Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2017:107

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
11-01-2017
Datum publicatie
12-01-2017
Zaaknummer
AK_ZWO_16_2168
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2018:761, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Weigering verlening bouwvergunning voor het oprichten van een machineloods/garage op perceel in Staphorst; niet aannemelijk dat bouwplan nimmer kan worden verwezenlijkt; beroep gegrond; verweerder zal nieuwe beslissing moeten nemen op de bouwaanvraag, waarbij uitgegaan moet worden dat het stallen van vee het aangevraagde gebruik is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Zwolle

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 16/2168

uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen

[namen eisers] , te Staphorst, eisers,

gemachtigde: mr. A. Kwint-Ocelikova,

en

het college van burgemeester en wethouders van Staphorst, verweerder,

gemachtigde: mr. M. Bekooy.

Procesverloop

Bij aanvraag van 6 juli 2006, ontvangen op 7 juli 2006, heeft [naam eiser] (hierna: [naam eiser] ) verweerder verzocht hem een bouwvergunning te verlenen voor het oprichten van een machineloods/garage op het perceel [adres] te Staphorst (hierna: het perceel).

Bij besluit van 19 februari 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder dit verzoek afgewezen.

Bij besluit van 21 juli 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van [naam eiser] en M. [naam eiser] (hierna: [naam eiser] ) niet-ontvankelijk verklaard omdat de beslissing op de bouwaanvraag, gelet op de omstandigheden van het geval, niet kan worden geduid als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb).

Hiertegen hebben eisers beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 december 2016. Eisers zijn verschenen in de persoon van [naam eiser] , bijgestaan door hun gemachtigde. Voorts is H. Visscher, adviseur van eisers, verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door C. van Olst, werkzaam bij de gemeente Staphorst, bijgestaan door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Bij aanvraag van 6 juli 2006, ontvangen op 7 juli 2006, heeft [naam eiser] verweerder verzocht hem een bouwvergunning te verlenen voor het oprichten van een (vervangende) machineloods/garage op het perceel. In deze aanvraag is aangegeven dat het bouwplan zal worden gebruikt voor stalling auto’s, machines, berging en opslag hooi en stro. De oppervlakte van het bouwplan bedraagt (ongeveer) 250 m².

Bij brief van 31 juli 2006 heeft verweerder aan [naam eiser] meegedeeld dat op het perceel een agrarische bestemming rust, te weten de bestemming “Agrarische bedrijfsdoeleinden”, en dat ter plaatse geen agrarisch bedrijf wordt geëxploiteerd. Hierdoor is het bouwplan in strijd met het bestemmingsplan. [naam eiser] is in overweging gegeven zijn bouwplan aan te passen waarna, door het verlenen van vrijstelling van het bestemmingsplan, de gevraagde bouwvergunning kan worden verleend.

Bij brief van 18 augustus 2006 heeft verweerder aan [naam eiser] meegedeeld dat tevens een milieuvergunning is vereist en dat, gelet op het bepaalde in artikel 52 van de Woningwet, de beslissing op de aanvraag om bouwvergunning wordt aangehouden.

Op 6 oktober 2006 heeft [naam eiser] verweerder verzocht hem een milieuvergunning te verlenen voor het oprichten en in werking hebben van een schapenhouderij. Blijkens de aanvraag en de daarbij behorende tekening worden er 200 fokschapen met bijbehorende lammeren gehuisvest in het nog op te richten gebouw zoals aangevraagd bij bouwaanvraag van 6 juli 2006. Bij besluit van 19 april 2007 heeft verweerder geweigerd de gevraagde milieuvergunning te verlenen. De reden hiervoor is dat niet kan worden voldaan aan de afstandseisen in de Richtlijn Veehouderij en stankhinder 1996.

Bij brief van 26 september 2007 heeft verweerder wederom [naam eiser] in de gelegenheid gesteld zijn bouwplan aan te passen. [naam eiser] heeft van de geboden gelegenheid gebruik gemaakt en heeft een aangepaste bouwtekening, gedateerd 16 januari 2008, ingediend. Dit bouwplan heeft een oppervlakte van 200 m².

Op 22 november 2011 is een milieucontrole op het perceel uitgevoerd. Op dat moment werden circa 25 stuks rundvee op het perceel gehouden. Op 14 december 2012 is geconstateerd dat op het perceel circa 30 stuks rundvee en circa 50 schapen werden gehouden. Op 23 mei 2013 heeft [naam eiser] een melding op grond van het Activiteitenbesluit milieubeheer (hierna: Activiteitenbesluit) ingediend voor het houden van 52 stuks vrouwelijk jongvee op het perceel. Blijkens de bij deze aanvraag behorende inrichtingstekening wordt dit vee gehouden in het (nog te realiseren) bouwplan van 6 juli 2006.

De bouwaanvraag van 6 juli 2006, gewijzigd door de bouwtekening van 16 januari 2008, is opnieuw gewijzigd door de bouwtekening die op 12 januari 2016 bij verweerder is binnengekomen. Dit betreft dezelfde bouwtekening als de tekening die bij de oorspronkelijke aanvraag was gevoegd.

Bij brief van 17 februari 2016 heeft verweerder aan [naam eiser] meegedeeld dat uit de door hem ingediende melding blijkt dat niet kan worden voldaan aan de artikelen 3.117 tot en met 3.119 van het Activiteitenbesluit in relatie tot artikelen 4 tot en met 6 van de Wet geurhinder en veehouderij en artikel 4 van de Verordening Geurhinder en Veehouderij 2012. Het niet voldoen aan de geldende wet- en regelgeving is evenwel geen grond om de melding te weigeren dan wel buiten behandeling te laten. Verweerder heeft aangegeven handhavend te kunnen optreden indien de gemelde activiteiten worden uitgevoerd.

Deze milieumelding is op 23 februari 2016 gepubliceerd.

In het primaire besluit van 19 februari 2016 heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat uit de stukken, en dan met name de aanvraag van 6 juli 2006 in combinatie met de milieumelding van 23 mei 2013, blijkt dat het in de aanvraag genoemde gebruik afwijkt van het beoogde gebruik. Omdat het bouwplan na realisatie in strijd met de bouwaanvraag gebruikt zal gaan worden, is de aanvraag niet meer actueel. [naam eiser] is daarom geen belanghebbende meer bij de bouwaanvraag van 6 juli 2006. De bouwaanvraag is vervolgens afgewezen.

Hangende bezwaar heeft verweerder bij brief van 29 juni 2016 [naam eiser] verzocht hem nader te informeren over het beoogde gebruik van het bouwplan. [naam eiser] heeft hierop niet gereageerd.

In het bestreden besluit van 21 juli 2016 heeft verweerder zijn primaire standpunt gehandhaafd en nader uitgebreid. Verweerder stelt zich op het standpunt dat [naam eiser] niet alleen geen actueel belang heeft maar ook geen persoonlijk belang. Nu [naam eiser] niet kan worden aangemerkt als belanghebbende, is de aanvraag om bouwvergunning geen aanvraag in de zin van artikel 1:3, derde lid, van de Awb. De beslissing hierop is dan geen besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Het hier tegen gerichte bezwaarschrift is daarom niet-ontvankelijk verklaard.

2. Ter zitting heeft gemachtigde van eisers het beroep, voor zover ingediend door [naam maatschap] , ingetrokken.

Voor zover in deze uitspraak de term ‘eisers’ wordt gebruikt, wordt daarmee bedoeld [naam eiser] en [naam eiser] .

3. De rechtbank dient ambtshalve te beoordelen of eisers processueel belang hebben bij een beoordeling in rechte. In dat kader merkt de rechtbank op dat uit de stukken blijkt dat [naam eiser] op 29 februari 2016 een aanvraag om een omgevingsvergunning voor de wederopbouw/vervanging machineloods/berging bij verweerder heeft ingediend. Deze aanvraag is identiek aan de aanvraag die thans in rechte voorligt. Indien deze omgevingsvergunning van rechtswege is verleend, hebben eisers geen belang meer bij een beoordeling van dit geschil omdat zij reeds hebben ontvangen (te weten een bouwtitel) wat zij met de in rechte voorliggende aanvraag hebben beoogd.

De rechtbank overweegt hieromtrent dat uit de stukken blijkt dat er sprake is van een onvolledige aanvraag en dat verweerder [naam eiser] bij brief van 23 maart 2016 heeft verzocht om de aanvraag aan te vullen. Op 1 juni 2016 is deze aanvraag buiten behandeling gelaten op grond van het bepaalde in artikel 8.41a, tweede lid, van de Wet milieubeheer omdat [naam eiser] niet tijdig de verzochte melding voor het veranderen van de werking van de inrichting heeft overgelegd. Van een van rechtswege verleende omgevingsvergunning is dan ook geen sprake. Voor de volledigheid voegt de rechtbank hieraan toe dat, zo er al sprake zou zijn geweest van een van rechtswege verleende omgevingsvergunning, dit fictieve besluit is ‘verdrongen’ door het reële besluit tot buitenbehandelingstelling.

Nu er van een van rechtswege verleende omgevingsvergunning voor het oprichten van het bouwplan geen sprake is, hebben eisers processueel belang bij een beoordeling in rechte van het bestreden besluit.

4. Eisers stellen dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat [naam eiser] geen belanghebbende is.

4.1.

De rechtbank overweegt hieromtrent het volgende.

Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) blijkt dat de aanvrager van een (omgevings)vergunning belanghebbende is bij een beslissing op die aanvraag, tenzij aannemelijk is dat het bouwplan nimmer kan worden verwezenlijkt. Dat laatste is het geval als is uitgesloten dat op enig moment van de vergunning gebruik zal kunnen worden gemaakt, bijvoorbeeld indien de eigenaar van de gronden waarop het bouwplan is voorzien, geen toestemming geeft voor realisering. De rechtbank verwijst als voorbeeld naar de uitspraak van 14 november 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BY3028.

Verweerder stelt dat uit de uitspraak van de Afdeling van 29 juni 2005, ECLI:NL:RVS:2005:AT8437, blijkt dat een aanvrager eveneens geen belanghebbende is indien hetgeen hij heeft aangevraagd niet overeenstemt met hetgeen daadwerkelijk is beoogd. Ter zitting heeft verweerder hieraan toegevoegd dat geabstraheerd moet worden van de feiten en dat gekeken moet worden naar de (algemene) strekking van deze uitspraak.

De rechtbank overweegt hieromtrent dat deze door verweerder aangehaalde uitspraak (zeer) casuïstisch is, zodat hieruit niet eenvoudig een ‘harde’ jurisprudentielijn kan worden gedestilleerd. De rechtbank is dan ook van oordeel dat er niet kan worden geabstraheerd van de specifieke omstandigheden van de casus. Uit deze specifieke omstandigheden blijkt dat degene die het verzoek om bouwvergunning had ingediend, niet meer de eigenaar was van het betreffende perceel en de eigenaren van het perceel zich hebben verzet tegen vergunningverlening. Hierdoor was aannemelijk dat het bouwplan nimmer kon worden verwezenlijkt.

De rechtbank voegt hieraan toe dat volgens vaste jurisprudentie bij de toetsing van een bouwplan aan een bestemmingsplan niet slechts moet worden bezien of het bouwwerk overeenkomstig de bestemming van het perceel kan worden gebruikt doch mede of het bouwwerk ook met het oog op zodanig gebruik wordt opgericht. Dit houdt in dat een bouwplan in strijd met de bestemming moet worden geoordeeld indien op grond van de bouwkundige inrichting of anderszins redelijkerwijs valt aan te nemen dat het bouwwerk uitsluitend of mede zal worden gebruikt voor andere doeleinden dan die waarin de bestemming voorziet. De rechtbank verwijst als voorbeeld naar de uitspraak van de Afdeling van 18 november 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3538. Deze jurisprudentie betekent in de dagelijkse praktijk dat, indien redelijkerwijs valt aan te nemen dat het beoogde gebruik afwijkt van het in een bouwaanvraag omschreven gebruik, het bouwplan moet worden getoetst als ware dat het beoogde gebruik (en niet het in de aanvraag omschreven gebruik) het aangevraagde gebruik is. Indien alsdan het beoogde (en aangevraagde) gebruik in strijd is met het ter plaatse geldende bestemmingsplan, resulteert dit in een weigeringsgrond. De (negatieve) beslissing op deze bouwaanvraag is een inhoudelijke beslissing die appellabel is.

De door verweerder verdedigde uitleg van voornoemde uitspraak van de Afdeling van 29 juni 2005 verdraagt zich niet met de hiervoor beschreven vaste jurisprudentie.

Gelet op vorenstaande oordeelt de rechtbank dat in casu getoetst moet worden aan het criterium ‘of aannemelijk is dat het bouwplan nimmer kan worden verwezenlijkt’. Nu [naam eiser] eigenaar is van de gronden waarop het bouwplan betrekking heeft en niet gebleken is van (civielrechtelijke) belemmeringen om deze bouw te realiseren, wordt niet voldaan aan dit criterium. Dit betekent dat [naam eiser] , in de hoedanigheid van aanvrager, belanghebbende is bij de beslissing op deze aanvraag.

Het beroep is daarom gegrond. De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen. De rechtbank zal, zelf in de zaak voorziend, het primaire besluit herroepen. De reden hiervoor is dat het primaire besluit geen inhoudelijke beoordeling betreft van het verzoek om bouwvergunning. Verweerder zal daarom een nieuwe beslissing moeten nemen op de bouwaanvraag.

Om misverstanden te voorkomen wijst de rechtbank partijen op het feit dat de beslistermijn is geregeld in de Woningwet zoals deze luidde op de aanvankelijke datum binnenkomst van de bouwaanvraag, te weten 7 juli 2006. Voor de aanvang van deze beslistermijn moet worden uitgegaan van de aanname dat de datum waarop deze uitspraak bij verweerder binnenkomt, de datum is waarop de bouwaanvraag bij verweerder is ingediend.

5. Ten aanzien van de komende besluitvorming dient verweerder het navolgende in acht te nemen.

5.1.

Eisers hebben hun beroepsgrond - dat er sprake is van een van rechtswege verleende bouwvergunning - ingetrokken. Hierdoor is tussen partijen niet in geschil dat er van een van rechtswege verleende bouwvergunning geen sprake is. De rechtbank onderschrijft dit door partijen gedeelde standpunt nu het bouwplan in strijd is met de bouwregels en de Woningwet, zoals deze luidde op 7 juli 2006, niet voorziet in een bouwvergunning van rechtswege indien een bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan.

Verweerder is dan ook bevoegd om een inhoudelijke beslissing te nemen op de aanvraag.

5.2.

Gelet op de stukken acht de rechtbank het aannemelijk dat [naam eiser] de aangevraagde machineloods/garage wil gaan gebruiken voor een ander doel dan hij heeft omschreven in de aanvraag, te weten het stallen van vee. In dit kader verwijst de rechtbank naar de ingediende aanvraag voor een milieuvergunning op 6 oktober 2006 (gedingstuk 6), het houden van vee in de op het perceel aanwezige bouwwerken (gebleken tijdens milieucontroles op 22 november 2011 en 14 december 2012; gedingstukken 18 en 19), de ingediende milieumelding op 23 mei 2013 (gedingstukken 20 en 24), het verslag van de hoorzitting bij de bezwarencommissie (gedingstuk 34), verweerders brief van 29 juni 2016 (gedingstuk 35) en het uitblijven van een reactie van eisers op deze brief.

Ter zitting heeft gemachtigde van eisers meegedeeld dat eisers het bouwplan zullen gaan gebruiken conform de omschrijving in de aanvraag, te weten machineloods/berging, en dat zij, op het moment dat dit juridisch mogelijk is, het bouwwerk zullen gaan gebruiken ten behoeve van het stallen van vee. De rechtbank oordeelt dat deze mededeling gelijkluidend is aan de mededeling die [naam eiser] ten overstaan van de bezwarencommissie heeft gedaan. Aan het verzoek om deze mededeling nader te concretiseren door het invullen van een formulier dat bij voornoemde brief van 29 juni 2016 (gedingstuk 35) is gevoegd, hebben eisers niet voldaan.

Gelet hierop hecht de rechtbank aan voornoemde mededeling van gemachtigde dan ook niet de waarde die eisers wellicht hebben beoogd. Dit betekent dat het aannemelijk is dat [naam eiser] de aangevraagde machineloods/garage wil gaan gebruiken voor een ander doel dan hij heeft omschreven in de aanvraag, te weten het stallen van vee.

Dit heeft als consequentie dat verweerder de aanvraag moet toetsen met inachtneming van dit aannemelijke gebruik en dan ook niet met inachtneming van het in de aanvraag omschreven gebruik. In casu betekent dit dat verweerder de aanvraag moet beoordelen, waarbij ervan uitgegaan moet worden dat het stallen van vee het aangevraagde gebruik is.

5.3.

Voor de volledigheid overweegt de rechtbank dat er, anders dan partijen veronderstellen, van een aanhouding op grond van artikel 52 van de Woningwet (zoals deze luidde op 7 juli 2006) geen sprake is. Een dergelijke aanhouding is immers pas aan de orde indien ‘er geen grond is om de vergunning te weigeren’. In casu is er wel een grond om de vergunning te weigeren, te weten strijd met de bouwregels uit het bestemmingsplan.

6. Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit.

7. De rechtbank ziet aanleiding zelf in de zaak te voorzien, in die zin dat het primaire besluit wordt herroepen. Verweerder zal daarom een nieuwe beslissing moeten nemen op de aanvraag met inachtneming van deze uitspraak. Voor wat betreft de termijn verwijst de rechtbank naar het hieromtrent gestelde in deze uitspraak.

8. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eisers het door hen betaalde griffierecht ad € 334,- vergoedt.

9. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eisers gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 990,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 495,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    herroept het primaire besluit;

  • -

    draagt verweerder op om een nieuwe beslissing te nemen op de aanvraag;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 334,- aan eisers te vergoeden;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 990,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.R.H. Lutjes, voorzitter, en mr. W.F. Bijloo en

mr. R.M. Fieten, leden, in aanwezigheid van mr. A.E.M. Lever, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.