Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2017:1114

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
14-03-2017
Datum publicatie
14-03-2017
Zaaknummer
08.770095-16 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank Overijssel veroordeelt een 53-jarige man tot een gevangenisstraf van 15 maanden, waarvan 5 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar en bijzondere voorwaarden. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het plegen van ontuchtige handelingen met een minderjarig meisje.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2017-0271
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Overijssel

Afdeling Strafrecht

Meervoudige kamer

Zittingsplaats Zwolle

Parketnummer: 08.770095-16 (P)

Datum vonnis: 14 maart 2017

Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum 1] 1963 te [geboorteplaats] ,

wonende te [postcode] [woonplaats] , [adres] .

1 Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 17 oktober 2016, 15 november 2016 en 28 februari 2017.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie

mr. M. Zwartjes en van hetgeen door verdachte en de raadsman mr. G.E.J. Kornet, advocaat te Zwolle, naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

in de periode van 1 februari 2014 tot 30 januari 2016 meerdere malen met [slachtoffer]

ontucht heeft gepleegd (mede) bestaande uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , terwijl zij wel de leeftijd van 12 jaren maar nog niet de leeftijd van 16 jaren had bereikt.

Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:

hij in of omstreeks de periode van 1 februari 2014 tot 30 januari 2016 in de gemeente Olst-Wijhe, in elk geval in Nederland, (telkens) met [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum 2] 2000, die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , te weten het meermalen, althans eenmaal:

- duwen/drukken/brengen van zijn, verdachtes, penis en/of vinger(s) in de vagina en/of anus en/of mond van die [slachtoffer] en/of

- het duwen/drukken/brengen van (een) vibrator(s)/dildo('s), althans (een) voorwerp(en), in de vagina van die [slachtoffer] ;

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De bewijsoverwegingen

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte acht het ten laste gelegde ook wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat de tenlastegelegde periode bekort dient te worden tot augustus 2015.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het tenlastegelegde feit op grond van de volgende bewijsmiddelen, waarbij de rechtbank - nu verdachte dit feit heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit - conform artikel 359, derde lid, laatste volzin van het Wetboek van Strafvordering (Sv), zal volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen1.

 Het proces-verbaal van verhoor aangeefster [slachtoffer] ;2

 De bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting d.d. 28 februari 2017;3

 De processen-verbaal van verhoor verdachte.4

De rechtbank acht niet bewezen dat de ontuchtige handelingen ook nog na eind augustus 2015 hebben plaatsgevonden. [slachtoffer] heeft aangeven dat de seksuele handelingen doorgingen tot “nabij Sinterklaas”. Deze verklaring is niet verder gespecificeerd en wordt evenmin ondersteund door enig ander aanknopingspunt uit het dossier. De rechtbank gaat daarom uit van de door verdachte afgelegde verklaring op dit punt dat het doorging tot eind zomer 2015. De rechtbank zal verdachte daarom vrij te spreken van de periode na eind augustus 2015.

4.5

De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van voormelde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat:

hij in de periode van 1 februari 2014 tot 31 augustus 2015 in de gemeente Olst-Wijhe, (telkens) met [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum 2] 2000, die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , te weten het meermalen, althans eenmaal:

- duwen van zijn, verdachtes, penis en/of vinger(s) in de vagina en/of anus en/of mond van die [slachtoffer] en

- het brengen van een vibrator in de vagina van die [slachtoffer] .

De rechtbank heeft de in de tenlastelegging voorkomende schrijffouten verbeterd in de bewezenverklaring. Verdachte wordt hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

5 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in 245 van het Wetboek van strafrecht (Sr). Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:

het misdrijf: met iemand die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet de leeftijd van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam.

6 De strafbaarheid van verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor het bewezenverklaarde feit.

7 De op te leggen straf of maatregel

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, waarvan acht maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaren, met daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarden van een meldplicht bij de reclassering, een ambulante behandelverplichting bij Transfore, alsmede een contactverbod met [slachtoffer] en een verbod om zich op de locatie [locatie] te Wijhe op te houden zolang de reclassering dit noodzakelijk acht.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft bepleit om een straf op te leggen die in overeenstemming is met het advies van de deskundigen, te weten een zo groot mogelijk voorwaardelijk strafdeel met daaraan gekoppeld de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden zodat verdachte in staat wordt gesteld de door hem reeds gestarte behandeling voort te zetten. Voorts heeft de raadsman bepleit om bij een eventuele onvoorwaardelijke strafoplegging een werkstraf op te leggen omdat verdachte bij een onvoorwaardelijke gevangenisstraf zijn baan zal verliezen.

7.3

De gronden voor een straf of maatregel

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij het volgende van belang.

De toen 50-jarige verdachte heeft zich gedurende ruim anderhalf jaar schuldig gemaakt aan seksueel misbruik van een zesendertig jaar jonger meisje, waarbij hij op diverse en vergaande manieren haar lichaam seksueel is binnengedrongen. Het misbruik begon toen het slachtoffer 14 jaar oud was en is gestopt toen het slachtoffer vijftien jaar was. De seksuele handelingen zijn daarbij steeds verder gegaan. De rechtbank rekent dit verdachte zwaar aan.

De wetgever heeft jongeren in de leeftijd tot zestien jaar willen beschermen tegen het ondergaan van dergelijke seksuele handelingen. Het aanzienlijke leeftijdsverschil tussen de verdachte en het slachtoffer maakt dat er geen sprake was van gelijkwaardige partijen.

De verdachte had zich als volwassene bewust dienen te zijn van de ongelijkheid in hun verhouding en de ongepastheid van seksuele handelingen tussen hen beiden.

Door zijn handelen heeft verdachte bovendien ernstig misbruik gemaakt van het vertrouwen dat aangeefster in hem stelde. Aangeefster nam verdachte als huisvriend van haar pleegouders in vertrouwen. Verdachte was bovendien op de hoogte van haar kwetsbare positie. Verdachte wist dat aangeefster door traumatische seksuele ervaringen in haar verleden heeft te kampen met complexe problematiek. Verdachte bood aanvankelijk een luisterend oor aan een jong en beschadigd meisje maar gaandeweg begon hij met knuffelen en kussen, wat uiteindelijk resulteerde in vergaande seksuele handelingen. De rechtbank rekent het verdachte aan dat hij het initiatief nam om steeds een stap verder te gaan op seksueel gebied, terwijl het kennelijk niet in hem is opgekomen zich van dergelijke handelingen te distantiëren, waar hij die verantwoordelijkheid had moeten nemen, juist bij een meisje als aangeefster dat door haar verleden in seksuele opzicht extra bescherming behoeft. Verdachte heeft aangegeven dat hij eenmaal op de trein gestapt zijn gedrag niet meer tot stoppen kon brengen en bang was dat het uit zou komen met alle gevolgen van dien.

Verdachte heeft zijn gedrag in stand gehouden en daarmee prioriteit gegeven aan de bevrediging van zijn eigen lustgevoelens onder voorbijgaan aan de grote kwetsbaarheid van aangeefster.

Ondanks dat verdachte zich al die tijd bewust is geweest van het strafbare karakter van zijn handelen, heeft hij er voor gekozen om zijn gedrag niet te stoppen en heeft het misbruik ander half jaar lang voort kunnen duren.

Pas nadat het slachtoffer met haar pleegmoeder over het seksueel misbruik had gesproken en verdachte hier vervolgens mee heeft geconfronteerd, heeft verdachte zich op het politiebureau gemeld en heeft hij openheid van zaken gegeven.

De verdachte heeft er blijk van gegeven het laakbare van zijn handelen maar beperkt in te zien. Hij heeft weliswaar verklaard dat de seksuele handelingen nooit hadden mogen gebeuren, maar hij heeft ook verklaard dat hij zich deels heeft laten meeslepen door het gedrag van aangeefster en dat hij niet met het misbruik kon stoppen omdat aangeefster dreigde dat zij in dat geval het misbruik zou onthullen.

Met betrekking tot het door verdachte gepleegde zedendelict kan als feit van algemene bekendheid worden aangenomen, dat met name jeugdige slachtoffers van dit soort delicten vaak nog lang nadelige psychische gevolgen kunnen ondervinden van hetgeen hun is overkomen, hetgeen ook blijkt uit de ter terechtzitting voorgelezen slachtofferverklaring van 5 oktober 2016. Hieruit blijkt dat aangeefster het misbruik jarenlang heeft weggestopt en er met niemand over durfde te praten waardoor haar leven bergafwaarts is gegaan.

In verband met de psychische klachten als gevolg van het bewezen verklaarde heeft zij zich inmiddels onder behandeling gesteld.

De rechtbank heeft bij de strafoplegging ook gelet op de persoon van verdachte. Er is in het kader van deze strafzaak over de persoon van verdachte gerapporteerd door drs. R.J. Vriend, GZ-psycholoog en dr. Th.A.M. Deenen, klinisch psycholoog, zoals blijkt uit het Pro Justitia rapport van 6 februari 2017. Uit dit rapport komt naar voren dat bij verdachte ten tijde van het plegen van het bewezenverklaarde sprake was een ziekelijke stoornis en/of gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens in de zin van een andere gespecificeerde persoonlijkheidsstoornis met narcistische en antisociale kenmerken en een voorlopige classificatie ongespecificeerde parafiele stoornis.

Volgens de deskundigen is er sprake van verminderde toerekeningsvatbaarheid. De deskundigen schatten het recidiverisico op seksuele delicten als hoog in als verdachte hier niet voor behandeld gaat worden.

De rechtbank neemt de inhoud en conclusies van dit rapport over en maakt dat tot de hare, wat betekent dat de rechtbank er rekening mee houdt dat het feit aan verdachte in verminderde mate kan worden toegerekend.

De reclassering heeft op 30 september 2016 een advies uitgebracht, dat ertoe strekt een gedeeltelijk voorwaardelijke straf op te leggen met als bijzondere voorwaarden een meldplicht, een ambulante behandelverplichting, een contactverbod en een locatieverbod. De reclassering schat het risico op herhaling in als laaggemiddeld..

Bij haar beslissing heeft de rechtbank verder acht geslagen op een uittreksel justitiële documentatie van verdachte van 13 september 2016 waaruit blijkt dat verdachte niet eerder met politie en/of justitie in aanraking is geweest.

Anders dan de raadsman heeft bepleit, kan naar het oordeel van de rechtbank, met verwijzing naar de motivering hierboven, niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die deels een onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt. Weliswaar heeft een onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming als negatief gevolg dat de huidige behandeling die verdachte ondergaat doorkruist zal worden en dat verdachte mogelijk zijn baan zal verliezen maar de rechtbank is van oordeel dat een deels onvoorwaardelijke vrijheidsstraf noodzakelijk is gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder het is gepleegd en de langdurige periode waarin het heeft plaatsgevonden. Verdachte zal na het onvoorwaardelijk gedeelte van de straf zijn behandeling kunnen hervatten.

Alles afwegende, is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden, waarvan vijf maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaar en met aftrek van voorarrest, passend en geboden is. Aan deze voorwaardelijke gevangenisstraf zal de rechtbank de bijzondere voorwaarden verbinden zoals door de reclassering is geadviseerd.

Met deze deels voorwaardelijke strafoplegging wordt enerzijds de ernst van het bewezen verklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.

8 De schade van benadeelden

8.1

De vordering van de benadeelde partij

[slachtoffer] , heeft zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert verdachte te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van

€ 39.890,66 (negenendertigduizend achthonderdnegentig euro en zesenzestig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd.

De gevorderde materiële schade bestaat uit de volgende posten:

  • -

    € 1.415,66 aan reiskosten therapie;

  • -

    € 150,00 aan reis- en telefoonkosten van de strafzaak in eerste aanleg;

  • -

    € 100,00 aan reis- en telefoonkosten van de strafzaak in hoger beroep;

  • -

    € 13.225,00 aan kosten studievertraging;

Wegens immateriële schade wordt een bedrag van € 25.000,00 gevorderd.

Ook heeft de benadeelde partij gevraagd een schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

8.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. De raadsvrouw van de benadeelde partij,

mr. M.M.P.M. Lousberg heeft zich, overeenkomstig de inhoud van een aan de rechtbank overlegde pleitnota, op het standpunt gesteld dat de vordering dient te worden toegewezen, zulks met uitzondering van de reis- en telefoonkosten van een eventueel hoger beroep.

8.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsman van de verdachte heeft zich ten aanzien van de gevorderde reiskosten voor therapie op het standpunt gesteld dat niet is onderbouwd dat deze therapie daadwerkelijk zo lang zal duren. Dit berust, zo stelt de raadsman, op een aanname.

Ten aanzien van de reis- en telefoonkosten van de strafzaak in eerste aanleg heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat deze kosten ten onrechte forfaitair zijn gevorderd aangezien het mogelijk is om dit soort kosten nauwkeurig op te stellen.

Ten aanzien van de kosten voor studievertraging heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat onvoldoende is onderbouwd dat deze schade rechtstreeks is toegebracht door het bewezen verklaarde feit. De raadsman heeft het causale verband betwist en gewezen op de omstandigheid dat de benadeelde partij ook thuis problemen heeft ondervonden waardoor wellicht sprake is van een samenloop van omstandigheden.

Ten aanzien van de post immateriële schade heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat in de jurisprudentie sprake is van een grote marge in toegewezen bedragen. De raadsman heeft verzocht de door de verdediging aangehaalde uitspraken op haar merites te beoordelen. Tot slot heeft de raadsman de vraag opgeworpen of er gelet op het voorgaande geen sprake is van een onevenredige belasting van het strafgeding.

8.4

Het oordeel van de rechtbank

Door de gebezigde bewijsmiddelen en de behandeling op de terechtzitting is komen vast te staan dat verdachte door het bewezenverklaarde feit rechtstreeks schade heeft toegebracht aan de benadeelde partij.

De opgevoerde schadepost reiskosten voor therapie is voldoende onderbouwd en aannemelijk. De rechtbank zal deze post daarom toewijzen

De opgevoerde schadepost ‘reis- en telefoonkosten van de strafzaak in eerste aanleg’ is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende komen vast te staan, omdat de gestelde schade niet is onderbouwd, terwijl door of namens verdachte de omvang ervan gemotiveerd is betwist. Het in de gelegenheid stellen van de benadeelde partij om deze schadepost alsnog nader te onderbouwen leidt tot een onevenredige belasting van de strafrechtelijke procedure, zodat de rechtbank de benadeelde partij die gelegenheid niet zal bieden.

De opgevoerde schadepost ‘reis- en telefoonkosten van de strafzaak in hoger beroep’ is ter terechtzitting ingetrokken.

De behandeling van de opgevoerde schadepost ‘kosten studievertraging’ levert naar het oordeel van de rechtbank een onevenredige belasting van het strafgeding op. Hiertoe overweegt de rechtbank dat het causaal verband tussen de kosten voor studievertraging en

het bewezenverklaarde feit in onderhavige zaak niet op voorhand is vast te stellen.

Naar het oordeel van de rechtbank is vast komen te staan dat de benadeelde partij immateriële schade heeft geleden. De (exacte) omvang staat in dit stadium niet vast. De rechtbank ziet aanleiding gebruik te maken van haar bevoegdheid om de omvang van de schade te schatten.

De rechtbank is van oordeel dat de omvang van de schade naar redelijkheid en billijkheid op dit moment vastgesteld kan worden op € 5.000,00. De rechtbank zal de vordering tot zover toewijzen en voor het overige niet-ontvankelijk verklaren omdat de beoordeling van dit overige deel een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert.

De rechtbank zal het gevorderde, gelet op het voorgaande, deels toewijzen tot een bedrag van € 6.415,66 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum waarop het strafbare feit is gepleegd.

De benadeelde partij zal voor het overige deel niet-ontvankelijk worden verklaard. De benadeelde partij kan de vordering in zoverre slechts aanbrengen bij de burgerlijke rechter.

8.5

De schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij heeft verzocht en de officier van justitie heeft gevorderd de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

De rechtbank zal de maatregel als bedoeld in artikel 36f Sr opleggen, aangezien verdachte jegens de benadeelde partij naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde feit is toegebracht.

9 De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 14a, 14b, 14c en 14d Sr.

10 De beslissing

De rechtbank:

bewezenverklaring

  • -

    verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

  • -

    verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid feit

  • -

    verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;

  • -

    verklaart dat het bewezenverklaarde het volgende strafbare feit oplevert:
    het misdrijf: met iemand die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet de leeftijd van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam.

strafbaarheid verdachte

- verklaart verdachte strafbaar voor het bewezenverklaarde;

straf

  • -

    veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden;

  • -

    bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte van vijf maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten:

  • -

    kan de tenuitvoerlegging gelasten indien verdachte voor het einde van de proeftijd van 3 (drie) jaren de navolgende bijzondere) voorwaarden niet is nagekomen:

  • -

    stelt als algemene voorwaarden dat verdachte:

- zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

- medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, Sr, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

- stelt als bijzondere voorwaarden dat verdachte:

Meldplicht

- zich op uitnodiging zal melden bij de reclassering. Hierna moet de verdachte zich blijven melden en zich houden aan de aanwijzingen van de reclassering zo frequent en zolang de reclassering dit noodzakelijk acht.

Behandelverplichting - Ambulante behandeling

- zich zal laten behandelen bij Transfore of soortgelijke ambulante forensische zorg, zulks ter beoordeling van de reclassering, waarbij de verdachte zich zal houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of namens de instelling/behandelaar zullen worden gegeven.

Contactverbod

- op geen enkele wijze - direct of indirect – contact zal opnemen, zoeken of hebben met [slachtoffer] en/of met haar gezinsleden, ook niet als deze contact met verdachte zal zoeken of laten zoeken. Op geen enkele wijze betekent; op geen enkele denkbare manier, dus ook niet per e-mail, WhatsApp, IMessage of sociale media zoals Facebook of Twitter.

Locatieverbod

- De verdachte wordt verboden zich te bevinden in het gebied: [locatie] te Wijhe,

indien en zolang de reclassering dit noodzakelijk acht. De reclassering kan GPS inzetten als controlemiddel.

  • -

    draagt deze reclasseringsinstelling op om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;

  • -

    bepaalt dat de tijd die de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

schadevergoeding

  • -

    bepaalt dat de benadeelde partij: [slachtoffer] , voor een deel van € 33.475,00 niet-ontvankelijk is in de vordering, en dat de benadeelde partij de vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

  • -

    veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer] van een bedrag van € 6.415,66 (te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 februari 2014);

  • -

    veroordeelt verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;

  • -

    legt de maatregel op dat verdachte verplicht is ter zake van het bewezenverklaarde feit en tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 6.415,66, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 februari 2014 ten behoeve van de benadeelde, met bevel, voor het geval dat volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt, dat vervangende hechtenis voor de duur van 67 dagen zal worden toegepast. Tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis laat de betalingsverplichting onverlet;

  • -

    bepaalt dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als verdachte aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen;

Dit vonnis is gewezen door mr. F. van der Maden, voorzitter, mr. B.T C. Jordaans en

mr. N.J.C. Monincx, rechters, in tegenwoordigheid van mr. H.R. Lageveen als griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 14 maart 2017.

Mr. F. van der Maden is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit bladzijden uit het dossier van de politie Eenheid Oost-Nederland, dienst regionale recherche, met nummer 2016151266 van 26 april 2016. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.

2 pagina 54-72

3 Het proces-verbaal van de terechtzitting van 28 februari 2017

4 pagina’s 28-33 en 34-45