Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2017:1328

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
27-03-2017
Datum publicatie
04-04-2017
Zaaknummer
ak_16_2507
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Terugvordering op grond van de Participatiewet brengt naar het oordeel van de rechtbank onaanvaardbare financiële gevolgen voor eiseres met zich; daarom slaagt haar beroep op dringende redenen die zich tegen de terugvordering verzetten; beroep gegrond en herroeping primair besluit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Almelo

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 16/2507

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres] te Enschede, eiseres,

gemachtigde: T. Rietman,

en

het college van burgemeester en wethouders van Enschede, verweerder,

gemachtigde: I. Brouwer.

Procesverloop

Bij besluit van 21 maart 2016 (het primaire besluit I) heeft verweerder de uitkering op grond van de Participatiewet (PW) van eiseres ingetrokken vanaf 1 augustus 2014 tot en met

23 februari 2015 en over de maanden september 2007, februari 2008, april 2008, mei 2008 en juli 2008.

Bij besluit van 31 maart 2016 (het primaire besluit II) heeft verweerder van eiseres een bedrag van € 7.150,20 aan over de maanden september 2007, februari 2008, april 2008, mei 2008 en juli 2008 ten onrechte betaalde bijstandsuitkering teruggevorderd.

Bij besluit van 31 maart 2016 (het primaire besluit III) heeft verweerder van eiseres een bedrag van € 9.832,25 aan over de periode van 1 augustus 2014 tot en met 23 februari 2015 ten onrechte betaalde bijstandsuitkering teruggevorderd.

Bij besluit van 5 september 2016, verzonden op 7 september 2016, (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres, voor zover gericht tegen de terugvordering bij het primaire besluit III, gegrond verklaard. Verweerder heeft daarbij bepaald dat “de terugvordering ad € 2.229,45 wordt teruggedraaid”. Voor het overige heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 februari 2017. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiseres heeft vanaf december 2004 een bijstandsuitkering ontvangen, aanvankelijk naar de norm voor gehuwden en vanaf 21 november 2011 naar de norm voor een alleenstaande ouder. Naar aanleiding van een anonieme tip is onderzoek verricht door verweerders Team Handhaving. Op 14 december 2015 is gerapporteerd door Team Handhaving. Vervolgens heeft verweerder de besluiten genomen, zoals vermeld onder “Procesverloop”.

2. De rechtbank stelt vast dat verweerder in de beslissing op bezwaar heeft opgenomen dat ‘de terugvordering ad € 2.229,45 is teruggedraaid’. Ter zitting is gebleken dat sprake is van een kennelijke verschrijving. Naar door gemachtigde van verweerder is verklaard, is bedoeld het advies van de bezwarencommissie op te volgen en de terugvordering van € 9.832,25 te herroepen. Met betrekking tot een deel van het primaire besluit I en het gehele primaire besluit III is verweerder dus volledig aan het bezwaar van eiseres tegemoet gekomen.

3.1.

Hieruit volgt dat de omvang van het geding beperkt is tot dat deel van de besluitvorming waarbij de bijstandsuitkering van eiseres is ingetrokken over de maanden september 2007, februari 2008, april 2008, mei 2008 en juli 2008, als gevolg waarvan zij € 7.150,20 moet terugbetalen.

3.2.

Eiseres heeft betoogd dat zij slachtoffer is geworden van de identiteitsfraude door haar ex-man, [naam] . De kentekens stonden weliswaar op haar naam, maar niet alle voertuigen behoorden feitelijk tot haar eigendom. Zij was namelijk niet op de hoogte van het handelen van haar ex-man. Verder heeft eiseres gesteld dat haar persoonlijke financiële situatie uitermate nijpend is. De terugvordering treft haar onevenredig.

3.3.

De rechtbank overweegt dat het voor het bepalen van het recht op bijstand niet relevant is of eiseres wist dat er kentekens op haar naam waren gezet. Aangezien zij toen nog met haar ex-man getrouwd was, vormden deze voertuigen, ongeacht of zij daarvan wist of niet, bestanddelen van het vermogen waarover zij redelijkerwijs kon beschikken. Verweerder heeft zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat het recht op bijstand in de periodes in geding niet kon worden vastgesteld, als gevolg waarvan een terugvordering op eiseres is ontstaan. Het betoog van eiseres slaagt op dit punt dan ook niet.

3.4.

Eiseres heeft ter zitting toegelicht dat een terugvordering haar enorm in de problemen brengt.

De rechtbank kwalificeert het betoog van eiseres als een beroep op dringende redenen als bedoeld in artikel 58, achtste lid, van de Pw. In dit artikel is bepaald dat het college geheel of gedeeltelijk kan afzien van terugvordering indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.

Het is vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB, zie onder andere ECLI:NL:CRVB:2005:AT2869) dat van dringende redenen slechts sprake is als deze zijn gelegen in onaanvaardbare of financiële gevolgen vaneen terugvordering voor betrokkene. Het moet gaan om incidentele gevallen, waarin iets uitzonderlijks aan de hand is en waarin een individuele afweging van alle relevante omstandigheden plaatsvindt.

De rechtbank overweegt dat in het voorliggende geval kan worden geoordeeld dat een terugvordering voor eiseres onaanvaardbare gevolgen heeft. Haar ex-man heeft buiten haar medeweten kentekens op haar naam gezet en daarmee identiteitsfraude gepleegd. Eiseres heeft daarvan aangifte gedaan. Na haar huwelijk is eiseres met een schuld van € 60.000,-- achtergebleven, waarmee haar ex-man haar heeft opgezadeld. Zij is failliet verklaard. Eiseres is vervolgens toegelaten tot de Wet schuldsanering natuurlijke personen (WSNP). Onweersproken is gesteld dat dit traject wordt stopgezet als zij er een nieuwe schuld bij krijgt. Een schone lei is dan onhaalbaar en eiseres blijft als alleenstaande moeder met kinderen met een enorme berg schulden achter waar ze niet meer uit komt. De ex-man is hoofdelijk aansprakelijk voor de terugvordering, maar hij is onvindbaar.

Omdat door het terugvorderen van de ten onrechte betaalde bijstand ter hoogte van € 7.150,20 de schuldsanering van de ongeveer € 60.000,-- aan andere schulden zou worden getorpedeerd, brengt de terugvordering naar het oordeel van de rechtbank onaanvaardbare financiële gevolgen voor eiseres met zich. Daarom slaagt haar beroep op dringende redenen die zich tegen de terugvordering verzetten.

4. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit wordt vernietigd voor zover verweerder daarin de in het primaire besluit II neergelegde terugvordering heeft gehandhaafd. Voorzover bij het bestreden besluit de intrekking, bij primair besluit I van 21 maart 2016, van de uitkering over de maand september van 2007 en de maanden februari, april, mei en juni van 2008 is gehandhaafd, blijft het bestreden besluit in stand. De rechtbank voorziet zelf in de zaak, herroept het primaire besluit II van 31 maart 2016, waarbij een bedrag van € 7.150,20 werd teruggevorderd en stelt deze uitspraak daarvoor in de plaats.

5. Van voor vergoeding in aanmerkende proceskosten is niet gebleken, zodat voor een veroordeling in die kosten geen aanleiding bestaat.

Beslissing

De rechtbank

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit voor zover daarin de terugvordering van € 7.150,20 is gehandhaafd en laat dit besluit voor het overige in stand;

  • -

    herroept het primaire besluit van 31 maart 2016 tot terugvordering van € 7.150,20 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde deel van het bestreden besluit;

  • -

    bepaalt dat verweerder het betaalde griffierecht van € 46,-- aan eiseres vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P.H. Banda, rechter, in aanwezigheid van

mr. P.A.M. Spreuwenberg, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de datum van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.