Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2017:1370

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
28-03-2017
Datum publicatie
28-03-2017
Zaaknummer
07/840032-00
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank Overijssel verlengt de tbs-maatregel voor de moordenaar van Maartje Pieck met één jaar. De rechtbank wil de vinger aan de pols houden en het verloop van de resocialisatie op een kortere termijn beoordelen dan de gebruikelijke twee jaar. De nu 54-jarige man werd in 2001 door het gerechtshof in Arnhem veroordeeld tot 15 jaar cel en tbs met dwangverpleging voor de moord op de toen 15-jarige Maartje Pieck uit Kampen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Afdeling Strafrecht – Strafraadkamer

Locatie Zwolle

Parketnummer : 07/840032-00

Uitspraak : 28 maart 2017

Beslissing op de vordering van het openbaar ministerie tot verlenging van de termijn, gedurende:

[betrokkene] ,

geboren op [geboortedatum] 1962 in [geboorteplaats] ,

verblijvende bij FPC Pompestichting, Weg door Jonkerbos 55 te Nijmegen,

hierna te noemen: betrokkene,

ter beschikking is gesteld met bevel tot verpleging van overheidswege.

Betrokkene is bij arrest van het gerechtshof te Arnhem d.d. 27 december 2001 ter beschikking gesteld met bevel tot verpleging van overheidswege. De termijn is ingegaan op 8 maart 2007. De terbeschikkingstelling is laatstelijk verlengd bij beschikking van deze rechtbank van 24 maart 2015 en bekrachtigd door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 8 oktober 2015 en eindigt behoudens nadere voorziening op 8 maart 2017.

Het openbaar ministerie heeft op 17 januari 2017 een vordering ingediend tot verlenging van de termijn van terbeschikkingstelling met twee jaren. Bij die vordering zijn de door de wet voorgeschreven stukken overgelegd.

Het onderzoek in raadkamer heeft plaatsgevonden op 14 maart 2017.

In raadkamer zijn in het openbaar gehoord:

- betrokkene, bijgestaan door zijn raadsman mr. W. Anker, advocaat te

Leeuwarden;

  • -

    de officier van justitie, mr. A.E. Postma;

  • -

    mevrouw drs. D.M.L. Versteijnen, psycholoog en behandelcoördinator, verbonden aan FPC Pompestichting te Nijmegen, als deskundige, hierna te noemen: deskundige.

Op 8 december 2016 heeft mevrouw E.P.M. Brouns, psychiater en plaatsvervangend hoofd van de inrichting en mevrouw D.M.L. Versteijnen voornoemd, een advies uitgebracht over de eventuele verlenging van de termijn van de maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege. Geadviseerd is om deze maatregel voor de duur van twee jaren te verlengen.

Daarnaast is op respectievelijk 17 december 2016 en 26 december 2016 rapport en advies uitgebracht door I. Maksimovic, psychiater en P.E. Geurkink, forensisch psycholoog. Beide rapporteurs hebben geadviseerd de maatregel voor de duur van één jaar te verlengen.

In raadkamer heeft de deskundige een toelichting gegeven op het rapport van 8 december 2016. De deskundige heeft onder meer verklaard dat de rapportages van de kliniek en de onafhankelijke rapporteurs naadloos aansluiten qua diagnostiek, behandelbeleidslijn en verlofmogelijkheden. Na telefonisch contact tussen de deskundige en psychiater Maksimovic is gebleken dat er een fout is geslopen in de risicotaxatie die door Maksimovic is gehanteerd, met als gevolg dat van de risicotaxatie van de kliniek dient te worden uitgegaan. Op het moment dat betrokkene buiten de hekken gaat wonen, is het de bedoeling dat al wordt gestart met ambulante behandeling. Het beleid van de kliniek is dat een verlenging met één jaar niet wordt geadviseerd als voorzien is dat de behandeling langere tijd dan één jaar in beslag gaat nemen.

De officier van justitie heeft in raadkamer gepersisteerd bij de vordering tot verlenging van de termijn van terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege voor de duur van twee jaren.

Betrokkene en zijn raadsman hebben in raadkamer verklaard geen bezwaar te hebben tegen verlenging van de maatregel van terbeschikkingstelling, mits de termijn wordt beperkt tot één jaar. De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat een verlenging met twee jaren een gepasseerd station is nu zijn cliënt zich de afgelopen tijd goed ontwikkeld heeft, hij stabiel is en daarnaast klinisch vrijwel is uitbehandeld. Daar komt bij dat, gezien de naadloze overgang naar de resocialisatieafdeling, de verloven die goed verlopen, de risicotaxaties en de adviezen van twee onafhankelijke rapporteurs, een voorwaardelijke beëindiging van de dwangverpleging volgens de raadsman in beeld komt. Onder verwijzing naar een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 4 mei 2016 (ECLI:NL:GHARL:2016:7506) heeft de raadsman bepleit dat de verlenging met één jaar de rechtbank de mogelijkheid biedt om volgend jaar te toetsen of de dwangverpleging voorwaardelijk beëindigd kan worden. Met het oog daarop heeft de raadsman verzocht om een extra overweging in de beslissing op te nemen waarin de reclassering de opdracht wordt gegeven om vóór de volgende verlengingszitting de mogelijkheden te onderzoeken van een voorwaardelijke beëindiging van de verpleging van overheidswege en daarover te rapporteren.

OVERWEGINGEN

De rechtbank dient op grond van het bepaalde in artikel 38d van het Wetboek van Strafrecht (Sr) te bepalen of de termijn van de maatregel van terbeschikkingstelling moet worden verlengd.

De maatregel van terbeschikkingstelling is toegepast ter zake van een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen.

De vordering is op 17 januari 2017 en derhalve tijdig ingediend.

De rechtbank heeft kennis genomen van voormeld rapport van E.P.M. Brouns en Versteijnen. Uit dit rapport blijkt onder meer het volgende:

Bij betrokkene sprake is van ernstige persoonlijkheidspathologie in de vorm van een narcistische en antisociale persoonlijkheidsstoornis met borderline kenmerken. Betrokkene is structureel uit op controle en beheersing van (de relatie met) de ander om zo kwetsing van zijn zelfgevoel voor te zijn. Daarnaast is er bij betrokkene sprake van sterke symbiotische behoeftes ten gevolge van vooral affectieve verwaarlozing binnen de ouder-kind relatie. Uit observaties en langdurig individueel psychisch contact zijn geen aanwijzingen naar voren gekomen voor seksueel afwijkend gedrag. Ook alcoholgebruik, een belangrijke factor ten tijde van het indexdelict, is volledig in remissie.

Na een lange periode van onzekerheid en maatschappelijke onrust met betrekking tot de gedane aanvraag voor onbegeleid verlof, is betrokkene na ontvangst van de machtiging in september 2016 overgeplaatst naar een resocialisatieafdeling voor patiënten met persoonlijkheidsproblematiek en geniet hij momenteel onbegeleid verlof. De overgang naar deze afdeling en de verloven zijn goed verlopen. Het meer individuele klimaat op de afdeling, in combinatie met meer eigen verantwoordelijkheid en meer bewegingsvrijheid, lijkt betrokkene goed te doen. Betrokkene wordt omschreven als een trouwe, bekwame werknemer die zich goed houdt aan zijn werkprogramma en dagstructuur. De factoren die een rol hebben gespeeld bij het tot stand komen van het delict zijn meer in beeld en focus van behandeling. Ook is de afgelopen tijd een verbetering te zien van de samenwerking. Er is vooralsnog geen splitting in het team ervaren zoals op de vorige afdeling wel het geval was. Betrokkene herkent zijn disfunctionele gedrags- en denkpatronen en kan hier in de therapie goed op reflecteren. Hij is bezig coping vaardigheden te ontwikkelen, te versterken en toe te passen, zoals zaken eerder bespreken en praten over gevoelens en frustraties.

In geval van een onvoorwaardelijke beëindiging van de terbeschikkingstelling met dwangverpleging wordt de kans op gewelddadig (seksueel) gedrag als matig-hoog ingeschat. De risicofactoren van betrokkene zijn in de behandeling aan bod geweest, maar een deel daarvan is in een bepaalde mate onveranderbaar (zoals persoonlijkheidsproblematiek) en een ander deel is wel enigszins verbeterd, maar nog niet voldoende en zeker nog onvoldoende getest in de buitenwereld. Bij een beëindiging van de terbeschikkingstelling zullen de spanningen sterk op kunnen lopen, door alles wat er op betrokkene afkomt en zijn onvermogen daar adequaat mee om te gaan. Voorzien wordt dat betrokkene dan weinig hulp zal accepteren. Betrokkene heeft nog in onvoldoende mate een alternatief probleemoplossend vermogen kunnen ontwikkelen. Zeker wanneer succeservaringen, positieve prikkels en bekrachtigers uitblijven, vergroot dit de kans op disfunctionele coping, welke bestaat uit negatieve emoties, de kans op een terugval in alcoholgebruik en seksueel ongeremd gedrag. Bij een toename van vrijheden, maar een blijvend kader van voorwaarden, wordt het recidiverisico bij betrokkene als matig ingeschat, mits de gestelde voorwaarden dicht tegen de huidige voorwaarden aanliggen. Verdere behandeling, maar ook het handhaven van toezicht en controle, met stapsgewijze uitbreiding van vrijheden en verantwoordelijkheden, is daarom nog aangewezen.

Het uitstroomdoel is dat betrokkene op termijn weer gaat samenwonen met zijn vrouw. In het voorstadium wordt gedacht aan begeleid wonen met ambulante forensische zorgbegeleiding. In de komende periode, wanneer het behandel- en resocialisatietraject verder vervolg krijgt, zal het behandelteam een inschatting kunnen maken welke mate van begeleiding en controle passend en verantwoord is. De systeemgesprekken met betrokkene en zijn partner zullen een belangrijke plaats in de behandeling innemen en ook het thema seksualiteit zal met nadruk op de agenda blijven staan. Door de verlofmogelijkheden van betrokkene stapsgewijs uit te breiden, kan beter zicht worden verkregen op de toepassing van zijn opgedane vaardigheden dan binnen de kliniek. De eerstvolgende stap in het resocialisatieproject is een aanvraag transmuraal verlof, waarna betrokkene kan worden overgeplaatst naar een woonvoorziening op het terrein van de kliniek, maar buiten de hekken. Gezien het nog immer aanwezige delictgevaar, de aanwezige kernproblematiek en de tijd die nodig is om betrokkene op een verantwoorde manier te resocialiseren, is het volgens de deskundigen essentieel dat de terbeschikkingstelling verlengd wordt. Omdat het geschetste traject de nodige tijd gaat kosten, is het advies de terbeschikkingstelling te verlengen met twee jaren.

De rechtbank heeft daarnaast kennis genomen van de Pro Justitia rapportages van
I. Maksimovic, psychiater, van 17 december 2016 en P.E. Geurkink, forensisch psycholoog, van 26 december 2016. Uit de rapportages blijkt onder meer het volgende:

Bij betrokkene sprake is van een persoonlijkheidsstoornis nao met borderline en narcistische kenmerken. Dankzij de behandelingen en de abstinentie van alcohol is de uiting van de persoonlijkheidsstoornis veel milder dan voor het indexdelict. De borderline en narcistische dynamiek is nog wel zichtbaar, maar veel minder heftig en betrokkene is zich er voor een deel van bewust. De kwetsbaarheid voor een psychische ontregeling is er nog steeds. De onderliggende kwetsbaarheid blijft aanwezig maar betrokkene kan er nu beter mee om gaan. De psychiater acht het van belang betrokkene langdurig en nauwgezet te monitoren in hoe hij om zal gaan met frustraties, abstinentie van alcohol, intimiteit, krenkingen en seksualiteit. Het recidiverisico wordt door de psychiater en psycholoog als laag ingeschat onder voortduring van de terbeschikkingstelling en zonder de maatregel als matig. Het advies van de psychiater en psycholoog is verlenging van de terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege met één jaar. Dit zou mogelijk het gevoel van voldoende perspectief voor betrokkene ondersteunen. Het is van belang dat betrokkene meer ruimte krijgt om de behaalde behandelresultaten te toetsen en te oefenen buiten de kliniek en dat behandeling plaatsvindt in groepsverband, wat betrokkene nu niet wil. Daarnaast is de psycholoog van mening dat de mogelijkheden tot verblijf bij betrokkene zijn partner moeten worden gerealiseerd en ook uitgebreid, in het kader van onbegeleid verlof met de mogelijkheid voor overnachtingen, eventueel met een tussenstap van een RIBW om betrokkene met nog meer vrijheid te laten oefenen in de maatschappij en toe te werken naar volledig verblijf bij zijn partner.

Gelet op de inhoud van de rapportages en de behandeling in raadkamer is de rechtbank van oordeel dat de veiligheid van anderen en de algemene veiligheid van personen onverkort eisen dat de maatregel wordt verlengd. Daarnaast is betrokkene gebaat bij een stapsgewijze en zorgvuldig voorbereide terugkeer in de samenleving. Het is van belang dat betrokkene verder wordt behandeld, dat systeemgesprekken en systeembegeleiding plaatsvinden, maar ook dat stapsgewijs de vrijheden en verantwoordelijkheden verder worden uitgebreid. De kliniek stelt dat het traject dat zij voor ogen heeft met betrekking tot de behandeling van de kernproblematiek en het resocialisatietraject nog de nodige tijd, zeker meer dan één jaar, in beslag gaat nemen. Dit wordt onderschreven door de onafhankelijke rapporteurs.

Het uitgangspunt van de rechtbank is dat, wanneer aannemelijk is geworden dat de behandeling meer tijd in beslag zal nemen dan één jaar, de terbeschikkingstelling in beginsel dient te worden verlengd met een termijn van twee jaren. De rechtbank schat op basis van de uitgebrachte rapporten en wat ter zitting naar voren is gebracht in dat niet te verwachten is dat binnen één jaar gronden aanwezig zullen zijn die een beëindiging van de terbeschikkingstelling rechtvaardigen. Het traject dat de kliniek en de onafhankelijke rapporteurs voor ogen hebben, zal nog de nodige tijd in beslag nemen. Via een uitbreiding van het onbegeleide verlof, het vervolgens aanvragen van een machtiging transmuraal verlof, gevolgd door onbegeleid verlof en wonen via een RIBW, dient uiteindelijk toegewerkt te worden naar het samenwonen van betrokkene met zijn vrouw als einddoel.

Evenwel is de rechtbank van oordeel dat er in dit geval argumenten zijn om van dit uitgangspunt af te wijken. De terbeschikkingstelling duurt inmiddels tien jaren. In de afgelopen periode, met name het afgelopen half jaar, heeft betrokkene vooruitgang geboekt die hoopvol en succesvol lijkt te zijn. Ook in het komende jaar staat er veel te gebeuren. Tegen de achtergrond van de lange duur van de terbeschikkingstelling en de relatief recente voortgang in de behandeling acht de rechtbank het van belang om een vinger aan de pols te houden en het verloop van de resocialisatie op een kortere termijn te beoordelen. Daarmee wordt tevens tegemoetgekomen aan de wens van de verdediging om bij de volgende zitting de mogelijkheid te hebben om de door haar voorgestane route naar beëindiging van de maatregel te bepleiten. Daarnaast is door de onafhankelijke rapporteurs geadviseerd om de terbeschikkingstelling met één jaar te verlengen opdat betrokkene gemotiveerd blijft en voldoende perspectief blijft houden. Ook weegt mee dat de deskundige ter zitting heeft verklaard dat een eventuele verlenging met één jaar niet contraproductief zal werken en dat dit niets aan het behandelbeleid van de kliniek zal gaan veranderen. De rechtbank zal de maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege dan ook verlengen met één jaar.

De rechtbank acht het voorstel van de raadsman om ten behoeve van de volgende zitting de reclassering de opdracht te geven onderzoek te doen naar en te rapporteren over de mogelijkheden van een voorwaardelijke beëindiging te prematuur. Gezien het traject dat betrokkene volgens de kliniek (nog) dient te doorlopen is een voorwaardelijke beëindiging naar het oordeel van de rechtbank thans nog niet in zicht. De toewijzing van dit verzoek zou ten onrechte de verwachting kunnen wekken dat de rechtbank op dit moment inschat dat er binnen het jaar wel gronden aanwezig zijn die een voorwaardelijke beëindiging van de terbeschikkingstelling mogelijk zouden kunnen maken.

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 38d en 38e Sr, alsmede de artikelen 509o, 509p, 509s en 509t van het Wetboek van Strafvordering.

BESLISSING

De rechtbank verlengt de termijn gedurende welke [betrokkene] voornoemd ter beschikking is gesteld, met bevel dat hij van overheidswege zal worden verpleegd, met

één jaar.

Aldus gegeven door mr. S. Taalman, voorzitter, mrs. M. van Bruggen en N.J.C. Monincx, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.A. de Haan-Geertsema als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 28 maart 2017.

Buiten staat:

mr. Monincx, voornoemd, is buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.