Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2017:1563

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
05-04-2017
Datum publicatie
07-04-2017
Zaaknummer
5664600 \ HA VERZ 17-8
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Ontbindingsverzoek ten aanzien van werknemer die niet meer op het werk verschijnt en nergens meer op reageert. Uitgaande van onderliggende arbeidsongeschiktheid geldt in de gegeven omstandigheden het opzegverbod niet en volgt toewijzing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/1841
AR-Updates.nl 2017-0422
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Zwolle

Zaaknummer : 5664600 \ HA VERZ 17-8

Beschikking van de kantonrechter van 5 april 2017

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid CSU PERSONEEL B.V.,
gevestigd en kantoorhoudende te Uden,

verzoekende partij, hierna te noemen CSU,

gemachtigde: mr. R.M. Dessaur

tegen

[verweerster] ,

wonende te [plaats] ,

verwerende partij, hierna te noemen [verweerster] ,

niet verschenen.

1 De procedure

1.1.

Dit verloop blijkt uit:

- het verzoekschrift, ter griffie binnengekomen op 23 januari 2017

- de aantekeningen van de griffier van de mondelinge behandeling d.d. 28 maart 2017.

Hoewel daartoe een en andermaal behoorlijk opgeroepen, is [verweerster] niet ter zitting verschenen. Evenmin heeft zij een verweerschrift ingediend.

CSU heeft het verzoek nader toegelicht en in dit verband nadere producties overgelegd.

2 De feiten

2.1.

[verweerster] , geboren op 4 juli 1969, is op 2 juli 2012 in dienst getreden bij CSU. Zij vervult de functie van medewerker algemeen schoonmaakonderhoud, zulks voor 16,75 uur per week en tegen een salaris van € 11,35 bruto per uur, exclusief een vakantietoeslag van 8%.

2.2.

[verweerster] is gedurende de periode van 30 september 2015 tot 10 oktober 2016 arbeidsongeschikt geweest.

2.3.

Op 23 november 2016 heeft [verweerster] zich wederom ziek gemeld. In een overleg met CSU op 29 november 2016 heeft zij vervolgens kenbaar gemaakt zich met ingang van 30 november 2016 volledig hersteld te melden.

2.4.

[verweerster] is hierna zonder enig bericht niet meer op het werk verschenen en telefonisch onbereikbaar gebleven voor CSU.

2.5.

Bij brieven van 15, 19 en 23 december 2016 heeft CSU [verweerster] een officiële waarschuwing gegeven en haar gesommeerd haar werkzaamheden te hervatten. Ook is [verweerster] in de betreffende brieven uitgenodigd voor een gesprek op het kantoor van CSU.

2.6.

[verweerster] is niet ingegaan op deze uitnodigingen en heeft slechts eenmaal, namelijk per e-mail van 20 december 2016, gereageerd. In die aan mevrouw [A] , personeelsadviseur bij CSU, gerichte e-mail staat onder meer het volgende vermeld:

“Ten eerste wil ik even zeggen dat ik de afspraak van gisteren totaal vergeten ben, maar dat komt ook deels omdat ik op het moment aardig wat pijnstillers naar binnen werk en omdat ik zaterdag ook ben geweest en ik niet meer helder nadenk met de pijnstillers.

Ten tweede dacht ik dat ik nog in de ziektewet zat, omdat ik ook aangegeven had dat ik niet kon werken i.v.m. de pijn die ik met lopen heb. Ik loop nu ook weer met 1 kruk voor extra steun.”

2.7.

Op 23 december 2016 heeft CSU de loonbetaling aan [verweerster] stopgezet en dit bij voormelde brief van 23 december 2016 aan [verweerster] bevestigd.

2.8.

Bij brief van 28 december 2016 heeft CSU onder verwijzing naar haar brief van 23 december 2016 en onder vermelding dat zij wederom niets van [verweerster] heeft vernomen, aan [verweerster] kenbaar gemaakt maatregelen te zullen treffen om te komen tot een einde van de arbeidsovereenkomst. [verweerster] heeft niet op deze brief gereageerd.

2.9.

CSU heeft [verweerster] op 17 januari 2017 (preventief) opgeroepen voor een spreekuur bij de bedrijfsarts. [verweerster] is niet op dit spreekuur verschenen.

2.10.

Op 24 januari 2017 heeft CSU bij het UWV een deskundigenoordeel aangevraagd over de arbeidsongeschiktheid van [verweerster] . Bij brief van 7 februari 2017 heeft het UWV aan CSU duidelijk gemaakt geen deskundigenoordeel te kunnen geven, aangezien het UWV niet met [verweerster] in contact heeft kunnen komen.

2.11.

Per brief van 21 februari 2017 heeft CSU [verweerster] nogmaals tevergeefs gesommeerd haar werkzaamheden te hervatten en haar uitgenodigd voor een gesprek.

3 Het verzoek

3.1.

CSU verzoekt de kantonrechter de arbeidsovereenkomst met [verweerster] zo spoedig mogelijk te ontbinden, primair wegens (ernstig) verwijtbaar handelen als bedoeld in artikel 7:669 lid 3 sub e BW, subsidiair op grond van een verstoorde arbeidsverhouding als bedoeld in artikel 7:669 lid 3 sub g BW en meer subsidiair op grond van andere omstandigheden die zodanig zijn dat van CSU in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren als bedoeld in artikel 7:669 lid 3 sub h BW.

3.2.

CSU legt aan dit verzoek ten grondslag dat [verweerster] zich schuldig maakt aan werkverzuim door zonder opgave van redenen en zonder gegronde redenen niet meer op het werk te verschijnen en ook onbereikbaar te blijven voor CSU. Volgens CSU heeft [verweerster] meerdere kansen gekregen om haar gedrag te verklaren en aan te passen, maar is zij daar niet toe overgegaan en heeft CSU geen enkel vertrouwen meer in een vruchtbare samenwerking met [verweerster] .

3.3.

[verweerster] heeft het verzoek van CSU niet weersproken.

4 De beoordeling

4.1.

De kantonrechter kan het verzoek van CSU tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst met [verweerster] slechts inwilligen indien aan de voorwaarden voor opzegging van de arbeidsovereenkomst als bedoeld in artikel 7:669 BW is voldaan en er geen opzegverboden als bedoeld in artikel 7:670 BW of met deze opzegverboden vergelijkbare opzegverboden gelden.

4.2.

Hoewel CSU stelt dat [verweerster] zich per 30 november 2016 volledig hersteld heeft gemeld, kan uit de hiervoor onder 2.6 genoemde e-mail van [verweerster] worden afgeleid dat zij mogelijk nog steeds arbeidsongeschikt is. Dit betekent dat er mogelijk sprake is van een opzegverbod. Op grond van artikel 7:670a lid 1 BW is het opzegverbod bij ziekte echter niet van toepassing indien de werknemer zonder deugdelijke grond de

re-intregratieverplichtingen als bedoeld in artikel 7:660a BW weigert na te komen en de werkgever de werknemer schriftelijk heeft gemaand tot nakoming van deze verplichtingen of om die reden de betaling van het loon heeft gestaakt. Voor zover [verweerster] thans inderdaad arbeidsongeschikt is, geldt naar het oordeel van de kantonrechter dat zij haar

re-integratieverplichtingen ondanks herhaald schriftelijk verzoek van CSU niet is nagekomen en dat CSU de loonbetaling (mede) om die reden heeft gestaakt. Als niet weersproken staat immers vast dat [verweerster] vanaf 30 november 2016 niet meer op haar werk is verschenen, dat CSU [verweerster] tevergeefs herhaaldelijk heeft uitgenodigd voor een gesprek om een toelichting te geven op haar afwezigheid en dat [verweerster] overigens ook onbereikbaar bleef voor CSU, dit terwijl op [verweerster] in het kader van een eventuele re-integratie de verplichting rust om contact te houden met haar werkgever en redelijke voorschriften van haar werkgever op te volgen. Indien [verweerster] thans arbeidsongeschikt is, is het opzegverbod bij ziekte dus komen te vervallen.

4.3.

Uit artikel 7:669 lid 1 BW volgt dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen alleen kan worden ontbonden indien daar een redelijke grond voor is en herplaatsing van [verweerster] binnen een redelijke termijn niet mogelijk is of niet in de rede ligt. In artikel 7:669 lid 3 BW is nader omschreven wat onder een redelijke grond moet worden verstaan.

4.4.

CSU meent dat de handelwijze van [verweerster] te kwalificeren is als zodanig verwijtbaar handelen of nalaten dat van CSU in redelijkheid niet kan worden gevergd dat zij de arbeidsovereenkomst nog langer laat voortduren, zoals bedoeld in artikel 7:669 lid 3 sub e BW. De kantonrechter volgt deze stelling niet. Hoewel het veronachtzamen van de verplichtingen uit de arbeidsovereenkomst door de werknemer op zichzelf als verwijtbaar handelen of nalaten kan worden aangemerkt, kwalificeert de handelwijze van [verweerster] niet als zodanig. Vast staat weliswaar dat [verweerster] nalatig is gebleven haar verplichtingen uit de arbeidsovereenkomst na te komen, maar onduidelijk is wat de reden hiervan is geweest. Aangezien medische problematiek een rol lijkt te spelen, kan naar het oordeel van de kantonrechter niet gezegd worden dat sprake is van verwijtbaar handelen of nalaten door [verweerster] .

4.5.

Het subsidiaire beroep van CSU op artikel 7:669 lid 3 sub g BW slaagt wel. Het is begrijpelijk dat CSU als gevolg van de handelwijze van [verweerster] geen vertrouwen meer heeft in een vruchtbare samenwerking en het moet er dan ook voor worden gehouden dat sprake is van een zodanig verstoorde arbeidsverhouding dat voortzetting van de arbeidsovereenkomst met [verweerster] niet van haar kan worden gevergd. Nu sprake is van een verstoorde arbeidsverhouding, ligt herplaatsing van [verweerster] niet in de rede.

4.6.

De conclusie uit het voorgaande is dat de kantonrechter het verzoek van CSU zal toewijzen en dat de arbeidsovereenkomst met toepassing van artikel 7:671b lid 8, onderdeel a, BW zal worden ontbonden met ingang van 5 mei 2017.

4.7.

CSU is op grond van artikel 7:673 lid 1 BW een transitievergoeding verschuldigd van € 1.334,00 bruto en zal worden veroordeeld tot betaling van die vergoeding.

4.8.

Nu voorzienbaar was dat CSU een transitievergoeding verschuldigd zou worden, ziet de kantonrechter geen aanleiding CSU de gelegenheid te geven het verzoek in te trekken.

4.9.

De proceskosten komen voor rekening van [verweerster] , omdat zij ongelijk krijgt.

5 De beslissing

De kantonrechter:

5.1.

ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen met ingang van 5 mei 2017,

5.2.

veroordeelt CSU om aan [verweerster] een transitievergoeding te betalen van
€ 1.334,00 bruto,

5.3.

veroordeelt [verweerster] tot betaling van de proceskosten, die de kantonrechter aan de kant van CSU tot en met vandaag vaststelt op € 517,00, te weten:

griffierecht € 117,00,

salaris gemachtigde € 400,00.

Deze beschikking is gegeven door mr. W.F. Boele, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 5 april 2017.

(md)