Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2017:1113

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
14-03-2017
Datum publicatie
14-03-2017
Zaaknummer
08/730575-16 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank Overijssel veroordeelt een 42-jarige man tot een gevangenisstraf van 24 maanden voor mishandeling van een straatkrantverkoper voor een supermarkt in Kampen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2017-0270
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Overijssel

Afdeling Strafrecht

Meervoudige kamer

Zittingsplaats Zwolle

Parketnummer: 08/730575-16 (P)

Datum vonnis: 14 maart 2017

Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1966 te [geboorteplaats] (Roemenië),

nu verblijvende in PI Flevoland,

Huis van Bewaring Almere Binnen,

Caissonweg 2.

1 Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 28 februari 2017.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. S. Revis en van hetgeen door verdachte en de raadsman mr. A.D. Kloosterman, advocaat te Amsterdam, naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte op 19 november 2016 [slachtoffer] heeft gestoken met een mes en daarmee heeft geprobeerd hem te doden of zwaar te mishandelen, danwel heeft mishandeld. Daarnaast wordt verdachte verweten dat hij [slachtoffer] op dezelfde dag heeft mishandeld door hem te slaan.

Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:

1.

hij op of omstreeks 19 november 2016 te Kampen ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven, die [slachtoffer] met een mes in de linkerzij, althans in het lichaam, heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

ALTHANS, voor zover voor het vorenstaande onder 1 geen veroordeling mocht of zou

kunnen volgen, SUBSIDIAIR, terzake dat

hij op of omstreeks 19 november 2016 te Kampen ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen die [slachtoffer] met een mes in de linkerzij, althans in het lichaam, heeft gestoken,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

ALTHANS, voor zover voor het vorenstaande onder 1 geen veroordeling mocht of zou kunnen volgen, MEER SUBSIDIAIR, terzake dat

hij op of omstreeks 19 november 2016 te Kampen [slachtoffer] heeft mishandeld door hem met een mes in de linkerzij, althans in het lichaam, te steken;

2.

hij op of omstreeks 19 november 2016 te Kampen [slachtoffer] heeft mishandeld door hem meermalen, althans eenmaal, in/op/tegen het gezicht te slaan en/of te stompen;

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De bewijsoverwegingen

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het onder 1 primair en 2 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft zich overeenkomstig de inhoud van een aan de rechtbank overgelegde pleitnota op het standpunt gesteld dat de verklaring van aangever bij de politie dient te worden uitgesloten van het bewijs omdat het verhoor zonder de aanwezigheid van een tolk heeft plaatsgevonden en daarmee in strijd met de ‘Aanwijzing bijstand van tolken en vertalers bij de opsporing en vervolging van strafbare feiten’ is gehandeld.

Verder heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat verdachte van de onder 1 primair ten laste gelegde poging tot doodslag dient te worden vrijgesproken omdat geen sprake was van een bewuste aanvaarding van de aanmerkelijke kans op het intreden van de dood van aangever [slachtoffer] .

4.3

Het oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van het verweer van de raadsman strekkende tot bewijsuitsluiting van de verklaring van aangever bij de politie overweegt de rechtbank als volgt.

De rechtbank constateert dat aangever zowel bij de politie als bij de rechter-commissaris is gehoord. Aangever heeft bij zijn politie-verhoor geen bijstand van een tolk gehad. De rechtbank stelt vast dat aangever deze bijstand wel bij de rechter-commissaris heeft gehad. De rechtbank zal uitgaan van de uitgebreide verklaring van aangever bij de rechter-commissaris; de verklaring van aangever bij de politie zal zij niet voor het bewijs gebruiken. Gelet op het voorstaande behoeft het verweer dat strekt tot bewijsuitsluiting geen verdere inhoudelijke bespreking.

Ten aanzien van de bewezenverklaring overweegt de rechtbank als volgt.

Het geheel aan bewijsmiddelen overziend is de rechtbank tot de overtuiging gekomen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de ten laste gelegde gewelddadige gedragingen.

De rechtbank overweegt dat uit de verklaringen zoals die zijn afgelegd door aangever [slachtoffer] en de getuigen [getuige 1] , [getuige 2] , en [getuige 3] volgt dat verdachte de agressor is geweest: hij is de confrontatie aangegaan. Hij heeft aangever geslagen, heeft een mes uit zijn bus opgehaald en hij heeft aangever daar uiteindelijk mee gestoken.

De verklaring van verdachte dat juist hij werd aangevallen door aangever acht de rechtbank niet geloofwaardig nu verdachtes verklaring geen enkele steun vindt in de verklaringen van drie onafhankelijke getuigen, die op hoofdlijnen allen gelijkluidend en consistent verklaren. Deze verklaringen komen overeen met de door aangever geschetste gang van zaken voorafgaand aan het steken. De omstandigheid dat de verklaring van verdachte wordt ondersteund door de verklaringen van zijn echtgenote [echtgenote] en [getuige 4] brengt de rechtbank niet tot een ander oordeel.

Poging tot doodslag: aanmerkelijke kans op het intreden van de dood.

De rechtbank begrijpt het standpunt van de raadsman aldus dat verdachte niet met (voorwaardelijk) opzet heeft gehandeld omdat uit de bewijsmiddelen niet volgt dat er sprake was van een aanmerkelijke kans op de dood van aangever en dat hieruit evenmin volgt dat verdachte deze kans bewust heeft aanvaard.

Bij de beoordeling van dit verweer moet het volgende worden vooropgesteld.

Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg -zoals hier de dood van het slachtoffer- is aanwezig indien de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dat gevolg zal intreden. Voor de vaststelling dat de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan die kans is niet alleen vereist dat de verdachte wetenschap heeft van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, maar ook dat hij die kans ten tijde van de gedraging bewust heeft aanvaard (op de koop toe heeft genomen). De beantwoording van de vraag of de gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo zeer gericht op een bepaald gevolg dat het - behoudens contra-indicaties - niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg heeft aanvaard

De rechtbank overweegt dat getuige [getuige 1] heeft verklaard: “Ik zag dat de man met het mes in de richting van de man van de Herbergkrant liep en meerdere keren van boven en van opzij op hem insloeg en instak met het mes in zijn hand. De man (…) maakte op mij de indruk dat hij kookte van woede (…) . Verder heeft verdachte ter terechtzitting in dit kader verklaard: “Ik heb aangever in paniek gestoken. Dan denk je niet na waar je iemand raakt. Ik wist dat ik hem in zijn linkerzij heb gestoken en dat daar delen zitten waardoor hij kan overlijden”.

De rechtbank is van oordeel dat het meermalen ongecontroleerd en ongericht met een mes in iemands linkerzij steken, naar algemene ervaringsregels de aanmerkelijke kans met zich brengt dat het slachtoffer kan komen te overlijden. In het bovenlichaam bevinden zich immers (meerdere) kwetsbare en vitale organen. Een verwonding aan een van die organen kan levensbedreigend zijn en tot de dood leiden.

Verdachte heeft het slachtoffer op deze wijze gestoken en ter terechtzitting heeft hij verklaard dat hij zich daarvan bewust is geweest.

Bij het voorgaande neemt de rechtbank verder in aanmerking dat uit de op 19 november 2016 door de forensisch arts J. Aberson opgemaakte letselbeschrijving van aangever

[slachtoffer] blijkt dat het steekletsel 10 centimeter onder de linker oksel is toegebracht en dat bij dieper steken op die plaats de kans op een longperforatie bestond met een klaplong en een bloeding in de long als gevolg. Voorts blijkt uit deze letselverklaring dat iets dieper het hart is gelegen.

Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot het oordeel dat voldoende is komen vast te staan dat verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat

hij door zijn gedrag de dood van aangever zou kunnen veroorzaken. Aldus acht de rechtbank het opzet (in voorwaardelijke zin) bewezen en verwerpt zij het verweer van de verdediging.

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in de bijlage genoemde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat:

1. primair:

hij op 19 november 2016 te Kampen ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven, die [slachtoffer] met een mes in de linkerzij, althans in het lichaam, heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij op 19 november 2016 te Kampen [slachtoffer] heeft mishandeld door hem meermalen, tegen het gezicht te slaan.

De rechtbank heeft de in de tenlastelegging voorkomende schrijffouten verbeterd in de bewezenverklaring. Verdachte wordt hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte onder 1 primair en 2 meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

5 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in de artikelen 45 juncto 287 en 300 Wetboek van strafrecht (Sr). Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert op:

feit 1 primair:

het misdrijf: poging tot doodslag;

feit 2

het misdrijf: mishandeling.

De rechtbank is van oordeel dat de onder 1 en 2 bewezenverklaarde feiten in zodanig verband staan dat zij moeten worden beschouwd als één voortgezette handeling. Ingevolge artikel 56 van het Wetboek van Strafrecht wordt dan slechts één strafbepaling toegepast, in dit geval die waarop de zwaarste hoofdstraf is gesteld.

6 De strafbaarheid van verdachte

De raadsman heeft voorts een beroep gedaan op noodweer en noodweerexces.

De rechtbank overweegt dat dit beroep is gebaseerd op de aanname van de juistheid van de verklaring van verdachte. Zoals onder 4.3 is overwogen neemt de rechtbank deze verklaring niet voor juist aan. Gelet op hetgeen hierover is overwogen, bestaan er geen aanknopingspunten voor het oordeel dat verdachte in een noodweersituatie verkeerde. De gewelddadige gedragingen van verdachte in de richting van de aangever kunnen niet worden aangemerkt als verdedigend, maar dienen gekwalificeerd te worden als aanvallend, gericht op confrontatie. Onder die omstandigheden komt verdachte een beroep op noodweer niet toe.

Nu van geen sprake is geweest van een situatie waarin verdachte het recht toekwam zich te verdedigen tegenover het slachtoffer, komt verdachte evenmin een beroep op noodweer exces toe. Het verweer wordt verworpen.

Er zijn ook overigens geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is dan ook strafbaar.

7 De op te leggen straf of maatregel

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, waarvan tien maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren, met aftrek van voorlopige hechtenis.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat bij eventuele strafoplegging volstaan dient te worden met de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan de duur van de tijd die verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. De raadsman heeft daarbij verwezen naar de inhoud van het reclasseringsadvies van 14 februari 2017 waarin een (deels) voorwaardelijke gevangenis zonder bijzondere voorwaarden wordt geadviseerd.

7.3

De gronden voor een straf of maatregel

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van het gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij het volgende van belang.

Verdachte heeft voor een supermarkt in Kampen voor het oog van de diverse omstanders [slachtoffer] mishandeld en hem daarbij in zijn linkerzij gestoken. Slachtoffer [slachtoffer] was

daar aanwezig om straatkranten te verkopen.

De basis van dit gewelddadige treffen lijkt een vete tussen de familie van verdachte en de familie van het slachtoffer over de plek waar zij straatkranten kunnen verkopen. De wijze waarop verdachte dit conflict wilde beslechten is een vorm van eigenrichting, die niet in verhouding staat tot het (gestelde) conflict. Het met een mes herhaaldelijk steken richting het bovenlichaam van aangever vanwege een conflict over de verkoopplaats van straatkranten is onbegrijpelijk en buitenproportioneel.

Door op deze wijze te handelen heeft verdachte de lichamelijke integriteit van [slachtoffer] op flagrante wijze geschonden. Het lijkt daarbij een gelukkig toeval dat aangever slechts een oppervlakkige snijwond heeft opgelopen.

De rechtbank rekent verdachte zijn handelen zwaar aan. De rechtbank houdt bij de strafoplegging rekening met de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals deze onder meer blijken uit de inhoud van het reclasseringsadvies van 14 februari 2017. Verder houdt de rechtbank rekening met een uittreksel justitiële documentatie van verdachte van 30 januari 2017 waaruit blijkt dat verdachte op 15 juli 2016 door het gerechtshof Arnhem is veroordeeld ter zake van een bedrijfsinbraak maar niet eerder is veroordeeld voor geweldsdelicten als de onderhavige.

De rechtbank is van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke vrijheidsstraf noodzakelijk is, omdat aard en ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, door een lichtere strafrechtelijke afdoening van de zaak miskend zouden worden. Bijzondere omstandigheden die tot een ander oordeel zouden moeten voeren, acht de rechtbank niet aanwezig.

Alles afwegende, acht de rechtbank een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden passend, waarbij zij, anders dan de officier van justitie, geen aanleiding ziet een deel hiervan voorwaardelijk op te leggen.

8 De schade van benadeelden

8.1

De vordering van de benadeelde partij

[slachtoffer] , heeft zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. Hij vordert verdachte te veroordelen tot een schadevergoeding van een totaalbedrag van € 1.543,64 (duizend vijfhonderd drieënveertig euro en vierenzestig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd. De gevorderde materiële schade bestaat uit de volgende posten:

  • -

    € 248,00 kosten kleding;

  • -

    € 271,73 medische kosten;

  • -

    € 23,91 reiskosten;

Wegens immateriële schade wordt een bedrag van € 1000,00 gevorderd.

Ook heeft de benadeelde partij gevraagd een schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

8.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de vordering tot een bedrag van € 1.295,64 wordt toegewezen, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De benadeelde partij dient volgens de officier van justitie voor het overige (de kosten kleding) niet-ontvankelijk te worden verklaard aangezien deze post niet is onderbouwd.

8.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsman van de verdachte heeft zich, overeenkomstig de inhoud van een aan de rechtbank overgelegde pleitnota, op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.

8.4

Het oordeel van de rechtbank

Door de gebezigde bewijsmiddelen en de behandeling op de terechtzitting is komen vast te staan dat verdachte door de bewezenverklaarde feiten rechtstreeks schade heeft toegebracht aan de benadeelde partij. De opgevoerde schadeposten zijn voldoende onderbouwd en aannemelijk. De rechtbank zal het gevorderde daarom geheel toewijzen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum waarop het strafbare feit is gepleegd.

8.5

De schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank zal de maatregel als bedoeld in artikel 36f Sr opleggen, aangezien verdachte jegens de benadeelde partij naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het primair bewezen verklaarde feit is toegebracht.

10 De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op het artikel 27 Sr.

11 De beslissing

De rechtbank:

bewezenverklaring

  • -

    verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 primair en 2 tenlastegelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

  • -

    verklaart niet bewezen wat aan verdachte onder 1 primair en 2 meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid feit

  • -

    verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;

  • -

    verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
    1 primair: poging tot doodslag;
    2: mishandeling.

strafbaarheid verdachte

- verklaart verdachte strafbaar voor het onder 1 primair en 2 bewezenverklaarde;

straf

  • -

    veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 (vierentwintig) maanden;

  • -

    bepaalt dat de tijd die de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

schadevergoeding

  • -

    veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer] van een bedrag van € 1.543,64 (te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 19 november 2016);

  • -

    veroordeelt verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;

  • -

    legt de maatregel op dat verdachte verplicht is ter zake van de bewezenverklaarde feiten tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 1.543,64, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 19 november 2016 ten behoeve van de benadeelde, met bevel, voor het geval dat volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt, dat vervangende hechtenis voor de duur van 25 dagen zal worden toegepast. Tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis laat de betalingsverplichting onverlet;

  • -

    bepaalt dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als verdachte aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen;

Dit vonnis is gewezen door mr. N.J.C. Monincx, voorzitter, mr. F. van der Maden en mr. B.T C. Jordaans, rechters, in tegenwoordigheid van mr. H.R. Lageveen als griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 14 maart 2017.

Bijlage bewijsmiddelen

Leeswijzer

Deze bijlage maakt deel uit van het vonnis en bevat de bewijsmiddelen.

Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van de politie Oost-Nederland, destrictsrecherche IJsselland met nummer PL0600-2016567519. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.

1. Het proces-verbaal ter terechtzitting d.d. 28 februari 2017, inhoudende de verklaring van verdachte, zakelijk weergegeven:

Op 19 november 2016 heb ik in Kampen [slachtoffer] met een mes neergestoken. Ik ben naar mijn bus gelopen en heb het mes gepakt. Ik heb aangever in paniek gestoken. Dan denk je niet na waar je iemand raakt. Ik wist dat ik hem in zijn linkerzij heb gestoken en dat daar delen zitten waardoor hij kan overlijden.

2. Een proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 20 november 2016, inhoudende de door verdachte [verdachte] afgelegde verklaring, zakelijk weergegeven: 1

Ik heb [slachtoffer] teruggeslagen.

3. Het door de rechter-commissaris strafzaken in de rechtbank Overijssel in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor 31 januari 2017, RC-nr 16/1623, inhoudende de door [slachtoffer] afgelegde verklaring, zakelijk weergegeven:

[verdachte] kwam naar de AH waar ik kranten aan het verkopen was. Hij vroeg of ik wilde vechten. Hij heeft mij toen gestompt op mijn linker kaak. Ik beet daardoor op mijn tong en op de binnenkant van mijn wang. Ik duwde hem weg en hij begon mij te slaan. Toen ik mij omdraaide kon ik niet zien wat [verdachte] deed, maar ik werd geraakt onder mijn oksel.

4. Een proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 19 november 2016, inhoudende de door [getuige 1] afgelegde verklaring, zakelijk weergegeven: 2

Op zaterdag 19 november 2016 was ik aan het werk aan de Lelystraat 44 te Kampen. Ik zag dat er een man uit een busje stapte en in de richting van een zwerver liep. Ik hoorde de mannen hard tegen elkaar schreeuwden. Ik zag dat de man uit het busje meerdere keren sloeg met zijn vuist van boven naar beneden op de man van de Herbergkrant. Ik zag dat hij hem meerdere keren raakte op zijn bovenlichaam, gezicht, schouder en borst. Ik zag dat de man uit het busje naar de bestuurderskant van het busje liep en het portier opende. Ik zag dat hij naar binnen reikte. Ik zag dat hij het portier weer dicht deed en vervolgens met een boog over de parkeerplaats liep in de richting van de man van de herbergkrant. Ik zag dat hij in zijn rechterhand een mes vast had. Ik schat dat het zilverkleurig mes dat ongeveer 7 centimeter lang was. Ik zag dat de man het mes in de richting van de man van de Herbergkrant liep en meerdere keren van boven en van opzij op hem insloeg en instak met het mes in zijn hand. De man van het busje maakte op mij de indruk dat hij kookte van woede. Ik zag dat de man van de Herbergkrant werd geraakt met het mes in zijn linkerzijde, volgens mij was dit vlak onder zijn linker oksel. Op het moment van slaan en steken stonden de mannen met de neuzen naar elkaar toe.

4. Een proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 19 november 2016, inhoudende de door [getuige 2] afgelegde verklaring, zakelijk weergegeven: 3

19 oktober 2016 hoorde ik geschreeuw bij de Albert Heijn aan de Lelystraat te Kampen. Ik zag een man van buitenlande afkomst achter de man die de straatkrant verkoopt rennen. Ik zag dat de man van buitenlandse afkomst de straatverkoper sloeg. Het waren meerdere klappen. Ik denk een stuk of 3. Op de parkeerplaats werd heen en weer gerend door beide mannen. Ik zag dat de man van buitenlandse afkomt naar een witte Mercedes Vito bus liep. Ik zag dat hij het portier aan de bestuurderskant opende en daar wat wegpakte. Ik zag dat hij een mes in handen had. Ik schat het lemmet ongeveer een centimeter of 8. Ik zag dat hij weer naar de straatverkoper rende. Op het moment dat ik zag dat de buitenlandse man weer naar de straatverkoper rende met het mes werd er weer over de parkeerplaats gerend. Ik zag dat de straatverkoper zich omdraaide en richting de buitenlandse man liep. Ze liepen toen op elkaar af. Ik zag dat de buitenlandse man met zijn rechterhand een steekbeweging maakte richting de straatverkoper zijn schouder. Ik zag dat het om de linkerschouder van de straatverkoper ging. Ik zag dat het mes de straatverkoper raakte. De man van buitenlandse afkomst wilde nadat hij de straatverkoper gestoken had weer opnieuw op de straatverkoper aflopen.

5. Een proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 19 november 2016, inhoudende de door [getuige 3] afgelegde verklaring, zakelijk weergegeven: 4

Op 19 november 2016 hoorde ik een harde woordenwisseling. Ik zag twee manen op de hoek van de Lelystraat met de Lovinkstraat te Kampen. Ik zag dat de man uit het witte busje ineens sloeg richting de linkerschouder van de AH man. Hierna rende de AH man weg en ging de man ut het busje de parkeerplaats over achter de AH man aan. Ik zag dat de man uit het busje naar zijn busje liep en er iets zwarts uitpakte. Ik zag hem aan komen lopen met iets zwarts in zijn rechterhand.

6. De letselbeschrijving van [slachtoffer] d.d. 19 november 2016 opgemaakt door J. Aberson, forensisch arts: 5

Hoofd:

(…) Er is bij de onderkaak links een rode verkleuring van de huid te zien van ca 4-5 cm. langs de kaaklijn. (…)

In de tong, bij de linkertongrand, bevindt zich een wondje van ca 2 mm doorsnee (…)

Romp:

(…) Aan de zijkant van de romp. Ca 10 cm onder de linker oksel bevindt zich een snijwond. Deze is ongeveer 1 cm lang en loopt schuin omhoog naar voren. Aan de achterzijde lijkt de wond iets dieper dan aan de voorzijde. Het eind van de wond aan de achterzijde is minder scherp dan aan de voorzijde, waardoor de wond engszins 3-hoekieg lijkt (…) In de twee lagen kleding die SO droeg zitten op de corresponderende plaats ook snijgaten (…)

Het letsel aan het hoofd kan passen bij de door slachtoffer aangegeven toedracht. (…)

Voor de wond onder de oksel geldt (…) Het gaat om een oppervlakkige wond, maar bij dieper steken op die plaats loopt het slachtoffer kans op een longperforatie met klaplong als gevolg, en bloeding in de long. Nog wat dieper bevindt zich het hart. (…) Dader heeft (…) mogelijk het risico gelopen het slachtoffer ernstiger te verwonden.

1 Pagina 137-143.

2 Pagina 140.

3 Pagina 125-127.

4 Pagina 128-130.

5 Pagina 121 A-F.