Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2017:1199

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
02-03-2017
Datum publicatie
17-03-2017
Zaaknummer
C/08/198490 / KG ZA 17-54
Formele relaties
Tussenuitspraak: ECLI:NL:RBOVE:2017:1192
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Vorderingen afgewezen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Zwolle

zaaknummer / rolnummer: C/08/198490 / KG ZA 17-54

Vonnis in kort geding van 2 maart 2017

in de zaak van

[A] ,

wonende te [plaats 1] ,

eisende partij in conventie, verwerende partij in reconventie,

advocaat mr. E.J. Loor te Apeldoorn,

tegen

1 [X] ,

wonende te [plaats 2] ,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

De Nieuwe Zweep Klarenbeek B.V.,

statutair gevestigd en kantoorhoudende te Klarenbeek,

gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie,

advocaat mr. R.A. van Weelderen te Schalkhaar,

waarin als tussenkomende partij is toegelaten:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[Y] ,

statutair gevestigd en kantoorhoudende te [plaats 3] ,

tussenkomende partij,

advocaat mr. J.S. Staijen te Deventer.

Partijen zullen hierna [A] , [X] , De Nieuwe Zweep en [Y] genoemd worden. [X] en De Nieuwe Zweep zullen ook gezamenlijk [X c.s.] genoemd worden.

1 De verdere procedure

1.1.

Eerder is in deze zaak een deelvonnis gewezen dat op 24 februari 2017 is uitgesproken. Daarbij is overwogen dat bij (het onderhavige) eindvonnis de gronden waarop de beslissing in het deelvonnis rust, zullen worden gegeven.

2 De feiten

De voorzieningenrechter gaat uit van de volgende vaststaande feiten.

2.1.

Op 1 oktober 2008 hebben [A] en [X] gezamenlijk een vennootschap onder firma opgericht onder de naam ‘De Nieuwe Zweep V.O.F.’ (hierna: de VOF). De VOF hield zich bezig met de exploitatie van een café, restaurant en partycenter te Klarenbeek.

2.2.

In januari 2016 hebben [A] en [X] besloten hun samenwerking in de VOF te beëindigen, waarbij [A] uit de VOF wilde treden en [X] de ondernemingsactiviteiten van de VOF wilde voortzetten in een door hem op te richten besloten vennootschap, te weten De Nieuwe Zweep. Enig aandeelhouder en bestuurder van De Nieuwe Zweep is LUHABO Holding B.V. [X] is enig aandeelhouder en bestuurder van LUHABO Holding B.V.

2.3.

Op 26 februari 2016 hebben [A] , [X] en De Nieuwe Zweep overeenstemming bereikt over de voorwaarden voor de beëindiging van de samenwerking tussen [A] en [X] , de afwikkeling van de VOF en de voortzetting van de activiteiten van de VOF vanuit De Nieuwe Zweep. Partijen hebben die dag een beëindigingsovereenkomst gesloten. Op grond van die overeenkomst is [A] met terugwerkende kracht met ingang van 1 januari 2016 als vennoot uit de VOF getreden. Per diezelfde datum is de onderneming van de VOF door [X] voortgezet in De Nieuwe Zweep.

2.4.

In de beëindigingsovereenkomst hebben partijen afspraken gemaakt over de verdeling van het vermogen van de VOF. [A] heeft verscheidene langlopende schulden overgenomen. De overige schulden, waaronder de rekening-courantschuld bij de ING Bank (hierna: ING), komen voor rekening van [X] .

2.5.

In de beëindigingsovereenkomst is verder (onder meer) het volgende vermeld:

‘2.4. Met inachtneming van het bovenstaande en de overige bepalingen in deze overeenkomst, doet [A] afstand van alle rechten en aanspraken welke hij op het vermogen van de Vennootschap kan doen gelden en [A] wordt tegenover de Vennootschap, [X] en/of De Nieuwe Zweep ontslagen van alle verplichtingen, welke voortvloeien uit het feit, dat hij vennoot van de Vennootschap is geweest, terwijl [X] en De Nieuwe Zweep hem zullen vrijwaren van alle verplichtingen die op [A] vanaf 1 januari 2016 op hem mochten blijven rusten als (voormalig) vennoot in de Vennootschap en [X] en De Nieuwe Zweep zullen [A] onmiddellijk schadeloos stellen voor alle betalingen, waartoe [A] als gewezen vennoot mocht worden genoodzaakt.

(…)

Artikel 3. ING Bank N.V.

3.1.

Partijen handhaven de gemeenschappelijke regeling bij de ING Bank N.V. en partijen houden beide de controle over deze bankrekening zolang de schulden van de Vennootschap die betrekking hebben op de periode tot 1 januari 2016 (waaronder, maar niet uitsluitend, Liefering, gemeente Apeldoorn, ten Hove, lening M. Wagenaar) nog niet voldaan zijn door de Vennootschap. Zodra deze schulden zijn voldaan, verstrekt [A] per ommegaande de inlogcode van de bankrekening aan [X] .

3.2.

[X] verbindt zich jegens [A] er voor te zorgen dat de per 1 januari 2016 ten gunste van de Vennootschap bestaande vorderingen alleen zullen worden voldaan en geïnd door overschrijving op de bankrekening bij de ING Bank N.V. [X] zal zich maximaal inspannen om de ING Bank N.V. te bewegen [A] te ontslaan uit zijn hoofdelijke aansprakelijkheid voor de schuld van de Vennootschap en daarvoor alle geijkte maatregelen nemen, zoals een eventuele inperking van de rekening-courant faciliteit van € 80.000 bij de ING Bank N.V.’

2.6.

De Nieuwe Zweep en [X] hebben ten behoeve van de exploitatie van De Nieuwe Zweep met [Y] een huurovereenkomst gesloten met betrekking tot de bedrijfspanden, parkeerterreinen en het erf, gelegen aan [adres] .

2.7.

Bij akte van 23 maart 2016 heeft De Nieuwe Zweep een bezitloos pandrecht gevestigd ten behoeve van [Y] . Artikel 1 van deze akte luidt als volgt:

‘Tot zekerheid van de voldoening van al hetgeen de schuldenaar aan [Y] verschuldigd is of zal worden, rente en kosten daaronder begrepen, draagt de schuldenaar bij deze aan [Y] in pand over, welke inpandgeving door [Y] bij deze wordt aanvaard:

- alle zaken, behorende tot en deeluitmakende van de gehele bedrijfsinventaris c.q. alle bedrijfsmiddelen, behorende tot de onderneming van de schuldenaar zoals thans aanwezig in de tot de onderneming te rekenen bedrijfsruimte alsook daarbuiten;

- alle zaken welke in de toekomst tot de bedrijfsinventaris c.q. bedrijfsmiddelen van de onderneming van de schuldenaar zullen gaan behoren.

Dit gevestigde pandrecht houdt tevens in een pandrecht op alle vorderingen tot vergoedingen, geen uitgezonderd, die in de plaats van de verpande zaken treden, zoals vorderingen terzake van verzekeringen, waardeverminderingen, enz.’

2.8.

ING heeft alleen willen meewerken aan het ontslag uit de hoofdelijke aansprakelijkheid van [A] , indien [A] zich borg zou stellen jegens ING uit hoofde van de verstrekte rekening-courantfaciliteit. Op 6 juni 2016 heeft [A] een borgtocht verstrekt aan ING tot een bedrag van € 80.000,-.

2.9.

ING heeft bij brief van 4 oktober 2016 de kredietverlening aan De Nieuwe Zweep beëindigd, omdat er een overstand op de bankrekening is ontstaan, zonder dat aanzuivering plaatsvindt, en omdat er geen of nauwelijks omzet op de rekening binnenkomt. Het verschuldigde kredietbedrag bedraagt op 4 oktober 2016 € 82.723,40. In de brief namens ING aan De Nieuwe Zweep wordt onder meer vermeld:

Verstrekte zekerheden

Ondanks alle inzet kan terugbetaling van uw schuld aan ING niet mogelijk blijken. Als dit het geval is, of als wij uw voorstel niet of niet op tijd ontvangen, dan kan een onderhandse of gedwongen verkoop gaan plaatsvinden van de activa (bezittingen) waarop een pandrecht van ING rust. De verpande zaken en vorderingen moeten daarom vanaf nu beschikbaar zijn voor uitwinning door ING. Dit betekent het volgende.

Zaken (onder meer bedrijfsinventaris en voorraden)

Wij zijn namens ING bevoegd om afgifte van aan ING verpande zaken te vorderen. U mag de aan ING verpande activa (zoals uw bedrijfsinventaris, voorraden en vervoermiddelen) zonder onze voorafgaande schriftelijke toestemming niet meer verkopen, schenken of verpanden aan een ander. Het is ook niet toegestaan deze zaken te verplaatsen of aan een ander in gebruik te geven.

(…)’

2.10.

Bij brief van 19 oktober 2016 heeft Vesting Finance namens ING aan [A] bericht:

‘U heeft op 6 juni 2016 een borgtocht van € 80.000,00 verstrekt. Deze borgtocht heeft u afgegeven voor het krediet dat door ING aan De Nieuwe Zweep Klarenbeek B.V. is verstrekt. Dit krediet is inmiddels beëindigd. Bij deze brief vindt u een kopie van de kredietbeëindiging welke op 4 oktober 2016 is verzonden.

Wij wikkelen namens ING het beëindigde krediet af. Als terugbetaling van de schuld van De Nieuwe Zweep Klarenbeek B.V. aan ING niet mogelijk blijkt of zal blijken, dan kan het zijn dat wij u moeten aanspreken op uw betalingsverplichting op grond van de borgstelling. Wij verzoeken u daarmee rekening te houden.

(…)’

2.11.

Op 5 december 2016 heeft de voorzieningenrechter van de Rechtbank Gelderland, locatie Zutphen, aan [Y] verlof verleend om executoriaal pandbeslag te leggen op alle inventaris, bedrijfsmiddelen, voorraad en andere roerende zaken, die deel uitmaken van dan wel behoren tot de door De Nieuwe Zweep gedreven onderneming, alsmede [Y] verlof verleend om die roerende zaken onder zich te nemen ingevolge artikel 496 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).

2.12.

Op 14 december 2016 is [Y] overgegaan tot executoriaal beslag tot verkrijging van afgifte. De deurwaarder heeft in zijn proces-verbaal alle zaken omschreven.

2.13.

Bij brief van 18 januari 2017 heeft de Gemeente Apeldoorn (hierna: de Gemeente) [A] aangemaand tot betaling van dwangsommen en een bestuurlijke boete met een totaalbedrag van € 29.023,15. De Gemeente heeft zich beroepen op artikel 18 van het Wetboek van Koophandel en [A] als vennoot hoofdelijk aansprakelijk gesteld voor de schulden van de VOF.

3 De verdere beoordeling

3.1.

In dit kort geding dient beoordeeld te worden of de vorderingen van partijen een zodanige kans van slagen hebben in een eventuele bodemprocedure dat vooruitlopend daarop toewijzing van de door hen gevorderde voorlopige maatregelen voorshands gerechtvaardigd voorkomen. Daarbij zal de voorzieningenrechter uitgaan van de door partijen gepresenteerde feiten en omstandigheden en het daaromtrent gevoerde debat, zonder nadere bewijslevering.

In de hoofdzaak in conventie:

3.2.

[A] heeft primair gevorderd dat [X c.s.] hoofdelijk worden veroordeeld tot betaling aan [A] van een bedrag van € 110.000,00. [A] heeft – kort samengevat – aangevoerd dat [X c.s.] wanprestatie hebben gepleegd jegens hem door de tussen [A] en [X] gesloten beëindigingsovereenkomst niet na te komen en met [Y] een overeenkomst te sluiten op grond waarvan [Y] zich alle kasgelden van het aankomende carnavalsweekend op 25 en 26 februari 2017 kan toe-eigenen. Door de indiening van de vordering tot tussenkomst is [A] gebleken dat het daarbij om uitoefening van een pandrecht gaat. In artikel 3.2 van de beëindigingsovereenkomst is echter afgesproken dat alle vorderingen dienen te worden voldaan op de bankrekening bij de ING. [A] staat borg voor het krediet van De Nieuwe Zweep bij de ING en vreest dat de ING bij hem tot uitwinning zal overgaan. Voorts loopt [A] het risico dat hij de schuld aan de Gemeente Apeldoorn dient af te lossen.

3.3.

Met betrekking tot een voorziening in kort geding, bestaande in veroordeling tot betaling van een geldsom, is terughoudendheid op zijn plaats. De rechter zal daarbij niet alleen hebben te onderzoeken of het bestaan van een vordering van de eiser op de gedaagde voldoende aannemelijk is, maar ook of daarnaast sprake is van feiten en omstandigheden die meebrengen dat uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening is vereist, terwijl de rechter in de afweging van de belangen van partijen mede zal hebben te betrekken de vraag naar – kort gezegd – het risico van onmogelijkheid van terugbetaling, welk risico kan bijdragen tot weigering van de voorziening.

3.4.

De voorzieningenrechter stelt voorop dat het bestaan van de vordering van [A] thans niet voldoende is komen vast te staan. Ten eerste geldt dat gezien het verweer van [X c.s.] niet is komen vast te staan dat [X c.s.] de vordering van ING en de Gemeente niet zullen kunnen of niet zullen gaan betalen. Ter zitting is namelijk gesteld dat [X c.s.] thans in onderhandeling zijn met ING over de terugbetaling van het krediet. Bovendien hebben [X c.s.] onweersproken aangevoerd dat de schuld aan de Gemeente wellicht wordt kwijtgescholden en dat daarover reeds met de Gemeente wordt gecorrespondeerd. Evenmin staat vast dat [A] (delen van) die vorderingen reeds heeft voldaan en uit dien hoofde regres zou kunnen nemen op [X c.s.] Onder deze omstandigheden staat het bestaan van de vordering van [A] op [X c.s.] onvoldoende vast. De primaire vordering zal daarom worden afgewezen. Bijgevolg wordt ook de daarmee samenhangende vordering tot het verlenen van verlof ex artikel 439 Rv afgewezen.

3.5.

De vorderingen van [A] onder 3 tot en met 6 hebben in de kern tot onderwerp dat [A] de mogelijkheid krijgt om de omzet in het carnavalsweekend (zowel contant als giraal) te innen via een door [A] aan te wijzen deurwaarder (voor de contante betalingen) en een door [A] ter beschikking gesteld pinautomaat dat verbonden is aan de bankrekening van de ING (voor de girale betalingen), waarbij de contante betalingen nadien eveneens op de bankrekening van de ING worden gestort. [A] heeft deze vordering gegrond op artikel 3.2. van de beëindigingsovereenkomst.

3.6.

[X c.s.] en [Y] hebben zich verzet tegen de toewijzing van deze vorderingen van [A] . Het verweer van [X c.s.] en [Y] komt er – kort samengevat – op neer dat De Nieuwe Zweep door deze beperking door [A] wordt geschaad in haar bedrijfsuitoefening en dat [Y] een executoriaal pandbeslag heeft gelegd op onder meer de voorraden van De Nieuwe Zweep. Door verkoop van de voorraden wordt het pandrecht uitgewonnen en mag [Y] zich verhalen op de opbrengst. Bovendien heeft [Y] met [X c.s.] een overeenkomst gesloten op grond waarvan [Y] de bierlevering voor het carnavalsweekend aan De Nieuwe Zweep voorschiet, met de uitdrukkelijke voorwaarde dat [Y] het voorgeschoten bedrag ad € 30.000,00 uit de contante opbrengst van het carnavalsweekend krijgt terugbetaald.

3.7.

De voorzieningenrechter stelt voorop dat het in de kern gaat om de uitleg van artikel 3.2 van de beëindigingsovereenkomst, waarin is bepaald dat ‘de per 1 januari 2016 ten gunste van de Vennootschap bestaande vorderingen alleen zullen worden voldaan en geïnd door overschrijving op de bankrekening bij de ING Bank N.V.’. Partijen twisten over de wijze waarop de term ‘per’ dient te worden uitgelegd. [A] heeft aangevoerd dat hier bedoeld is dat het gaat om vorderingen die ‘met ingang van’ 1 januari 2016 worden voldaan. [X c.s.] en [Y] hebben gesteld dat het gaat om een momentopname en dat per dient te worden gelezen als ‘op die datum’. Daarnaast hebben [X c.s.] en [Y] gewezen op de term ‘Vennootschap’, waarmee de VOF wordt bedoeld en niet De Nieuwe Zweep.

3.8.

De voorzieningenrechter is voorshands van oordeel dat uit de tekst van de beëindigingsovereenkomst geen twijfel voortvloeit over de vraag wat er onder de term ‘Vennootschap’ dient te worden verstaan. Onder ‘ondergetekenden’ in de beëindigingsovereenkomst is vermeld dat de VOF zal worden aangeduid met ‘de Vennootschap’. [A] heeft ook niet aangevoerd dat hier – in plaats van de VOF – De Nieuwe Zweep diende te worden gelezen. In zoverre dienen de vorderingen van [A] reeds te worden afgewezen. Immers, uit artikel 3.2 van de beëindigingsovereenkomst vloeit voort dat het gaat om vorderingen ten gunste van de VOF. De opbrengsten uit het carnavalsweekend van 25 en 26 februari 2017 komen De Nieuwe Zweep toe en niet de VOF die reeds op 24 november 2016 is opgeheven. Voor het geval [A] – hoewel dat niet is aangevoerd – mocht menen dat met ‘de Vennootschap’ in artikel 3.2 van de beëindigingsovereenkomst De Nieuwe Zweep bedoeld was en zich hier een verschrijving heeft voorgedaan, overweegt de voorzieningenrechter ten overvloede dat het in dat geval aankomt op de zin en de uitleg die partijen over en weer aan deze verklaring hebben gegeven en wat zij te dien aanzien van elkaar mochten verwachten. Vanwege de betwisting door [X c.s.] en [Y] is in dat geval bewijslevering door [A] nodig en daarvoor is in een kort geding geen plaats. Dit geldt in gelijke zin voor de wijze waarop de term ‘per’ dient te worden uitgelegd in het geval vast zou komen te staan dat met ‘Vennootschap’ De Nieuwe Zweep zou zijn bedoeld.

3.9.

De vordering van [A] om [X c.s.] te verbieden om verdere uitvoering te geven aan de overeenkomst met [Y] die ziet op de (gedeeltelijke) huur en/of verhuur en/of overname van de exploitatie van de onderneming van De Nieuwe Zweep vanaf 25 februari 2017 tot en met 15 april 2017, alles in de ruimste zin des woords, wordt afgewezen. Van een dergelijke overeenkomst tussen [X c.s.] en [Y] is niet gebleken, hetgeen [A] ook heeft erkend door zijn stelling ter zitting dat hij pas door het incident tot tussenkomst op de hoogte raakte dat de gestelde overeenkomst betrekking heeft op de uitoefening van een stil pandrecht.

Voor zover [A] heeft bedoeld dat ook de overeenkomst van [X c.s.] met [Y] ten aanzien van de levering van het bier niet is toegestaan, omdat de contante gelden niet [Y] mogen toekomen maar op de bankrekening van ING moeten worden gestort, geldt hier – zoals hiervoor in 3.8 reeds is overwogen – dat die lezing, zonder nadere bewijslevering, voorshands niet voortvloeit uit artikel 3.2 van de beëindigingsovereenkomst. Dat uitvoering van bedoelde overeenkomst tot gevolg zou hebben dat de rekening-courantoverstand bij ING niet wordt ingelopen, levert naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter evenmin grond op voor het gevorderde verbod. [X] is ingevolge artikel 3.2 van de beëindigingsovereenkomst weliswaar gehouden om zich maximaal in te spannen om ING te bewegen [A] te ontslaan uit zijn hoofdelijke aansprakelijkheid voor de schuld van de VOF en daarvoor alle geijkte maatregelen te nemen, zoals een eventuele inperking van de rekening-courantfaciliteit van € 80.000,00 bij ING. Maar het enkele feit dat [X] in het kader van de bedrijfsvoering van De Nieuwe Zweep uitvoering geeft aan de met [Y] gemaakte afspraken, betekent niet dat [X] ter zake van de in artikel 3.2 gemaakte (inspannings)verbintenis tekortschiet en/of een onrechtmatige daad pleegt jegens [A] .

3.10.

[A] zal, als de partij die in het ongelijk is gesteld, worden veroordeeld in de kosten van de procedure, tot op heden aan de zijde van [X c.s.] begroot op:

  • -

    griffierecht € 3.894,00

  • -

    salaris advocaat € 1.600,00 (twee zittingen × tarief € 800,00)

Totaal: € 5.494,00.

In de hoofdzaak in reconventie:

3.11.

In reconventie hebben [X c.s.] een verbod gevorderd op het leggen van conservatoir of executoriaal beslag door [A] ten laste van De Nieuwe Zweep. In de hoofdzaak is de vordering van [A] afgewezen. Daardoor bestaat ter zake van de in deze procedure gepretendeerde vordering van [A] op [X c.s.] geen grond voor toewijzing van het verbod als door [X c.s.] is verzocht, zodat deze vordering zal worden afgewezen. Voor zover [X c.s.] hebben bedoeld dat [A] – los van een eventuele toe- of afwijzing in de hoofdzaak – moet worden verboden om conservatoir of executoriaal beslag te doen leggen, geldt dat een dergelijke algemene vordering niet kan worden toegewezen. Indien en voor zover [A] over een vordering jegens [X c.s.] beschikt, staat het [A] in beginsel immers vrij om verlof te vragen aan de voorzieningenrechter voor het leggen van een conservatoir verhaalsbeslag. Indien dat geschiedt, dan is het aan [X c.s.] om een eventuele opheffing te vorderen in kort geding, indien zij zich met het conservatoir beslag niet kunnen verenigen.

3.12.

[X c.s.] zal, als de partij die in het ongelijk is gesteld, worden veroordeeld in de kosten van de procedure. Nu de vordering in reconventie ter zitting werd ingediend en daaruit geen extra werkzaamheden voor [A] zijn voortgevloeid, worden de kosten aan de zijde van [A] begroot op nihil.

In de zaak van [Y] tegen [A] en [X c.s.] :

3.13.

[Y] heeft een incident aanhangig gemaakt, strekkende tot haar tussenkomst in de procedure tussen [A] en [X] en De Nieuwe Zweep. Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling op 24 februari 2017 heeft de voorzieningenrechter alle partijen de gelegenheid geboden zich hierover uit te laten. De voorzieningenrechter heeft vervolgens mondeling beslist dat de vordering tot tussenkomst zal worden toegestaan.

3.14.

[Y] heeft primair verzocht dat de vordering van [A] wordt afgewezen. Nu tot afwijzing zal worden beslist, komt de voorzieningenrechter niet toe aan de subsidiaire vorderingen van [Y] als vermeld onder II. en III.

3.15.

De vordering van [Y] om [X c.s.] te verbieden medewerking te verlenen aan de uitvoering van een eventueel toegewezen vordering van [A] wordt eveneens afgewezen, omdat de vorderingen van [A] zijn afgewezen.

3.16.

[Y] heeft verder gevorderd dat de voorzieningenrechter [X c.s.] gebiedt om [Y] , vergezeld door een deurwaarder, op zaterdag 25 februari 2017, zondag 26 februari 2017 en maandag 27 februari 2017 onbelemmerde toegang tot het bedrijfspand van De Nieuwe Zweep te verlenen, teneinde [Y] en de gerechtsdeurwaarder in staat te stellen om alle contante betalingen in executoriaal pandbeslag te nemen en aan [Y] te voldoen. [X c.s.] hebben zich hiertegen verweerd, daartoe stellende dat zij niet inzien waarom een gerechtsdeurwaarder dient te worden ingeschakeld teneinde [X c.s.] in staat te stellen de afspraken met betrekking tot het tapbier na te laten komen.

3.17.

De voorzieningenrechter wijst dit onderdeel van de vordering af. Een nadere toelichting waarom een deurwaarder nodig is, niet gegeven, terwijl hiertegen wel verweer is gevoerd. Van [Y] mocht worden verwacht dat zij in ieder geval concretiseerde waarom zij een dergelijke vordering jegens [X c.s.] instelde, terwijl [X c.s.] geen aanleiding hebben gegeven om de vrees te kunnen rechtvaardigen dat zij in weerwil van de afwijzingen van de vorderingen van [A] de overeenkomst met [Y] niet zullen nakomen. Ook voor de toewijzing van een gebod om alleen [Y] toe te laten acht de voorzieningenrechter geen plaats. [X c.s.] hebben immers toegezegd de afspraak te zullen nakomen.

3.18.

[Y] zal, als de partij die in het ongelijk is gesteld, worden veroordeeld in de kosten van de procedure. Omdat [Y] niet kan worden verweten dat de zaak aanvankelijk is aangebracht bij de Rechtbank Gelderland, locatie Zutphen, zal alleen een kostenvergoeding worden berekend voor de zitting van 24 februari 2017. Aan de zijde van [A] worden die kosten begroot op:

- salaris advocaat € 800,00.

Aan de zijde van [X c.s.] worden die kosten begroot op:

- salaris advocaat € 800,00.

4 De beslissing in kort geding

De voorzieningenrechter:

in de hoofdzaak in conventie:

4.1.

veroordeelt [A] in de kosten van de procedure, tot op heden aan de zijde van [X c.s.] begroot op € 5.494,00;

in de hoofdzaak in reconventie:

4.2.

veroordeelt [X c.s.] in de kosten van de procedure, tot op heden aan de zijde van [A] begroot op nihil;

in de zaak met [Y] als tussenkomende partij:

4.3.

veroordeelt [Y] in de kosten van de procedure, tot op heden aan de zijde van [A] en [X] begroot op:

  • -

    [A] : € 800,00

  • -

    [X c.s.] : € 800,00;

in conventie, reconventie en in de zaak met [Y] als tussenkomende partij:

4.4.

verklaart dit vonnis voor wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. Willemse en in het openbaar uitgesproken op 2 maart 2017.1(SvW)

1 type: coll: