Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2017:1208

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
20-03-2017
Datum publicatie
20-03-2017
Zaaknummer
08/760110-16 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een 28-jarige man uit Enschede is schuldig aan een groot aantal inbraken en een diefstal in voornamelijk diezelfde stad. De rechtbank veroordeelt hem tot een geheel voorwaardelijke celstraf van 1,5 jaar met een proeftijd van 3 jaar met bijzondere voorwaarden en een onvoorwaardelijke taakstraf van 240 uur. Ook moet hij schadevergoedingen betalen. De rechtbank motiveert onder 7.3 uitvoerig waarom voor deze straf is gekozen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Overijssel

Afdeling Strafrecht

Meervoudige kamer

Zittingsplaats Almelo

Parketnummer: 08/760110-16 (P)

Datum vonnis: 20 maart 2017

Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1988 in [geboorteplaats] ,

wonende in [woonplaats] .

1 Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van

6 maart 2017.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie

mr. A. van Veen en van hetgeen door verdachte en de raadsvrouw mr. D. Greven, advocaat te Enschede, naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1: in de periode van 6 januari 2015 tot en met 4 december 2015 vier keer heeft ingebroken bij [bedrijf 1] te Beckum;

feit 2: op 21 januari 2015 heeft ingebroken bij [bedrijf 2] te Tubbergen;

feit 3: op 4 november 2015 heeft ingebroken bij [bedrijf 3] BV te Enschede;

feit 4: in de periode van 8 november 2015 tot en met 9 november 2015 heeft ingebroken bij een bedrijfspand van [slachtoffer 1] te Goor;

feit 5: op 1 maart 2015 heeft ingebroken bij een bedrijfspand van [slachtoffer 2] te Enschede;

feit 6: op 14 februari 2015 heeft ingebroken bij de woning van [slachtoffer 3] te Enschede;

feit 7: in de periode van 25 november 2015 tot en met 10 januari 2016 drie keer heeft ingebroken bij restaurant [bedrijf 4] te Enschede.

Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:

1.

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 6 januari 2015 tot en met

4 december 2015 te Beckum, gemeente Hengelo (O), althans in Nederland, (meermalen) met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een bedrijfspand, gelegen aan de [adres 1] , (telkens) heeft weggenomen een hoeveelheid geld (van in totaal ongeveer 606 euro), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [bedrijf 1] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte,

waarbij verdachte zich (telkens) de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of dat weg te nemen geld onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming (zaak 3, 7, 9 en 16);

2.

hij op of omstreeks 21 januari 2015 te Tubbergen met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een bedrijfspand, gelegen aan de [adres 2] , heeft weggenomen een hoeveelheid geld (van in totaal ongeveer 35 euro), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 4] en/of [bedrijf 2] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft en/of dat weg te nemen geld onder zijn bereik heeft gebracht

door middel van braak, verbreking en/of inklimming (zaak 15);

3.

hij op of omstreeks 4 november 2015 te Enschede, althans in Nederland, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening van/uit een bedrijfsterrein, gelegen aan de [adres 3] , heeft weggenomen een bandenzaag (merk Partner), een breekhamer (merk Dewald Kango) en/of een accuschroefmachine (merk Makita), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [bedrijf 3] B.V. en/of [slachtoffer 5] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte (zaak 8);

4.

hij in of omstreeks de periode van 8 november 2015 tot en met 9 november 2015 te Goor, gemeente Hof van Twente, althans in Nederland, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een bedrijfspand, gelegen aan de [adres 4] , heeft weggenomen

een hoeveelheid geld (van in totaal ongeveer 15 euro), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of dat weg te nemen geld onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming (zaak 6);

5.

hij op of omstreeks 1 maart 2015 te Enschede met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een bedrijfspand, gelegen aan de [adres 5] , heeft weggenomen

- een afkortzaag (merk DeWalt),

- een accutacker (merk DeWalt),

- een compressor (merk Shuttle),

- 2 ( twee) haakse slijpers (merk Bosch),

- 2 ( twee) reciprozagen (merk Bosch),

- 2 ( twee) (accu)boormachines (merk Hitachi en/of Metabo),

- een sloophamer (merk Bosch),

- een bandschuurmachine (merk Hitachi),

- een stofzuiger (merk Stamix),

- diverse toebehoren bij voornoemd gereedschap en/of

- een hoeveelheid (blad)lood (van in totaal ongeveer 275 kilogram),

in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 2] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming (zaak 12);

6.

hij, op of omstreeks 14 februari 2015 te Enschede, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een woning, gelegen aan de [adres 6] , heeft weggenomen

- een laptop (merk Toshiba),

- een tablet (computer),

- ( gouden) oorbellen (merk Chopard),

- een (gouden) ring (merk Chopard),

- een (gouden) armband (merk Chopard) en/of

- een (gouden) ketting met hanger (merk Chopard),

in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 3] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming (zaak 13);

7.

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 25 november 2015 tot en met 10 januari 2016 te Enschede (meermalen) met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een bedrijfspand, gelegen aan de [adres 7] , (telkens) heeft weggenomen (in totaal) 22 flessen (sterke) (alcoholhoudende) drank en/of een hoeveelheid geld (van in totaal ongeveer 1288 euro), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 6] en/of restaurant ' [bedrijf 4] ', in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, waarbij verdachte (telkens) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of die/dat weg te nemen goed(eren) en/of geld onder zijn

bereik heeft gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming (zaak 1, 2 en 4).

In de aan verdachte uitgebrachte dagvaarding is voorts opgenomen:

MEDEDELING AD INFORMANDUM GEVOEGDE STRAFBARE FEITEN

Ter terechtzitting zal/zullen onderstaand(e) door u bekend(e) strafba(a)r(e) feit(en) ter kennis van de rechter worden gebracht. De rechter kan aldus bij het bepalen van de straf ook met dat/die feit(en) rekening houden. Doet de rechter dit dan kunt u dat/die feit(en) als strafrechtelijk afgedaan beschouwen.

Parketnr. Feitgegevens (pleegperiode, -lokatie, -plaats, -gemeente, omschr. feit)

1. tussen 17 nov 2015 t/in 18 nov 2015, , Enschede, Gem. Enschede,

Diefstal parfum/kleding/snoepgoed uit de [bedrijf 5] dmv braak i.v. (zaak 5)

2. 760110-16 tussen 28 aug 2015 t/m 31 aug 2015, , Hengelo, Gem. Hengelo (O),

Diefstal boormachines en zaagmachine uit bedrijfswagen dmv braak

(zaak 10)

3. 760110-16 20 maart 2015, , Enschede, Gem. Enschede,

Poging diefstal dmv braak in/uit winkel ‘ [bedrijf 6] ’ (zaak 11)

4. 760110-16 tussen 11 feb 2015 t/m 12 feb 2015, , Enschede, Gem. Enschede,

Diefstal geld dmv braak uit winkel ‘ [bedrijf 6] ’ (zaak 14)

5. 760110-16 11 december 2014, , Enschede, Gem. Enschede,

Diefstal geld uit basisschool ‘ [school] ’ dmv braak (zaak 17)

6. 760110-16 tussen 30 nov 2014 t/m 1 dec 2014, , Enschede, Gem. Enschede,

Diefstal geld uit pizzeria ‘ [bedrijf 7] ’ dmv braak (zaak 18)

7. 760110-16 28 mei 2014, , Hengelo, Gem. Hengelo (0),

Diefstal telefoons uit bedrijf ‘ [bedrijf 8] ’ dmv braak

(zaak 19).

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De bewijsoverwegingen

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat alle tenlastegelegde feiten bewezen kunnen worden verklaard, met uitzondering van de onder feit 6 mede tenlastegelegde diefstal van sieraden nu daarvoor het bewijs ontbreekt. Ook met de ad informandum gevoegde feiten kan rekening gehouden worden.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de feiten 1, 2, 3, 4, 5 en 7 bewezen verklaard kunnen worden, dat van het onder feit 5 tenlastegelegde enkel de diefstal van twee accuboormachines en de hoeveelheid lood bewezen verklaard kan worden en dat van het onder feit 6 tenlastegelegde enkel de diefstal van de laptop bewezen verklaard kan worden. De ad informandum gevoegde feiten heeft verdachte bekend en daarmee kan bij de strafoplegging rekening gehouden worden.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van de tenlastegelegde feiten op grond van de volgende bewijsmiddelen, waarbij de rechtbank - nu verdachte deze feiten heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit - conform artikel 359, derde lid, laatste volzin van het Wetboek van Strafvordering (Sv), zal volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen1234567891011121314.

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat:

1.

hij in de periode van 6 januari 2015 tot en met 4 december 2015 te Beckum, gemeente Hengelo (O), drie malen met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een bedrijfspand, gelegen aan de [adres 1] , telkens heeft weggenomen een hoeveelheid geld toebehorende aan [bedrijf 1] , waarbij verdachte zich telkens de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak;

2.

hij op 21 januari 2015 te Tubbergen met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een bedrijfspand, gelegen aan de [adres 2] , heeft weggenomen een hoeveelheid geld van in totaal ongeveer 35 euro, toebehorende aan [slachtoffer 4] , waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft door middel van braak;

3.

hij op 4 november 2015 te Enschede met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening van een bedrijfsterrein, gelegen aan de [adres 3] , heeft weggenomen een bandenzaag (merk Partner), een breekhamer (merk Dewald Kango) en een accuschroefmachine (merk Makita), toebehorende aan [bedrijf 3] B.V.;

4.

hij in de periode van 8 november 2015 tot en met 9 november 2015 te Goor, gemeente Hof van Twente, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een bedrijfspand, gelegen aan de [adres 4] , heeft weggenomen een hoeveelheid geld van in totaal ongeveer 15 euro, toebehorende aan een ander of anderen dan aan verdachte, waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak;

5.

hij op 1 maart 2015 te Enschede met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een bedrijfspand, gelegen aan de [adres 5] , heeft weggenomen twee accuboormachines (merk Hitachi en/of Metabo) en een hoeveelheid bladlood, toebehorende aan [slachtoffer 2] , waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft door middel van braak;

6.

hij op 14 februari 2015 te Enschede, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een woning, gelegen aan de [adres 6] , heeft weggenomen een laptop (merk Toshiba), toebehorende aan [slachtoffer 3] , waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft door middel van braak;

7.

hij op tijdstippen in de periode van 25 november 2015 tot en met 10 januari 2016 te Enschede drie malen met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een bedrijfspand, gelegen aan de [adres 7] , heeft weggenomen een aantal (in totaal 22) flessen (sterke) (alcoholhoudende) drank en/of een hoeveelheid geld (van in totaal ongeveer 1288 euro), toebehorende aan [slachtoffer 6] of restaurant ' [bedrijf 4] ', waarbij verdachte telkens zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte onder 1, 2, 3, 4, 5, 6, en 7 meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

4.5

Het ad informandum gevoegde

Ook met de ad informandum gevoegde feiten kan naar het oordeel van de rechtbank rekening gehouden worden nu verdachte deze bekent. Het betreft:

1. diefstal uit een winkel, tussen 17 en 18 november 2015 gepleegd in Enschede;

2. diefstal uit een bedrijfswagen door middel van braak, tussen 28 en 31 augustus 2015 gepleegd in Hengelo (O);

3. poging tot diefstal uit een winkel door middel van braak, op 20 maart 2015 gepleegd in Enschede;

4. diefstal van geld uit een winkel door middel van braak, tussen 11 en 12 februari 2015 gepleegd in Enschede;

5. diefstal van geld uit een basisschool door middel van braak, op 11 december 2014 gepleegd in Enschede;

6. diefstal van geld uit pizzeria ‘ [bedrijf 7] ’ door middel van braak, tussen 30 november 2014 en 1 december 2014 gepleegd in Enschede;

7. diefstal van telefoons uit ‘ [bedrijf 8] B.V.’ door middel van braak, op

28 mei 2014 gepleegd in Hengelo (O).

5 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in de artikelen 310 en 311 van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:

feit 1, feit 2, feit 4, feit 5, feit 6 en feit 7

telkens het misdrijf diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak, waarbij ten aanzien van feit 1 en feit 7 geldt: meermalen gepleegd;

feit 3

het misdrijf: diefstal.

6 De strafbaarheid van verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezenverklaarde feiten.

7 De op te leggen straf of maatregel

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte te veroordelen tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van één jaar met een proeftijd van twee jaren en met oplegging van de bijzondere voorwaarden zoals door de reclassering in haar rapport geadviseerd. Daarnaast heeft de officier van justitie oplegging van een taakstraf van 240 uren, subsidiair 120 dagen vervangende hechtenis, gevorderd met aftrek van de tijd die verdachte in verzekering heeft doorgebracht.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich terzake de strafoplegging geconformeerd aan het standpunt van de officier van justitie en daaraan toegevoegd dat oplegging van een gevangenisstraf aan verdachte niet wenselijk is nu hij op goede weg is qua huisvesting, werk en begeleiding.

7.3

De gronden voor een straf of maatregel

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen.

De ad informandum gevoegde zaken worden daarbij mede betrokken. De rechtbank acht daarbij het volgende van belang.

In de eerste plaats moet worden vastgesteld dat de rechtbank een groot aantal misdrijven heeft bewezen verklaard: onder de zeven ten laste gelegde nummers op de dagvaarding zijn elf voltooide gekwalificeerde diefstallen en één eenvoudige diefstal bewezen verklaard. Daarnaast zal de rechtbank in de strafmaat nog zes ad informandum gevoegde voltooide diefstallen en één poging tot diefstal betrekken. In totaal gaat het dus om negentien strafbare feiten. Zeventien daarvan zijn gepleegd in of bij bedrijfspanden, één ervan in een basisschool en één in een woning. Hoewel de buit bij de meeste zaken vrij gering was, is de materiële schade voor de slachtoffers in veel van de gevallen aanzienlijk. Ook kan de rechtbank zich indenken dat de slachtoffers gevoelens over hebben gehouden van ergernis, van frustratie en van vertwijfeling over hoe herhaling van inbraak bij hen in de toekomst effectief kan worden voorkomen. En zeker in het geval van de woninginbraak wil de rechtbank niet het gevoel van onveiligheid onderschatten waarmee de bewoners misschien zijn achtergebleven. Dat alles heeft verdachte op zijn geweten. Hij heeft puur uit eigen gewin gehandeld. Dat alles moet hem zwaar worden aangerekend. Daar komt bij dat verdachte in 2014 en 2015 vaker is veroordeeld voor auto- en fietsdiefstallen. Voor de rechtbank bestaat geen twijfel dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van anderhalf à twee jaar nu in beginsel een passende straf zou zijn.

De rechtbank stelt vast dat aannemelijk is dat verdachte de misdrijven heeft begaan vanuit een verslaving aan cocaïne. Dit wordt ondersteund door de reclasseringsrapportage. Algemeen bekend is dat de aan cocaïne verslaafde veel geld nodig heeft dat doorgaans alleen voorhanden komt door hoogfrequent misdaden te begaan. In de periode waarvoor verdachte nu terechtstaat, gebruikte hij naar eigen opgave dagelijks cocaïne. Volgens eigen opgave besteedde hij soms tot wel € 300,- per week aan cannabis en cocaïne. Hij is al sinds zijn zeventiende jaar met cocaïnegebruik bekend.

In de langdurige verslaving zelf vindt de rechtbank geen grond tot matiging van de straf. Die vindt de rechtbank wel in het gegeven dat verdachte bijna een half jaar na het laatst gepleegde, bewezenverklaarde feit is aangehouden en toen inmiddels door het ondergaan van behandelingen in een kliniek “clean” was en, zo is voldoende gebleken, een ander leven is gaan leiden. De rechter-commissaris heeft, nadat verdachte was aangehouden en in verzekering en in bewaring was gesteld, de inbewaringstelling geschorst onder de voorwaarde van reclasseringsbegeleiding. Uit het reclasseringsrapport en ter zitting is gebleken dat verdachte inmiddels, meer dan een jaar na de laatste delicten en tien maanden na de schorsing uit de inbewaringstelling, is gaan samenwonen met zijn vriendin, met kinderen, dat hij deelneemt aan dagbesteding en dat hij zijn oude contacten mijdt. Hij is bezig om met ingeroepen hulp van derden zijn financiën op orde te krijgen en hij is niet opnieuw met justitie in aanraking gekomen. Het is evident dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf zoals die passend zou zijn bij de bewezenverklaarde delicten, het in het afgelopen jaar door verdachte opgebouwde leven aanzienlijk zal doorkruisen.

Bovendien is het volgende van belang. Verdachte had bij zijn inbraak op 21 januari 2015 bloedsporen en dus ook DNA achtergelaten op de plaats delict. Toen verdachte bijna anderhalf jaar later, mede dankzij de DNA-databank, op 21 mei 2016 werd aangehouden, heeft hij niet alleen dat feit bekend maar ook aangegeven schoon schip te willen maken door te gaan verklaren over andere strafbare feiten die hij had begaan die hij zich kon herinneren. Dat heeft geleid tot de grote rij feiten waarvoor verdachte nu terecht heeft gestaan. Voor sommige feiten was behalve de aangifte ook bewijs met behulp van DNA-sporen aanwezig, maar voor verreweg de meeste zaken geldt dat deze alleen tot bewezenverklaring konden leiden dankzij de gedetailleerde verklaringen van verdachte zelf. Duidelijk is dat er geen enkele verplichting voor verdachte was om zoveel zaken te bekennen. De rechtbank acht het van belang dat verdachte ten koste van zichzelf schoon schip heeft gemaakt en daarmee de politie, maar in de eerste plaats de slachtoffers, opheldering heeft verschaft over een groot aantal feiten. Hun zaken zijn nu in belangrijke mate opgelost.

De rechtbank overweegt verder het volgende. Stel dat verdachte niet openhartig verklaard zou hebben over zijn misdaden, dan zou hij nu voor veel minder feiten een straf toegemeten moeten hebben krijgen. Dat zou dan gebeuren onder het sterke vermoeden dat verdachte vanwege zijn verslaving een veel groter aantal feiten wel gepleegd zal hebben maar dat alleen niet duidelijk is welke, zodat hij daarvoor ook niet vervolgd kan worden. Daarvoor ontloopt hij dan zijn straf. De rechtbank is van oordeel dat het niet fair is om verdachte, die nu met zijn serie bekentenissen in feite bevestigt wat al kon worden vermoed, aanzienlijk zwaarder te straffen. In andere woorden, het zou hypocriet zijn om de zeldzame ex-verslaafde die nu eerlijk en volstrekt onnodig openhartig is over zijn verleden en de daarbij behorende seriematige misdaad veel zwaarder te straffen dan de verslaafde van wie hetzelfde gedrag vermoed kan worden maar die alleen voor die één of twee delicten gestraft kan worden waarvan met hem een link is gelegd en waarvan te bewijzen is dat hij deze heeft begaan.

Niettemin gaat het in dit dossier wel degelijk om serieuze criminaliteit. Dat maakt het ook zo moeilijk om aan de persoonlijke omstandigheden van verdachte zoveel gewicht toe te kennen. Uit de lengte van deze motivering moge duidelijk zijn dat de rechtbank heeft geworsteld met dit dilemma. De conclusie waartoe de rechtbank na afweging van alle hierboven vermelde omstandigheden komt is om een langdurige gevangenisstraf geheel voorwaardelijk op te leggen met een langdurige proeftijd, om zo enerzijds verdachte te stimuleren om zijn ten goede gekeerde leven vooral vol te houden en om anderzijds de mogelijkheid open te houden om verdachte alsnog zijn “verdiende loon” te kunnen laten ondergaan als hij toch terugvalt in misdaad. Daarboven is het passend om aan verdachte een werkstraf van de maximale duur op te leggen en om voorwaarden op te leggen waaraan verdachte zich gedurende de proeftijd moet houden, om ten behoeve van hemzelf en de maatschappij de goede weg te bestendigen.

De voorwaardelijk op te leggen gevangenisstraf moet naar het oordeel van de rechtbank ook langer zijn dan de officier van justitie heeft geëist, omdat een kortere mogelijk alsnog uit te voeren gevangenisstraf onvoldoende recht doet aan de ernst van de feiten.

Daarnaast zal de rechtbank verdachte, zoals hieronder nader uiteen zal worden gezet, veroordelen om geclaimde schade aan de benadeelden te vergoeden. Bovendien zullen daarbij schadevergoedingsmaatregelen worden opgelegd.

Tenslotte overweegt de rechtbank dat zij overeenkomstig artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht rekening houdt met de veroordelingen in 2015 die dateren van na (onder meer) het oudste vandaag bewezenverklaarde feit.

8 De schade van benadeelden

8.1

De vordering van de benadeelde partij

8.1.1

[bedrijf 8] B.V., gevestigd te Hengelo (O) en in deze vertegenwoordigd door [naam 1] , heeft zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De vordering van de benadeelde partij ziet op een in deze strafzaak ad informandum gevoegde zaak. De benadeelde partij vordert verdachte te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van € 180,- (honderdtachtig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd. De gevorderde materiële schade bestaat uit de posten ‘plaatsen glas’ en ‘schilderwerk kozijn’.

8.1.2

Exploitatiemaatschappij [bedrijf 9] B.V., gevestigd te Varsseveld en in deze vertegenwoordigd door [slachtoffer 1] , heeft zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert verdachte te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van € 912,97 (negenhonderdtwaalf euro 97/100), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd. De gevorderde materiële schade bestaat uit de volgende posten:

  • -

    schade aan geforceerd hek ad € 350,-;

  • -

    schade aan ruit/kozijn ad € 262,97;

  • -

    schade aan geforceerde kluiskast ad € 307,75.

8.1.3

Pizzeria [bedrijf 7] , gevestigd te Enschede en in deze vertegenwoordigd door [naam 2] , heeft zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De vordering van de benadeelde partij ziet op een in deze strafzaak ad informandum gevoegde zaak. De benadeelde partij vordert verdachte te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van

€ 250,- ( tweehonderdenvijftig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd. De gevorderde materiële schade bestaat uit de post ‘gestolen geldbedrag ad € 400,-, verminderd met de ter zake door benadeelde reeds van haar verzekeringsmaatschappij ontvangen vergoeding ad € 150,-’.

8.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de door de benadeelde partijen gevorderde schadevergoedingen dienen te worden toegewezen.

8.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft de vordering van Exploitatiemaatschappij [bedrijf 9] B.V. gedeeltelijk betwist. De post ‘schade aan geforceerd hek’ is volgens de raadsvrouw onvoldoende gespecificeerd en daarom dient de benadeelde partij voor dat deel in haar vordering niet-ontvankelijk te worden verklaard. De overige schadeposten heeft de raadsvrouw niet betwist.

Evenmin heeft zij de vordering van [bedrijf 8] B.V. en Pizzeria [bedrijf 7] betwist.

8.4

Het oordeel van de rechtbank

Door de gebezigde bewijsmiddelen en de behandeling op de terechtzitting, waarbij verdachte ook de ad informandum gevoegde feiten heeft bekend, is komen vast te staan dat verdachte door het bewezenverklaarde feit 4 en de ad informandum gevoegde feiten 6 en 7 rechtstreeks schade heeft toegebracht aan de benadeelde partijen.

De vordering van [bedrijf 8] B.V.

Ten aanzien van de vordering van [bedrijf 8] B.V. is de rechtbank van oordeel dat de opgevoerde schadeposten voldoende zijn onderbouwd en aannemelijk zijn.

De rechtbank zal het gevorderde bedrag van € 180,- daarom toewijzen, te vermeerderen met de verschuldigde wettelijke rente vanaf de datum waarop het strafbare feit is gepleegd.

De vordering van Exploitatiemaatschappij [bedrijf 9] B.V.

Bij de beoordeling van deze vordering stelt de rechtbank het volgende voorop. De rechtbank is van oordeel dat bij het opstellen van de vordering sprake is geweest van een kennelijke telfout. De totaalsom van de losse schadeposten bedraagt € 920,72. De rechtbank begrijpt de vordering aldus dat dit bedrag wordt gevorderd.

Ten aanzien van de vordering is de rechtbank van oordeel dat de opgevoerde schadeposten voldoende zijn onderbouwd en aannemelijk zijn. De rechtbank zal het gevorderde bedrag van € 920,72 daarom toewijzen, te vermeerderen met de verschuldigde wettelijke rente vanaf de datum waarop het strafbare feit is gepleegd.

De vordering van Pizzeria [bedrijf 7]

De benadeelde partij heeft gevorderd een bedrag van € 250,- te vergoeden. Hoewel de vordering niet is betwist, is de rechtbank van oordeel dat op basis van de verklaring van verdachte is komen vast te staan dat verdachte een bedrag van € 210,- heeft weggenomen en een hoeveelheid frisdrank. De vordering van de benadeelde partij ziet op de vergoeding van het weggenomen geldbedrag. Nu het weggenomen geldbedrag een bedrag van € 210,- bedraagt (en niet het door benadeelde genoemde bedrag van € 400,-) en de benadeelde partij blijkens opgave reeds een bedrag van € 150,- vergoed heeft gekregen resteert nog een schadepost van € 60,-. De rechtbank zal dit bedrag dan ook toewijzen en de benadeelde partij voor het overige deel in haar vordering niet-ontvankelijk verklaren. De benadeelde partij kan de vordering in zoverre slechts aanbrengen bij de burgerlijke rechter.

8.5

De schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partijen hebben verzocht en de officier van justitie heeft gevorderd de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

De rechtbank zal de maatregel als bedoeld in artikel 36f Sr opleggen, aangezien verdachte jegens de benadeelde partij naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door feit 4 en de op de dagvaarding vermelde ad informandum gevoegde feiten onder nummers 6 en 7 is toegebracht. In het bijzonder ten aanzien van benadeelde Pizzeria [bedrijf 7] overweegt de rechtbank dat uit de gedetailleerde bekentenis van verdachte blijkt dat hij bij de ad informandum gevoegde diefstal bij de pizzeria behalve geld ook frisdrank heeft meegenomen en dat hij deze voor € 100 heeft verkocht.

Omdat deze frisdrank niet was opgevoerd in de aangifte en in de (gedeeltelijk toe te wijzen) vordering van de benadeelde partij Pizzeria [bedrijf 7] zal de rechtbank voor € 100 meer opnemen in de maatregel tot schadevergoeding.

9 De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 22c, 22d, 27 en 57 Sr.

10 De beslissing

De rechtbank:

bewezenverklaring

  • -

    verklaart bewezen dat verdachte het onder 1, 2, 3, 4, 5, 6 en 7 tenlastegelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

  • -

    verklaart niet bewezen wat aan verdachte onder 1, 2, 3, 4, 5, 6 en 7 meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid feit

  • -

    verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;

  • -

    verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
    feit 1, feit 2, feit 4, feit 5, feit 6 en feit 7: telkens het misdrijf diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak, waarbij ten aanzien van feit 1 en feit 7 geldt: meermalen gepleegd:

feit 3: het misdrijf: diefstal;

strafbaarheid verdachte

- verklaart verdachte strafbaar voor het onder 1, 2, 3, 4, 5, 6 en 7 bewezenverklaarde;

straf

  • -

    veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 (één) jaar en 6 (zes) maanden;

  • -

    bepaalt dat deze gevangenisstraf in zijn geheel niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten;

  • -

    kan de tenuitvoerlegging gelasten indien verdachte voor het einde van de proeftijd van 3 (drie) jaren de navolgende (bijzondere) voorwaarde(n) niet is nagekomen:

  • -

    stelt als algemene voorwaarden dat verdachte:

- zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

- medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, Sr, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

  • -

    stelt als bijzondere voorwaarden dat verdachte:

  • -

    zich binnen drie werkdagen meldt bij Tactus Reclassering te Enschede en dat verdachte zich blijft melden zo frequent en zo lang de reclassering dat nodig acht;

  • -

    zich ambulant laat behandelen voor overmatig middelengebruik bij de JusTact Forensische verslavingszorg of een soortgelijke ambulante forensische zorginstelling, ter beoordeling van de reclassering, indien en zo lang als de reclassering dit noodzakelijk acht. Verdachte zal zich dan houden aan de regels die door of namens de leiding van de polikliniek zullen worden gegeven;

  • -

    wordt verplicht tot een korte klinische opname voor de duur van maximaal zeven weken als de reclassering dit noodzakelijk acht, waarbij verdachte zich zal houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die opname door of namens de instelling/behandelaar zullen worden gegeven.

  • -

    zal verblijven bij Stichting Zekere Basis of een soortgelijke instelling, zulks ter beoordeling van de reclassering, en zich zal houden aan het programma dat deze voorziening in overleg met de reclassering heeft opgesteld, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

  • -

    geen verdovende middelen meer gebruikt, waarbij de controle op de naleving van deze bijzondere voorwaarde ondersteund zal worden door middel van urinecontrole.

  • -

    draagt Tactus Reclassering te Enschede op om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;

  • -

    veroordeelt verdachte tot een taakstraf, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid voor de duur van 240 (tweehonderdveertig) uren;

  • -

    beveelt, voor het geval dat verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 120 dagen;

  • -

    beveelt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de taakstraf in mindering wordt gebracht, waarbij als maatstaf geldt dat voor de eerste 60 in verzekering of voorlopige hechtenis doorgebrachte dagen, twee uren en voor de resterende dagen één uur per dag aftrek plaatsvindt;

schadevergoeding

  • -

    veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [bedrijf 8] B.V van een bedrag van € 180,- (honderdtachtig euro) te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 28 mei 2014;

  • -

    veroordeelt verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;

  • -

    legt de maatregel op dat verdachte verplicht is ter zake van het ad informandum gevoegde feit (nummer 7) tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 180,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 28 mei 2014 ten behoeve van de benadeelde, met bevel, voor het geval dat volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt, dat vervangende hechtenis voor de duur van 3 dagen zal worden toegepast. Tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis laat de betalingsverplichting onverlet;

  • -

    bepaalt dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als verdachte aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen;

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij Exploitatiemaatschappij

[bedrijf 9] B.V. van een bedrag van € 920,72 (negenhonderdtwintig euro 72/100), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 9 november 2015;

  • -

    veroordeelt verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;

  • -

    legt de maatregel op dat verdachte verplicht is ter zake van het bewezenverklaarde feit 4 en tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 920,72, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 9 november 2015 ten behoeve van de benadeelde, met bevel, voor het geval dat volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt, dat vervangende hechtenis voor de duur van 18 dagen zal worden toegepast. Tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis laat de betalingsverplichting onverlet;

  • -

    bepaalt dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als verdachte aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen;

  • -

    bepaalt dat de benadeelde partij: Pizzeria [bedrijf 7] voor een deel van € 190,- niet-ontvankelijk is in de vordering, en dat de benadeelde partij de vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

  • -

    veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij Pizzeria [bedrijf 7] van een bedrag van € 60,- (zestig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf

1 december 2014;

  • -

    veroordeelt verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;

  • -

    legt de maatregel op dat verdachte verplicht is ter zake van het ad informandum gevoegde feit (nummer 6) en tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van in totaal € 160,- (te weten € 60,- gerelateerd aan de civiele vordering en

€ 100,- gerelateerd aan de hoeveelheid frisdrank, zoals hierboven door de rechtbank bepaald), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 december 2014 ten behoeve van de benadeelde, met bevel, voor het geval dat volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt, dat vervangende hechtenis voor de duur van 3 dagen zal worden toegepast. Tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis laat de betalingsverplichting onverlet;

- bepaalt dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als verdachte aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen;

opheffing bevel voorlopige hechtenis

- heft het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis op.

Dit vonnis is gewezen door mr. F.C. Berg, voorzitter, mr. F.W.H. Teekman en

mr. A.A. Smit, rechters, in tegenwoordigheid van mr. W.J. van der Leest, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 20 maart 2017.

Mrs. Teekman en Smit zijn niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit bladzijden uit het dossier van de politie eenheid Oost-Nederland met nummer PL0600 - 2016278201 van 15 juni 2016. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.

2 Het proces-verbaal van de terechtzitting van 6 maart 2017, voor zover inhoudende de bekennende verklaring van de verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste volzin, Sv.

3 Het proces-verbaal van aangifte van 8 december 2015 van [naam 3] , pagina 75.

4 Het proces-verbaal van aangifte van 9 november 2015 van [naam 3] , pagina 116.

5 Het proces-verbaal van aangifte van 12 oktober 2015 van [naam 4] , pagina 163.

6 Het proces-verbaal van aangifte van 7 januari 2015 van [naam 5] , pagina 253.

7 Het proces-verbaal van aangifte van 21 januari 2015 van [slachtoffer 4] , pagina 234.

8 Het proces-verbaal van aangifte van 6 november 2015 van [slachtoffer 5] , pagina 139.

9 Het proces-verbaal van aangifte van 9 november 2015 van [slachtoffer 1] , pagina 100.

10 Het proces-verbaal van aangifte van 6 maart 2015 van [slachtoffer 2] , pagina 195.

11 Het proces-verbaal van aangifte van 15 februari 2015 van [slachtoffer 3] , pagina 213.

12 Het proces-verbaal van aangifte van 10 januari 2016 van [slachtoffer 6] , pagina 52.

13 Het proces-verbaal van aangifte van 27 december 2015 van [slachtoffer 6] , pagina 69.

14 Het proces-verbaal van aangifte van 27 november 2015 van [slachtoffer 6] , pagina 83.