Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2017:1215

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
22-02-2017
Datum publicatie
05-04-2017
Zaaknummer
188540
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De beslissing dat het verzet tegen een dwangbevel van de Ontvanger ongegrond is wordt op verzoek van de Ontvanger uitvoerbaar bij voorraad verklaard, nu het verzet kansloos is. Een daartoe strekkende vordering in reconventie van de Ontvanger is daarvoor niet vereist

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Zwolle

zaaknummer / rolnummer: C/08/188540 / HA ZA 16-298

Vonnis van 22 februari 2017

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

ABGS B.V.,

gevestigd te Steenwijk,

eiseres in het verzet,

advocaat mr. S.L. Elzinga te Heerenveen,

tegen

de publiekrechtelijke rechtspersoon

DE ONTVANGER VAN DE BELASTINGDIENST,

zetelend te Zwolle,

gedaagde in het verzet,

advocaat mr. E.E. Schipper te Amsterdam.

Partijen zullen hierna ABGS en de Ontvanger genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 7 september 2016

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 12 januari 2017 en de daarin genoemde stukken.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

ABGS is op 15 november 2013 opgericht en houdt zich bezig met de handel in geïmporteerde tassen en accessoires.

2.2.

De Ontvanger heeft (onder meer) naheffingsaanslagen loonheffing over de maanden februari 2015, augustus t/m december 2015 en januari 2016, naheffingsaanslagen omzetbelasting over tijdvakken in 2014 en 2015 en een aanslag vennootschapsbelasting over 2013/2014 opgelegd. ABGS heeft deze aanslagen (destijds) niet (volledig) betaald. De Ontvanger heeft vervolgens dwangbevelen uitgevaardigd strekkende tot invordering van de aan ABGS opgelegde aanslagen.

2.3.

De heer [X] directeur van ABGS heeft bij brief van 11 februari 2016 aan de Ontvanger verzocht om uitstel van betaling en een betalingsregeling voorgesteld, onder meer als volgt:

(…) Wij willen u echter nogmaals dringend verzoeken om ons nog enig uitstel te verlenen. Waarschijnlijk zullen wij volgende week alvast euro 3.000,= kunnen overmaken. Nogmaals, zoals reeds eerder vermeld, ligt de reden van onze vertraging in de betalingen in het feit dat V&D momenteel in staat van faillissement verkeert. Hierdoor zijn de openstaande facturen niet voldaan alsmede de lopende orders die nog niet zijn afgenomen. V&D is binnen Nederland een van onze grootste klanten en het faillissement heeft daarom een grote impact op ons bedrijf.

2.4.

De Ontvanger heeft het verzoek om uitstel van betaling bij beschikking van 17 maart 2016 afgewezen, onder meer als volgt:
Ik wijs uw verzoek om uitstel van betaling (of betalingsregeling) af. Het u toegezonden vragenformulier is niet ingevuld retourontvangen. Om eenverzoek om betalingsregeling te kunnen beoordelen is het van belang dater inzicht is verkregen in de persoonlijke en financiële omstandigheden. Verder staat het ontbreken van elke vorm van zekerheid een uitstel vanbetaling c.q. betalingsregeling volledig in de weg. (…)
Als u het niet eens bent met mijn beslissing op uw verzoek, kunt u binnen tien dagen na dagtekening van deze beschikking een beroepschrift indienen. (…)

2.5.

Bij brief van 24 maart 2016 heeft ([X] van) ABGS onder meer aan de Ontvanger bericht dat zij een krediet zal aanvragen en voorts opnieuw verzocht om uitstel van betaling. Bij brief van 11 april 2016 heeft ([X] van) ABGS een betalingsregeling voorgesteld.

2.6.

Bij brief van 14 april 2016 heeft de Ontvanger onder meer het volgende aan ABGS bericht.
Naar aanleiding van 2 brieven van u (…) moet ik u meedelen dat er geen uitstel van betaling c.q. een betalingsregeling is verleend. Dit is u in een afwijzende uitstelbeschikking op 17 maart 2016 al meegedeeld. Naast de u reeds meegedeelde afwijsgronden blijkt dat de lopende verplichtingen ook niet worden bijgehouden. De schuld blijft dus oplopen! Gelet op bovenstaande mag het duidelijk zijn dat geen enkele vorm van uitstel thans aan de orde is en dat de invordering “gewoon” blijft doorlopen. Dit ondanks wekelijkse betalingen van
€ 1.000,-. Ter voorkoming van verdere invorderingsmaatregelen verzoek ik u dan ook per ommegaande de thans openstaande schuld volledig te voldoen (…)

2.7.

Bij brief van 20 april 2016 heeft ([X] van) ABGS onder meer bericht dat de financiering bijna rond is en verzocht om een gesprek met de Ontvanger.

2.8.

Bij brief van 22 april 2016 heeft de Ontvanger ABGS bericht dat het arrangeren van een gesprek om te komen tot uitstel van betaling c.q. een betalingsregeling zinloos is, omdat gelet op de ouderdom van de schulden in strijd met de toepasselijke regelgeving de maximale duur van uitstel van 12 maanden na de vervaldatum wordt overschreden en geen zekerheid is gesteld, terwijl de lopende verplichtingen niet worden bijgehouden.

2.9.

Op 2 juni 2016 heeft de Ontvanger de deurwaarder hernieuwde bevelen tot betaling doen uitbrengen voor de navolgende aanslagen, waarvoor reeds eerder dwangbevelen aan ABGS zijn betekend:

nummer / omschrijving (destijds openstaand) bedrag
8533.84.952 F015300 3.556,00
8533.84.952 A015020 216,00
8533.84.952 A015080 3.106,00
8533.84.952 A015090 4.095,00
8533.84.952 A015100 6.080,00

8533.84.952 A015110 6.080,00

8533.84.952 A015120 6.451,00

8533.84.952 A016010 4.548,00

8533.84.952 F014300 382,00

8533.84.952 V301114 15.386,00

8533.84.952 rente 637,00
8533.84.952 kosten 30,00
Totaal 50.567,00

2.10.

In de exploten waarbij het hernieuwd bevel tot betaling is gedaan is vermeld dat beslag zal worden gelegd op de bezittingen van ABGS als de schuld niet binnen 2 dagen is betaald. De deurwaarder heeft daarbij aangekondigd op 21 juni 2016 op het bedrijfsadres van ABGS terug te komen om beslag op roerende zaken te leggen. Bij dagvaarding van 20 juni 2016 heeft ABGS verzet ingesteld tegen de tenuitvoerlegging van de dwangbevelen. De beslaglegging op roerende zaken is niet voortgezet in verband met de door de Ontvanger geëerbiedigde schorsende werking van het verzet.

3. Het geschil

3.1.

ABGS vordert samengevat - dat de rechtbank de dwangbevelen buiten effect zal stellen, met veroordeling van de Ontvanger in de kosten van het geding.

3.2.

De Ontvanger voert verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Het verzet kan geacht worden tijdig en op de juiste wijze te zijn ingesteld, nu het tegendeel gesteld noch gebleken is, zodat ABGS in zoverre in haar verzet kan worden ontvangen.

4.2.

ABGS voert ter onderbouwing van haar vordering, samengevat, het volgende aan. Er is sprake van een onredelijke weigering van uitstel van betaling. ABGS wordt onredelijke benadeeld door een beslaglegging op haar handelsvoorraad. Dit zou er toe leiden dat ABGS haar klanten niet kan beleveren en dat ABGS op korte termijn failliet zou gaan. Omdat de voorraad hoofdzakelijk bestaat uit goederen voorzien van klantgebonden labels is de executiewaarde van de voorraad aanzienlijk lager dan de boekwaarde.

De voorraad en de bedrijfsmiddelen van ABGS zijn bovendien verpand aan Abags Int. Ltd. Enige overwaarde op de roerende zaken ontbreekt en de verwachte waarde van de zaken ten aanzien waarvan het bodemrecht hoger gerangschikt is dan het pandrecht is lager dan de door eiseres aangeboden maandelijkse betalingstermijn van € 3.000,-. Het ontbreekt de Ontvanger daarom aan een gerechtvaardigd belang om tot beslaglegging over te gaan.

De Ontvanger kan, gegeven de onevenredigheid tussen zijn belang bij beslaglegging en het belang van ABGS om haar bedrijf te kunnen voortzetten in redelijkheid niet tot tenuitvoerlegging van de dwangbevelen komen, mede in aanmerking nemende de door ABGS aangeboden betalingsregeling, aldus ABGS.

4.3.

De rechtbank stelt voorop, dat ABGS geen rechtsmiddel heeft aangewend tegen de beschikking van 17 maart 2016 waarbij haar verzoek om uitstel van betaling door de Ontvanger is afgewezen. Tussen partijen is voorts niet in geschil, zo is ook expliciet door ABGS ter comparitie erkend, dat ABGS niet kan voldoen aan de door de Ontvanger op grond van de Leidraad Invordering 2008 (hierna: de Leidraad) gestelde voorwaarden voor het verlenen van uitstel van betaling, meer in het bijzonder dat de termijn van uitstel niet langer dan 12 maanden vanaf de vervaldag van de aanslagen dient te beslaan (art. 25.6.1 van de Leidraad) en dat zekerheid wordt gesteld (art. 25.6.2 van de Leidraad).

4.4.

De Ontvanger heeft terecht naar voren gebracht dat zijn bevoegdheid om tot beslaglegging en uitwinning over te gaan een zwaarwegend belang betreft dat slechts in uitzonderingsgevallen zal mogen wijken voor (op zichzelf aanzienlijke) belangen van de belastingschuldige. De stellingen van ABGS dat zij ten gevolge van de beslaglegging op haar handelsvoorraad failliet zal gaan en dat executie een geringe opbrengst zal hebben zijn door de Ontvanger betwist en niet nader door ABGS onderbouwd. Bovendien geldt, dat ook in het geval de executie tot gevolg zou hebben dat de onderneming van een belastingschuldige haar activiteiten moet beëindigen de Ontvanger in beginsel gerechtigd is de executie door te zetten. Dat kan zelfs het geval zijn als de executie een geringe opbrengst zou hebben. Daarbij is van belang, zoals de Ontvanger ook naar voren heeft gebracht, dat de Ontvanger moet waken voor concurrentievervalsing en zich niet behoort te begeven op het gebied van kredietverlenende instanties. Gelet op voorgaand uitgangspunt heeft ABGS onvoldoende bijzondere omstandigheden gesteld op grond waarvan de belangen van ABGS dienen te prevaleren boven die van de Ontvanger. De rechtbank betrekt daarbij dat in dit geval sprake is van invordering van meerdere aanslagen, dat inmiddels geruime tijd na het opleggen van die aanslagen is verstreken en dat ondanks berichten van ABGS in maart en april van 2016 dat krediet zou worden aangevraagd, respectievelijk dat de financiering bijna rond is, de thans bestaande belastingschuld nog steeds substantieel is en ABGS, gelet op de daarvoor geldende uitgangspunten zoals geformuleerd in de Leidraad en de hoogte van de thans nog bestaande belastingschuld, geen reëel betalingsaanbod aan de Ontvanger heeft gedaan.

4.5.

De rechtbank is derhalve van oordeel dat het verzet ongegrond is.

4.6.

De Ontvanger heeft bij conclusie van antwoord verzocht het vonnis waarbij het verzet van ABGS ongegrond wordt verklaard, uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Volgens ABGS moet het verzoek worden afgewezen, omdat de Ontvanger hiertoe een reconventionele vordering had moeten instellen.

4.7.

Op grond van een zwaarwegend belang van de Ontvanger kan de rechter de schorsende werking van het verzet opzij zetten door zijn uitspraak waarbij het verzet ongegrond is verklaard uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Gevolg daarvan is dat de schorsende werking van de verzetprocedure niet herleeft door het aanwenden van een rechtsmiddel tegen die uitspraak. Daarvoor is niet een daartoe strekkende vordering in reconventie van de Ontvanger vereist. Voldoende is, dat een daartoe strekkend verzoek wordt gedaan op zodanig duidelijke wijze dat de belastingschuldige niet wordt tekortgedaan in zijn recht zich daartegen te verdedigen (ECLI:NL:HR:2007:BA1525).
Het door de raadsman van ABGS genoemde arrest van de Hoge Raad van 1 mei 2015 (ECLI:NL:HR:2015:1188) heeft daarin geen verandering gebracht. Een dergelijk verzoek kan worden toegewezen als de belastingschuldige van zijn bevoegdheid om in verzet te komen, misbruik maakt. Daarvan is sprake als het verzet, gelet op wat de belastingschuldige ter ondersteuning daarvan heeft aangevoerd, zo duidelijk kansloos is dat het belang van de belastingschuldige bij schorsing van de tenuitvoerlegging niet opweegt tegen het belang van de Ontvanger bij voortzetting van de tenuitvoerlegging (HR 7 oktober 1994, ECLI:NL:1994:ZC1475). Van zo’n kansloosheid is sprake als eiser zijn verzet baseert op feiten en omstandigheden waarvan hij de onjuistheid kende dan wel behoorde te kennen of op stellingen waarvan hij op voorhand moest begrijpen dat deze geen kans van slagen had.

4.8.

Naar het oordeel van de rechtbank is van zodanige kansloosheid sprake. Ten aanzien van het kernbezwaar van ABGS, te weten dat sprake is van een onredelijke weigering tot uitstel van betaling, moet het er gelet op hetgeen in r.o. 4.3 en 4.4. is overwogen voor worden gehouden dat ABGS wist danwel moest begrijpen dat haar stelling dat de Ontvanger had moeten ingaan op een voorstel tot uitstel van betaling duidelijk geen kans van slagen had. Immers, ABGS heeft geen rechtsmiddel aangewend tegen de beschikking waarbij haar verzoek om uitstel tot betaling is afgewezen, ABGS voldoet niet aan de op grond van de Leidraad geldende vereisten voor uitstel van betaling en ABGS heeft in dat verband (ook nadien) geen reëel (betalings)voorstel, waaronder het verstrekken van zekerheden, gedaan. De Ontvanger heeft daarentegen een zwaarwegend belang bij het onverwijld verzekeren van zijn rechten, nu het gaat om een aanzienlijk bedrag met betrekking tot meerdere aanslagen, er geruime tijd is verstreken na het opleggen van die aanslagen en ABGS geen zekerheid heeft verstrekt.

4.9.

Onder die omstandigheden weegt het belang van de Ontvanger bij voortzetting van de executie zwaarder dan het belang van ABGS bij (verdere) schorsing van de executie. De rechtbank zal daarom het verzoek van de Ontvanger honoreren om de ongegrondverklaring van het verzet uitvoerbaar bij voorraad te verklaren, zodat de schorsende werking van de verzetsprocedure niet herleeft door het aanwenden van een rechtsmiddel tegen dit vonnis.

4.10.

ABGS zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van de Ontvanger worden begroot op:

-
griffierecht 619,00

- salaris advocaat 904,00 (2,0 punten × tarief € 452,00)

Totaal € 1.523,00

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

verklaart het verzet ongegrond,

5.2.

veroordeelt ABGS in de proceskosten, aan de zijde van de Ontvanger tot op heden begroot op € 1.523,00,

5.3.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. F.E.J. Goffin en in het openbaar uitgesproken op 22 februari 2017.1

1 type: coll: