Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2017:1209

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
20-03-2017
Datum publicatie
20-03-2017
Zaaknummer
08/760032-15(P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank spreekt een 25-jarige man en een 26-jarige vrouw vrij van mensenhandel en oplichting. Zij zouden twee verstandelijk beperkte vrouwen hebben bewogen tot het afsluiten van een mobiele telefoonabonnement.

De rechtbank kan niet anders dan tot de conclusie komen dat het op zichzelf duidelijk uit het dossier gebleken verwerpelijke gedragingen ten opzichte van minder sterk in de schoenen staande medemensen (met nadeel voor hen en telefoonmaatschappijen) niet op basis van de twee te laste gelegde alternatieve strafbepalingen tot een bewezenverklaring en een bestraffing kunnen leiden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Overijssel

Afdeling Strafrecht

Meervoudige kamer

Zittingsplaats Almelo

Parketnummer: 08/760032-15(P)

Datum vonnis: 20 maart 2017

Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1991 in [geboorteplaats] ,

wonende in [woonplaats] .

1 Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van

6 maart 2017.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie

mr. M.S. de Waard en van hetgeen door verdachte en de raadsman mr. D. Fontein, advocaat te Koog aan de Zaan, naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

De verdenking komt er na wijziging van de tenlastelegging ter zitting, kort en zakelijk weergegeven, op neer primair dat verdachte al dan niet samen met een ander [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] heeft uitgebuit, dan wel subsidiair dat verdachte al dan niet samen met een ander KPN en/of Vodafone heeft opgelicht.

Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:

hij op of omstreeks de periode(s) van 01 augustus 2014 tot en met 2 augustus 2014 te Enschede en/of Hengelo en/of Neede en/of 3 november 2014 tot en met 20 november 2014 te Enschede en/of Hengelo en/of Neede tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een ander of anderen, te weten [slachtoffer 1] en/of

[slachtoffer 2] , (telkens) door dwang, geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) of door dreiging met geweld of (een) andere feitlijkhe(i)d(en), door afpersing, fraude, misleiding dan wel door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht, door misbruik van een kwetsbare positie (telkens) opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de uitbuiting van die/een ander of anderen, te weten [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] , (sub 6°), hebbende verdachte(n) (telkens)

- gebruik gemaakt van het geestelijke en/of lichamelijke overwicht dat verdachte en/of zijn mededader(s) over die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] had(den), en/of

- gebruik gemaakt van de kwetsbare financiële positie waarin die [slachtoffer 1] en/of

[slachtoffer 2] zich bevonden en/of

- die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] meegenomen naar (een) telefoonwinkel(s) (in Enschede en/of Hengelo) en/of

- die [slachtoffer 1] en/of die [slachtoffer 2] begeleid met het afsluiten van (een) telefoonabonnement(en) (op eigen naam) en/of

- de bij de/het telefoonabonnement(en) geleverde telefoon(s) van deze [slachtoffer 1] en

[slachtoffer 2] afgenomen/ingenomen en/of

- ( vervolgens) deze telefoon(s) verkocht en/of

- het uit de verkoop van deze telefoon(s) verkregen geld zichzelf en/of zijn medeverdachte geheel of gedeeltelijk toegeëigend/toegekend;

ALTHANS, voor zover voor het vorenstaande onder 1 geen veroordeling mocht of zou kunnen volgen, SUBSIDIAIR, terzake dat

hij op of omstreeks de periode(s) van 01 augustus 2014 tot en met 2 augustus 2014 te Enschede en/of Hengelo en/of 3 november 2014 tot en met 20 november 2014 te Enschede tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen (telkens) door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door een of meer listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, KPN en/of [slachtoffer 3] en/of Vodafone en/of [slachtoffer 4] heeft/hebben bewogen tot de afgifte van (een) telefoonabonnement(en) en/of mobiele telfoon(s), in elk geval van enig goed,

hebbende verdachte en/of zijn mededader(s) toen aldaar (telkens) met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid telefoonabonnementen (met bijgeleverde mobiele telefoon(s)) (laten) afsluiten/afgesloten (op een andere naam) en zich voorgedaan als koper en/of huurder en/of leaser te goeder trouw, waardoor KPN en/of Vodafone (telkens) werd bewogen tot bovenomschreven afgifte.

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De bewijsoverwegingen

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het primair tenlastegelegde bewezen kan worden verklaard. Hij heeft daartoe het volgende aangevoerd:

Beide aangeefsters zijn verstandelijk beperkt en zij zijn door verdachte en medeverdachte [medeverdachte] bewogen tot het verrichten van diensten, namelijk het afsluiten van mobiele telefoonabonnementen op naam van aangeefsters en ten laste van hun bankrekening. Telkens betrof het het afsluiten van abonnementen voor de duurste mobiele telefoons die zij vervolgens moesten afgeven aan verdachten, waarna verdachten de mobiele telefoons inleverden en de opbrengst voor zichzelf hielden. Beide aangeefsters zijn misleid bij het afsluiten van de abonnementen, nu hen is voorgespiegeld dat zij van het afsluiten van de abonnementen geen last zouden hebben en dat verdachten iemand kenden die het abonnement ‘zo van hun naam kon halen’. Daarbij heeft medeverdachte [medeverdachte] tegen aangeefster [slachtoffer 1] gelogen over het doel van het aangaan van het abonnement, door mee te delen dat verdachte en medeverdachte [medeverdachte] geldproblemen hadden en daarom geen eten voor de dieren konden kopen. Met die uitlating heeft zij aangeefster [slachtoffer 1] overgehaald om tot het afsluiten van de telefoonabonnementen over te gaan, omdat zij zich het lot van dieren erg aantrekt. Ook de uitlating van medeverdachte [medeverdachte] dat zij anders geen vriendinnen meer zouden zijn, heeft haar daartoe overgehaald, omdat [slachtoffer 1] die vriendschap waardevol vond.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte van zowel het primair als subsidiair tenlastegelegde moet worden vrijgesproken.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte primair en subsidiair is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

De rechtbank overweegt daartoe het volgende.

Ten aanzien van het primair tenlastegelegde delict van mensenhandel is de rechtbank op basis van de inhoud van het dossier van oordeel dat zich hier niet de situatie voordoet waarop de wetgever bij de daarvoor noodzakelijke uitbuitingssituaties heeft gedoeld, zodat verdachte van het primair tenlastegelegde zal worden vrijgesproken. De rechtbank wijst in dit verband op de overweging van de Hoge Raad in zijn arrest van 5 april 2016 (www.rechtspraak.nl, ECLI:NL:HR:2016:554) waaruit blijkt dat een gedraging als het afsluiten van een abonnement niet zonder meer is aan te merken als arbeid of dienst tot het verrichten waarvan iemand wordt gedwongen of bewogen zich beschikbaar te stellen als bedoeld in artikel 273 eerste lid aanhef en onder 4 Sr.

In het bijzonder gelet op de aard en de korte duur van de diensten, de niet-noemenswaardige beperkingen die deze voor de betrokkenen meebrachten en het economisch voordeel dat daarmee door verdachten werd behaald, alsmede gelet op de overige (persoonlijke) omstandigheden van betrokkenen, is de rechtbank van oordeel dat in deze gevallen geen sprake was van uitbuiting. Deze conclusie is ook in overeenstemming met het arrest van de Hoge Raad van 27 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI7099.

Ten aanzien van het subsidiair tenlastegelegde delict van oplichting stelt de rechtbank voorop dat zich hier de situatie voordoet dat [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] – daar waar zij bij het primaire feit als slachtoffer zijn aangemerkt – in de tenlastelegging gelet op het feitencomplex fungeren als medeplegers. Immers, zij werden de telefoonabonnee.

De rechtbank is evenwel van oordeel dat op basis van het dossier niet tot een bewezenverklaring kan worden gekomen, omdat uit het dossier onvoldoende blijkt van het gebruik van de oplichtingsmiddelen als valse naam, valse hoedanigheid, listige kunstgrepen of een samenstel van verdichtsels. Het bewegen van KPN en/of Vodafone tot afgifte van goederen enkel door zich voor te doen als bonafide koper is volgens de Hoge Raad immers onvoldoende om tot een bewezenverklaring van oplichting te komen.

De rechtbank kan niet anders dan tot de conclusie komen dat het op zichzelf duidelijk uit het dossier gebleken verwerpelijke gedragingen ten opzichte van minder sterk in de schoenen staande medemensen (met nadeel voor hen en telefoonmaatschappijen) niet op basis van de twee te laste gelegde alternatieve strafbepalingen tot een bewezenverklaring en een bestraffing kunnen leiden.

5. De schade van benadeelden

5.1

De vordering van de benadeelde partij

[naam] , bewindvoerder en wettelijk vertegenwoordiger van [slachtoffer 1] , heeft zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert verdachte te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van € 5.793,47 (vijfduizendzevenhonderddrieënnegentig euro 47/100), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd.

De gevorderde materiële schade bestaat uit de post ‘kosten abonnementen incl. telefoons’ van € 5.307,47.

Wegens immateriële schade wordt een bedrag van € 450,- gevorderd en wegens proceskosten een bedrag van € 36,-.

[slachtoffer 2] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert verdachte te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van

€ 1.395,- (eenduizenddriehonderdvijfennegentig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd.

De gevorderde materiële schade bestaat uit de posten ‘Vodafone Libertel’ van € 696,- en ‘KPN’ van € 699,-.

5.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat beide vorderingen hoofdelijk dienen te worden toegewezen, met daarbij de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht.

5.3

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de benadeelde partijen in hun vorderingen niet-ontvankelijk moeten worden verklaard, vanwege de bepleite vrijspraak. Subsidiair heeft de verdediging gesteld dat bij een bewezenverklaring van het subsidiair tenlastegelegde er geen ruimte is voor toekenning van een schadevergoeding van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] , nu niet kan worden gezegd dat de gevorderde schade een rechtstreeks gevolg is van het subsidiair bewezenverklaarde feit.

Meer subsidiair heeft de verdediging gesteld dat de vorderingen gematigd moeten worden, nu niet duidelijk is geworden wat de benadeelde partijen hebben ondernomen om hun schade te beperken.

5.4

Het oordeel van de rechtbank

De vordering heeft betrekking op het tenlastegelegde. Nu verdachte van dit feit wordt vrijgesproken, zal de rechtbank de benadeelde partij op de voet van artikel 361, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering.

6 De beslissing

De rechtbank:

bewezenverklaring

- verklaart niet bewezen dat verdachte het primair en subsidiair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;

schadevergoeding

- bepaalt dat de benadeelde partij [naam] , bewindvoerder en wettelijk vertegenwoordiger van [slachtoffer 1] , in het geheel niet-ontvankelijk is in de vordering, en dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

- bepaalt dat de benadeelde partij [slachtoffer 2] in het geheel niet-ontvankelijk is in de vordering, en dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Dit vonnis is gewezen door mr. F.C. Berg, voorzitter, mr. H. Bloebaum en mr. A.A. Smit, rechters, in tegenwoordigheid van mr. W.J. van der Leest, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 20 maart 2017.