Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2017:111

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
12-01-2017
Datum publicatie
12-01-2017
Zaaknummer
AWB 16/1874
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Een recyclingbedrijf uit Staphorst moet de opruimkosten betalen die de gemeente maakte voor het verwijderen van het afval dat het bedrijf gestort had op de openbare weg. De rechtbank Overijssel oordeelt dat de opruimkosten terecht voor rekening komen voor het recyclingbedrijf.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Zwolle

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 16/1874

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] h.o.d.n. [bedrijf 1], te Staphorst, eiser,

gemachtigde: mr. A.A.E. Ferdinandusse, te Naarden,

en

het college van burgemeester en wethouders van Staphorst, verweerder,

gemachtigde: mr. W.E.M. Klostermann, te Zwolle.

Procesverloop

Bij besluit van 15 juli 2015 (het primaire besluit) heeft verweerder een bedrag van

€ 45.513,07, aan kosten voor de bestuursdwang die heeft plaatsgevonden op 15 en 16 juni 2015, op eiser verhaald.

Bij besluit van 14 juni 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Bij besluit van 30 juni 2016, verzonden op 6 juli 2016, heeft verweerder besloten om een aanvullend bedrag van € 2671,55, aan kosten voor de bestuursdwang die heeft plaatsgevonden op 15 en 16 juni 2015, op eiser te verhalen.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 november 2016.

Eiser is verschenen, vergezeld van [naam] , bijgestaan door mr. A.A.E. Ferdinandusse. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door F. Bakker en M.H. van den Beld, bijgestaan door mr. W.E.M. Klostermann. Tevens zijn verschenen de getuigen [getuige 1] , [getuige 2] , [getuige 3] en [getuige 4] .

Overwegingen

1.1

De rechtbank stelt vast dat verweerder op 23 augustus 2016 het bezwaar van eiser tegen het besluit van 30 juni 2016 heeft doorgezonden aan de rechtbank, met het verzoek om dit onder toepassing van artikel 6:15, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), gelezen in samenhang met artikel 5:31c, eerste lid, van de Awb, bij de behandeling van dit beroep te betrekken.

1.2

De rechtbank stelt voorop dat artikel 5:31c, eerste lid, van de Awb bepaalt dat het bezwaar, beroep of hoger beroep tegen de last onder bestuursdwang mede betrekking heeft op een beschikking die strekt tot toepassing van bestuursdwang of op een beschikking tot vaststelling van de kosten van de bestuursdwang, voor zover de belanghebbende deze beschikking betwist.

1.3

De rechtbank stelt vast dat het onderhavige beroep geen betrekking heeft op een last onder bestuursdwang, maar enkel op kostenverhaal naar aanleiding van bestuursdwang die heeft plaatsgevonden. Artikel 5:31c, eerste lid, van de Awb biedt geen grondslag om een nader besluit tot kostenverhaal bij de behandeling van een beroep in verband met een eerder besluit tot kostenverhaal te betrekken.

1.4

Eiser heeft niet op voet van artikel 7:1a, eerste lid, van de Awb verweerder verzocht om in te stemmen met rechtstreeks beroep bij de bestuursrechter, zodat de rechtbank het bezwaar tegen het besluit van 30 juni 2016 evenmin op grondslag van deze bepaling als beroep kan behandelen.

1.5

De rechtbank zal het door verweerder aan de rechtbank doorgezonden bezwaar tegen het besluit van 30 juni 2016 dan ook terugzenden aan verweerder, ter verdere behandeling als bezwaar.

2.1

De rechtbank stelt voorop dat het gehandhaafde besluit van 15 juli 2015 enkel betrekking heeft op kostenverhaal naar aanleiding van bestuursdwang die heeft plaatsgevonden op 15 en 16 juni 2015. De last onder bestuursdwang die heeft geleid tot deze uitoefening van bestuursdwang ligt in dit geding niet voor.

2.2

De rechtbank stelt voorop dat artikel 5:25, eerste lid, van de Awb bepaalt dat de toepassing van bestuursdwang geschiedt op kosten van de overtreder, tenzij deze kosten redelijkerwijs niet of niet geheel te zijnen laste behoren te komen. Uit deze bepaling volgt dat bestuursdwang en kostenverhaal als regel samengaan. Slechts onder bijzondere omstandigheden kan aanleiding bestaan voor het maken van een uitzondering op deze regel.

2.3

De rechtbank stelt vast dat eiser in bezwaar gronden heeft aangevoerd tegen specifieke kostenposten die op eiser zijn verhaald. Bij het bestreden besluit en het daarbij behorende advies van de commissie bezwaarschriften is voor wat betreft deze specifieke posten gemotiveerd gereageerd door verweerder. In beroep heeft eiser geen gronden aangevoerd die zich richten tegen specifieke kostenposten, maar enkel tegen het kostenverhaal als zodanig.

2.4

De rechtbank is van oordeel dat niet aannemelijk is gemaakt dat sprake is van bijzondere omstandigheden als hiervoor bedoeld, op grond waarvan kostenverhaal achterwege had moeten blijven. Het conflict tussen eiser en de gemeente Staphorst over de nakoming van de overeenkomst die heeft geleid tot de grondruil is niet een dergelijke omstandigheid. In dit verband is van belang dat eiser zelf gekozen heeft voor eigenrichting in plaats van zich, in verband met de vermeende tekortkoming in de nakoming van deze overeenkomst, te wenden tot de rechter.

2.5

Verweerder mocht bij het verhalen van de kosten van de bestuursdwang uitgaan van het door afvalverwerker [bedrijf 2] gehanteerde tarief. Dit is immers door [bedrijf 2] aan verweerder in rekening gebracht.

3. Uit het voorgaande volgt dat het bestreden besluit de rechterlijke toets doorstaat.

4. Het beroep is daarom ongegrond.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.R.H. Lutjes, rechter, in aanwezigheid van mr. A. van der Weij, als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.