Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2017:1339

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
27-03-2017
Datum publicatie
15-06-2017
Zaaknummer
ak_zwo_16_2004
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank oordeelt dat de eigenaar van een oude melkfabriek in Staphorst moet voldoen aan de opgelegde voorwaarden die horen bij de vergunning om een deel van een schoorsteenpijp te slopen. Op enig moment zal de man de pijp moeten herbouwen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Zwolle

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 16/2004

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , te Staphorst, eiser,

en

het college van burgemeester en wethouders van Staphorst, verweerder,

gemachtigde: C. van Olst.

Procesverloop

Bij besluit van 27 juni 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder eisers aanvraag van

28 september 2015 met toepassing van de uitgebreide voorbereidingsprocedure gehonoreerd en hem – onder het stellen van een aantal voorwaarden – een omgevingsvergunning verleend voor de activiteiten:

  • -

    slopen van een bouwwerk in een beschermd stads- of dorpsgezicht, en

  • -

    wijzigen van een beschermd monument.

Eiser heeft tegen de bij het bestreden besluit opgelegde voorwaarden op 4 augustus 2016 bij verweerder bezwaar gemaakt. Het bezwaar is op 11 augustus 2016 aan de rechtbank doorgezonden om te behandelen als beroep. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Partijen hebben vervolgens over en weer gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 december 2016. Eiser is in persoon verschenen, bijgestaan door [naam 1] en [naam 2] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn voornoemde gemachtigde, bijgestaan door [naam 3] en [naam 4] .

Overwegingen

1. Eiser is sinds 1998 eigenaar van het perceel [adres] te Staphorst. Op het perceel bevindt zich een melkfabriek met een schoorsteen. Het pand is bij besluit van 18 februari 1999 aangewezen als beschermd monument op grond van artikel 3 van de Monumentenwet 1988. De bescherming ziet niet op het interieur, de transportband aan de zijkant en de achterbouw uit 1965 achter het ketelhuis.

Op 17 november 2015 heeft eiser een aanvraag ingediend voor een vergunning om de schoorsteen gedeeltelijk te mogen slopen. Eiser heeft daarbij een bouwtechnisch rapport gevoegd van [naam 2] Bouwtechnisch Adviesbureau te Rouveen van dezelfde datum, waarin wordt geadviseerd om de schoorsteen tot 4 meter boven het maaiveld te slopen. Op 11 maart 2016 heeft eiser de aanvraag aangevuld in die zin dat de sloop uitsluitend de kop van de schoorsteen betreft vanaf circa 2,5 tot 3 meter onder de bovenkant.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder aan de gevraagde omgevingsvergunning verleend. Voor het slopen van een bouwwerk in een beschermd stads- of dorpsgezicht heeft verweerder de volgende voorschriften verbonden.

De kop van de schoorsteen demonteren of laten demonteren en weer terug plaatsen conform de geschetste lijn zoals onderstaand aangegeven:

1 De kop van de schoorsteen (bovenste 2,5 meter) in zijn geheel demonteren (dit houdt in: in één stuk afnemen en niet steen voor steen). De kop van de schoorsteen dient, zolang die niet wordt herbouwd, afgeschermd te worden tegen weersinvloeden (lees: geseald) te worden opgeslagen;

2 De schoorsteen afdekken met een ronde betonplaat bovenop de schoorsteen met voldoende ruimte tussen de plaat en de schoorsteen waardoor er voldoende ventilatie op kan treden;

3 De schoorsteen dient leeg gehaald te worden ten einde ventilatie door de schoorsteen weer mogelijk te maken;

4 De rest van de schoorsteen restaureren/onderhouden conform rapport W2N Engineers BV (verder: W2N) en advies Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed (verder: RCE) binnen nu en twee jaar (zie bijlagen);

5 De gemeente Staphorst zal u helpen bij het zoeken naar subsidiemogelijkheden en goedkopere herbouw- en restauratieopties.

6 In geval van medewerking aan het herbestemmen van de oude melkfabriek in bijvoorbeeld appartementen dient de kop van de schoorsteen en de voormalige transportband hersteld te worden ten einde de schade aan de monumentale waarden t.g.v. het herbestemmen te compenseren;

7 U wordt geadviseerd om de schoorsteen te voorzien van een bliksemafleider ten einde de kans op schade en herstelkosten t.g.v. blikseminslag te verkleinen.

Ad1 Mocht het in zijn geheel demonteren van de kop van de schoorsteen (punt 1) niet op een veilige manier uitgevoerd kunnen worden dan is de werkwijze als volgt: de kop van de schoorsteen steen voor steen demonteren, de stenen op een pallet (of gelijkwaardig) direct weer opmetselen in de originele vorm en detaillering en deze op het perceel (sectie AG, nummer 623) bewaren zodat deze in de toekomst weer terug geplaatst kan worden. De punten 2 t/m 7 van bovengenoemde voorwaarden blijven hierbij van toepassing.

Deze voorschriften zijn tot stand gekomen in een overleg tussen W2N en de RCE op 17 februari 2016.

Eiser kan zich niet vinden in de voorschriften die verweerder aan de sloop van de schoorsteen heeft verbonden.

2. Ingevolge artikel 2.1, eerste lid van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) is het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:

f. het slopen, verstoren, verplaatsen of in enig opzicht wijzigen van een beschermd monument of het herstellen, gebruiken of laten gebruiken van een beschermd monument op een wijze waardoor het wordt ontsierd of in gevaar gebracht,

h. het slopen van een bouwwerk in een beschermd stads- of dorpsgezicht (…)

Artikel 2.15 van de Wabo bepaalt: Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder f, kan de omgevingsvergunning slechts worden verleend indien het belang van de monumentenzorg zich daartegen niet verzet. Bij de beslissing op de aanvraag houdt het bevoegd gezag rekening met het gebruik van het monument.

Artikel 2.16 van de Wabo bepaalt: Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder g of h, kan de omgevingsvergunning worden geweigerd indien naar het oordeel van het bevoegd gezag niet aannemelijk is dat op de plaats van het te slopen bouwwerk een ander bouwwerk kan of zal worden gebouwd.

Ingevolge artikel 2.22, tweede lid, worden aan een omgevingsvergunning de voorschriften verbonden, die nodig zijn met het oog op het belang dat voor de betrokken activiteit is aangegeven in het bepaalde bij of krachtens artikel 2.10 tot en met 2.20.

3. Tussen partijen is niet in geschil, dat eisers aanvraag tot sloop van de schoorsteen uitsluitend (nog) ziet op het deel van de schoorsteen dat zich 2,5 meter onder de bovenkant ervan bevindt en niet op de eerdere aanvraag die sloop tot 4 meter boven het maaiveld beoogde. Voorts twisten partijen er niet over dat de schoorsteen tot 2,5 meter vanaf de bovenkant mag worden gesloopt.

Eiser kan zich niet vinden in de voorwaarde dat het te slopen gedeelte van de schoorsteen (op enig moment) moet worden herbouwd, omdat op hem geen onderhoudsplicht voor de schoorsteen rust. Dit blijkt volgens hem uit het door de Commissie voor de bezwaarschriften van het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen in het kader van de aanwijzing als beschermd monument van het pand [adres] te Staphorst afgegeven advies van 15 december 1999.

De rechtbank komt tot de volgende beoordeling. Op 18 februari 1998 is het pand [adres] te Staphorst aangewezen als beschermd monument. Eiser heeft hiertegen destijds bezwaar gemaakt. In het bijzonder heeft eiser zich verzet tegen de aanwijzing van de schoorsteen als monument, vanwege de kosten. Hij heeft naar voren gebracht dat de gemeente zich niet wil bemoeien met het onderhoud van de schoorsteen en hij heeft gesteld dat hij zelf niet bereid is om financieel bij te dragen aan het onderhoud van de pijp. Over eisers bezwaar is een advies opgesteld door de Commissie voor de bezwaarschriften van het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen (de commissie). De commissie heeft in reactie op eisers bezwaar opgemerkt dat onderhoudskosten niet mogen meewegen bij de afweging om een onderdeel van pand aan te wijzen als monument. Volgens de commissie rust er ook geen onderhoudsplicht op eiser na aanwijzing van het pand als monument. Een financiële bijdrage aan het onderhouden van de pijp is niet verplicht en ter eigen beoordeling, zo heeft de commissie in haar advies geoordeeld. Uiteindelijk heeft de commissie geadviseerd om het bezwaar ongegrond te verklaren en de aanwijzing als monument in stand te laten, hetgeen ook is gebeurd.

De rechtbank kent aan dit advies niet de betekenis toe die eiser daar aan geeft. In de eerste plaats is het een advies van een bezwarencommissie en niet een standpunt van het bevoegd gezag voor de Monumentenwet 1998, in die periode de minister voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen. Daarbij lijkt de commissie veeleer te bedoelen dat het aan eiser zelf is te bepalen welke financiële middelen hij inzet voor het onderhoud en dat daarvoor geen vastomlijnde regels gelden.

Los van het advies van de commissie, geldt dat een monument in standgehouden moet worden en dat het voortbestaan van een monument niet in gevaar mag worden gebracht.

Voor het slopen van een monument, zoals hier aan de orde is, is een vergunning vereist. In het belang van de monumentenzorg heeft verweerder voorschriften verbonden aan de vergunning. Niet is gebleken dat de voorschriften niet nodig zijn met het oog op het belang van de monumentenzorg.

4. Het bestreden besluit dient derhalve in stand te worden gelaten. Het beroep is daarom ongegrond.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.R.H. Lutjes, rechter, in aanwezigheid van

R.K. Witteveen, als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.