Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2017:1465

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
07-02-2017
Datum publicatie
04-04-2017
Zaaknummer
07/651130-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank verlengt de maatregel van tbs met voorwaarden met 1 jaar

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Afdeling Strafrecht - Strafraadkamer

Parketnumer : 07/651130-10

Uitspraak : 7 februari 2017

Beslissing op de vordering van het openbaar ministerie tot verlenging van de termijn, gedurende welke:

[betrokkene] ,

geboren op [geboortedatum] 1970,

thans verblijvende bij Zorggroep 't Achterhuus te 7915AB Alteveer,

Hendrikus Zomerweg 11,

hierna te noemen: betrokkene,

ter beschikking is gesteld teneinde van overheidswege te worden verpleegd.

Betrokkene is bij vonnis van de rechtbank Zwolle-Lelystad d.d. 24 januari 2012 ter beschikking gesteld met voorwaarden, van welke terbeschikkingstelling de termijn is ingegaan op 24 januari 2012. Bij beslissing van de rechtbank Oost-Nederland

d.d. 12 februari 2013 heeft de rechtbank bevolen dat betrokkene alsnog van overheidswege zal worden verpleegd. Deze terbeschikkingstelling is laatstelijk verlengd bij beschikking van de rechtbank Overijssel d.d. 16 februari 2016. Deze rechtbank heeft voorts bij beslissing van 11 mei 2016 de verpleging van overheidswege voorwaardelijk beëindigd met ingang van 17 mei 2016. Behoudens nadere voorziening eindigt de terbeschikkingstelling op 24 januari 2017.

Het Openbaar Ministerie heeft op 15 december 2016 een vordering ingediend tot verlenging van bovenvermelde termijn met één jaar. Bij die vordering zijn de door de wet voorgeschreven stukken overgelegd.

Het onderzoek in raadkamer heeft plaatsgevonden op 24 januari 2017.

In raadkamer zijn in het openbaar gehoord:

  • -

    betrokkene, bijgestaan door zijn raadsman mr. J.J. Lieftink, advocaat te Almere;

  • -

    de officier van justitie mr. P.A. de Boer;

  • -

    M. van Heuveln, reclasseringswerker, verbonden aan Verslavingszorg Noord Nederland (hierna: VNN), als deskundige.

Op 9 december 2016 is door C.J.F. Kemperman, psychiater, rapport en advies uitgebracht omtrent de eventuele verlenging van de termijn van de maatregel van terbeschikkingstelling. Geadviseerd is om deze maatregel met één jaar te verlengen. VNN heeft in haar adviesrapport van 25 november 2017 eveneens geadviseerd de maatregel met één jaar te verlengen.

De officier van justitie heeft in raadkamer, gezien de adviezen, gepersisteerd bij de vordering tot verlenging van de termijn van de maatregel met één jaar.

Betrokkene en zijn raadsman hebben in raadkamer verklaard bezwaar te hebben tegen verlenging van de maatregel van terbeschikkingstelling. Ten tijde van het opmaken van de adviesrapporten kon betrokkene zich vinden in het advies om stapsgewijs verder te werken aan resocialisatie, maar daarin is in de periode tot aan de terechtzitting van 24 januari 2017 een kentering gekomen. Betrokkene heeft ter terechtzitting verwoord dat hij in december 2016 ondanks moeilijke familieomstandigheden niet is teruggevallen in oude gewoonten en dat in diezelfde periode een vriendin in beeld is gekomen met wie hij wil mogelijk gaan samenwonen. Nu de adviezen van de deskundigen op vrijwel ieder vlak positief van toon zijn, er nauwelijks nog verbeterpunten voor hem lijken te zijn en hij goed door deze bewogen periode is gekomen, is betrokkene van mening dat hij in voldoende mate in staat is zelfstandig te functioneren en dat de maatregel onmiddellijk kan worden beëindigd.

De raadsman van verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering tot verlenging van de maatregel moet worden afgewezen. Daartoe heeft de raadsman in de eerste plaats, zakelijk weergegeven, gewezen op de tijdens vorige terechtzittingen besproken onduidelijkheid over de totale termijn die de maatregel kan duren. Gelet op de beslissing van de rechtbank van 12 februari 2013, in combinatie met de omstandigheid dat voor betrokkene niet voorzienbaar was dat de maatregel langer dan vier jaar kon duren, stelt de raadsman zich op het standpunt dat deze thans beëindigd dient te worden. In de tweede plaats heeft de raadsman als gronden voor afwijzing van de vordering aangevoerd dat betrokkene stabiel functioneert, dat het recidivegevaar als matig wordt ingeschat en dat betrokkene de komende periode ook buiten het kader van de TBS - op vrijwillige basis - bij Zorggroep 't Achterhuus kan verblijven om voldoende ondersteuning te behouden. De raadsman heeft er daarbij op gewezen dat het bepaalde in artikel 509t, tweede lid, Sv. niet aan beëindiging in de weg hoeft te staan, gelet op jurisprudentie van andere rechtbanken over deze problematiek.

Overwegingen

De rechtbank dient op grond van het bepaalde in artikel 38d van het Wetboek

van Strafrecht te bepalen of de termijn van de maatregel van terbeschikkingstelling moet worden verlengd.

De vordering is op 15 december 2016 en derhalve tijdig ingediend.

1 Het behandeltraject en de adviezen van VNN en de psychiater

Betrokkene is een nu 46-jarige man bij wie sprake is van een afhankelijke persoonlijkheidsstoornis met borderline en antisociale trekken en daarnaast middelengebruik. Zijn verslavingsgevoeligheid is groot. Na een moeizaam begin heeft betrokkene vanaf 2015 een positieve ontwikkeling binnen de behandeling doorgemaakt. De rechtbank heeft bij beslissing van 11 mei 2016 de verpleging van overheidswege voorwaardelijk beëindigd per 17 mei 2016 en heeft daarbij onder meer overwogen dat na een moeizaam verlopen behandeling, het afgelopen jaar een positieve ontwikkeling gaande is binnen de behandeling van betrokkene. Betrokkene is na incidenten sneller in staat zich te herstellen en beter in de samenwerking met het behandelteam. De verwachting is dat de zorggroep ’t Achterhuus passende zorg en begeleiding kan bieden die aansluit bij de hulpvraag van betrokkene.

Uit de adviesrapporten van VNN van 25 november 2016 en van de psychiater van 9 december 2017 komt naar voren dat betrokkene sinds 17 mei 2016 bij Zorggroep 't Achterhuus verblijft en dat hij ook daar overwegend positieve ontwikkelingen laat zien. Daarbij moet de kanttekening worden gemaakt dat betrokkene op 23 en 30 juli 2016 een terugval in middelengebruik heeft gehad, waarover hij pas na een urinecontrole openheid van zaken heeft gegeven. Na deze terugval heeft betrokkene op eigen verzoek van 4 augustus tot 10 augustus in de Pompekliniek verbleven om tot rust te komen. Mede als gevolg van deze terugval is een wijziging in zijn medicatie aangebracht waardoor betrokkene sindsdien minder onrust en spanningen ervaart en de zucht naar middelen minder aanwezig is. Na de terugval heeft hij zich hersteld en de positieve lijn opnieuw opgepakt. Betrokkene houdt zich aan de voorwaarden en stelt zich begeleidbaar op. De urinecontroles zijn sinds de terugval schoon geweest.

Betrokkene combineert halve dagen werken in het tuinonderhoud met dagelijks sporten, hetgeen er - naast de medicatie - aan bijdraagt zijn gevoelens van onrust te verminderen. VNN toont zich over het geheel genomen tevreden over het verloop van het traject en acht het van belang dat betrokkene deze ontwikkelingen voortzet en zich aan de hand van het op te stellen begeleidingsplan voorbereidt op het zelfstandig wonen met ambulante begeleiding. Het streven is om de verdere resocialisatie van betrokkene vorm te geven door hem, afhankelijk van de verdere progressie in zijn traject, in de loop van 2017 stapsgewijs te laten uitstromen richting eigen huisvesting.

Ter terechtzitting van 24 januari 2017 heeft de deskundige Van Heuveln het advies van VNN nader toegelicht en aangevuld met de ontwikkelingen in de periode tussen het opmaken van het rapport - in november 2016 - en de terechtzitting. Zij heeft onder meer naar voren gebracht dat betrokkene ondanks een stressvolle maand in december zich staande heeft gehouden en dat de frequentie van middelencontroles verder is afgebouwd.

Indien de maatregel wordt verlengd zal hij in 2017 in grote mate zelf de regie krijgen over zijn verdere resocialisatie- en uitstroomtraject, waarbij zal worden gemonitord of betrokkene, ook als hij met steeds meer nieuwe vrijheden te maken krijgt, stabiel blijft functioneren. Betrokkene heeft vooralsnog bedenktijd gevraagd voor de keuze van zijn toekomstige zelfstandige woonplek.

Zowel de psychiater als VNN is van oordeel dat het recidiverisico in de huidige situatie, met begeleiding, behandeling en toezicht, laag is. Wel is betrokkene in verhoogde mate afhankelijk van steun van anderen en wordt, bij het wegvallen van deze steun, de kans op recidive ingeschat als matig tot hoog, omdat vermoedelijk de spanningen zullen toenemen, waardoor een verhoogde kans zal ontstaan op middelengebruik met daarbij agressie en/of het plegen van wervingsdelicten. De deskundigen adviseren daarom de termijn van de terbeschikkingstelling met één jaar te verlengen en de huidige behandeling, begeleiding en het toezicht voort te zetten. Daarbij wordt met name het vermogen van betrokkene om abstinent te blijven van alcohol en drugs van groot belang geacht voor het slagen van het resocialisatietraject en voor de inschatting van het recidiverisico. Om de uitstroom naar eigen huisvesting goed te kunnen vormgeven adviseert VNN voorts twee aanvullende voorwaarden op te leggen die erop neerkomen dat betrokkene, indien hij zelfstandig woont, meewerkt aan ambulante woonbegeleiding en dat hij niet zonder toestemming van de reclassering verhuist.

2 Het oordeel van de rechtbank

2.1.

De maximale termijn van de maatregel

Met betrekking tot de maximale termijn van de maatregel heeft de rechtbank in haar beslissing van 16 februari 2016 reeds overwogen dat er op grond van artikel 38e Sr. geen onduidelijkheid over kan bestaan dat een gemaximeerde maatregel op een TBS mét dwangverpleging ziet.

Voorts heeft de rechtbank op 11 mei 2016 beslist op de vordering tot voorwaardelijke beëindiging van de verpleging van overheidswege. In deze beslissing heeft de rechtbank naar aanleiding van een verzoek van de raadsman overwogen dat zij niet kon treden in de beoordeling van een gemaximeerde duur van de termijn van de voorwaardelijke beëindiging van de maatregel, omdat uit het wettelijk systeem volgt dat de beoordeling daarvan pas aan de orde kan komen bij de toetsing van een (eventuele) vordering tot verlenging van de maatregel. De beslissing van 11 mei 2016 betrof niet een beslissing op een dergelijke vordering.

Thans beslist de rechtbank wel op een vordering strekkende tot verlenging van de maatregel en kan de hiervoor bedoelde beoordeling dus plaatsvinden. In artikel 38j, tweede lid (oud), Sr. is bepaald dat de totale duur van de voorwaardelijke beëindiging van de verpleging negen jaar bedraagt. Gelet op deze wettelijke bepaling is naar het oordeel van de rechtbank deze maximale duur van de maatregel, ook voor betrokkene, een voorzienbaar gegeven geweest. Hetgeen hieromtrent op de terechtzittingen van respectievelijk 2 februari 2016, 11 mei 2016 en 24 januari 2017 door de verdediging is aangevoerd, leidt niet tot het oordeel dat de maximale duur van de maatregel in het onderhavige geval moet worden ingekort. Het voorgaande brengt mee dat de maximale duur van de maatregel nog niet is verstreken en dat het tijdsverloop niet aan verlenging van de maatregel in de weg staat.

2.2.

De beoordeling van de vordering

De rechtbank stelt voorop dat artikel 509t, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering in de weg staat aan onmiddellijke beëindiging van de maatregel, aangezien de verpleging van overheidswege op 17 mei 2016, derhalve nog niet gedurende een jaar beëindigd is. Gelet op de ondubbelzinnige tekst van artikel 38d, tweede lid, Wetboek van Strafrecht kan de rechtbank daarom slechts de maatregel met één of twee jaren verlengen. (Vgl. Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 11-09-2014, ECLI:NL:GHARL:2014:7023).

De rechtbank constateert dat betrokkene de twee jaar geleden ingezette positieve lijn, ook onder de recente spanning van moeilijke familieomstandigheden, voort weet te zetten en dat er in zijn behandeling en begeleiding duidelijk voortgang is en wordt geboekt. Betrokkene stelt zich begeleidbaar op, is minder snel gespannen dan voorheen, gaat indien nodig tijdig het gesprek aan met de begeleiding en is in staat voor zichzelf te zorgen.

In het licht van de hiervoor besproken adviesrapporten en de in raadkamer door de deskundige M. van Heuveln gegeven toelichting is de rechtbank echter van oordeel dat een onmiddellijke beëindiging van de maatregel ook inhoudelijk gezien prematuur zou zijn. Immers, het stabiele functioneren van betrokkene wordt onmiskenbaar steeds bestendiger, maar is tegelijkertijd nog fragiel te noemen, gelet op de terugval in middelengebruik die hij pas enkele maanden geleden heeft gehad. Daarnaast staan betrokkene betrekkelijk grote veranderingen te wachten - op het gebied van huisvesting en in de vormgeving van zijn nieuwe relatie - waarbij VNN het van belang acht te kunnen monitoren of betrokkene zich ook in die nieuwe omstandigheden staande weet te houden. Deze factoren, in samenhang bezien met de als matig tot hoog ingeschatte recidivekans in het geval de maatregel onmiddellijk zou worden beëindigd, brengen de rechtbank tot het oordeel dat de veiligheid van anderen en de algemene veiligheid van personen onverkort eisen dat de maatregel van terbeschikkingstelling wordt verlengd. De rechtbank acht het de aangewezen weg om - tenminste - gedurende het komende jaar, met behoud van het vangnet van de huidige maatregel, verder te werken aan een zorgvuldig gefaseerde uitstroom richting zelfstandig wonen met ambulante begeleiding en zal daarom de termijn van de maatregel met één jaar verlengen. Overeenkomstig het advies van VNN zal de rechtbank aanvullende voorwaarden opnemen ten einde de gewenste kaders voor vorenbedoelde uitstroom te faciliteren.

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 38d en 38e van het Wetboek van Strafrecht, alsmede de artikelen 509o, 509p, 509s en 509t van het Wetboek van Strafvordering.

Beslissing

De rechtbank:

- verlengt de termijn gedurende welke [betrokkene] voornoemd ter beschikking is gesteld, waarvan de verpleging van overheidswege onder voorwaarden is beëindigd, met één jaar;

- wijzigt de aan de terbeschikkingstelling verbonden voorwaarden aldus, dat daaraan als nieuwe voorwaarden worden toegevoegd:

- dat betrokkene niet verhuist zonder toestemming van de reclassering;

- dat, indien betrokkene zelfstandig woont, hij medewerking verleent aan ambulante (woon)begeleiding en indien geïndiceerd een poliklinisch behandelcontact.

Aldus gegeven door mr. S. Taalman, voorzitter, mrs. F. van der Maden en N.J.C. Monincx, rechters, in tegenwoordigheid van D.D. Drost als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 7 februari 2017.

Buiten staat

Mr. Taalman en mr. Monincx zijn niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.