend;

2°. de natuurlijke persoon, die algemene leiding geeft aan een onderneming, waarin het horecabedrijf of het slijtersbedrijf wordt uitgeoefend in een of meer inrichtingen;

3°. de natuurlijke persoon, die onmiddellijke leiding geeft aan de uitoefening van zodanig bedrijf in een inrichting.”

Artikel 8, eerste lid, aanhef en onder b, van de DHW bepaalt dat leidinggevenden van het horecabedrijf en het slijtersbedrijf voldoen aan de eis dat zij niet in enig opzicht van slecht levensgedrag zijn.

Ingevolge artikel 8, tweede lid, van de DHW, worden bij algemene maatregel van bestuur naast de in het eerste lid gestelde eisen andere eisen ten aanzien van het zedelijk gedrag van leidinggevenden gesteld en kan de in dat lid, onder b, gestelde eis nader worden omschreven. Aan deze bepaling is uitvoering gegeven met het Besluit eisen zedelijk gedrag Drank- en Horecawet 1999 (hierna: het Besluit).

Artikel 5, eerste lid, van het Besluit luidt:

“Een leidinggevende is binnen de laatste vijf jaar geen leidinggevende geweest van een inrichting waarvan de vergunning is ingetrokken op grond van artikel 31, eerste lid, onder c, van de Drank- en Horecawet of die voor ten minste een maand is gesloten op grond van artikel 13b van de Opiumwet of van artikel 174 Gemeentewet of van een op grond van artikel 149 van de Gemeentewet vastgestelde verordening, tenzij aannemelijk is dat hem ter zake geen verwijt treft.”

Artikel 31, eerste lid, aanhef en onder b, van de DHW bepaalt dat een vergunning wordt ingetrokken indien niet langer wordt voldaan aan de bij of krachtens artikelen 8 en 10 geldende eisen.

Ingevolge artikel 31, eerste lid, aanhef en onder c, van de DHW wordt een vergunning door de burgemeester ingetrokken, indien zich in de betrokken inrichting feiten hebben voorgedaan, die de vrees wettigen, dat het van kracht blijven der vergunning gevaar zou opleveren voor de openbare orde, veiligheid en zedelijkheid.

5. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verweerder, gelet op de intrekking van de DHW-vergunning voor lokaliteit A, ingevolge het bepaalde in artikel 31, eerste lid, aanhef en onder b, in samenhang bezien met artikel 8, tweede lid, van de DHW en met artikel 5 van het Besluit, gehouden was de DHW-vergunningen voor lokaliteit B en lokaliteit C in te trekken. De voorzieningenrechter vindt geen grond voor het oordeel dat aannemelijk is dat verzoeker geen verwijt treft als bedoeld in artikel 5 van het Besluit van de sluiting van lokaliteit A. In dat kader heeft de gemachtigde van verweerder terecht ter zitting naar voren gebracht, dat verzoeker als eigenaar van lokaliteit A verantwoordelijk is en zijn personeel naar behoren dient te instrueren. Verweerder heeft terecht in reactie op de zienswijze opgemerkt, dat verzoeker heeft nagelaten er zorg voor te dragen dat het onder zijn verantwoordelijkheid werkzame personeel handelt in overeenstemming met de geldende voorschriften. Ter zitting is van de zijde van verzoeker meegedeeld, dat hij zijn personeel bij indiensttreding duidelijke instructies heeft gegeven, hetgeen schriftelijk zou zijn bevestigd door zijn accountant. Dat zijn personeel desondanks bij zijn afwezigheid in het buitenland alcohol heeft verstrekt aan minderjarigen, valt hem dan ook niet te verwijten, aldus verzoeker. De voorzieningenrechter volgt verzoeker hierin niet. Dat, zoals door verzoeker benoemd, door zijn medewerkers overtredingen zijn begaan, ontkent hij niet. Dat ter zake geen proces-verbaal is opgemaakt en niemand strafrechtelijk is vervolgd, doet hier niet aan af. Als leidinggevende is verzoeker verantwoordelijk voor de gang van zaken in zijn café. Het op enig moment geven van instructies ontslaat hem niet van die verantwoordelijkheid. Hij had de vinger aan de pols moeten houden. Dat er geen mogelijkheid voor adequaat ingrijpen meer bestond door de intrekking van de vergunning volgt de voorzieningenrechter evenmin. Daarbij betrekt de voorzieningenrechter dat verzoeker (al eerder) een gewaarschuwd man was.

Hetgeen verzoeker verder naar voren heeft gebracht, brengt de voorzieningenrechter niet tot een ander oordeel. Een deel van de gronden treft geen doel, omdat aan de intrekking van de vergunningen -slechts- artikel 31, eerste lid, aanhef en onder b, van de DHW ten grondslag is gelegd.

Dat de “koppeling” van de intrekking van de vergunning voor lokaliteit A met de intrekking van de vergunning voor lokaliteit B en C in strijd is met de DHW en het Besluit blijkt niet uit de tekst van artikel 31, eerste lid, aanhef en onder c, van de DHW noch uit artikel 5 van het Besluit.

Dat de intrekking voor lokaliteit A in bezwaar en in (hoger) beroep is c.q. zal (kunnen) worden bestreden is niet van belang voor de intrekking van de vergunning voor lokaliteit B en C, nu voor laatstgenoemde intrekking niet is vereist dat de intrekking van de vergunning voor lokaliteit A al in rechte onaantastbaar is.

Verweerder heeft naar het oordeel van de voorzieningenrechter verder op eigen merites de geschiktheid van verzoeker voor zijn lokaliteiten in Wierden bezien, voor zover de toepasselijke wet- en regelgeving daarvoor ruimte bood. Die ruimte is -slechts- gelegen in het bepaalde in artikel 5 van het Besluit, waar het gaat om de beoordeling of aannemelijk is dat verzoeker geen verwijt treft van de intrekking van de vergunning voor lokaliteit A.

Dat ten onrechte privégegevens door Hengelo aan verweerder zijn overgedragen leidt er -wat daar verder van zij- niet toe dat de intrekking van de vergunningen reeds daarom geen stand kan houden. Daarbij betrekt de voorzieningenrechter, dat de intrekking van de vergunning van lokaliteit A door de burgemeester van Hengelo in het nieuws is geweest en dat de uitspraak van de voorzieningenrechter van deze rechtbank van 1 november 2016 is gepubliceerd. Verweerder heeft zich ook zónder de stukken die door Hengelo zijn verstrekt een beeld kunnen vormen van omstandigheden die van belang zijn bij de beoordeling van de vraag of aannemelijk was dat verzoeker ter zake van de intrekking van de vergunning voor lokaliteit A geen verwijt trof. De voorzieningenrechter heeft er overigens nota van genomen dat vanwege het toezenden van het intrekkingsbesluit van lokaliteit A aan de gemeente Wierden de Autoriteit Persoonsgegevens -inmiddels- is ingeschakeld. Voor zover verzoeker van mening is dat in strijd met de Wet bescherming persoonsgegevens is gehandeld, verwijst de voorzieningenrechter hem verder naar deze wet voor de mogelijkheden die hem in dat kader worden geboden.

Dat het verwijzen naar het rapport van de politie in strijd is met het fair-play-beginsel, artikel 6 van het EVRM en het beginsel van equality of arms ziet de voorzieningenrechter in het kader van de voorliggende procedure bij de voorzieningenrechter niet in, nu verzoeker de inhoud van het rapport en de processen-verbaal die aan de intrekking van de vergunning voor lokaliteit A ten grondslag hebben gelegen kent en verzoeker alle mogelijkheden heeft (gehad) om daar op te reageren. Voor zover verzoeker het oog heeft op een politierapport inzake de constatering dat een leidinggevende van lokaliteit B te veel heeft gedronken, merkt de voorzieningenrechter op, dat dit rapport niet aan de intrekking ten grondslag is gelegd.

De voorzieningenrechter wijst de verzoeken af.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst de verzoeken om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Hardonk-Prins, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van Y. van Arnhem, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.