Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2017:1034

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
07-03-2017
Datum publicatie
20-03-2017
Zaaknummer
ak_17 _ 137
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Geen spoedeisend belang om in verband met aanwezigheid van noppenfolie op dak een voorlopige voorziening te treffen; niet aannemelijk gemaakt dat ten aanzien van de noppenfolie sprake is van een brandgevaarlijke situatie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Zwolle

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 17/137

uitspraak van de voorzieningenrechter op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[verzoeker] te [woonplaats] , verzoeker,

en

het college van burgemeester en wethouders van Steenwijkerland, verweerder,

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: Stichting Futureforce, te Zwolle,

gemachtigde: A. de Vries

Procesverloop

Bij besluit van 23 december 2016 heeft verweerder het verzoek van verzoeker om handhavend op te treden afgewezen. Verzoeker heeft daartegen bezwaar gemaakt. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 februari 2017. Verzoeker is verschenen. Verweerder heeft zich niet laten vertegenwoordigen. De derde-partij heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. 1 Verzoeker woont op het perceel [adres] te Steenwijk. Het pand op het perceel Kallenkoterallee 9 is eigendom van Stichting Trias jeugdhulp (Trias). Stichting Futureforce is onderdeel van Trias. In het pand aan de Kallenkoterallee 9 verzorgt Stichting Futureforce huisvesting voor acht alleenstaande minderjarige jongeren, die in het bezit zijn van een asielvergunning.

1.2

Eind april 2016 heeft verzoeker telefonisch gesproken met een medewerker van verweerders gemeente over het pand aan de Kallenkoterallee 9. Bij die gelegenheid heeft verzoeker verweerder gevraagd handhavend op te treden. Bij brief van 17 mei 2016 heeft verzoeker verweerder erop gewezen dat verweerder nog niet heeft opgetreden tegen de huisvesting van minderjarigen, die volgens verzoeker in strijd is met het bestemmingsplan.

Bij brief van 22 juni 2016 heeft verzoeker verweerder gewezen op verbouwingen die in het verleden in of aan het pand Kallenkoterallee 9 zijn uitgevoerd en die niet zouden voldoen aan wet- en regelgeving. De hoogte van de deur aan de oostzijde is niet in overeenstemming met het Bouwbesluit, zo meent verzoeker. Hij heeft verder onder de aandacht gebracht dat recent aan de gevel aan de zuidzijde een wijziging is doorgevoerd terwijl daarvoor geen omgevingsvergunning is verleend.

1.3

Bij brief van 14 juli 2016 heeft verweerder verzoeker laten weten dat het pand nog niet in gebruik is genomen en dat het pand dus niet in strijd met het bestemmingsplan wordt gebruikt. Verder heeft verweerder bericht dat wordt bezien of de wijziging in de pui voor legalisatie in aanmerking komt.

1.4

Op 1 augustus 2016 heeft verzoeker verweerder in een emailbericht gemeld dat het dak van het pand aan de Kalenkoterallee 9 niet brandveilig is, vanwege een laag plastic noppenfolie die zich in strijd met het Bouwbesluit 2012 bevindt tussen de dakpannen en het dakbeschot.

1.5

Op 29 augustus 2016 heeft verweerder een omgevingsvergunning verleend aan de Stichting Futureforce voor het gebruiken van het pand op het perceel Kallenkoterallee 9 in strijd met het bestemmingsplan. Op 12 oktober 2016 heeft verweerder aan Trias een omgevingsvergunning verleend voor het plaatsen van een deur in de gevel.

1.6

Op 20 oktober 2016 heeft verweerder verzoeker meegedeeld voornemens te zijn het verzoek om handhaving af te wijzen en hem in de gelegenheid gesteld een zienswijze in te dienen.

1.7

In een emaibericht van 7 november 2016 heeft - onder meer - verzoeker bij verweerder melding gemaakt van overtredingen van de omgevingsvergunning van 29 augustus 2016 en overtredingen van het Bouwbesluit 2012. Daarbij zou het gaan om wanden van een trappenhuis die niet voldoende brandvertragend zijn, een onjuiste draairichting van deuren, een bovenafsluiting met glas en noppenfolie op het dak. Verder is de brandcompartimentering gewijzigd zonder dat daarvoor een omgevingsvergunning is verleend. Verzocht wordt om handhavend op te treden door tot sluiting van het pand over te gaan.

1.8

Op 23 december 2016 heeft verweerder het verzoek afgewezen. Op 16 januari 2017 heeft verzoeker daartegen bezwaar gemaakt.

2. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

Voor het treffen van een voorlopige voorziening kan aanleiding zijn indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2.1

Het verzoek om voorlopige voorziening ziet op het besluit van 23 december 2016. In dit besluit heeft verweerder het verzoek om handhavend op te treden afgewezen. Volgens verweerder bestaat er geen grond om te handhaven omdat er geen overtredingen zijn. Voor het gebruik in afwijking van het bestemmingsplan is een omgevingsvergunning verleend, evenals voor de wijziging in de pui. De hoogte van de deur aan de oostzijde, waarbij verweerder uitgaat van bestaand gebruik, is in overeenstemming met de eisen van het toepasselijke Bouwbesluit 2012.

2.2

Verzoeker heeft ter zitting desgevraagd bevestigd zich in zoverre in het besluit van

23 december 2016 te kunnen vinden. Verzoeker meent echter dat er andere overtredingen van het Bouwbesluit gaande zijn die handhavend optreden vergen. In zijn verzoekschrift van

16 januari 2017 wijst hij op noppenfolie op het dak, wanden van een brandtrap die niet voldoende brandwerend en rookondoorlatend zouden zijn, een onjuiste draairichting van deuren en een bovenafsluiting van de brandtrap met glas. Ook zijn de brandcompartimentering en de draagconstructie gewijzigd zonder dat daarvoor een omgevingsvergunning is verleend, aldus verzoeker.

2.3

De voorzieningenrechter is van oordeel dat de punten die verzoeker thans aan de orde stelt buiten de reikwijdte vallen van zijn telefonische verzoek om handhaving van eind april, schriftelijk aangevuld op 17 mei en 22 juni 2016. Verweerder heeft deze elementen dus ook terecht niet betrokken in het besluit op dit verzoek. In zijn brief van 17 mei 2016 heeft verzoeker in het geheel niet gesproken over deze punten. In deze brief stelt verzoeker enkel dat het (onder begeleiding) huisvesten van minderjarigen in strijd is met het bestemmingsplan. In de brief van 22 juni 2016 verwijst verzoeker naar overtredingen van “het Bouwbesluit, onder andere de deur aan de oostzijde die niet voldoende hoogte heeft”. Een vermeende wijziging in de draagconstructie wordt pas in het verzoekschrift van

16 januari 2017 gemeld. Verzoeker heeft ook niet in een zienswijze tegen het voornemen van 20 oktober 2016 kenbaar gemaakt dat zijn verzoek nog zag op andere overtredingen van het Bouwbesluit. Hij heeft daarentegen op 7 november 2016, terwijl de termijn voor het indienen van een zienswijze nog liep, een nieuw verzoek om handhaving gedaan. Anders dan verzoeker ter zitting heeft gesteld, bestond er voor verweerder geen grond om deze mail als een zienswijze aan te merken. Het bericht van 7 november 2016 biedt daarvoor geen enkel aanknopingspunt. Zoals in het verweerschrift is gemeld, is verweerder doende met de besluitvorming naar aanleiding van het verzoek van 7 november 2016.

2.4

Verzoeker heeft op 1 augustus 2016, voorafgaand aan het voornemen van 20 oktober 2016 en het besluit van 23 december 2016, verweerder gemaild over de vergunningaanvraag Kallenkoterallee 9. In deze email heeft verzoeker melding heeft gemaakt van de aanwezigheid van noppenfolie op het dak in strijd met het Bouwbesluit. Volgens verzoeker had verweerder deze email, in navolging van zijn brief van 22 juni 2016, moeten aanmerken als een nadere aanvulling van het op dat moment nog lopende handhavingsverzoek en dus ook moeten betrekken bij het besluit van 23 december 2016. Nu verzoeker in de email van

1 augustus 2016 zelf geen verband legt met het handhavingsverzoek maar uitdrukkelijk melding maakt van de vergunningaanvraag, ligt dit standpunt naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet direct voor de hand. Verweerder zal in de beslissing op bezwaar alsnog kunnen toelichten welke duiding zij geeft aan de email van 1 augustus 2016 en bij welk besluit verweerder dit betrekt.

Anders dan verzoeker, ziet de voorzieningenrechter geen spoedeisend belang om in verband met de noppenfolie een voorlopige voorziening te treffen. Verzoeker, die (in zijn eigen woorden) op dit gebied geen expertise heeft, heeft niet aannemelijk gemaakt dat ten aanzien van de noppenfolie sprake is van een brandgevaarlijke situatie, die onmiddellijk ingrijpen vereist in de vorm van sluiting van het pand. Uit de gedingstukken en ter zitting is naar voren gekomen dat de noppenfolie al geruime tijd aanwezig is en niet eerst in maart 2016 is aangebracht. Bovendien is niet gebleken dat een toezichthouder van de Veiligheidsregio heeft geoordeeld dat op dit punt niet wordt voldaan aan de brandveiligheidseisen van het Bouwbesluit.

3. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af.

4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter

- wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.R.H. Lutjes, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A.E.M. Lever, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.