Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2017:106

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
11-01-2017
Datum publicatie
12-01-2017
Zaaknummer
AK_ZWO_16_1876_1876
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Omgevingsvergunning verleend voor activiteiten op het perceel Vliegveldweg 333, locatie De Strip; verweerder heeft zich terecht bevoegd geacht af te wijken van het bestemmingsplan; beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Zwolle

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 16/2127

uitspraak van de meervoudige kamer in het geschil tussen

Stichting Lonnekerberg en omgeving en Landschap Overijssel, te Enschede respectievelijk Dalfsen, eisers,

en

het college van burgemeester en wethouders van Enschede, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 11 juli 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder een omgevingsvergunning verleend voor het ontplooien van activiteiten op het gebied van automotive, innovatieve bedrijvigheid en beperkt recreatief gebruik met ondersteunende en ondergeschikte horeca op het perceel Vliegveldweg 333, locatie De Strip (hierna: het perceel).

Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 december 2016. Stichting Lonnekerberg en omgeving (hierna: StiL) heeft zich laten vertegenwoordigen door P.H.M. Ginneken-van der Valk en G.J.M. Takkenkamp. Landschap Overijssel (hierna: LO) heeft zich laten vertegenwoordigen door R. Blijleven. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door I. Willemsen, R. Harmsen, M.G. Olthuis, M.B. van der Vegt en B.G.H. ter Beek, werkzaam bij de gemeente Enschede.

Overwegingen

1. Tot en met 2007 werd luchthaven Twente gebruikt door het ministerie van Defensie als militaire vliegbasis. Sinds 2008 wordt gewerkt aan de gebiedsontwikkeling Luchthaven Twente en in 2010 hebben de gemeente Enschede (hierna: de gemeente) en de provincie Overijssel (hierna: de provincie) het gehele terrein gekocht van het Rijk. De gemeente en de provincie hebben dit terrein vervolgens doorverkocht aan Area Development Twente (hierna: ADT). ADT is een gemeenschappelijke regeling van de gemeente en de provincie. Om een

eventuele civiele doorstart van de militaire luchthaven niet bij voorbaat te blokkeren, is de voor de luchthaven geldende aanwijzing militair luchtvaartterrein (met de daarbij behorende geluidszone) gehandhaafd.

Tot medio 2014 is geprobeerd voor Twente een commerciële burgerluchthaven te ontwikkelen. Dat is niet gelukt. De ontwikkeling van een commerciële burgerluchthaven is vervolgens stopgezet.

De provincie, de gemeente en ADT willen het terrein van het voormalige vliegbasis Twente ontwikkelen tot een Technology Base Twente (TecBT, deelgebied Noord). Deelgebied Midden omvat de al gerealiseerde ecologische hoofdstructuur (EHS) ten zuidoosten van de start- en landingsbaan en de locaties Deventerpoort, De Strip en Oostkamp die worden ontwikkeld als werkparken met een leisure-functie.

2. Bij aanvraag van 20 november 2014 heeft J. van Eck (hierna: Van Eck) verweerder verzocht hem een omgevingsvergunning te verlenen voor het navolgende project: het ontplooien van activiteiten op het gebied van automotive, innovatieve bedrijvigheid en beperkt recreatief gebruik met ondersteunende en ondergeschikte horeca op het perceel.

De bestemming van het perceel is geregeld in het bestemmingsplan “Buitengebied 1996”. Het perceel heeft de bestemming “Vliegveld”. Deze gronden zijn bestemd voor een vliegveld en voor militaire doeleinden. De aangevraagde (gebruiks)activiteiten zijn hiermee in strijd. Verder is het paraplubestemmingsplan “Bedrijven met milieuzones (vuurwerk, risicovol, geluid)” van toepassing. De aanvraag is hiermee in overeenstemming.

Voor het gehele plangebied van de voormalige vliegbasis Twente zijn momenteel bestemmingsplannen in voorbereiding, waaronder het bestemmingsplan “Voormalige vliegbasis Twenthe - Midden”. Het perceel is gelegen in het plangebied van dat (ontwerp)bestemmingsplan. De aanvraag om omgevingsvergunning is in overeenstemming met dit (ontwerp)bestemmingsplan.

Om medewerking te kunnen verlenen aan het project dient afgeweken te worden van het bestemmingsplan “Buitengebied 1996”.

De ontwerp-omgevingsvergunning heeft vanaf 3 april 2015 gedurende zes weken voor een ieder ter inzage gelegen. StiL en LO hebben een zienswijze ingediend.

Bij het bestreden besluit van 11 juli 2016 heeft verweerder een omgevingsvergunning verleend om het ontplooien van de aangevraagde activiteiten op het perceel mogelijk te maken. De vergunning wijkt op enkele (ondergeschikte) onderdelen af van het ontwerp. Een overzicht van deze wijzigingen is als bijlage aan de ruimtelijke onderbouwing gehecht. De omgevingsvergunning ziet op de activiteit ‘het gebruiken in strijd met een bestemmingsplan’ als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo). Hierbij is afgeweken van het bestemmingsplan “Buitengebied 1996” op grond van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3º, van de Wabo. Er is hierbij gebruik gemaakt van een (specifieke) verklaring van geen bedenkingen (hierna: vvgb) als bedoeld in artikel 2.27 van de Wabo juncto artikel 6.5, eerste lid, van het Besluit omgevingsrecht.

De ontvankelijkheid

3. De rechtbank overweegt ambtshalve het volgende.

3.1.

Artikel 6:13 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) bepaalt, voor zover van belang, dat geen beroep bij de bestuursrechter kan worden ingesteld door een belanghebbende aan wie redelijkerwijs kan worden verweten dat hij geen zienswijzen als bedoeld in artikel 3:15 naar voren heeft gebracht, geen bezwaar heeft gemaakt of geen administratief beroep heeft ingesteld.

Blijkens de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) moet onder het niet naar voren brengen van een zienswijze als bedoeld in artikel 6:13 van de Awb mede worden verstaan: het buiten de in artikel 3:16, eerste lid, van de Awb bedoelde termijn naar voren brengen van zienswijzen (de Afdeling 12 mei 2010, LJN BM4175).

3.2.

In casu heeft de ontwerp-omgevingsvergunning vanaf 3 april 2015 gedurende zes weken ter inzage gelegen. De eerste dag is vrijdag 3 april 2015; de laatste dag van de zienswijzentermijn is donderdag 14 mei 2015. Deze laatste dag is Hemelvaartsdag. Gelet op het bepaalde in artikel 1, eerste lid, juncto artikel 3, eerste lid, van de Algemene termijnenwet, is vrijdag 15 mei 2015 de laatste dag waarop een zienswijze kan worden ingediend.

De zienswijze van StiL is, blijkens de door verweerder aangebrachte stempel, op 18 mei 2015 op het stadskantoor binnengekomen. Op de enveloppe is de navolgende tekst handmatig aangebracht: “gepost 14 mei 2015 brievenbus gemeente”. Ter zitting heeft StiL desgevraagd meegedeeld dat zij deze tekst op de enveloppe heeft aangebracht en dat zij de zienswijze op 14 mei 2015 in de brievenbus van het stadskantoor heeft gedeponeerd. Verweerder heeft ter zitting desgevraagd meegedeeld dat het stadskantoor zowel op Hemelvaartsdag als op de vrijdag erna gesloten was. De enveloppe met zienswijze is op maandag 18 mei 2015 aangetroffen in de brievenbus en vervolgens voorzien van een stempel met die datum. Verweerder heeft verder desgevraagd meegedeeld dat hij ervan uit is gegaan dat de zienswijze tijdig is ingediend.

De rechtbank overweegt dat, alhoewel niet met zekerheid kan worden vastgesteld wanneer de zienswijze in de brievenbus van het stadskantoor is gedeponeerd, niet kan worden uitgesloten dat StiL haar zienswijze op 14 of 15 mei 2015, oftewel tijdig, bij verweerder heeft ingediend.

Het bepaalde in artikel 6:13 van de Awb staat daarom niet in de weg aan het ontvangen van StiL in haar beroep.

4. De rechtbank overweegt, eveneens ambtshalve, het volgende.

Het kunnen indienen van een zienswijze in deze procedure is niet beperkt tot belanghebbenden maar staat open voor een ieder, zo blijkt uit artikel 3.10, eerste lid, onder a, juncto artikel 3.12, vijfde lid, van de Wabo. Het instellen van beroep bij de bestuursrechter is daarentegen slechts voorbehouden aan belanghebbenden, zo blijkt uit artikel 8:1 van de Awb. De rechtbank dient dan ook ambtshalve te onderzoeken of alle rechtspersonen die beroep hebben ingesteld in hun beroep kunnen worden ontvangen. Concreet betekent dit dat de rechtbank moet onderzoeken of deze rechtspersonen kunnen worden aangemerkt als belanghebbende.

4.1.

De rechtbank overweegt over de belanghebbendheid het volgende.

Onder belanghebbende wordt verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken (artikel 1:2, eerste lid, van de Awb). Ten aanzien van rechtspersonen worden als hun belangen mede beschouwd de algemene en collectieve belangen die zij krachtens hun doelstellingen en blijkens hun feitelijke werkzaamheden in het bijzonder behartigen (artikel 1.2, derde lid, van de Awb).

Indien er sprake is van een rechtspersoon die blijkens zijn doelstelling een algemeen belang behartigt, dient te worden beoordeeld of de statutaire doelstelling geografisch en functioneel (enigszins) is toegesneden op datgene dat met het bestreden besluit mogelijk wordt gemaakt. Het statutaire doel van de rechtspersoon mag immers niet zo veelomvattend zijn dat het onvoldoende onderscheidend is om op grond daarvan te kunnen oordelen dat het belang van de rechtspersoon rechtstreeks is betrokken bij het bestreden besluit. Verder dient de rechtspersoon feitelijke werkzaamheden te verrichten waaruit blijkt dat hij het rechtstreeks bij het bestreden besluit betrokken belang in het bijzonder behartigt. Het louter in rechte opkomen tegen besluiten kan als regel niet worden aangemerkt als feitelijke werkzaamheden in de zin van artikel 1:2, derde lid, van de Awb. Een andere uitleg zou immers betekenen dat voor de ontvankelijkheid van een bezwaar of beroep van een rechtspersoon in zoverre voldoende is dat hij dergelijke rechtsmiddelen pleegt aan te wenden. De uitleg van de criteria van artikel 1:2, derde lid, van de Awb zou er dan op neer komen dat het beroepsrecht in feite voor een ieder open zou staan (actio popularis).

4.2.

Voor wat betreft de vraag of StiL als belanghebbende kan worden aangemerkt overweegt de rechtbank het volgende.

In de statuten is de navolgende doelstelling verwoord.

Het behouden, beschermen en zo mogelijk verbeteren van de natuurlijke-, cultuurhistorische- en landschappelijke waarden, de flora en fauna, en het woon- en leefmilieu op en om de Lonnekerberg. Meer specifiek, doch niet uitsluitend, richt de Stichting zich op een vijftal (sub)doelen. Subdoel 4 en 5 luiden als volgt:

- het behouden, beschermen en bevorderen van een goede woon- en leefomgeving voor mens en dier;

- het behouden, beschermen en bevorderen van een goede omgeving voor natuureducatie en stille vormen van extensief recreatief medegebruik (bijvoorbeeld wandelen en fietsen) voor zover dit medegebruik niet leidt tot verstoring van de rust.

Blijkens haar statuten tracht StiL dit doel, onder meer, te bereiken door het geven van voorlichting en informatie over de aanwezige en potentiële waarden van het gebied, onder andere door het verstrekken van mondelinge-, schriftelijke- en/of digitale informatie en/of het organiseren van excursies in het terrein, het deelnemen aan bijeenkomsten die dienen ter voorbereiding van besluitvorming, vooroverleg met instanties, deelname aan inspraakmogelijkheden en zich aan te bieden als gesprekspartner voor organisaties en instanties die zich bezighouden met (het ontwikkelen van) activiteiten in het werkingsgebied van StiL.

De rechtbank oordeelt dat het belang dat StiL blijkens haar statuten in het bijzonder behartigt, mede gelet op de geografische afbakening van haar werkterrein, rechtstreeks is betrokken bij de verleende omgevingsvergunning. Verder is gebleken dat StiL, naast het voeren van juridische procedures, ook andere werkzaamheden die los staan van juridische procedures of de voorbereiding daarvan, verricht ter behartiging van haar doelstelling. In de door StiL ingebrachte schriftelijke reactie staat een opsomming vermeld van wandelingen, excursies en lezingen die StiL in 2014, 2015 en 2016 heeft georganiseerd. Deze opsomming komt overeen met de activiteiten die StiL op haar website heeft vermeld.

Gelet hierop kan StiL worden aangemerkt als belanghebbende bij de door haar bestreden omgevingsvergunning. StiL kan dan ook in haar beroep worden ontvangen.

4.3.

Voor wat betreft de vraag of LO als belanghebbende kan worden aangemerkt overweegt de rechtbank het volgende.

Uit de statuten blijkt dat LO onderdeel is van Stichting het Overijssels Landschap. Blijkens de statuten heeft deze stichting de navolgende doelstelling.

Het doel van de stichting is om natuur- en landschapsschoon en cultureel erfgoed in Overijssel in eigendom en/of zakelijk genotsrecht te hebben, te verwerven en/of in beheer te nemen, alsmede te herstellen en, waar mogelijk, te scheppen, zowel ter wille van de natuur zelf als ten behoeve van het geestelijk en lichamelijk welzijn van de mens.

Onder natuur-, landschapsschoon en cultureel erfgoed moet in dit verband worden verstaan alles wat tot de aantrekkelijkheid van een landschap bijdraagt. Daartoe worden mede gerekend, naast het aanwezige natuurschoon en in natuurwetenschappelijk en/of visueel landschappelijk opzicht belangrijke objecten, gebouwen en andere elementen van menselijke werkzaamheden, alsmede geologische, geomorfologische- en biologische bijzonderheden, waarvan het behoud van algemeen belang kan worden geacht.

In de statuten staat verder verwoord dat de stichting haar doel tracht te bereiken door onder meer samenwerking met en ondersteuning van andere organisaties, werkzaam op het gebied van natuurbehoud, landschapsbescherming en milieuzorg.

LO heeft op verzoek van de rechtbank een kaart in het geding gebracht waarop de percelen zijn aangegeven die LO in eigendom heeft. Uit deze kaart blijkt dat LO meerdere percelen nabij De Strip in eigendom heeft, waarbij één perceel weliswaar niet aangrenzend maar op relatief korte afstand van De Strip is gelegen.

De rechtbank oordeelt dat het belang dat LO blijkens haar statuten in het bijzonder behartigt, mede gelet op het in eigendom en beheer hebben van meerdere percelen om en nabij De Strip, rechtstreeks is betrokken bij de verleende omgevingsvergunning. Verder is gebleken dat LO, naast het voeren van juridische procedures, ook andere werkzaamheden die los staan van juridische procedures of de voorbereiding daarvan, verricht ter behartiging van haar doelstelling. Dat betreft, onder meer, natuurbeheer en natuurontwikkeling.

Gelet hierop kan LO worden aangemerkt als belanghebbende bij de door haar bestreden omgevingsvergunning. LO kan dan ook in haar beroep worden ontvangen.

4.4.

Stil en LO kunnen, gelet op vorenstaande, beide in hun beroep worden ontvangen. De rechtbank zal StiL en LO tezamen aanduiden als ‘eisers’.

Het inhoudelijke geschil

5. De bestreden omgevingsvergunning ziet op het vergunnen van hetgeen is aangevraagd. Dit is tussen partijen niet in geschil. Eisers stellen dat uit de aanvraag evenwel niet blijkt wat er nu precies is aangevraagd, zodat ook niet duidelijk is wat er nu precies is vergund, hetgeen in strijd is met de rechtszekerheid. Deze onduidelijkheid wordt onder meer veroorzaakt door het gebruiken van de onduidelijke term ‘automotive’. Verder blijkt uit uitlatingen van Van Eck en de door verweerder op 9 december 2015 geaccepteerde melding (met nummer V-2015-6528), dat het de bedoeling is om een evenementenlocatie te realiseren. Dit valt niet onder de (vergunde) noemer van ‘beperkt recreatief gebruik’ maar moet worden geduid als een gebruik waarbij recreatief gebruik het hoofdbestanddeel is. Daarnaast adverteert Van Eck zelf met activiteiten van milieucategorie 5.1 of 5.2, waardoor eisers betwijfelen of er inderdaad sprake zal zijn van activiteiten die zijn te rekenen tot een bedrijvigheid in de categorie tot maximaal 4.2. Motorcross en karten zijn binnen de formulering van het vergunde gebruik toegestaan. Het gebied waarop de omgevingsvergunning betrekking heeft is niet duidelijk. Tekening bijlage 1b van de aanvraag en tekening/figuur op bladzijde 2 van de ruimtelijke onderbouwing zijn immers niet gelijk. Eisers stellen verder dat in de bestreden omgevingsvergunning ten onrechte wordt gesteld dat voor evenementen telkens een aparte evenementenvergunning moet worden aangevraagd. Evenementen tot 500 bezoekers kunnen op basis van deze omgevingsvergunning plaatsvinden, aldus eisers.

5.1.

De rechtbank overweegt als volgt.

In de aanvraag zijn de (gebruiks)activiteiten waarvoor een omgevingsvergunning wordt gevraagd, omschreven als onder andere automotive, innovatieve bedrijvigheid en excursies, productpresentaties, etc. Hierbij is verwezen naar een bijgevoegde uitgebreidere toelichting. In deze toelichting, die als bijlage 2 aan de ruimtelijke onderbouwing is gehecht, is een toelichting gegeven op wat in dit kader wordt verstaan onder de termen ‘automotive’, ‘innovatieve bedrijvigheid’ en ‘excursies’. Verder is toegelicht dat de aanvraag mede ziet op ondersteunende en ondergeschikte horeca en verblijfsrecreatie in de vorm van groepsaccommodaties, ondersteunend aan een evenement, en wat hier onder wordt verstaan. In de aanvraag zijn de activiteiten begrensd qua gebied (kaart 1a bij de aanvraag), aantallen bezoekers en categorie bedrijvigheid (maximaal categorie 4.2 van de Staat van bedrijven in de VNG-brochure Bedrijven en milieuzonering). Bij brief van 26 oktober 2015 is deze aanvraag, voor wat betreft excursies/productpresentaties, aangepast. Deze wijziging van de aanvraag is als bijlage 3 aan de ruimtelijke onderbouwing gehecht.

De rechtbank constateert dat deze beroepsgrond van eisers is gebaseerd op het niet lezen dan wel het niet correct lezen van bijlagen 2 en 3, behorende bij de ruimtelijke onderbouwing. De, volgens eisers, onduidelijke term ‘automotive’ is immers nader geconcretiseerd in bijlage 2. Verder blijkt uit bijlage 2 dat evenementen moeten worden geschaard onder de noemers ‘automotive’ en ‘excursies’ en niet, zoals eisers veronderstellen, ‘beperkt recreatief gebruik’. Onder dit laatste wordt verstaan ondergeschikte verblijfsrecreatie in groepsaccommodaties. Evenementen c.q. activiteiten met een publieksaantrekkende werking zijn inderdaad, qua aantal evenementen, onbeperkt aangevraagd en vergund. Deze evenementen zijn daarentegen in omvang beperkt, te weten maximaal 500 bezoekers per dag. Daarnaast zijn er 12 evenementen per jaar aangevraagd en vergund met een maximum aantal bezoekers van 4.500. Het vergunnen van deze evenementen ziet enkel op het gebruik. Of er daarnaast nog aanvullende vergunningen nodig zijn, zoals een evenementenvergunning en/of een milieuvergunning en/of een milieumelding, valt buiten het thans voorliggende toetsingskader. Motorcross en karten in de openlucht zijn niet toegestaan want deze activiteiten zijn in voornoemde Staat van bedrijven geduid als een categorie 5.1 of 5.3. Of Van Eck in advertenties activiteiten van een zwaardere categorie aanprijst, is voor de thans ter beoordeling voorliggende omgevingsvergunning niet relevant. Bepalend is immers hetgeen is vergund.

Kaart 1a van bijlage 2, behorende bij de ruimtelijke onderbouwing (gedingstuk 2) betreft de afbakening van het projectgebied, hetgeen ook bij deze kaart staat vermeld. Kaart 1b van bijlage 2 bij de ruimtelijke onderbouwing behoort niet tot het bestreden besluit en betreft dan ook niet de vergunde situatie. Dit is verwoord in de Nota samenvatting en beantwoording zienswijzen (hierna: Nota zienswijzen; gedingstuk 22), aldus verweerder.

Alhoewel het de duidelijkheid niet ten goede komt indien de omvang van de bestreden omgevingsvergunning deels moet worden achterhaald via de Nota zienswijzen, is er geen sprake van strijd met de rechtszekerheid. De verleende omgevingsvergunning en bijlage 2 en kaart 1a van de ruimtelijke onderbouwing zijn afdoende duidelijk omschreven zodat duidelijk is wat wel is vergund en, daaruit voortvloeiend, wat niet.

Deze beroepsgrond slaagt dan ook niet.

6. Tussen partijen is niet in geschil dat het ontplooien van de gevraagde (en vergunde) activiteiten op het perceel in strijd is met het ter plaatse geldende bestemmingsplan “Buitengebied 1996”. Voorts is tussen partijen niet in geschil dat verweerder zich terecht bevoegd heeft geacht om af te wijken van dit bestemmingsplan door het nemen van een projectafwijkingsbesluit ex artikel 2.1, eerste lid, onder c, juncto artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3º, van de Wabo. De rechtbank onderschrijft deze gedeelde standpunten.

7. Eisers stellen in hun beroepschrift, samengevat weergegeven, dat verweerder in redelijkheid niet heeft kunnen concluderen dat het project niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening (hetgeen op basis van artikel 2.12, eerste lid, van de Wabo is vereist) en daarom geen omgevingsvergunning had mogen verlenen. Daartoe hebben eisers aangevoerd dat het project in strijd is met gemeentelijk en provinciaal ruimtelijk beleid en hebben zij verwezen naar de aspecten geluid, flora en fauna en natuur. Verder hebben eisers (impliciet) gesteld dat verweerder in strijd met het vertrouwensbeginsel heeft gehandeld alsmede dat de verleende omgevingsvergunning niet handhaafbaar is.

De rechtbank zal deze beroepsgronden geclusterd en samengevat weergegeven, hieronder bespreken.

De rechtbank merkt hierbij op dat onderdelen van meerdere beroepsgronden geen betrekking hebben op de thans voorliggende omgevingsvergunning maar daarentegen zien op andere vergunningstrajecten voor andere activiteiten op locatie De Strip dan wel op andere percelen. Verder zien onderdelen van meerdere beroepsgronden op de thans in procedure zijnde bestemmingsplannen voor de voormalige luchthaven Twente. De rechtbank zal deze beroepsgronden niet bespreken. De rechtbank beperkt zich dan ook tot de beroepsgronden die zien op de omgevingsvergunning die op 11 juli 2016 is verleend en zoals die is omschreven onder het kopje ‘Procesverloop’.

7.1.

Wat betreft de gestelde strijd met het gemeentelijke ruimtelijke beleid stellen eisers dat niet is onderbouwd waarom activiteiten tot maximaal categorie 4.2 zijn vergund. In eerdere onderzoeken, uitgevoerd in opdracht van ADT, is bij de vaststelling van de herijking van het gemeentelijke Ontwikkelingsplan 2012 ervan uitgegaan dat onder de term ‘automotive’ uitgegaan moet worden van activiteiten van milieucategorie 2 of 3. Ter zitting heeft StiL desgevraagd meegedeeld dat in het Ontwikkelingsplan 2012 weliswaar niet wordt gesteld dat de activiteiten maximaal van milieucategorie 2 of 3 mogen zijn maar dat zij dit zelf heeft berekend aan de hand van de in dit ontwikkelingsplan opgenomen geluidsrapport.

Verder wordt in de ruimtelijke onderbouwing gesteld dat de activiteiten passen in de “Herijking Bedrijventerreinenvisie Netwerkstad Twente 2011”, vastgesteld in 2014. Volgens eisers heeft dit tot gevolg dat er bedrijventerreinen kunnen worden uitgegeven. Er moet alsdan worden gehandeld volgens de SER-ladder. Of er inderdaad zo is gehandeld blijkt niet uit de ruimtelijke onderbouwing, aldus eisers.

7.1.1.

De rechtbank overweegt als volgt.

Uit de stukken, nader toegelicht ter zitting, blijkt dat het Ontwikkelingsplan 2012 een (voornamelijk) economisch plan is dat ziet op de mogelijke invulling van de gebieden Oostkamp, De Strip en Deventerpoort. De raad van de gemeente Enschede (hierna: de gemeenteraad) heeft in maart 2012 met dit plan ingestemd. Het Ontwikkelingsplan 2012 is nader uitgewerkt in de Nota van uitgangspunten Middengebied Luchthaven (ecologische hoofdstructuur en werkparken) (hierna: de Nota). De Nota is in april 2015 door de gemeenteraad vastgesteld. De Nota vormt daarom het toetsingskader en niet het Ontwikkelingsplan 2012.

In de Nota wordt, voor wat betreft De Strip (en Oostkamp), verwoord dat conform het vastgestelde Ontwikkelingsplan 2012, de navolgende activiteiten zijn toegestaan: automotive, food en leisure (inclusief evenementen). Verder wordt voorgesteld om in het (toekomstige) omgevingsplan zowel Oostkamp als De Strip als evenementenlocatie op te nemen. Horeca, detailhandel en verblijfsaccommodaties zijn alleen mogelijk als deze ondersteunend zijn aan de hoofdactiviteiten. Om tegemoet te komen aan de grote bezwaren vanuit de omgeving is de toegestane milieucategorie verlaagd van 5.3 naar 4.2.

De rechtbank constateert dat deze beroepsgrond van eisers ten eerste is gebaseerd op een eerdere, minder uitgewerkte, visie, waaraan aanvragen om een omgevingsvergunning niet (meer) worden getoetst. De gemeenteraad heeft voor het gebied De Strip immers een opvolgend ruimtelijk toetsingskader vastgesteld. Ten tweede is deze beroepsgrond niet gebaseerd op de tekst van deze (verouderde) visie maar op een (onjuiste) interpretatie van eisers zelf, waardoor zij ten onrechte stellen dat het gemeentelijk ruimtelijk beleid slechts voorziet in activiteiten van maximaal milieucategorie 3.

De rechtbank oordeelt dat, nu de gemeenteraad de Nota heeft vastgesteld, verweerder terecht de Nota als toetsingskader heeft gehanteerd. De rechtbank onderschrijft het standpunt van verweerder dat de omgevingsvergunning in overeenstemming is met de gemeentelijke ruimtelijke visie, zoals neergelegd in de Nota.

Eisers hebben niet onderbouwd waarom de omgevingsvergunning in strijd zou zijn met de beleidsnota “Herijking Bedrijventerreinenvisie Netwerkstad Twente”. De rechtbank gaat hieraan dan ook voorbij.

Van strijd met het gemeentelijke ruimtelijke beleid is dan ook geen sprake.

7.2.

Eisers stellen dat de verleende omgevingsvergunning in strijd is met het provinciale ruimtelijke beleid. In dat kader verwijzen eisers naar de “Ruimtelijke Visie Gebiedsontwikkeling Luchthaven Twente en omgeving”, vastgesteld door provinciale staten op 16 juni 2010. Ter zitting hebben eisers desgevraagd meegedeeld dat zij in hun beroepschrift weliswaar verwijzen naar provinciaal beleid, vastgesteld in 2016, maar dat zij hiermee niet hebben willen betogen dat verweerder het project heeft getoetst aan achterhaald provinciaal beleid. Het nieuwe provinciale beleid is immers eerst in oktober 2016, oftewel na het nemen van de bestreden omgevingsvergunning, door provinciale staten vastgesteld.

De provinciale ruimtelijke visie uit 2010 ziet op het realiseren van lichte bedrijvigheid, gezondheidsvoorzieningen (medical park) en enkele woningen op ruime kavels. De vergunde (luidruchtige) activiteiten passen niet in deze visie, aldus eisers.

7.2.1.

De rechtbank overweegt als volgt.

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat het provinciale beleid geen belemmering vormt voor de omgevingsvergunning. Uit de stukken blijkt dat verweerder een eerdere aanvraag van Van Eck van vergelijkbare aard en strekking aan de provincie heeft voorgelegd. Destijds, op 22 september 2014, is de aanvraag in overeenstemming geacht met het provinciale beleid. De huidige aanvraag is opnieuw voorgelegd. Bij e-mail van 24 februari 2015, waarin tevens wordt verwezen naar de reactie van 22 september 2014, heeft een provinciale medewerker aan verweerder meegedeeld dat de aanvraag in overeenstemming is met het provinciale ruimtelijke beleid en niet in strijd is met het provinciale belang.

Eisers hebben desgevraagd ter zitting meegedeeld dat deze reactie is gegeven door ‘maar’ een ambtenaar, zodat hieraan geen betekenis behoeft te worden toegekend. De rechtbank overweegt hieromtrent dat ambtenaren handelen namens gedeputeerde staten dan wel namens provinciale staten. Aangenomen moet worden dat de e-mail de visie van gedeputeerde staten of provinciale staten weergeeft. Nu de opsteller van het beleid zich zelf op het standpunt stelt dat van strijd met het provinciale ruimtelijke beleid geen sprake is, heeft verweerder dit kunnen volgen.

7.3.

Met betrekking tot het aspect geluid overweegt de rechtbank het volgende.

7.3.1.

Alvorens deze beroepsgronden inhoudelijk te beoordelen, overweegt de rechtbank allereerst het volgende.

Uit de stukken, nader toegelicht ter zitting, blijkt dat Van Eck in zijn aanvraag de door hem beoogde activiteiten, qua milieubelasting, heeft beperkt tot activiteiten van maximaal milieucategorie 4.2. Verder heeft Van Eck in zijn aanvraag aangegeven dat de activiteiten niet tot gevolg hebben dat ter hoogte van de meest nabij gelegen geluidgevoelige objecten of op 200 meter vanaf de grens van de inrichting, de in een bijgevoegde tabel opgenomen waarden voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (hierna: LAr,LT) en het maximale geluidsniveau (LAmax) zullen worden overschreden. In deze tabel is bijvoorbeeld vermeld dat het LAr,LT in de dagperiode maximaal 50 dB(A) bedraagt.

Een akoestisch rapport van Arcadis maakt deel uit van de aanvraag. Uit het door Arcadis uitgevoerde akoestische onderzoek blijkt dat, uitgaande van een worst-case-scenario (alle activiteiten categorie 4.2), de in de aanvraag vermelde geluidsbelastingen bij lange na niet worden gehaald. Omdat verweerder niet meer wenst te vergunnen dan is aangevraagd (en hiertoe ook geen noodzaak is) heeft verweerder de in de tabel in de aanvraag vermelde geluidsbelastingen niet vergund. Van Eck dient te voldoen aan de geluidsbelastingen zoals deze zijn opgenomen in het akoestisch rapport, dat als bijlage 6 bij de ruimtelijke onderbouwing is gevoegd.

Een groot deel van de beroepsgronden van eisers is gebaseerd op de aanname dat de geluidsbelastingen, zoals deze in de tabel in de aanvraag zijn vermeld, door verweerder zijn vergund. Nu deze aanname niet juist is, missen deze beroepsgronden feitelijke grondslag. De rechtbank zal deze beroepsgronden daarom niet bespreken.

De rechtbank zal zich daarom beperken tot beoordeling van de beroepsgronden die niet zijn gebaseerd op de in de aanvraag opgenomen geluidstabel.

7.3.2.

Wat betreft het aspect geluid stellen eisers dat de verleende omgevingsvergunning in strijd is met het gemeentelijke geluidsbeleid. Volgens dat beleid geldt voor het LAr,LT een richtwaarde van 45 dB(A) etmaalwaarde ter plaatse van geluidsgevoelige objecten of op een afstand van 50 meter van de grens van de inrichting indien binnen die afstand geen sprake is van geluidsgevoelige objecten. Hieraan wordt in de vergunde situatie niet voldaan. Het afwijken van het gemeentelijke geluidsbeleid is door verweerder gemotiveerd met een merkwaardige redenering. Immers, verweerder stelt dat het niet aanwezig zijn van geluidsgevoelige objecten, het loslaten van de richtwaarde van 45 dB(A) op een afstand van 50 meter van de grens van de inrichting rechtvaardigt, terwijl het niet aanwezig zijn van die objecten juist de reden was om die richtwaarde op die afstand tot de grens van de inrichting te hanteren. Verder is het eisers niet duidelijk hoe het afwijken van het gemeentelijke geluidsbeleid zich verhoudt tot het maatwerkvoorschrift milieu, dat verweerder heeft opgelegd in het kader van de acceptatie van een milieumelding. Bij de formulering van dat maatwerkvoorschrift heeft verweerder zich immers wel gehouden aan het gemeentelijk geluidsbeleid.

Eisers stellen verder dat de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende percelen worden aangetast door de verleende omgevingsvergunning. Dat betreft geluidsoverlast op recreatieve paden en het doorkruizen van deze recreatieve paden door (illegale) motorvoertuigen.

7.3.3.

De rechtbank overweegt als volgt.

De rechtbank constateert allereerst dat deze beroepsgronden zien op directe geluidhinder en niet op indirecte geluidhinder.

Wat betreft directe geluidhinder is, aangaande het toetsingskader voor het aspect geluid, aangesloten bij de Geluidnota Enschede 2009-2012 (hierna: de Geluidnota). Volgens de bij de Geluidnota behorende gebiedstypenkaart zijn het projectgebied en het invloedsgebied ervan gelegen in het gebiedstype ‘Buitengebied’. Voor dit gebiedstype geldt voor het LAr,LT een richtwaarde van 45 dB(A) etmaalwaarde. De richtwaarde geldt ter plaatse van geluidsgevoelige objecten of op een afstand van 50 meter van de grens van de inrichting indien binnen die afstand geen sprake is van geluidsgevoelige objecten. Dat laatste is het geval bij De Strip.

Om inzicht te krijgen in de geluidsbelasting is door Arcadis een akoestisch onderzoek uitgevoerd dat als bijlage 6 aan de ruimtelijke onderbouwing is gehecht. Uit dit onderzoek blijkt dat op 50 meter van het projectgebied het LAr,LT in de dag-, avond- en nachtperiode respectievelijk 54, 51 en 46 dB(A) bedraagt. De richtwaarde van 45 dB(A) etmaalwaarde wordt dan ook overschreden.

In de Geluidnota, pagina 26, staat verwoord dat afwijken van de richtwaarde alleen kan indien goed gemotiveerd en na bestuurlijke afweging. Hierbij is onder meer aangegeven dat gekeken moet worden naar de specifieke omstandigheden van de situatie (maatwerk) en dat de zwaarte van de motivering (tevens) afhangt van de hoogte van de gevraagde geluidsbelasting, oftewel de mate waarin gebruik wordt gemaakt van de bandbreedte tussen de richtwaarde en de grenswaarde.

In de ruimtelijke onderbouwing heeft verweerder gemotiveerd waarom een afwijking van de Geluidnota, gelet op de specifieke omstandigheden, acceptabel is. Verweerder heeft deze motivering nader toegelicht in het verweerschrift, pagina 6. Samengevat weergegeven stelt verweerder dat, indien onverkort vastgehouden wordt aan de Geluidnota, activiteiten tot milieucategorie 3.1 zonder meer toelaatbaar zijn op De Strip. Het is echter niet de bedoeling van het gemeentelijke geluidsbeleid om bedrijven/activiteiten met een hogere milieucategorie niet toe te staan. De dichtstbijzijnde geluidsgevoelige objecten (woningen) zijn op meer dan 500 meter van De Strip gelegen en liggen alleen in het gebiedstype ‘Buitengebied’ met een richtwaarde van 45 dB(A) etmaalwaarde. Volgens de VNG-brochure ‘Bedrijven en milieuzonering’ zijn, gelet op voornoemde afstand van 500 meter, bedrijven tot milieucategorie 5.1 mogelijk. De aanvraag ziet op activiteiten van maximaal milieucategorie 4.2. Uitgaande van een worst-case-scenario bedraagt de geluidsbelasting ter plaatse van woningen alsdan ten hoogste 39 dB(A) etmaalwaarde en ligt daarmee ruimschoots onder de richtwaarde van 45 dB(A) etmaalwaarde. Op 300 meter van de grens van de inrichting bedraagt de geluidsbelasting ten hoogste 45 dB(A) etmaalwaarde en komt daarmee overeen met de uitgangspunten van voornoemde VNG-brochure.

Verweerder concludeert in zijn verweerschrift dat, gezien het feit dat geluidsgevoelige objecten op grote afstand van de inrichting zijn gelegen, ter plaatse van die geluidsgevoelige objecten ruimschoots aan de daar geldende richtwaarde wordt voldaan en er wordt voldaan aan de uitgangspunten van vaker genoemde VNG-brochure, op 50 meter van de grens van de inrichting een hogere geluidsbelasting dan de richtwaarde van 45 dB(A) etmaalwaarde voor hem aanvaardbaar is.

De rechtbank oordeelt dat verweerder afdoende heeft gemotiveerd waarom, gelet op de specifieke omstandigheden van het geval, een afwijking van de richtwaarde in de Geluidnota, aanvaardbaar is.

Voor wat betreft het maatwerkvoorschrift milieu heeft verweerder in zijn verweerschrift, pagina 7, genoegzaam gemotiveerd waarom in dat maatwerkvoorschrift is aangesloten bij de Geluidnota en wat de gevolgen hiervan zijn voor de houder van de omgevingsvergunning, Van Eck. Deze kan geen gebruik maken van de maximaal vergunde (gebruiks)situatie en zal daartoe in voorkomende gevallen een milieumelding of een aanvraag om een milieuvergunning bij verweerder moeten indienen. Dit valt evenwel buiten het kader van het thans voorliggende toetsingskader. De rechtbank dient immers de rechtmatigheid van de verleende omgevingsvergunning, voor zover bestreden, te beoordelen.

Recreatieve paden en de gebruikers daarvan zijn geen geluidsgevoelige objecten waar mee rekening gehouden moet worden bij de beantwoording van de vraag of in casu aan de richtwaarden uit de Geluidnota kan worden voldaan. Illegaal gebruik door derden wordt niet bestreken door de verleende omgevingsvergunning.

Gelet op vorenstaande slagen de beroepsgronden, die zien op het aspect geluid, niet.

7.4.

Wat betreft het aspect flora en fauna stellen eisers dat uit onderzoek, dat in opdracht van LO is uitgevoerd, in bosgebieden direct ten oosten van De Strip de aanwezigheid blijkt van strikt beschermde vleermuissoorten. Ook bosvogels en jaarrond beschermde vogels leven in dat bosgebied. Verweerder heeft de verblijfplaatsen en de leefgebieden van (strikt) beschermde soorten niet in beeld gebracht door een gedegen ecologisch onderzoek. De omgevingsvergunning is dan ook in strijd met het bepaalde in artikelen 10 en 11 van de Flora- en faunawet (hierna: Ffw). Er had een ontheffing op grond van de Ffw aangevraagd en verleend moeten worden, hetgeen niet is gebeurd. De generieke ontheffing op grond van de Ffw d.d. 12 november 2014 is niet toereikend omdat deze is verleend voor de inrichting van het gebied en niet voor de activiteiten en evenementen die de bestreden omgevingsvergunning mogelijk maakt. De in deze generieke ontheffing voorgeschreven maatregelen in de vorm van nieuwe compenserende verblijfplaatsen zullen niet/minder functioneel zijn vanwege licht en geluid, veroorzaakt door de vergunde activiteiten. Ook wordt in deze generieke ontheffing amberkleurig licht voorgeschreven. Dit voorschrift is ten onrechte niet verbonden aan de omgevingsvergunning. Verder is geen rekening gehouden met cumulatie door andere activiteiten en ontwikkelingen op de voormalige vliegbasis.

De grens van de maximale geluidsbelasting is gesteld op 70 dB(A) op een afstand van 200 meter van de grens van de inrichting. Hierdoor worden de gunstige staat van instandhouding van diverse soorten vleermuizen, zoals de Vale-, Bechstein- en Brandtsvleermuis, bedreigt. Bekend is immers dat er bij deze soorten een ernstige verstoring optreedt bij een geluidsbelasting hoger dan 60 dB(A), aldus eisers.

Eisers hebben verwezen naar het rapport ‘Vleermuisinventarisatie Lonnekerberg, verkennend vleermuisonderzoek 2015’ uitgevoerd door EcoMilieu in opdracht van LO, het rapport ‘Beoordeling geluidseffecten alternatieve inrichting van Vliegveld Twente op broedvogels en vleermuizen’, in 2016 opgesteld door Sovon Vogelonderzoek Nederland (hierna: Sovon) in opdracht van ADT en het rapport ‘Second opinion Vliegveld Twente’, gedateerd 2 augustus 2016 en opgesteld door Zoogdiervereniging in opdracht van LO.

Eisers concluderen dat de uitvoerbaarheid van de verleende omgevingsvergunning niet is aangetoond.

7.4.1.

De rechtbank overweegt als volgt.

De vragen of voor de uitvoering van de omgevingsvergunning een vrijstelling geldt dan wel een ontheffing op grond van de Ffw nodig is en zo ja, of deze ontheffing kan worden verleend, komen in beginsel pas aan de orde in een procedure op grond van de Ffw. Dat doet er niet aan af dat verweerder de omgevingsvergunning niet heeft kunnen verlenen indien en voor zover hij op voorhand in redelijkheid had moeten inzien dat de Ffw aan de uitvoerbaarheid van de omgevingsvergunning in de weg staat.

Om inzicht te verkrijgen in de gevolgen voor de flora en fauna heeft verweerder door Eelerwoude een ecologisch onderzoek laten uitvoeren. Uit het uitgebrachte rapport, gedateerd 19 februari 2015, blijkt dat onderzoek is gedaan naar vleermuizen, overige zoogdieren, amfibieën en vogels. In dit rapport wordt verwezen naar een uitgebreid (veld)onderzoek dat Eelerwoude in 2010 heeft uitgevoerd, een geactualiseerd onderzoek dat in 2014 door Eelerwoude is uitgevoerd en naar twee door Eelerwoude opgestelde soortmanagementplannen (opgesteld in 2012/2013 en 2014). Verder is in dit rapport verwezen naar de op 12 november 2014 door de staatssecretaris van Economische Zaken verleende generieke ontheffing. Voor wat betreft vleermuizen wordt in het rapport gesteld dat tijdens het actualiserend veldonderzoek in 2014 binnen De Strip geen verblijfplaatsen zijn aangetroffen. Ook als foerageergebied of vliegroute heeft De Strip voor vleermuizen geen bijzondere functie. Op het foerageergebied van vleermuizen en de aanwezige vliegroute net buiten het projectgebied worden geen negatieve effecten verwacht, Het gaat om (zeer) kleine aantallen vleermuizen. De (vergunde) gebruiksvormen zullen vooral overdag plaatsvinden als de vleermuizen zich ophouden in hun door muren en wanden (geluids- en trillings)gebufferde verblijfplaatsen, aldus Eelerwoude.

Voor wat betreft de gestelde geluidseffecten op vleermuizen heeft verweerder verwezen naar het rapport ‘Beoordeling geluidseffecten alternatieve inrichting van Vliegveld Twente op broedvogels en vleermuizen’, in 2016 opgesteld door Sovon. In dit rapport staat verwoord dat van een aantal soorten ‘gleaners’ en ‘passieve luisteraars’ (de vale vleermuis, Bechsteins vleermuis en gewone grootoorvleermuis) bekend is dat een geluidsbelasting van meer dan 60 dB(A) een negatief effect heeft op het terreingebruik en de foerageerefficiëntie van vleermuizen. Hoe groot die invloed is, kan zonder aanvullend onderzoek niet worden aangegeven. Voor de overige soorten vleermuizen is een negatief effect pas boven de 88 dB(A) te verwachten.

Voor wat betreft de gestelde geluidseffecten op vleermuizen heeft verweerder (voor de volledigheid) verwezen naar de rapportage ‘Airforcefestival: geluid en vleermuizen’, opgesteld door Tauw en gedateerd 16 juli 2016. Door Tauw is onderzocht wat het effect is van het geluid van een eendaags muziekfestival op vaste rust- en verblijfplaatsen en het foerageergebied. Hierbij heeft verweerder de kanttekening geplaatst dat de geluidsniveaus van de vergunde activiteiten beduidend lager zijn dan die bij het Airforcefestival.

Op basis van deze onderzoeken heeft verweerder het navolgende geconcludeerd.

Uit monitoring die in 2015 heeft plaatsgevonden blijkt dat op De Strip twee nestkasten in gebruik zijn genomen door een enkele gewone dwergvleermuis. Nestkast 17 bevindt zich niet op het deel van De Strip waarop de verleende omgevingsvergunning betrekking heeft maar op een locatie circa 350 meter noordelijk hiervan. Nestkast 18 bevindt zich direct ten oosten van het deel van de Strip waarop de omgevingsvergunning ziet. Deze nestkast is gesitueerd direct naast een openbare weg, de Greftehoekweg. De vergunde activiteiten resulteren niet in een verstoring van deze verblijfplaatsen. De geluidsniveaus zijn hiervoor te laag en verder is in de omgevingsvergunning een voorschrift (voorschrift 7) opgenomen waardoor activiteiten met lichtuitstraling en versterkt geluid in de zomerperiode (15 maart-

15 oktober) na zonsondergang niet mogen plaatsvinden. Hierbij is een uitzondering gemaakt voor één activiteit per maand in de zomerperiode, waarbij de activiteit om uiterlijk 0.00 uur beëindigd moet zijn. Verweerder concludeert dat er geen sprake is van verstoring van vaste rust- en verblijfplaatsen in de zin van artikel 11 van de Ffw.

Verweerder concludeert verder, onder verwijzing naar voornoemd onderzoek van Eelerwoude van 19 februari 2015 en het hiervoor genoemde voorschrift 7, dat de effecten van de vergunde activiteiten er niet toe zullen leiden dat foerageergebied of vliegroutes worden aangetast. Van een verstoring in de zin van artikel 10 van de Ffw is geen sprake.

De rechtbank oordeelt dat verweerder de gevolgen van de vergunde activiteiten voor de flora en fauna, en met name de gevolgen voor vleermuizen, afdoende in beeld heeft gebracht.

De twee door eisers ingebrachte rapporten zien ten eerste op een vleermuizenpopulatie in een ander gebied dan het projectgebied, te weten de Lonnekerberg. Het tweede rapport dat eisers hebben ingebracht, de second opinion van Zoogdiervereniging, betreft geen eigen veldonderzoek maar het plaatsen van kanttekeningen bij de door Eelerwoude uitgevoerde (veld)onderzoeken. Deze kanttekeningen komen, kort samengevat, erop neer dat het door Eelerwoude uitgevoerde ecologische onderzoek te beperkt van omvang is geweest.

De rechtbank onderschrijft verweerders reactie, zoals opgenomen in zijn verweerschrift, pagina 14, dat er geen noodzaak was om alle vleermuisfuncties in de wijde omgeving van De Strip, zoals bijvoorbeeld de Lonnekerberg, in beeld te brengen. Verder oordeelt de rechtbank dat verweerder in zijn verweerschrift genoegzaam heeft gemotiveerd dat de vergunde activiteiten, gelet op de afstand tot de Lonnekerberg en een tussenliggende openbare weg en bomen, niet zullen leiden tot verstoring van verblijfplaatsen op de Lonnekerberg en eveneens niet zullen leiden tot verstoring van foerageergedrag van vleermuizen op de Lonnekerberg, nu de vergunde activiteiten niet leiden tot een geluidsbelasting van 60 dB(A) of hoger op de Lonnekerberg.

De rechtbank voegt hieraan toe dat verweerder ter zitting heeft betoogd dat de monitoring van beschermde soorten een doorlopend proces is. In voorschrift 8, verbonden aan de omgevingsvergunning, is bepaald hoe vergunninghouder moet handelen als er een verblijfplaats van (strikt) beschermde soorten wordt aangetroffen.

Gelet op het voorgaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de Ffw op voorhand niet aan de uitvoerbaarheid van het project in de weg staat. De beroepsgronden van eisers slagen dan ook niet. Gelet hierop behoeft de stelling van verweerder, geponeerd ter zitting, dat ten aanzien van het beroep van StiL het relativiteitsvereiste ex artikel 8:69a van de Awb in zoverre aan de vernietiging van het besluit in de weg staat, geen bespreking.

7.5.

Wat betreft het aspect natuur stellen eisers dat de uitgangspunten die verweerder heeft gehanteerd voor de stikstofberekeningen (bijlage 10 van de ruimtelijke onderbouwing) op een aantal punten onzorgvuldig is. Ten eerste is uitgegaan van emissiefactoren van 2020 in plaats van die van 2015. Ten tweede is geen rekening gehouden met de emissie van auto’s uit 1978 of eerder, terwijl recreatief rijden met dergelijke oude auto’s is vergund. Ten derde is onduidelijk hoe de stikstofemissie, veroorzaakt door bezoekers, is berekend. De getallen in tabel 4 van bijlage 10 zijn niet duidelijk. Ten vierde is de verwijzing naar het Nationaal samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (hierna: NSL) voor luchthaven Twente in voetnoot 4 op pagina 12 van bijlage 11 niet duidelijk. Ten vijfde is de stikstofemissie kartwagens en helikoptervluchten niet meegenomen.

7.5.1.

De rechtbank overweegt als volgt.

Arcadis, een terzake deskundige, heeft een onderzoek uitgevoerd naar de gevolgen van de vergunde activiteiten voor Natura-2000 gebied Landgoederen Oldenzaal en Natura-2000 gebied Lonnekermeer. De conclusie van dit onderzoek is dat, vanwege een toename van stikstofdepositie met maximaal 0,08 mol N/(haxjr), voor Natura-2000 gebied Lonnekermeer in het kader van de PAS een melding Nb-wet moet worden gedaan. Omdat de ontwikkeling van De Strip voldoet aan de regels van de PAS, kan gebruik worden gemaakt van de Passende beoordeling van de PAS.

Eisers hebben geen andersluidend tegenrapport van een terzake deskundige, in het geding gebracht maar hebben volstaan met het plaatsen van enkele kanttekeningen. Verweerder heeft deze kanttekeningen, voor zover relevant, afdoende besproken in zijn verweerschrift.

Gelet op vorenstaande heeft verweerder zijn besluitvorming mogen baseren op de rapportage van Arcadis. De beroepsgronden van eisers slagen niet. Gelet hierop behoeft de stelling van verweerder, geponeerd ter zitting, dat ten aanzien van het beroep van zowel StiL als LO het relativiteitsvereiste ex artikel 8:69a van de Awb in zoverre aan de vernietiging van het besluit in de weg staat, geen bespreking.

7.6.

Samenvattend oordeelt de rechtbank dat verweerder in redelijkheid heeft kunnen concluderen dat het project niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

8. Eisers stellen dat tijdens de behandeling van de vvgb in de gemeenteraadsvergadering door wethouder Van Agteren is toegezegd dat motorcross en karten in de openlucht niet zal worden toegestaan. De ruime formulering van het vergunde gebruik maakt dit toch mogelijk. Eisers willen dat dit gebruik expliciet wordt uitgesloten van het vergunde gebruik.

8.1.

De rechtbank overweegt als volgt.

Deze beroepsgrond is gebaseerd op een onjuiste lezing van de aanvraag, bijlage 2 bij de ruimtelijke onderbouwing en de verleende omgevingsvergunning. Slechts activiteiten van maximaal milieucategorie 4.2 zijn vergund. Motorcross en karten in de openlucht zijn activiteiten van milieucategorie 5.1 en hoger. Deze activiteiten zijn daarom niet vergund. Het expliciet uitsluiten van niet-vergund gebruik heeft geen toegevoegde waarde.

Deze beroepsgrond slaagt niet.

9. Eisers stellen dat de omgevingsvergunning niet handhaafbaar is. Verweerder zou een weigerachtige houding aannemen. Dit wordt onder andere veroorzaakt door de verwevenheid van ADT en wethouders van de gemeente Enschede. Verder is niet duidelijk hoe er wordt gehandhaafd op de bezoekersaantallen.

9.1.

De rechtbank overweegt als volgt.

De gestelde niet-handhaafbaarheid vloeit niet voort uit de redactie van de verleende omgevingsvergunning maar uit een bij eisers veronderstelde houding van verweerder. Dit betreft een handhavingaspect hetgeen thans niet voorligt. De rechtbank gaat hieraan voorbij.

10. Samenvattend oordeelt de rechtbank dat verweerder zich terecht bevoegd heeft geacht om af te wijken van het bestemmingsplan en dat verweerder in redelijkheid van deze bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken.

11. Het beroep is ongegrond.

12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.R.H. Lutjes, voorzitter, en mr. W.F. Bijloo en

mr. R.M. Fieten, leden, in aanwezigheid van mr. A.E.M. Lever, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:


Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.

Op het hoger beroep tegen deze uitspraak is de Crisis- en herstelwet van toepassing.

Op grond van artikel 1.6a van de Crisis- en herstelwet kunnen na genoemde zes weken geen gronden meer worden aangevoerd.