Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2017:1184

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
01-03-2017
Datum publicatie
17-03-2017
Zaaknummer
C/08/195471
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Riet, zoutwaterriet, nonconformiteit

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/1389
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Zwolle

zaaknummer / rolnummer: C/08/195471 / HA ZA 16-552

Vonnis van 1 maart 2017

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [plaats 1] ,

eiser,

advocaat mr. C.A. Gobbens te Breda,

tegen

[gedaagde] ,

wonende en kantoorhoudende te [plaats 2] ,

gedaagde,

advocaat mr. J.J. Hengst te Joure.

Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit de tussenvonnissen van 2 december 2014,
9 juni 2015, 24 november 2015, 19 januari 2016, 22 november 2016 en 20 december 2016.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 Het geschil

2.1.

[eiser] vordert na vermeerdering van eis om bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] te veroordelen tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eiser] te betalen:

a. een bedrag van € 44.568,50 inzake vervangende schadevergoeding;

b. de wettelijke rente over bovengenoemd bedrag vanaf 18-07-2014;

c. een bedrag van € 1.220,69 aan buitengerechtelijke kosten;

d. de kosten van deze procedure daaronder begrepen het salaris van de gemachtigde van [eiser] .

2.2.

[gedaagde] voert verweer en concludeert tot niet-ontvankelijk verklaring van [eiser] in deze procedure, met veroordeling van [eiser] in de kosten van de procedure.

2.3.

Op de stellingen van partijen – voor zover van belang – zal hierna worden ingegaan.

3 De beoordeling

3.1.

Deze zaak is naar de handelskamer van de rechtbank verwezen omdat de eis van [eiser] is vermeerderd tot een bedrag van € 44.568,50. De rechtbank verwijst naar en handhaaft hetgeen bij tussenvonnissen van de kantonrechter is overwogen.

3.2.

De kantonrechter heeft een deskundige (de heer [X] benoemd ter beoordeling van de kwaliteit van het rieten dak van [Y] en de mogelijke oorzaken van aantasting van bepaalde delen ervan.

3.3.

De rechtbank stelt vast dat de heer [X] de rieten daken heeft bezichtigd in aanwezigheid van partijen en dat hij partijen in de gelegenheid heeft gesteld opmerkingen te maken. De opmerkingen van partijen zijn in het rapport besproken.

3.4.

[gedaagde] neemt (de rechtbank begrijpt: met name) aanstoot aan de verklaring van de heer [X] onder punt g. van het rapport. De overweging onder punt g. is echter ten overvloede gegeven, zodat hieraan geen doorslaggevende betekenis wordt toegekend. De rechtbank overweegt dat in het rapport van de heer [X] alle vragen van de kantonrechter zijn beantwoord. Het bericht is coherent en consistent. De conclusie volgt op een begrijpelijke manier uit de constateringen. De rapportage bevat geen innerlijke tegenstrijdigheden, leemten of onduidelijkheden. De kwaliteit van het deskundigenbericht acht de rechtbank gewaarborgd door het selectieproces door de kantonrechter. De rechtbank ziet in de inhoud van het rapport geen aanknopingspunten voor twijfel aan de onafhankelijkheid en deskundigheid van de heer [X] . Gelet op al het bovenstaande acht de rechtbank de motivering door de heer [X] overtuigend en zal de rechtbank van de inhoud van het rapport uitgaan.

3.5.

Uit het rapport van de deskundige blijkt dat de daken oorspronkelijk goed zijn gemaakt, dat op de uitvoering van het rietdekwerk niets is aan te merken, dat riet met een (veel) te hoog zoutgehalte is verwerkt en dat het schadebeeld overeenkomt met de achteruitgang van zoutwaterriet op een rieten dak. De deskundige concludeert dat de slechte staat van de daken geheel te wijten is aan de kwaliteit van het gebruikte riet.

3.6.

[gedaagde] betwist in reactie op het deskundigenbericht dat het in de rietindustrie vaststaat dat men geen gebruik moet maken van zoutwaterriet. Aan deze niet-onderbouwde betwisting gaat de rechtbank voorbij, mede gelet op de expliciete erkenning door [gedaagde] in met name randnummer 15 van de conclusie van antwoord dat zoutwaterriet niet voor dakbedekking gebruikt kan worden.

3.7.

Nu vaststaat dat het riet dat door [gedaagde] is geleverd niet de eigenschappen bezat die voor een normaal gebruik vereist waren en die [eiser] dus mocht verwachten, is [gedaagde] tekortgeschoten in de nakoming van zijn verbintenis jegens [eiser] . [gedaagde] heeft zich steeds op het standpunt gesteld dat hij geen zoutwaterriet geleverd heeft, welke stelling volgens het deskundigenbericht niet op feiten berust. In dit licht bezien heeft [gedaagde] niet voldoende onderbouwd dat de tekortkoming hem niet kan worden toegerekend. De schade die [eiser] heeft geleden, dient dan ook door [gedaagde] te worden vergoed.

3.8.

Ten aanzien van de omvang van de schade, stelt [gedaagde] dat de koper ( [Y] ) in een aanzienlijk betere vermogenspositie zal komen dan die welke hij op grond van de overeenkomst mocht verwachten. [gedaagde] betwist dat vervanging van het gehele dak noodzakelijk zou zijn. Verder stelt [gedaagde] dat de waarde van het aangekochte riet slechts een fractie van de vordering bedraagt. De vordering zou slechts kunnen worden toegewezen voor zover het gaat om non-conform riet.

3.9.

De rechtbank oordeelt over de omvang van de schade als volgt. De vermogensrechtelijke positie van [Y] regardeert de verhouding tussen procespartijen niet. In het deskundigenrapport is vermeld dat gezien de onderzochte monsters en de omvang van de schade aan het rietpakket geconcludeerd moet worden dat het zoutwaterriet over alle dakvlakken verspreid voorkomt. De deskundige stelt vast dat plaatselijk opknappen niet te doen is, maar dat adequaat herstel inhoudt dat het gehele dak vervangen wordt. Anders dan [gedaagde] betoogt, bestaat de schade van [eiser] dus niet enkel uit de waarde van het aangekochte riet. De schade van [eiser] bestaat eruit dat hij ertoe gehouden is het rieten dak van [Y] te herstellen. [eiser] heeft de schade onderbouwd met een offerte van de uit te voeren herstelwerkzaamheden. Tegen (de onderbouwing van) de schade is voor het overige geen verweer gevoerd. Het bovenstaande leidt ertoe dat de gevorderde schade van € 44.568,50 in zijn geheel zal worden toegewezen.

3.10.

[eiser] vordert vergoeding van de wettelijke rente. Deze rente zal worden toegewezen over het bedrag van € 14.690,- vanaf 18 juli 2014, omdat [gedaagde] slechts met de betaling van het bedrag van € 14.690,- in verzuim is geweest.

3.11.

[eiser] maakt aanspraak op de vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De rechtbank stelt vast dat het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) van toepassing is nu het verzuim na 1 juli 2012 is ingetreden. [eiser] heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. Het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten komt overeen met het in het Besluit bepaalde tarief en zal worden toegewezen tot het gevorderde bedrag van € 921,90 (over het bedrag van € 14.690,- waarmee [gedaagde] in verzuim was).

3.12.

[gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiser] worden begroot op:

- dagvaarding € 83,07

- griffierecht 868,00

- deskundigen 1500,00

- salaris advocaat 1.200,00 (2 punten × tarief € 600,00)

Totaal € 3.651,07

Het salaris advocaat is bepaald op basis van het liquidatietarief in kantonzaken, aangezien na de verwijzing naar de kamer voor handelszaken geen processuele verrichtingen meer hebben plaatsgevonden.

4 De beslissing

De rechtbank

4.1.

veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan [eiser] van een schadevergoeding van € 44.568,50 (vierenveertig duizendvijfhonderdachtenzestig euro en vijftig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over een bedrag van € 14.690,- met ingang van 18 juli 2014 tot de dag van volledige betaling,

4.2.

veroordeelt [gedaagde] tot vergoeding van de buitengerechtelijke incassokosten tot een bedrag van € 921,90,

4.3.

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot op € 3.666,07,

4.4.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

4.5.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. K. Haar en in het openbaar uitgesproken op 1 maart 2017.1

1 type: coll: