Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2017:1411

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
16-03-2017
Datum publicatie
30-03-2017
Zaaknummer
C/08/196107 / HA RK 17-1
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Statutair bestuurder na ontslagbesluit met onmiddellijke ingang van AVA te laat met indiening vorderingen. Vervaltermijnen art.7:686a BW

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JONDR 2017/766
AR 2017/1640
RO 2017/58
AR-Updates.nl 2017-0387
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Almelo

zaaknummer / rekestnummer: C/08/196107 / HA RK 17-1

Beschikking van 16 maart 2017

in de zaak van

[A] ,

wonende te [woonplaats]

verzoeker, hierna te noemen; [A] ,

advocaat mr. F. Kolkman te Almelo,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

VINUS VITA B.V.,

gevestigd te Almelo, kantoorhoudende te Vasse,

verweerster, hierna te noemen Vinus Vita,

advocaat mr. Z. Alkan te Almelo.

1 De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het verzoekschrift van 30 december 2016, ingekomen op 2 januari 2017

  • -

    het verweerschrift van 1 februari 2017,

  • -

    de mondelinge behandeling en de daarbij gehanteerde pleitnota’s

2 De feiten

2.1.

[A] , geboren op [datum] te [geboorteplaats] , is op 1 maart 2000 in dienst getreden bij Vinus Vita in de functie van Statutair bestuurder. Hij was laatstelijk werkzaam tegen een bruto maandsalaris van € 7.686,27 exclusief 8% vakantietoeslag.

[A] is met Vinus Vita een arbeidsovereenkomst aangegaan. Daarnaast bezit [A] ook aandelen in Vinus Vita.

2.2.

Tussen partijen zijn verschillen van inzicht ontstaan met betrekking tot de wijze waarop inhoud dient te worden gegeven aan de functie van [A] .

2.3.

Na een eerdere aandeelhoudersvergadering op 22 april 2016 is [A] op een aandeelhoudersvergadering van 22 juli 2016 met onmiddellijke ingang ontslagen

3 Het geschil

Het verzoek

3.1.

[A] verzoekt bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad:

Primair:

I. Vinus Vita te veroordelen tot doorbetaling van het reguliere salaris van € 7.686,00.

bruto per maand te vermeerderen met 8 % vakantiegeld, vanaf 22 juli 2016 tot het

moment dat de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig is geëindigd, beide te vermeerderen

met de wettelijke verhoging van 50 %, althans een door uw Rechtbank in goede

justitie te bepalen verhoging, telkens per maand verschuldigd en dat alles vermeerderd

met de wettelijke rente vanaf heden (en wat betreft de nog te verschijnen termijnen

vanaf het moment van opeisbaarheid) tot aan de dag der algehele betaling;

Subsidiair:

I. Vinus Vita te veroordelen aan [A] te voldoen het brutosalaris vanaf 22 juli 2016

tot en met 30 november 2016 (€ 30.744,00), te vermeerderen met de wettelijke rente

vanaf heden tot aan de dag der algehele betaling;

II. Vinus Vita te veroordelen aan [A] te voldoen een billijke vergoeding ten bedrage

van € 100.000,00 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf heden tot aan de dag

der algehele betaling;

III. Vinus Vita te veroordelen aan [A] te voldoen een transitievergoeding ten bedrage

van € 92.232,00 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf heden tot aan de dag

der algehele betaling;

IV. Vinus Vita te veroordelen in de kosten van de procedure.

3.1.1.

[A] heeft daartoe, kort samengevat, het navolgende aangevoerd.

3.1.2.

Partijen zijn een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd aangegaan. [A] is bij besluit van de algemene aandeelhoudersvergadering (AVA) van 22 april 2016 ontslagen als statutair directeur/bestuurder. Dit besluit is nietig. Immers de oproepingsbrief bevatte niet alle onderwerpen en niet alle aandeelhouders waren opgeroepen.

3.1.3.

[A] is vanwege spanningsklachten per 3 mei 2016 ziek uitgevallen.

3.1.4.

[A] is bij besluit van de AVA van 22 juli 2016 opnieuw ontslagen als statutair directeur. Deze AVA was niet rechtsgeldig bijeengeroepen aangezien mevrouw [B] , mede-aandeelhoudster, niet was opgeroepen.

Vinus Vita heeft vele verwijten gemaakt richting [A] die onterecht zijn.

Vinus Vita heeft [A] niet tijdig kennis gegeven van de redenen die aan het ontslag ten grondslag liggen. [A] is niet de gelegenheid geboden te adviseren omtrent het voorgenomen besluit.

3.1.5.

[A] is ziek zodat de opzegging strijdig is met het ontslagverbod van artikel 7:670 BW.

3.1.6.

Vinus Vita heeft ten onrechte niet de ingevolge artikel 7:672 lid 2 sub c BW geldende opzegtermijn van 4 maanden in acht genomen.

3.1.7.

Vinus Vita stelt ten onrechte dat op 22 juli 2016 het ontslag per direct is gegeven. Het ontslagbesluit vermeldt geen dringende reden. Ook is de reden niet onverwijld meegedeeld.

3.1.8.

Nu de arbeidsovereenkomst niet rechtsgeldig is beëindigd verzoekt [A] primair om doorbetaling van loon.

3.1.9.

[A] legt aan zijn subsidiaire verzoek het navolgende ten grondslag. Er is sprake van een aandeelhoudersconflict en niet van verwijtbaar handelen of nalaten van [A] .

Door het uitsluiten van [A] van zijn werkzaamheden heeft Vinus Vita ernstig verwijtbaar gehandeld. [A] verzoekt om een billijke vergoeding van € 100.000,00 en een transitievergoeding van € 92.232,00.

Het verweer

3.2.

Vinus Vita heeft verweer gevoerd en daartoe, kort samengevat, het navolgende aangevoerd. De verzoeken van [A] dienen niet-ontvankelijk te worden verklaard danwel afgewezen te worden met veroordeling van [A] in de proceskosten

3.2.1.

Vinus Vita is van mening dat noch sprake is van een niet rechtsgeldig

ontslagbesluit, noch dat er gronden zijn om een billijke vergoeding toe te kennen. Ook de door [A] verzochte transitievergoeding dient te worden afgewezen. Bovendien is de door [A] berekende transitievergoeding onjuist.

3.2.2.

Het dienstverband is per 22 juli 2016 geëindigd, nadat [A] een ontslag met onmiddellijke ingang heeft verkregen. Het vorenstaande blijkt genoegzaam uit de brief van 26 juli 2016, waarin Vinus Vita dit bevestigt aan [A] . Uit zowel de notulen van de AVA van 22 juli 2016 als uit de brief van 26 juli 2016 die namens Vinus Vita is verzonden blijkt overduidelijk dat [A] ontslag met onmiddellijke ingang heeft verkregen per diezelfde datum. Niet 30 november 2016 dient als formele einddatum van het dienstverband te worden gehanteerd, doch 22 juli 2016.

3.2.3.

Ingevolge artikel 7: 686a BW kan een werknemer binnen twee maanden een verzoekschrift indienen wegens vernietiging van de opzegging, de doorbetaling van salaris en (bij een gewone werknemer) herstel van de dienstbetrekking. Dit laatste is in casu niet mogelijk, daar [A] statutair bestuurder is. Een verzoek tot betaling van een bedrag gelijk aan het salaris over de opzegtermijn dient ingevolge artikel 7: 686a lid 4 BW onderdeel a sub 2 door de werknemer binnen twee maanden na het ontslag bij verzoekschrift bij de rechtbank te worden ingediend. Deze termijn van twee maanden betreft een vervaltermijn. [A] had derhalve diens onderhavige verzoek tot doorbetaling van salaris uiterlijk twee maanden na 22 juli 2016 dienen in te dienen bij de rechtbank. Het onderhavige verzoek van [A] is echter pas op 2 januari 2017 bij de rechtbank ingediend. Het verzoek van [A] met betrekking tot doorbetaling van het salaris is derhalve te laat ingediend.

3.2.4.

Ook al zou geoordeeld worden, zo voert Vinus Vita aan, dat het onderhavig ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is, hetgeen door Vinus Vita nadrukkelijk wordt bestreden, dan nog had [A] tijdig, dat wil zeggen binnen een termijn van twee maanden na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd, het onderhavig verzoek moeten doen. [A] heeft echter zijn verzoek niet binnen de vervaltermijn van artikel 7: 686a lid 4 BW bij Uw rechtbank ingediend, waardoor hij niet ontvankelijk dient te worden verklaard.

3.2.5.

[A] heeft daarnaast subsidiair een verzoek gedaan tot toekenning van een billijke vergoeding en transitievergoeding. Ook de verzoeken van [A] met betrekking tot deze vorderingen dienen ingevolge artikel 7: 686a BW binnen twee maanden of drie maanden na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd, te worden gedaan. [A] is daarin te laat zodat hij niet in deze vorderingen kan worden ontvangen.

3.2.6.

Op 22 april 2016 heeft een AVA plaatsgevonden van Vinus Vita. De aandeelhouders zijn, zoals gebruikelijk, per mail uitgenodigd. Een afschrift van de agenda bij de oproepingsbrief die per mail is verzonden naar de aandeelhouders wordt als productie 9 in het geding gebracht. Uit bijgevoegde oproepingsbrief per mail kan worden opgemaakt dat alle aandeelhouders zijn uitgenodigd. Voor de AVA werd mevrouw [B] gebruikelijkerwijs via de mail van haar echtgenoot [A] uitgenodigd. Overigens heeft mevrouw [B] nimmer eerder, ook niet op de AVA van 22 april 2016 verzocht om haar in het vervolg separaat uit te nodigen in plaats van via de mail van haar echtgenoot.

3.2.7.

Tijdens de AVA is het vertrouwen opgezegd in [A] als statutair bestuurder/directeur. [A] is ontslagen als statutair bestuurder. Tegelijkertijd is ook het dienstverband opgezegd, waarbij rekening is gehouden met de voor hem geldende opzegtermijn van vier maanden. Tegelijkertijd is hem medegedeeld dat hij voor de rest van de duur van zijn dienstverband vrijgesteld wordt van het verrichten van werkzaamheden. [A] heeft daarop zijn sleutels ingeleverd. Het ontslagbesluit dat heeft plaatsvonden op 22 april 2016 heeft op rechtsgeldige wijze plaatsgevonden.

3.2.8.

Door [A] werd de nietigheid van de besluitvorming op de vergadering van 22 april 2016 ingeroepen. Inmiddels werden aan Vinus Vita feiten bekend die naar haar oordeel reden opleverden voor een ontslag met onmiddellijke ingang van [A] . Op 22 juli 2016 heeft dan ook opnieuw een algemene vergadering van aandeelhouders plaatsgevonden. Die vergadering is tijdig en op correcte wijze bijeen geroepen en het voorgenomen ontslag van [A] was correct geagendeerd. [A] is op die AVA met onmiddellijke ingang ontslagen onder mededeling van en bespreking van de redenen voor dat ontslag. Aan [A] is een lijst met de hem gemaakte verwijten overhandigd en [A] heeft de gelegenheid gekregen daarop te reageren.

3.2.9.

Vinus Vita heeft onder meer moeten constateren dat [A] een aantal

ondernemingen heeft. [A] had (tot grote verbazing van Vinus Vita) reeds tijdens zijn dienstverband elders andere activiteiten. Hij ontplooide een onderneming onder de naam [E] . Op 23 maart 2016 heeft [A] aan zichzelf en de rest van het personeel (waaronder [A] ) een winstuitkering gedaan, terwijl er in 2015 juist een verlies is geleden.

3.2.10.

Ingevolge artikel 7: 673 lid 7 BW is een transitievergoeding niet verschuldigd indien het eindigen of niet voortzetten van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werknemer. Uit de toelichting op de wet blijkt genoegzaam dat indien een medewerker op staande voet is ontslagen, er sprake is van ernstig verwijtbaar ontslag. [A] is met onmiddellijke ingang ontslagen op 22 juli 2016. Op grond hiervan komt hem geen transitievergoeding toe. Overigens is ook de vordering tot toekenning van een transitievergoeding te laat ingediend.

3.2.11.

Verder gaat [A] ten onrechte er vanuit dat Vinus Vita een grote werkgever is (dat wil zeggen een werkgever met 25 of meer medewerkers). Dit is onjuist. Ten tijde van de opzegging van het dienstverband van [A] had Vinus Vita 14 medewerkers. Niet ter discussie staat dat Vinus Vita een kleine werkgever is. Immers heeft zij minder dan 25 medewerkers in dienst. [A] past ten onrechte artikel 7:673a BW toe (waardoor zij elke periode van zes maanden na zijn 50 jarige leeftijd en na 10-jarig dienstverband, de

helft van zijn loon per maand hanteert). Aan verzwaring van de transitievergoeding in verband met de leeftijd van [A] staat de personele omvang van Vinus Vita in de weg (artikel 7:673a BW). Zijn berekening is ook op grond hiervan onjuist.

3.2.12.

Naar de mening van Vinus Vita dient in het onderhavige geval artikel 7: 673d BW analoog te worden toegepast. Alhoewel de grondslag voor de beëindiging van het dienstverband per 22 juli 2016 om andere redenen dan de financiële redenen heeft plaatsgevonden, verzoekt Vinus Vita artikel 7: 673 BW analoog toe toepassen. Vinus Vita meent dat zij voldoet aan de voorwaarden die gesteld

worden voor toepassing van artikel 7: 673d BW. Immers lijdt Vinus Vita al ruim drie jaar

grote verliezen. De resultaten zijn met andere woorden al ruim drie jaar negatief. Ook is in 2015 de waarde van de vlottende activa kleiner dan de schulden met een resterende looptijd van ten hoogste een jaar.

3.2.13.

Vinus Vita heeft te kampen met een zeer slechte financiële situatie, op grond waarvan zij zich genoodzaakt heeft gezien om mevrouw [B] in een eerder stadium te ontslaan. Op zich genomen is de waarde van het eigen vermogen in 2015 formeel niet negatief. Echter, is geconstateerd dat de in de boeken opgenomen wijnvoorraad niet voorhanden is binnen de onderneming. Vinus Vita stelt dat er al jaren sprake is van een tekort aan feitelijke wijnvoorraad ten opzichte van de in de boeken opgenomen wijnvoorraad. Indien van meet af aan de juiste wijnvoorraad was opgenomen, dan was het eigen vermogen al jaren negatief geweest. Het eigen vermogen is feitelijk gezien als negatief aan te merken. De twee grote aandeelhouders hebben grote leningen verstrekt aan Vinus Vita, teneinde de continuïteit te waarborgen van de onderneming. Momenteel bedraagt de schuld aan de grootste aandeelhouder nog immer ruim € 281.000. Dit laatste volgt ook uit de in geding gebrachte jaarrekeningen. De verliezen en eigen vermogen zijn volledig gefinancierd door de grootste aandeelhouder.

3.2.14.

Mocht de rechtbank van mening zijn dat de transitievergoeding niet conform artikel 7:673d BW analoog mag worden toegepast, dan is de berekening van [A] nog immer onjuist. Immers, gaat [A] bij zijn berekening uit van een werkgever met meer dan 25 medewerkers. Vinus Vita heeft minder dan 25 medewerkers in dienst. [A] past ten onrechte artikel 7:673a BW toe. De personele omvang van Vinus Vita staat in de weg aan de toepassing van artikel 7:673a BW.

3.2.15.

Voor het geval de rechtbank zou mogen oordelen dat [A] ontvankelijk is in zijn verzoek en er geen sprake is van een ernstig verwijtbaar gedrag van [A] , is Vinus Vita primair van mening dat [A] een transitievergoeding toekomt van € 8.300,88 bruto. Subsidiair, is Vinus Vita van mening (voor het geval de rechtbank onverhoopt van mening zou zijn dat artikel 7: 673d BW niet van toepassing is c.q. niet analoog mag worden toegepast) dat de transitievergoeding maximaal € 52.572,24 bruto bedraagt.

Vinus Vita verzoekt ingevolge het bepaalde in artikel 7:673c lid 2 BW te bepalen dat de transitievergoeding in 24 maandelijkse termijnen mag worden voldaan, gelet op het feit dat gezien haar slechte financiële positie betaling ineens tot onaanvaardbare gevolgen voor haar bedrijfsvoering zal leiden.

4 De beoordeling

4.1

Tussen partijen staat vast dat [A] als statutair directeur in loondienst was van Vinus Vita B.V. Evenzeer staat vast dat op 22 april 2016 en op 22 juli 2016 een Algemene Vergadering van Aandeelhouders van deze onderneming is gehouden waarbij ontslag van [A] heeft plaatsgevonden. Van de besluiten ter vergadering van 22 april 2016 heeft [A] bij brief van zijn advocaat van 3 mei 2016 de nietigheid ingeroepen. Blijkens de uitnodiging voor de vergadering van 22 juli 2016 is kennelijk die vergadering mede daarom bijeengeroepen.

4.2

Eerst ter gelegenheid van de zitting van 9 februari 2017 heeft [A] aangevoerd dat Vinus Vita niet rechtsgeldig ter zitting was vertegenwoordigd. De heer [C] zou niet de directie vertegenwoordigen en zou bovendien ook geen formele positie hebben kunnen innemen tijdens de aandeelhoudersvergaderingen, zodat (ook) op die grond de besluitvorming nietig is.

4.3

De rechtbank oordeelt dat [A] dit op de valreep ingenomen standpunt onvoldoende heeft onderbouwd. In de notulen van de AVA van 22 april 2016 (productie 5 bij verweerschrift) waaruit blijkt dat ter vergadering ook de aandeelhouders [A] en zijn echtgenote S. [A] aanwezig waren, valt te lezen dat daarnaast de aandeelhouders

[C] en [D] ter vergadering aanwezig waren. Niet blijkt dat [A] daarover enige opmerking heeft gemaakt, laat staan daartegen bezwaar heeft gemaakt. Blijkens de notulen van de vergadering van 22 juli 2016 (productie 20 van de zijde van Vinus Vita) zijn onder meer aanwezig [C] , [A] en [D] . [C] wordt opgevoerd namens [F] B.V., die 50% van de aandelen in Vinus Vita zou houden, zomede als vertegenwoordiger van Vinus Vita Nederland BV, welke vennootschap bestuurder is van Vinus Vita BV. De voorzitter van de vergadering constateert dat alle vergadergerechtigden en bestuurders van de vennootschap aanwezig of vertegenwoordigd zijn. Niet blijkt dat [A] ter vergadering of daarna bezwaar tegen de aanwezigheid van voornoemden heeft gemaakt dan wel hun hoedanigheid ter discussie heeft gesteld. Door Vinus Vita zijn in het geding gebracht notulen van aandeelhoudersvergaderingen van 20 september 2007, 26 juni 2008 en 20 december 2012 (productie 3 bij verweerschrift). [A] was telkens tijdens die vergaderingen als directeur en aandeelhouder aanwezig. Reeds in 2007 wordt de heer [C] genoemd als directeur van de rechtspersoon die aandeelhouder is in Vinus Vita BV. Hetzelfde doet zich voor ter vergadering van 26 juni 2008. En ter vergadering van 20 december 2012 wordt de heer [C] opgevoerd als (nieuwe) directeur van Vinus Vita Nederland BV. Tussen partijen is niet in discussie dat laatstgenoemde vennootschap naast [A] de directie voerde over Vinus Vita BV. Door [A] is dat ter zitting nog eens benadrukt blijkens zijn opmerking onder punt 28 van zijn pleitnota (“overigens gaat Vinus Vita met haar verwijten volledig eraan voorbij dat Vinus Vita bestuurd werd door twee bestuurders, te weten [A] en Vinus Vita Nederland BV in de persoon van Alan [C] ”). Door partijen is geen inzicht gegeven in het actuele aandeelhoudersregister en uit geproduceerde uittreksels uit het handelsregister blijkt niet dat de facto andere bestuurders bepalend zijn dan de hiervoor genoemden. De rechtbank oordeelt op die grond dat niet is gebleken dat de besluitvorming rond de positie van [A] heeft plaatsgevonden door daartoe onbevoegde aandeelhouders dan wel dat Vinus Vita ter zitting niet rechtsgeldig was vertegenwoordigd, waaraan de rechtbank toevoegt dat Vinus Vita in ieder geval ter zitting was vertegenwoordigd door haar advocaat die heeft verklaard dat hij in die hoedanigheid namens Vinus Vita aanwezig was.

4.4

[A] stelt zich op het standpunt dat de AVA van 22 juli 2016 niet rechtsgeldig bijeen is geroepen nu de echtgenote van [A] als mede – aandeelhouder ten onrechte niet is opgeroepen. Vinus Vita heeft onbetwist gesteld dat mevrouw [B] voor iedere aandeelhoudersvergadering, ook voor die vergaderingen waar zij aanwezig was, werd opgeroepen via het e-mail adres van haar echtgenoot, verzoeker in deze procedure. Dit is ook de gang van zaken geweest voor de eerdere vergadering van april 2016 waar mevrouw [B] , blijkens de notulen, wel verschenen is. Door [A] is niet gesteld en ook overigens is niet gebleken dat mevrouw [B] van de vergadering van juli 2016 onkundig was. De rechtbank oordeelt dan ook dat in dit geval de oproeping van mevrouw [B] via voornoemd e-mailadres als genoegzaam kan worden aangemerkt.

4.5

Ook overigens is niet gebleken dat de vergadering van juli 2016 mank gaat aan formaliteiten waarvan de niet inachtneming tot nietigheid van de besluitvorming zou moeten leiden. De agenda voor de vergadering (productie 3 bij verzoekschrift) vermeldt zonder terughoudendheid als agendapunt het voorgenomen besluit tot ontslag. [A] is in de gelegenheid gesteld om ter vergadering het nodige naar voren te brengen. Hij werd ter vergadering mede daarom bijgestaan door zijn advocaat. Ter vergadering hebben aandeelhouders het standpunt ingenomen dat er sprake was van verwijten aan [A] van dien aard dat zijn positie als statutair directeur niet langer houdbaar was zodat er sprake zou moeten zijn van onmiddellijke ontslagverlening per de datum van de vergadering, zijnde 22 juli 2016. Bij brief van 26 juli 2016 heeft de advocaat van Vinus Vita de ontslagverlening met onmiddellijke ingang bevestigd en gemotiveerd waarop het aandeelhoudersbesluit was gebaseerd.

4.6

De vennootschapsrechtelijke en arbeidsrechtelijke positie van de statutair directeur is een bijzondere. De bevoegdheid tot ontslag ligt exclusief bij de aandeelhouders. De statutair directeur kan dan ook niet herstel van de arbeidsovereenkomst vorderen indien hij van oordeel zou zijn dat het ontslag onrechtmatig of op onjuiste gronden is verleend. (Zie artikel 2: 244 lid 3 BW), zoals hij door de AVA ook zonder zijn schriftelijke instemming rechtsgeldig kan worden ontslagen (zie artikel 6: 671 lid 1 onder e BW.) In zoverre stond het aandeelhouders dan ook vrij om de rechtens relevante band met [A] met onmiddellijke ingang te beëindigen. Die beëindiging impliceert tevens de beëindiging van de arbeidsrelatie met de statutair directeur.( Zie de zgn, 15 – april – arresten ;HR 15 april 2005, JOR 2005/144 en JOR 2005/145) Dit is slechts anders indien er sprake is van een wettelijk opzegverbod, hetgeen aan de orde zou kunnen zijn indien ziekte van [A] aan ontslag in de weg zou kunnen staan. Afgezien van de vraag of dit ook het geval is bij een ontslag met onmiddellijke ingang is dat in het onderhavige geval niet aan de orde. Uit een rapport van de arboarts van 21 juli 2016 (productie 8 bij verzoekschrift)volgt immers dat [A] per die datum niet arbeidsongeschikt werd geacht. Uit een rapport van de arbeidsdeskundige van 25 oktober 2016 (productie 9 bij verzoekschrift) volgt dat sprake was van ziekte per 6 september 2016, in die zin dat sprake was van beperkingen in vooral het persoonlijk en sociaal functioneren. Niet geconcludeerd kan derhalve worden dat [A] ook op 22 juli 2016 arbeidsongeschikt was. De rechtbank concludeert derhalve dat zowel het statutaire directeurschap als de arbeidsverhouding van [A] bij respectievelijk met Vinus Vita per 22 juli 2016 tot een rechtsgeldig einde is gekomen. De primaire vordering van [A] die van het tegendeel uitgaat is dan ook niet voor toewijzing vatbaar.

4.7

Dit laat vanzelfsprekend onverlet dat aan [A] voor het overige in beginsel die arbeidsrechtelijke acties openstaan die de wet hem biedt. Het ontslag met onmiddellijke ingang impliceert dat aandeelhouders de opzegtermijn hebben gepasseerd. De loonvordering over de opzegtermijn als bedoeld in artikel 7: 672 lid 9 BW kan daarin voorzien. Die vordering impliceert dat kan worden getoetst of er al dan niet voldoende redenen waren voor een onmiddellijke beëindiging van het dienstverband. Bovendien is er de specifieke voor de statutair directeur geschreven bepaling van artikel 7: 682 lid 3 BW die aan hem de mogelijkheid biedt tot het vorderen van een billijke vergoeding indien opzegging heeft plaatsgevonden zonder redelijke grond als bedoeld in artikel 7: 669 lid 3 BW of indien de opzegging het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever. [A] vordert in deze procedure dan ook subsidiair betaling van zijn brutosalaris vanaf 22 juli 2016 tot en met 30 november 2016, zomede een billijke vergoeding van euro 100.000 alsmede een transitievergoeding van euro 92.232.

4.8

De rechtbank overweegt dat zij evenwel aan een inhoudelijke toetsing van voornoemde vorderingen niet toekomt. Het volledig herziene arbeidsrecht (de WWZ) kent in artikel 7: 686 a BW relatief korte vervaltermijnen. In lid 4 van genoemd artikel is bepaald dat de bevoegdheid om een verzoekschrift in te dienen ter vordering van het loon over de opzegtermijn als bedoeld in artikel 672 lid 9 BW of van de billijke vergoeding als bedoeld in artikel 7: 682 lid 3 BW vervalt twee maanden na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd. Waar het gaat om de transitievergoeding vervalt die bevoegdheid drie maanden na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd. Hiervoor heeft de rechtbank reeds overwogen dat de arbeidsovereenkomst van [A] is geëindigd per 22 juli 2016. Het verzoekschrift van [A] bij de rechtbank is ingekomen op 2 januari 2017. Zowel de termijn van twee maanden als die van drie maanden na 22 juli 2016 was toen al ruimschoots verstreken. De rechtbank oordeelt dan ook dat de vorderingen van [A] wegens het verstrijken van de vervaltermijnen niet meer kunnen worden ontvangen.

4.9

Het eindoordeel van de rechtbank is dan ook dat de primaire vorderingen van [A] niet voor toewijzing vatbaar zijn en dat [A] in zijn subsidiaire vorderingen niet kan worden ontvangen. Als in het ongelijk gestelde partij zal [A] de kosten van deze procedure op na te melden wijze moeten dragen.

5 De beslissing

De rechtbank:

5.1

wijst af de primaire vorderingen van [A] .

5.2

verklaart [A] niet ontvankelijk in zijn subsidiaire vorderingen

5.3

veroordeeld [A] tot betaling aan Vinus Vita van de kosten van deze procedure die worden vastgesteld op € 3.894,-- wegens griffierecht en € 4.000,00 wegens salaris van de advocaat (2 punten tarief VI)

5.4

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven te Almelo door mr. G.G. Vermeulen en in het openbaar uitgesproken op 16 maart 2017.1

1 type: coll: