Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2017:1115

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
14-03-2017
Datum publicatie
14-03-2017
Zaaknummer
08/770216-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een docent is vrijgesproken van aanranding van een leerlinge tijdens een werkweek in Portugal. De rechtbank oordeelt dat – zo er al sprake is van voldoende wettig bewijs – de bewijsmiddelen onvoldoende overtuigend zijn om tot een bewezenverklaring van het tenlastegelegde te komen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Overijssel

Afdeling Strafrecht

Zittingsplaats Almelo

Parketnummer (P): 08/770216-16

Datum vonnis: 14 maart 2017

Vonnis (promis) op tegenspraak van de rechtbank Overijssel, meervoudige kamer voor strafzaken, rechtdoende in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1988 in [geboorteplaats] ,

wonende in [woonplaats] .

1 Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 28 februari 2017. De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. C.Y. Huang en van hetgeen door de verdachte en diens raadsman

mr. D. Duijvelshoff, advocaat te Amsterdam, naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte [slachtoffer] heeft aangerand.

Voluit luidt de tenlastelegging aan de verdachte, dat:

hij op of omstreeks 13 april 2016 te Albufeira, althans Portugal,

door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een

andere feitelijkheid, te weten door tijdens de nachtelijke uren onverwachts

aanwezig te zijn in de hotelkamer van [slachtoffer] en/of (daarbij) onverhoeds

en/of van achteren de borst(en) van die [slachtoffer] te betasten en/of te

masseren

[slachtoffer] heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van een of meer

ontuchtige handelingen, te weten het betasten van en/of voelen aan de

borst(en).

3 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een werkstraf van 150 uur, eventueel te vervangen door 75 dagen hechtenis, met aftrek van het voorarrest, alsmede 2 weken gevangenisstraf voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar. Voorts heeft de officier van justitie geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] voor zover deze betrekking heeft op de advocaatkosten en een bedrag van

€ 1.000,-- aan immateriële schade, terwijl wat het meer gevorderde betreft [slachtoffer] niet ontvankelijk moet worden verklaard.

4 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in haar vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

5 De bewijsoverwegingen

5.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat [slachtoffer] tijdens een werkweek van haar klas in Portugal hulp had gezocht bij verdachte omdat er mensen op haar kamer waren en zij wilde slapen. Zij kende verdachte niet maar had gehoord dat hij, als docent, nachtdienst had. Verdachte liep vervolgens, gekleed in een boxershort en T-shirt, met haar mee. Nadat bleek dat er niemand meer in haar kamer was wilde [slachtoffer] slapen, wat ze ook tegen verdachte zei. Verdachte stond echter ineens in haar kamer, verliet deze en kwam telkens terug. Toen zij dacht dat verdachte uiteindelijk weg was, wilde zij haar bh losmaken en stond verdachte plotseling achter haar. Hij zat aan haar bh, waarop [slachtoffer] hem de deur wees. Daarna bleek verdachte toch weer op haar kamer te zijn, masseerde hij haar schouders en rug en raakte hij haar borsten aan. Toen de kamergenotes vervolgens terugkwamen en op de gang stonden, deed verdachte de deur open en maande dat ze even moesten wachten; kort daarna verliet verdachte de kamer. [slachtoffer] hoorde nadien dat verdachte met een stijve piemel haar kamer was uitgekomen.

Verdachte heeft tijdens het verblijf van verdachte op haar kamer een appje naar haar vriend [vriend slachtoffer] gestuurd, die verderop een kamer had, inhoudende dat verdachte op haar kamer was en dat [vriend slachtoffer] haar moest helpen. Dat heeft [vriend slachtoffer] bevestigd. Toen [slachtoffer] [vriend slachtoffer] vertelde wat er was gebeurd, kon hij zien dat zij het meende en verdrietig was. [slachtoffer] heeft diezelfde nacht twee kamergenotes verteld wat haar was overkomen. Zij heeft dat ook aan klasgenoten verteld. Verder is het merkwaardig dat verdachte die avond geen nachtdienst meer had en hij er geen andere docent bij heeft gehaald. Ook opmerkelijk is dat hij heeft verklaard dat hij op de kamer was om een jongen weg te sturen, wat echter niet strookt met de getuigenverklaringen en zijn eigen verklaring dat hij een oogje in het zeil wilde houden omdat [slachtoffer] teveel gedronken zou hebben.

Het relaas van [slachtoffer] is consistent, gedetailleerd en helder. Zij heeft het gebeuren direct met anderen gedeeld. Haar aangifte kan betrouwbaar worden geacht. Wettig en overtuigend kan bewezen worden dat verdachte onverhoeds haar borsten heeft betast.

5.2

Het standpunt van de verdediging

Volgens de raadsman is het onervarenheid geweest dat verdachte als bevlogen en jonge docent in een boxershort en T-shirt in een een op een-situatie met een leerlinge terecht is gekomen. Weliswaar heeft hij hier absoluut niet-professioneel gehandeld – waarvoor hij door de werkgever is bestraft –, maar het wettig bewijs dat verdachte strafbaar heeft gehandeld ontbreekt. Er is maar één bron van bewijs en dat is aangeefster zelf en dat levert te weinig op om tot een bewezenverklaring te komen: één getuige is immers geen getuige. Nog afgezien van de omstandigheid dat er in ieder geval geen sprake was van geweld of bedreiging met geweld, is er subsidiair – indien de rechtbank meent dat er wel voldoende wettig bewijs is – geen sprake van de vereiste overtuiging. Weliswaar is er wel iets van fysiek contact geweest met aangeefster, maar dat bestond er slechts uit dat verdachte aangeefster overeind heeft proberen te zetten toen zij braakneigingen kreeg. Verder is het nodige aan te merken op de verklaringen van aangeefster. Zo heeft zij, gelet op de getuigenverklaringen, meer gedronken dan wat zij zelf verklaard heeft. Voorts stond zij na haar confrontatie met verdachte op het balkon te schreeuwen. Niet onaannemelijk is dat aangeefster vanwege de drank niet meer helemaal wist wat er gebeurde. Verder verklaarde zij dat verdachte, toen de kamergenotes en klasgenoten aan de deur van haar kamer kwamen, de deur sloot en door wilde gaan met masseren. Dat is volstrekt onaannemelijk, met name nu de deur volgens twee klasgenoten na “twee seconden” respectievelijk “nog geen seconde” weer openging. Belangrijk is ook dat zij de volgende dag tegen de leraren [naam 1] en [naam 2] had verteld dat verdachte ook haar borsten zou hebben gemasseerd; dat had zij niet eerder verklaard. Volgens genoemde docenten was het allemaal heel onduidelijk hoe aangeefster het aan hen vertelde. Ten slotte verklaarde medeleerlingen dat [slachtoffer] er niet heel erg serieus over was en zou aangeefster tijdens de aanwezigheid van verdachte een appbericht naar haar vriendje hebben gestuurd, inhoudende dat hij haar moest helpen omdat verdachte op de kamer was. Toen dat vriendje de volgende ochtend het bericht las, zou ze gezegd hebben “dat was niets” en gooide zowel aangeefster als haar vriendje het appbericht weg.

De raadsman komt tot de conclusie dat, nu het wettig bewijs, dan wel de overtuiging, ontbreekt, verdachte dient te worden vrijgesproken van het tenlastegelegde.

5.3

Feiten en omstandigheden

Verdachte is [docent] aan het ROC te Almelo.

Aangeefster volgde de opleiding detailhandel aan die school. Van 11 tot en met 15 april 2016 is er door de school een werkweek georganiseerd naar Albufeira te Portugal. Daar verbleven de leerlingen en docenten in een hotel. Aangeefster is met haar klas meegegaan. Verdachte is als begeleider meegegaan.

In de nacht van 13 april 2016 heeft aangeefster bij verdachtes hotelkamer aangeklopt. Zij heeft verdachte gevraagd om mee te gaan naar haar kamer omdat er problemen zouden zijn met een paar jongens, die haar kamer niet wilden verlaten. Verdachte is daarop met haar meegelopen naar de kamer waar aangeefster samen met twee klasgenoten, te weten

[naam 3] en [naam 4] , verbleef. Verdachte was gekleed in een boxershort en T-shirt: dit was zijn slaapkleding. Bij de kamer van aangeefster aangekomen waren de jongens inmiddels van de kamer verdwenen. Toen de twee kamergenotes van aangeefster te kennen gaven dat zij met twee anderen nog wat te eten zouden gaan halen is de kamerdeur op verzoek van verdachte open gebleven. Verdachte is na vertrek van de kamergenotes en de twee anderen alleen met aangeefster in haar hotelkamer geweest. Daarbij is fysiek contact geweest tussen aangeefster en verdachte. Toen de kamergenotes met de twee anderen weer terugkwamen en de kamer wilden ingaan, heeft verdachte hen verzocht nog even op de gang te wachten. Dit duurde slechts één of enkele seconden, waarna de hotelkamerdeur geopend werd en verdachte de hotelkamer verliet.

5.4

Het oordeel van de rechtbank

Volgens het tweede lid van artikel 342 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) – dat de tenlastelegging in haar geheel betreft en niet een onderdeel daarvan – kan het bewijs dat verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan, door de rechter niet uitsluitend worden aangenomen op de verklaring van één getuige. Deze bepaling strekt ter waarborging van de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing, in die zin dat zij de rechter verbiedt tot een bewezenverklaring te komen ingeval de door één getuige gereleveerde feiten en omstandigheden op zichzelf staan en onvoldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal. De vraag of aan het bewijsminimum van art. 342, tweede lid, Sv is voldaan, laat zich niet in algemene zin beantwoorden, maar vergt een beoordeling van het concrete geval.

In de onderhavige zaak heeft aangeefster verklaard dat verdachte haar kamer een aantal keren in- en uitliep. Zij vroeg verdachte een paar keer om weg te gaan, wat hij dan deed. Verdachte kwam op enig moment de kamer inlopen en ging naast aangeefster op een bed liggen. Vervolgens stond hij op uitdrukkelijk verzoek van aangeefster weer op en liep hij opnieuw naar het halletje. Aangeefster haalde haar armen uit haar slaapshirt en deed haar bh van achteren open aangezien zij wilde slapen. Vanuit het niets voelde zij dat iemand aan haar bh zat; dat was volgens aangeefster verdachte. Kort nadat verdachte opnieuw de kamer van aangeefster, op haar uitdrukkelijke verzoek, had verlaten en aangeefster op haar buik ging slapen, voelde zij twee handen die haar schouders masseerden. Vervolgens gingen die handen over haar rug naar de zijkant van haar borsten; zij voelde twee handen aan de zijkant van haar borsten. Vervolgens hoorde zij haar vriendinnen op de gang lopen. Daarop deed verdachte de deur even dicht, waarna aangeefster riep: “ [naam 3] , [naam 3] ”, uit haar bed sprong, daarop snel naar de deur rende en haar kamergenotes binnenliet. Verdachte verliet daarop de kamer. Volgens de verklaring van aangeefster heeft een van haar kamergenotes haar toen meegenomen naar het balkon omdat zij helemaal in paniek was en begon te huilen.

De verklaring van aangeefster vindt voor wat betreft de seksuele handelingen ondersteuning in de (de auditu) verklaringen van haar kamergenotes [naam 3] en [naam 4] en twee medeleerlingen, te weten [naam 5] en [naam 6] aan wie aangeefster diezelfde nacht verteld heeft wat haar overkomen zou zijn. Dat aangeefster die nacht appjes heeft gestuurd naar getuige [vriend slachtoffer] met de tekst “Help, [verdachte] zit in mijn kamer, je moet komen” wordt door deze bevestigd. Ook heeft aangeefster de volgende ochtend gemeld aan docenten wat haar overkomen zou zijn.

De getuigen [naam 3] en [naam 4] hebben evenwel ook verklaard dat aangeefster die nacht dronken was. Volgens getuige [naam 3] had aangeefster die avond veel shotjes gedronken, was zij “helemaal dronken”, schreeuwde aangeefster, rende zij naar buiten, ging zij gek dansen en rende zij naar de volgende club. Volgens getuige [naam 4] was aangeefster behoorlijk dronken; ze was aan het dansen en zingen op straat. Ook getuige [vriend slachtoffer] verklaart dat aangeefster genoeg gehad had. De verklaring van aangeefster dat zij in paniek en aan het huilen was nadat verdachte haar kamer had verlaten vindt voorts geen steun in de verklaringen van de twee (nuchtere) kamergenotes [naam 3] en [naam 4] . Zij verklaren ook dat aangeefster ‘s nachts niet heel serieus deed over wat haar zou zijn overkomen. Volgens getuige [naam 3] heeft aangeefster heel rustig, alsof het heel normaal was, verteld dat verdachte haar rug gemasseerd had, dat hij haar bh had opengedaan en dat hij haar borsten had gemasseerd. Volgens getuige [naam 4] zei aangeefster tegen haar: “Toen jullie weg waren, was [verdachte] hier. Hij heeft mij gemasseerd. Hij ging steeds naar voren, naar mijn borsten.” Getuige [naam 4] verklaarde dat aangeefster daar heel normaal over deed. Alhoewel de rechtbank zich realiseert dat deze reactie van aangeefster op wat haar overkomen zou zijn op geen enkele wijze iets zegt over of er nu wel of niet seksuele handelingen hebben plaatsgevonden, maakt genoemde reactie in de onderhavige zaak – waar aangeefster ten tijde van de aangifte ook anders over heeft verklaard – samen met de staat waarin aangeefster zich volgens haar (nuchtere) kamergenotes bevond wel, dat de rechtbank van oordeel is dat voorzichtig met de bewijswaarde van aangeefsters verklaring moet worden omgegaan. Temeer nu getuige [vriend slachtoffer] verklaart, dat toen hij aangeefster de volgende ochtend confronteerde met de app-berichten die zij hem ’s nachts gestuurd had, zij tegen hem zei “dat was niets” en aangeefster dat bericht ook niet wilde lezen.

Verdachte heeft weliswaar verklaard dat er fysiek contact is geweest tussen hem en aangeefster, maar de verklaring van verdachte op dit punt kan niet ter ondersteuning van de verklaring van aangeefster dienen, omdat het fysieke contact zoals dat volgens verdachte heeft plaatsgevonden niet plaats vond op de wijze en het moment als door aangeefster beschreven. Daar waar de aanranding volgens aangeefster zou hebben plaatsgevonden kort voor de terugkeer van haar kamergenotes, beschrijft verdachte het overeind trekken van aangeefster nadat zij – naar zijn zeggen – liggend in bed braakneigingen kreeg, op een moment dat eerder in de tijd ligt. Verdachte ontkent bovendien de seksuele handelingen zoals beschreven door aangeefster en ontkent een seksuele intentie gehad te hebben bij het overeind zetten van aangeefster.

De verklaring van verdachte roept de nodige vragen op. Zo is moeilijk te begrijpen dat verdachte, die twee jaar als docent werkzaam is – midden in de nacht in zijn boxershort met een vrouwelijke leerling meeloopt naar haar kamer, vervolgens gedurende minimaal een half uur in de buurt of in haar kamer verblijft, geen hulp inroept van een (vrouwelijke) collega en niet bedacht heeft om hetgeen wel tussen hem en aangeefster die nacht is voorgevallen met zijn collega’s te delen. Anderzijds is verdachte stellig in zijn ontkenning dat er sprake is geweest van ontuchtige handelingen en lijkt hij oprecht te zijn in zijn verklaring ter terechtzitting dat hij “stom en onprofessioneel” heeft gehandeld vanuit zijn relatieve onervarenheid als docent.

5.5

De conclusie

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat – zo er al sprake is van voldoende wettig bewijs – de bewijsmiddelen onvoldoende overtuigend zijn om tot een bewezenverklaring van het tenlastegelegde te komen.

De rechtbank zal verdachte daarom vrijspreken van het hem ten laste gelegde.

6 De vordering van de benadeelde partij

Omdat verdachte wordt vrijgesproken dient de vordering van de benadeelde partij

[slachtoffer] niet-ontvankelijk te worden verklaard. De benadeelde partij kan haar vordering aanbrengen bij de burgerlijke rechter.

7 De beslissing

De rechtbank:

vrijspraak/bewezenverklaring

- verklaart niet bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;

schadevergoeding

- bepaalt dat de benadeelde partij: [slachtoffer] , wonende te [adres] , in het geheel niet-ontvankelijk is in haar vordering, en dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Dit vonnis is gewezen door mr. C.C.S. Koppes, voorzitter, mr. A.M. Rikken en

mr. A. Skerka, rechters, in tegenwoordigheid van E.P. Endlich, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 14 maart 2017.