Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2017:1421

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
15-03-2017
Datum publicatie
30-03-2017
Zaaknummer
C/08/183492 / HA ZA 16-97
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Hypotheek met beleggingsverzekering, betwisting ontvangst correspondentie, afwijzing beroep op verjaring, artikel 6:89 BW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/1653

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Almelo

zaaknummer / rolnummer: C/08/183492 / HA ZA 16-97

Vonnis van 15 maart 2017

in de zaak van

1 [A] ,

wonende te [woonplaats] ,

2. [B],

wonende te [woonplaats] ,

eisers,

advocaat mr. M.B. Bollen te Enschede,

tegen

1. naamloze vennootschap .

ING BANK N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

gedaagde,

advocaat mr. I.M.C.A. Reinders Folmer te Amsterdam,

2. naamloze vennootschap .

NATIONALE-NEDERLANDEN LEVENSVERZEKERING MAATSCHAPPIJ N.V.,

gevestigd te Rotterdam,

gedaagde,

advocaat mr. M.B.C. Kloppenburg te 's-Gravenhage.

Beide eisers samen zullen hierna ook worden aangeduid als [A] (in enkelvoud). Gedaagden zullen afzonderlijk ING en NN worden genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding,
    - de conclusie van antwoord zijdens ING,

  • -

    de conclusie van antwoord zijdens NN,

  • -

    de conclusie van repliek, tevens conclusie tot vermeerdering van eis,

  • -

    de conclusie van dupliek zijdens ING en

  • -

    een akte uitlating producties aan de zijde van [A] .

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

De volgende feiten zijn over en weer gesteld en niet betwist, zodat zij als vaststaand kunnen worden aangenomen.

2.2.

Sinds 1997 is [A] eigenaar van de woning aan de [adres] in [woonplaats] . De aankoop was gefinancierd met een bij de toenmalige Postbank afgesloten hypotheek.

2.3.

In 2004 wilde [A] dit huis verbouwen. Over de financiering daarvan heeft [A] gesproken met een hypotheekadviseur van de Postbank. Dit heeft geleid tot een offerte van de Postbank aan [A] van 28 september 2004 (verder aan te duiden als: de hypotheekofferte), inhoudende een hypothecaire geldlening in twee delen, namelijk:
- een ‘Postbank Maatwerkhypotheek’ van € 87.490,92 (‘leningdeel 1’), en
- een ‘Postbank Aflossingsvrije hypotheek’ van € 110.509,08 (‘leningdeel 2’).

2.4.

Op 30 september 2004 heeft [A] deze hypotheekofferte voor akkoord getekend. Deze aangeboden ‘Maatwerkhypotheek’ was een aflossingsvrije hypotheek in combinatie met een kapitaalverzekering. Het ging daarbij om een levensverzekering op de levens van [A] en van zijn echtgenote mevrouw [B] (eiseres sub 2). Deze verzekering zou worden afgesloten bij de toenmalige Postbank Levensverzekering N.V.

2.5.

Een offerte voor zo’n bijbehorende beleggingsverzekering had [A] van Postbank Levensverzekering N.V. reeds ontvangen op 4 augustus 2004. Op
12 augustus 2004 heeft [A] een door hem en door [B] ondertekend aanvraagformulier voor een beleggingsverzekering ingestuurd.

2.6.

Uit de verzekeringspremies zou een kapitaal worden opgebouwd, dat was bestemd voor de aflossing van leningsdeel 1 (de Maatwerkhypotheek) aan het einde van de looptijd van beide leningen van 30 jaar. Het aanvraagformulier vermeldt hierover onder meer het volgende:
Premieverdeelsleutel
Uw inleg wordt gebruikt voor de aankoop van participaties in de Postbank Verzekeringen beleggingsfondsen. U heeft gekozen voor de volgende premieverdeelsleutel:
Nederlands Fonds 100%
Wanneer voor een fonds wordt gekozen, moet minimaal 10% in dat fonds belegd zijn. In alle fondsen samen moet 100% belegd zijn.”

2.7.

Bij overlijden van [A] of van zijn echtgenote gedurende de looptijd van de Maatwerkverzekering zou een uitkering worden gedaan van € 100.000,- of
(bij een gunstige kapitaalopbouw) van € 110.000,-.

2.8.

Op 14 december 2004 hebben [A] en [B] een nieuw aanvraagformulier ondertekend en ingediend, naar aanleiding van een wijziging waarbij de bruto premie zo werd aangepast dat een hoge aanvangspremie verviel, waartegenover de maandelijks te betalen premie werd verhoogd. Op basis van dat formulier is op 23 december 2004 de polis afgegeven.

2.9.

De aangevraagde hypotheek is op 22 oktober 2004 gevestigd op de woning aan de [adres] in [woonplaats] . [A] heeft van 2004 tot eind 2012 de overeengekomen rente en verzekeringspremies betaald.

2.10.

ING is de rechtsopvolgster van Postbank NV. NN is de rechtsopvolgster van Postbank Levensverzekering N.V.

3. De vordering

3.1.

In aanvulling op deze onbetwiste feiten heeft [A] het volgende gesteld.

3.2.

Op 12 juni 2013 ontving [A] van NN een brief, waaruit bleek dat in de visie van NN voor de kapitaalsopbouw in de Maatwerkverzekering was gekozen voor (riskant) beleggen in beleggingsfondsen en dus niet voor (risicovrij) sparen. In de desbetreffende brief is uitdrukkelijk sprake van een ‘beleggingsverzekering’. NN waarschuwde in die brief dat de ‘beleggingsverzekering’ aanzienlijk achterbleef bij het verwachte rendement, en dat een reële kans bestond dat deze verzekering helemaal geen waarde meer zou vertegenwoordigen op het moment, waarop deze aan het einde van de looptijd tot uitkering zou moeten komen.

3.3.

Dit bericht kwam voor [A] als een donderslag bij heldere hemel. Hij was er tot op dat moment van uitgegaan dat hij na 30 jaren door besparingen uit betaalde verzekeringspremies een eindkapitaal van € 87.500,- zou hebben opgebouwd.

3.4.

Na schriftelijk debat tussen partijen over het voorgaande heeft [A] zowel NN als ING in rechte op 25 februari 2016 doen dagvaarden op basis van de volgende stellingen. Postbank Levensverzekering en NN hebben hem niet, althans onvoldoende, geïnformeerd over de verschillende mogelijkheden van kapitaalopbouw in een kapitaalverzekering, over de in dit geval gekozen wijze van kapitaalopbouw en over de financiële risico’s, die zijn verbonden aan kapitaal opbouw door middel van beleggen.

3.5.

[A] neemt primair het standpunt in dat hij heeft gedwaald omtrent de bij (de rechtsvoorganger van) NN afgesloten kapitaalvoorziening. Subsidiair stelt [A] , dat zowel ING als NN toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de door hen zowel in de precontractuele als in de contractuele fase op hen rustende verplichtingen jegens [A] , waaronder de zorgplicht als bedoeld in artikel 7:401 BW, althans dat zij onrechtmatig jegens [A] hebben gehandeld.

3.6.

Het gaat daarbij (mede) om de volgende feiten en omstandigheden. [A] heeft indertijd weliswaar ingestemd met de offerte van de Maatwerkverzekering, maar hem is toen, in afwijking met de toen geldende regelgeving, geen Financiële Bijsluiter verstrekt met informatie over de af te sluiten transactie. Zo’n bijsluiter is toen ook niet met hem besproken. Indien de inhoud van zo’n bijsluiter dient te worden aangemerkt als een verzameling algemene voorwaarden, roept [A] de nietigheid daarvan in.

3.7.

Noch uit de ondertekende offerte, noch uit de tekst van een Financiële Bijsluiter zoals NN in dit geding heeft overgelegd, valt af te leiden dat [A] heeft gekozen voor kapitaalopbouw door middel van beleggen.

3.8.

Indien en voor zover NN zich er in dit geding op beroept dat zij de Maatwerkverzekering op enig moment in 2013 eenzijdig heeft beëindigd, betwist [A] dat die beëindiging schriftelijk aan hem is bevestigd.

3.9.

Uit de door ING en NN overgelegde bescheiden blijkt ook niet dat partijen hebben gesproken over, laat staan overeenstemming hebben bereikt over het afsluiten en de kosten van een overlijdensrisicoverzekering, noch omtrent andere door NN in rekening gebrachte kosten.

3.10

Ook andere stukken, waarop NN en/of ING zich beroepen, heeft [A] nooit ontvangen, zoals een Financiële Bijsluiter, behorende bij de ‘Postbank Combinatie- hypotheekverhoging’, een Financiële Bijsluiter voor de ‘Postbank Maatwerkverzekering’, de polis van de ‘Maatwerkverzekering’ en de daarbij behorende polisvoorwaarden, de overzichten (brieven) van de waardeontwikkeling van het kapitaal vanaf 2006 tot en met 2012, (een) betalingsherinnering(en) in verband met premie-achterstand en een bericht tot beëindiging van de verzekering wegens betalingsachterstand.

3.11.

Nu [A] niet in het bezit is gesteld van een Financiële Bijsluiter en ook niet van de polisvoorwaarden, moet worden vastgesteld dat NN en/of ING niet hebben voldaan aan de voor hen uit artikel 2 lid 2 RIAV 1998 voortvloeiende verplichtingen.

3.12.

De vorderingen van [A] zijn niet verjaard, en ook artikel 6:89 BW is niet van toepassing, omdat [A] er niet eerder dan in 2013 van op de hoogte is geraakt dat NN en/of ING mogelijk in de nakoming van hun verplichtingen zijn tekortgeschoten.

3.13.

[A] heeft als gevolg van een en ander schade geleden, waarvan hij in dit geding vergoeding vordert, te vermeerderen met incassokosten en proceskosten. Op grond van het voorgaande vordert [A] , na eiswijziging, om:

I.
Primair voor wat NN betreft:

voor recht te verklaren dat [A] gedwaald heeft omtrent de bij NN afgesloten

kapitaalverzekering;

Subsidiair voor wat NN betreft:

voor recht te verklaren dat NN toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de op

haar rustende verplichtingen in de precontractuele en/of contractuele fase, althans

onrechtmatig jegens [A] heeft gehandeld;

Voor wat ING betreft:

voor recht te verklaren dat ING toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de op

haar rustende verplichtingen in de precontractuele en/of contractuele fase, althans dat zij

onrechtmatig jegens [A] heeft gehandeld,

II.
Primair voor wat NN betreft:

de gevolgen van de overeenkomst te wijzigen in die zin dat NN wordt veroordeeld om binnen veertien dagen na betekening van het in dezen te wijzen vonnis aan [A] te betalen een bedrag ad € 78.452,06, althans een bedrag ad € 45.047,54, althans een door de rechtbank nader te bepalen bedrag;

Subsidiair wat NN betreft en voor wat ING betreft:

NN en ING hoofdelijk, des de ene betalende de andere zal zijn gekweten, te veroordelen om

binnen veertien dagen na betekening van het in dezen te wijzen vonnis aan [A] te

betalen een bedrag ad € 78.452,06, althans een bedrag ad € 45.047,54, althans een door de

rechtbank nader te bepalen bedrag;

III.
zowel primair als subsidiair NN en ING hoofdelijk, des de ene betalende de andere zal zijn gekweten, te veroordelen om binnen veertien dagen na betekening van het in dezen te wijzen vonnis aan [A] te betalen een bedrag ad € 1.887,02 aan buitengerechtelijke kosten, althans een door de rechtbank nader te bepalen bedrag;

IV.
zowel primair als subsidiair NN en ING te veroordelen in de kosten van dit geding, waaronder de nakosten ad € 131,00 zonder betekening en € 199,00 in geval van betekening, met veroordeling van NN en ING in de wettelijke rente over de uit te spreken kostenveroordeling, indien en voor zover betaling van de proceskostenveroordeling niet binnen twee dagen na betekening van dit vonnis heeft plaatsgevonden.

4 Het verweer

4.1.

Jegens NN beroept [A] zich primair op dwaling bij het afsluiten van de Maatwerkverzekering, en subsidiair op schending van een zorgplicht, dan wel op wanprestatie in de nakoming van die verzekeringsovereenkomst.
Jegens ING beroept [A] zich op schending van haar zorgplicht (volgens de stellingen van [A] ) in de precontractuele en/of de contractuele fase als tussenpersoon dan wel bemiddelaar, althans op onrechtmatig handelen jegens [A] .

4.2.

ING en NN hebben de op ieder van hen betrekking hebbende vorderingen gemotiveerd betwist. Omdat hun standpunten niet onderling uiteenlopen en grotendeels berusten op dezelfde feiten en juridische verweren, zal de rechtbank hun stellingen met elkaar gecombineerd weergeven als volgt.

4.3.

Gedaagden hebben benadrukt dat de Maatwerkhypotheek een in beginsel aflossingsvrije hypotheek is, gekoppeld aan een verpande verzekering als zekerheid voor de bank. Het gaat hier om een niet-ongebruikelijke, begrijpelijke en geoorloofde constructie.

Feiten

4.4.

De door [A] aan zijn vorderingen ten grondslag gelegde uiteenzetting van de relevante feiten is onvolledig en deels onjuist, dan wel niet of onvoldoende onderbouwd. Zo zou [A] tijdens een bespreking met een hypotheekadviseur van Postbank op diens kantoor uitdrukkelijk hebben gezegd dat hij na afloop van de looptijd van 30 jaar van de hypothecaire geldlening een gegarandeerd eindkapitaal wenste te hebben van € 87.500,-. ING betwist dat bij gebrek aan wetenschap. Een verslag van dat gesprek is niet meer voorhanden. De op zo’n verslag toepasselijke beperkte bewaarplicht van zeven jaren (artikel 2:10 BW) is verstreken.

4.5.

Begin augustus 2004 diende [A] met het oog op de door hem gewenste hypotheekverhoging een aanvraag in voor een Maatwerkverzekering. Op 6 augustus 2004 bracht Postbank een dienovereenkomstige offerte uit. De begeleidende brief vermeldde onder meer:
“Voor dit product is een ‘financiële bijsluiter’ opgesteld met informatie over het product, de kosten en de risico’s. De financiële bijsluiter treft u hierbij aan. Leest u dit document zorgvuldig voordat u het product afsluit.
Als u akkoord gaat met de offerte, stuurt u dan het getekende aanvraagformulier, tezamen met een eventueel gevraagde gezondheidsverklaring, naar ons terug in de bijgaande antwoordenvelop.”

4.6.

De offerte vermeldde uitdrukkelijk dat de door [A] in te leggen verzekeringspremies volledig geïnvesteerd zouden worden in beleggingen. Onder het kopje ‘Premieverdeelsleutel’ staat: “100% Nederlands Fonds”. De offerte vermeldt voorts dat voor het met de Maatwerkverzekering nagestreefde doelkapitaal van € 84,492,02 een fondsrendement van 8% behaald zou moeten worden, en dat dit rendement door de verzekeraar niet werd gegarandeerd.

4.7.

Op 12 augustus 2004 heeft [A] het door de verzekeraar meegestuurde aanvraagformulier ingevuld en ondertekend geretourneerd. Daarin staat onder meer:
“Doelkapitaal: € 84.492,02
(…)
Dekking bij leven: Bij in leven zijn van de verzekerden op 20 augustus 2034 komt de opgebouwde fondswaarde tot uitkering.
PREMIEVERDEELSLEUTEL

Uw inleg wordt gebruikt voor de aankoop van participaties in de Postbank Verzekeringen beleggingsfondsen. U hebt gekozen voor de volgende premieverdeelsleutel:
Nederlands Fonds 100%”

4.8.

Op 28 september 2004 bracht Postbank aan [A] een offerte uit betreffende een hypotheekverhoging met twee leningdelen. De offerte vermeldt bij leningdeel 1 onder meer: “De leensom van € 87.490,92 zal worden verrekend met de uitkering van de aan ons verpande polis(sen). Een eventueel restant zal ineens (behoudens de mogelijkheid tot verlenging) worden terugbetaald na 360 maanden (…)” Reeds hieruit blijkt dat geen gegarandeerd eindkapitaal is overeengekomen zoals [A] heeft gesteld. Als dat zo was, zou geen sprake zijn van een ‘eventueel restant’ zoals voormeld.

4.9.

De verzekeringspolis van de maatwerkverzekering is door de verzekeraar aan afgegeven op 23 december 2004. Daarin staat onder meer:
Premieverdeelsleutel
Postbank Verzekeringen
Fondsen: Nederlands Fonds 100%”

4.10.

Vanaf 2006 heeft [A] jaarlijks overzichten ontvangen betreffende de waardeontwikkeling van de polis. Al in het waarde-overzicht over 2007, dat aan [A] werd verstuurd op 29 februari 2008, stond uitdrukkelijk dat het ging om ‘uw beleggingsverzekering’. Deze brief vermeldt ook onder meer: “Hoeveel heeft u in 2007 verdiend op de beleggingen (resultaat)? (…)
En wat is nu de waarde van de beleggingen (…)?
De antwoorden op deze vragen staan in deze tabel.(…)
In deze tabel laten we de volgende informatie zien:
Beleggingsgedeelte: hoeveel participaties u aan het eind van december 2006 had. Hoeveel participaties u nu heeft. Wat de koers van de participaties aan het einde van de periode is. En hoeveel de beleggingen nu waard zijn.”

4.11.

Wat het spaargedeelte betreft (waarvan de waarde zou zijn opgebouwd via het Hypotheek rente Fonds) is op alle desbetreffende plaatsen in de tabel ‘N.V.T.’ genoteerd, omdat [A] bij het aangaan van de Maatwerkverzekering had gekozen voor beleggen, en juist niet voor sparen.

4.12.

De brief bevat verder een toelichting. Enkele voor dit geding relevante passages daarin luiden als volgt:
“Omdat u via uw verzekering belegt, zijn de uitkomsten op de einddatum onzeker. (…)
Indien u wilt voorkomen dat u uw hypotheek op de einddatum niet geheel kunt aflossen, dan raden wij u aan om de ontwikkeling van de waarde van uw beleggingen in de komende jaren nauwlettend te volgen en deze waarde te vergelijken met het doelkapitaal. Wij sturen u jaarlijks een overzicht (…)
Het kan zijn dat de waarde van uw beleggingen op de einddatum niet voldoende is om de hypothecaire lening in zijn geheel af te lossen. Er zal dan een restschuld overblijven.”

4.13.

Alle aan [A] toegezonden jaaroverzichten over 2006, 2007, 2008, 2009 en 2010 bevatten de hiervoor in r.o. 4.10, 4.11 en 4.12 geciteerde teksten.

4.14.

Op 10 november 2011 stuurde de verzekeraar aan [A] een brief, die zakelijk inhield dat in de Maatwerkverzekering was gekozen voor (riskant) beleggen in beleggingsfondsen en dus niet voor (risicovrij) sparen. NN waarschuwde in die brief dat de afgesloten ‘beleggingsverzekering’ aanzienlijk achterbleef bij het verwachte rendement, en dat een reële kans bestond dat deze verzekering helemaal geen waarde meer zou vertegenwoordigen op het moment, waarop deze aan het einde van de looptijd tot uitkering zou moeten komen.
4.15. Deze brief was qua inhoud en strekking gelijkluidend aan de in de dagvaarding en hiervoor in r.o. 3.2 deels weergegeven brief van NN aan [A] d.d. 12 juni 2013.

4.16.

Vanaf eind 2012 ontstond een achterstand in de premiebetaling. NN heeft [A] daarover in februari en maart 2013 gerappelleerd. In de brief van 5 februari 2013 heeft NN erop gewezen dat bij uitblijven van premiebetaling de verzekering premievrij zou worden gemaakt of zou worden beëindigd door de afkoopwaarde ter beschikking te stellen.

4.17.

In 2013 heeft NN de verzekering beëindigd en het daarin opgebouwde kapitaal in mindering gebracht op leningdeel 1 van de Maatwerkhypotheek. NN was daartoe bevoegd op grond van de artikelen 18.3 en 18.5 van de polisvoorwaarden.

Verweren

4.18.

[A] beroept zich op gebreken in de door gedaagden verrichte prestaties, maar hij heeft dat niet gedaan binnen bekwame tijd nadat hij die gebreken had ontdekt of redelijkerwijs had moeten ontdekken in de zin van artikel 6:89 BW.
4.19. Immers, [A] had zijn bezwaren tegen (kort gezegd) de in de stukken vermelde methode van kapitaalopbouw door middel van beleggen veel eerder kunnen ontdekken dan (pas) in de brief van NN d.d. 12 juni 2013, dat wil zeggen meer dan zeven jaar na het afsluiten van de Maatwerkhypotheek en Maatwerkverzekering. [A] dient daarom in zijn vorderingen niet-ontvankelijk te worden verklaard.

4.20.

Op grond van |artikel 3:52 sub c BW is het beroep op dwaling van [A] bovendien verjaard binnen drie jaren nadat de dwaling was ontdekt. Deze termijn was verstreken ten tijde van de aansprakelijkstelling van gedaagden door [A] .

4.21.

Het beroep op dwaling moet worden verworpen. Gedaagden hebben geen onjuiste of onvolledige informatie verstrekt, en gezien de consistente inhoud van de verscheidene documenten, waarin [A] is geïnformeerd over de inhoud en strekking van de afgesloten overeenkomsten en waarin telkens werd vermeld dat kapitaalopbouw zou plaatsvinden door de ingelegde premies te beleggen, kan niet in redelijkheid worden gezegd dat [A] op dat punt een onjuiste voorstelling van zaken heeft gekregen, althans niet als gevolg van aan gedaagden toe te rekenen onzorgvuldig handelen of nalaten.

4.22.

Er is ook geen sprake van toerekenbaar tekortschieten van één of van beide gedaagden. Zij hebben aan alle wettelijke informatieverplichtingen voldaan overeenkomstig de ten tijde van de totstandkoming van de overeenkomsten geldende wetten en regelingen. Voor gedaagden golden en gelden geen andere informatieplichten dan welke voortvloeien uit de ten tijde van de contractsluiting geldende wet- en regelgeving.

4.23.

Gedaagden hebben ook niet gehandeld in strijd met een of meer op hen rustende algemene of bijzondere zorgplichten. Partijen hebben overeenkomsten van geldlening en van levensverzekering gesloten en geen overeenkomst van opdracht, zodat [A] ten onrechte beroept op de in artikel 7:401 BW genoemde zorgplicht.

4.24.

[A] verwijst voorts weliswaar naar jurisprudentie over een bijzondere zorgplicht van financiële dienstverleners (zoals ook ING), maar gaat er aan voorbij dat die rechtspraak betrekking heeft op een bijzondere en vergaande zorgplicht in verband met risico’s van handel in opties en lease van effecten, dat wil zeggen beleggen met geleend geld. In dit geval was daarvan geen sprake. Slechts de betaalde verzekeringspremies werden (na aftrek van kosten) belegd.

4.25.

Er is geen causaal verband tussen de aan gedaagden verweten gedraging(-en) en de gestelde schade. Gedaagden betwisten de door [A] gevorderde schadebedragen.

5 De beoordeling

5.1.

Voor de beoordeling van de door gedaagden aangevoerde prealabele verweren met betrekking tot de klachtplicht en de verjaring, dient de rechtbank eerst vast te stellen welke schriftelijke correspondentie [A] sedert het begin van de onderhandelingen tussen partijen (omstreeks begin augustus 2004) van gedaagden en hun rechtsvoorgangers heeft ontvangen, dan wel geacht moet worden te hebben ontvangen.

5.2.

[A] stelt, althans betwist niet, dat partijen in en na 2004 met elkaar hebben gecorrespondeerd door middel van de in dit geding overgelegde stukken van gedaagden:
a: een ‘Samenvatting Postbank Maatwerkverzekering’ d.d. 6 augustus 2004, met offertenummer 2044402443,
b: het door [A] en [B] ingevulde en op 12 augustus 2004 ondertekende aanvraagformulier voor een Maatwerkverzekering,
c: de offerte d.d. 28 september 2004 van een Combinatiehypotheekverhoging,
d. het door [A] en [B] ingevulde en op 14 december 2004 ondertekende aanvraagformulier voor een Maatwerkverzekering, en
e: een brief van NN aan [A] d.d. 12 juni 2013, onder meer inhoudende dat voor de kapitaalsopbouw in de Maatwerkverzekering was gekozen voor (riskant) beleggen in beleggingsfondsen en dus niet voor (risicovrij) sparen.

5.3.

[A] ontkent dat hij de volgende (door gedaagden overgelegde) stukken heeft ontvangen:
f: de polis van de ‘Maatwerkverzekering’,
g: de bij die verzekering behorende polisvoorwaarden,
h tot en met m: jaarlijkse overzichten (brieven) van de waardeontwikkeling van het verzekerde kapitaal over de jaren 2006 tot en met 2012,
n: een betalingsherinnering in verband met premie-achterstand, en
o:. een schriftelijke bevestiging, dat NN de Maatwerkverzekering op enig moment in 2013 heeft beëindigd.

5.4.

De rechtbank laat in deze discussie verder buiten beschouwing de in de stukken genoemde ‘gepersonaliseerde financiële bijsluiters’ bij de Postbank Combinatiehypotheekverhoging en bij de offerte van de Maatwerkverzekering, aangezien [A] ontkent zulke stukken te hebben ontvangen en gedaagden geen op naam van [A] en [B] gestelde (‘gepersonaliseerde’) financiële bijsluiters overgelegd.

5.5.

De hiervoor in r.o. 5.2 genoemde stukken sub a, b, c, d en e vermelden telkens de namen en het tot op heden ongewijzigd gebleven adres van [A] aan de [adres] in [woonplaats] . [A] heeft de ontvangst van die stukken erkend, althans niet betwist.

5.6.

Ook de in r.o. 5.3 genoemde onder h tot en met o genoemde stukken vermelden telkens dezelfde tenaamstelling en adressering. [A] biedt geen verklaring voor de door hem gestelde omstandigheid, dat hij de in 5.2 genoemde stukken wel heeft ontvangen, maar de in r.o. 5.3 sub h tot en met o opgesomde documenten niet. De stukken h tot en met m hebben allemaal betrekking op de periode, gedurende welke [A] daadwerkelijk rente en premie betaalde voor de onderhavige Maatwerkhypotheek en Maatwerkverzekering.

5.7.

Dat [A] van 2004 tot en met 2012 wel steeds rente en premies heeft betaald maar niet, zoals hij stelt, de bij die hypotheek en verzekering behorende correspondentie heeft ontvangen, beschouwt de rechtbank als ongeloofwaardig, ook omdat [A] zijn stellingen op dit punt niet heeft onderbouwd en dus kennelijk niet kan verklaren waarom hij van gedaagden verscheidene documenten wel, maar een groot aantal andere brieven, die van dezelfde naam en adressering waren voorzien, niet heeft gekregen.

5.8.

Daarom oordeelt de rechtbank, dat [A] geacht moet worden alle hiervoor in r.o. 5.2 en 5.3 opgesomde stukken te hebben ontvangen.
5.9. In al die stukken, met name ook in de hiervoor in de rechtsoverwegingen 2.3 tot en met 2.8 genoemde documenten uit 2004 waarvan [A] de ontvangst niet heeft betwist, heeft [A] kunnen lezen dat het kapitaal zou worden opgebouwd door middel van beleggingen.

5.10.

Bovendien heeft [A] vanaf 2006 jaarlijks overzichten ontvangen betreffende de waardeontwikkeling van de polis. Al in het waarde-overzicht over 2007, dat aan [A] werd verstuurd op 29 februari 2008, stond uitdrukkelijk dat het ging om ‘uw beleggingsverzekering’. Deze brief vermeldt ook onder meer: “Hoeveel heeft u in 2007 verdiend op de beleggingen (resultaat)? (…)
En wat is nu de waarde van de beleggingen (…)?
De antwoorden op deze vragen staan in deze tabel.(…)
In deze tabel laten we de volgende informatie zien:
Beleggingsgedeelte: hoeveel participaties u aan het eind van december 2006 had. Hoeveel participaties u nu heeft. Wat de koers van de participaties aan het einde van de periode is. En hoeveel de beleggingen nu waard zijn.”

5.11.

Wat het spaargedeelte betreft (waarvan de waarde zou zijn opgebouwd via het Hypotheek rente Fonds) is op alle desbetreffende plaatsen in de tabel ‘N.V.T.’ genoteerd, omdat [A] bij het aangaan van de Maatwerkverzekering had gekozen voor beleggen, en juist niet voor sparen.

5.12.

Deze brief van 29 februari 2008 bevat verder een toelichting. Enkele voor dit geding relevante passages daarin luiden als volgt:
“Omdat u via uw verzekering belegt, zijn de uitkomsten op de einddatum onzeker. (…)
Indien u wilt voorkomen dat u uw hypotheek op de einddatum niet geheel kunt aflossen, dan raden wij u aan om de ontwikkeling van de waarde van uw beleggingen in de komende jaren nauwlettend te volgen en deze waarde te vergelijken met het doelkapitaal. Wij sturen u jaarlijks een overzicht (…)
Het kan zijn dat de waarde van uw beleggingen op de einddatum niet voldoende is om de hypothecaire lening in zijn geheel af te lossen. Er zal dan een restschuld overblijven.”

5.13.

Uit de in de hiervoor geciteerde passages uit deze brief valt redelijkerwijs geen andere gevolgtrekking te maken, dan dat het beoogde kapitaal werd opgebouwd door belegging van betaalde premies en dat het bereiken van het doelkapitaal daarmee niet gegarandeerd was. Door de ontvangst van deze brief heeft [A] kunnen ontdekken dat hij, zoals hij primair heeft gesteld, in dwaling heeft verkeerd omtrent de inhoud en strekking van de door hem afgesloten verzekeringsovereenkomst.

5.14.

Vanaf dat moment is de verjaringstermijn van drie jaren aangevangen ex artikel 3:52 BW. Er van uitgaande dat [A] de brief enkele dagen na de verzenddatum ontving, kan de aanvang van de verjaringstermijn redelijkerwijs worden gesteld op uiterlijk een week later, dus op 7 maart 2008. Die termijn is drie jaar later verstreken. Aangezien [A] de gedaagden vervolgens pas heeft doen aanschrijven in de loop van 2013 was de verjaringstermijn toen al verlopen, zodat het beroep op verjaring reeds hierom faalt en de op dit beroep gebaseerde primaire vorderingen van [A] moeten worden afgewezen.

5.15.

De subsidiaire vorderingen van [A] berusten op de stelling, dat gedaagden toerekenbaar tekort zijn geschoten in de nakoming van de op hen rustende verplichtingen in de precontractuele en/of contractuele fase, althans dat gedaagden onrechtmatig jegens [A] hebben gehandeld, doordat zij (zakelijk samengevat) [A] niet in het bezit hebben gesteld van een Financiële Bijsluiter bij de Maatwerkverzekering, noch van de polis, noch van de polisvoorwaarden. Daarom moet worden vastgesteld, aldus [A] , dat NN en/of ING niet hebben voldaan aan de voor hen uit artikel 2 lid 2 RIAV 1998 voortvloeiende verplichtingen.

5.16.

Deze vordering moet worden gekwalificeerd als een beroep op gebreken in de door gedaagden aan [A] te leveren contractuele prestaties in de zin van artikel 6:89 BW. Van een daarvan feitelijk dan wel juridisch te onderscheiden onrechtmatige daad van gedaagden jegens [A] valt in diens feitelijke stellingen niets te lezen.

5.17.

Artikel 6:89 BW is dus van toepassing. Gedaagden stellen dat [A] geen beroep meer op de door hem bedoelde gebreken in de prestaties kan doen, omdat hij niet bij gedaagden heeft geprotesteerd binnen bekwame tijd nadat hij het gebrek had ontdekt of redelijkerwijs had moeten ontdekken, zoals artikel 6:89 BW voorschrijft.

5.18.

Ook hier oordeelt de rechtbank dat [A] na kennisneming van voormelde brief van 29 februari 2008 (welke brief hij geacht moet worden te hebben ontvangen) over voldoende informatie beschikte om een aanspraak tegen gedaagden geldend te maken. Hij heeft dat vervolgens echter pas gedaan bij dagvaarding van 25 februari 2016, en dus niet binnen bekwame tijd in de zin van artikel 6:89 BW.

5.19.

Omdat alle vorderingen worden afgewezen, dienen [A] en [B] hoofdelijk te worden verwezen in de proceskosten.

6 De beslissing

De rechtbank:

6.1.

Wijst de vorderingen af.

6.2.

Veroordeelt [A] en [B] hoofdelijk in de kosten van deze procedure,
- aan de zijde van ING begroot op € 1.929,- voor verschotten (griffierecht) en op € 1.788,- voor salaris van haar advocaat (Tarief IV, twee punten), en
- aan de zijde van NN begroot op € 1.929,- voor verschotten (griffierecht) en op € 894,- voor salaris van haar advocaat (Tarief IV, één punt).

6.3.

Verklaart deze proceskostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. W.K.F. Hangelbroek en in het openbaar uitgesproken op 15 maart 2017.