Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2017:1171

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
01-03-2017
Datum publicatie
21-03-2017
Zaaknummer
C/08/187877 / HA ZA 16-262
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

artikel 15 Haags Betekeningsverdrag 1965, verstek

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Almelo

zaaknummer / rolnummer: C/08/187877 / HA ZA 16-262

Vonnis van 1 maart 2017

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiser,

advocaat mr. A. Arslan te Zwolle,

tegen

de vennootschap naar vreemd recht

KOMBASSAN HOLDING ANONIM SIRKETI,

rechtsopvolger onder algemene titel van de vennootschap naar vreemd recht

KOMBASSAN INSAAT, TARIM VE SANAYII ISLETMELERI AS,

gevestigd te Konya,

gedaagde,

niet verschenen.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding

  • -

    de betekeningsstukken.

1.2.

Vonnis is bepaald op heden.

2 De beoordeling

2.1.

Eiser heeft een exploot van dagvaarding aangebracht ter inschrijving voor de rolzitting van 21 december 2016. De betekening van deze dagvaarding heeft eiser met inachtneming van artikel 55 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) op 12 augustus 2016 gedaan aan het parket van de ambtenaar van het openbaar ministerie bij de rechtbank Overijssel met verzoek om betekening te doen plaatsvinden overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 3-6 van het Haags Betekeningsverdrag 1965. Voorts is een afschrift van de dagvaarding, met vertaling in de Turkse taal door de deurwaarder per aangetekende post verzonden aan het adres van de vennootschap naar vreemd recht Kombassan Holding Anonim Sirketi, rechtsopvolger onder algemene titel van gedaagde in Turkije.

2.2.

Aangezien gedaagde een bekende woonplaats heeft in Turkije, is op de betekening van de dagvaarding aan gedaagde het Haags Betekeningsverdrag 1965 (hierna: het Verdrag) van toepassing. Ingevolge het Verdrag dient de betekening van dagvaardingen in beginsel plaats te vinden via de weg zoals beschreven in de artikelen 3 tot en met 6 van het Verdrag. Op grond van artikel 7 Uitvoeringswet Haags Betekeningsverdrag 1965 moet het exploot van dagvaarding worden betekend aan het parket van - in dit geval - het arrondissement Overijssel. Het parket dient een aanvraag om betekening in te dienen bij de centrale Autoriteit van het land waar het stuk betekend dient te worden. Uit wat hiervoor onder 2.1 is vermeld volgt dat de dagvaarding in ieder geval is betekend aan het parket in het arrondissement Overijssel.

2.3.

De in het Verdrag geregelde wijze van betekenen wordt vervolmaakt door de toezending aan het parket in het arrondissement Overijssel van de verklaring als bedoeld in artikel 6 van het Verdrag, waarin de centrale Autoriteit onder meer verklaard dat aan de aanvraag uitvoering gegeven, de vorm waarin, de plaats waar en het tijdstip waarop dit is geschiedt, alsmede de persoon aan wie het stuk is afgegeven. In voorkomend geval worden tevens de omstandigheden vermeld die de uitvoering van de aanvraag hebben belet.

2.4.

Bij de stukken die eiser heeft overgelegd, bevinden zich stukken waaruit blijkt dat het parket in het arrondissement Overijssel in het onderhavige geval een aanvraag in de hiervoor bedoelde zin bij de Turkse centrale autoriteit heeft ingediend en bevindt zich eveneens de hiervoor onder 2.4. vermelde verklaring. Uit die verklaring valt echter op te maken dat het oproepingsexploit niet door de Turkse centrale autoriteit aan gedaagde is uitgereikt.

2.5.

Eiser heeft de dagvaarding, met vertaling, ook per aangetekende post naar gedaagde verstuurd. Artikel 10 van het Verdrag opent weliswaar de mogelijkheid van het rechtstreeks over de post toezenden van gerechtelijke stukken aan zich in het buitenland bevindende personen, behoudens wanneer de Staat van bestemming zich tegen deze mogelijkheid verzet. Turkije heeft verklaard zich daartegen te verzetten. Toezending van de dagvaarding via de post geldt dus niet als een betekening in de zin van het Verdrag.

2.6.

Gedaagde is niet verschenen. Artikel 15 lid 1 Verdrag bepaalt in dat geval het volgende:

“Wanneer een stuk dat het geding inleidt of een daarmee gelijk te stellen stuk ter betekening of kennisgeving overeenkomstig de bepalingen van dit Verdrag naar het buitenland moest worden gezonden en de verweerder niet is verschenen, houdt de rechter de beslissing aan totdat is gebleken dat:

a. a) hetzij van het stuk betekening of kennisgeving is gedaan met inachtneming van de vormen in de wetgeving van de aangezochte Staat voorgeschreven voor de betekening of de kennisgeving van stukken die in dat land zijn opgemaakt en bestemd zijn voor zich op het grondgebied van dat land bevindende personen,

b) hetzij het stuk aan de verweerder in persoon of aan zijn woonplaats is afgegeven op een andere in dit Verdrag geregelde wijze, en dat de betekening of de kennisgeving, onderscheidenlijk de afgifte zo tijdig is geschied dat de verweerder gelegenheid heeft gehad verweer te voeren.”

2.7.

Het vorenstaande betekent dat vooralsnog geen verstek kan worden verleend tegen gedaagde en dat de rechtbank, ingevolge artikel 15 van het verdrag, de behandeling van de zaak zal aanhouden om eiser in de gelegenheid te stellen stukken over te leggen waaruit blijkt dat hetzij aan het bepaalde in artikel 15 lid 1 sub a, hetzij aan het bepaalde in artikel 15 lid 1 sub b van het Verdrag is voldaan.

2.8.

De rechtbank overweegt voor het geval eiser er niet in slaagt de hiervoor bedoelde stukken over te leggen, dat artikel 15 lid 2 van het Verdrag verdragsluitende staten de bevoegdheid geeft om te verklaren dat zijn rechters in afwijking van artikel 15 lid 1 van het Verdrag een beslissing kunnen geven, ook als geen bewijs van betekening, kennisgeving of afgifte is ontvangen, indien aan elk van de volgende voorwaarden is voldaan:

“(…)

a. a) het stuk is toegezonden op een van de in dit Verdrag geregelde wijzen,

b) sedert het tijdstip van toezending van het stuk een termijn is verlopen die door de rechter voor elk afzonderlijk geval zal worden vastgesteld, doch die ten minste zes maanden zal bedragen,

c) in weerwil van alle daartoe bij de bevoegde autoriteiten aangewende pogingen geen bewijs kon worden verkregen.”

2.9.

Nederland heeft de hiervoor bedoelde verklaring afgelegd en opgenomen in artikel 10 van de Uitvoeringswet Haags Betekeningsverdrag 1965. Dat betekent dat indien eiser niet kan aantonen dat aan artikel 15 lid 1 van het Verdrag is voldaan, hij - op dit moment zijn reeds zes maanden verstreken sinds het tijdstip van de gestelde toezending van de dagvaarding aan gedaagde - eveneens kan worden opgedragen aan te tonen dat aan de hiervoor genoemde voorwaarden van artikel 15 lid 2 van het Verdrag is voldaan.

3 De beslissing

De rechtbank

3.1.

bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 29 maart 2017 voor het nemen van een akte door eiser over hetgeen is vermeld onder 2.7. dan wel onder 2.9.,

3.2.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.M. Verhoeven en in het openbaar uitgesproken op

1 maart 2017.