Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2017:1020

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
07-03-2017
Datum publicatie
07-03-2017
Zaaknummer
08/770228-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank Overijssel veroordeelt een 25-jarige man tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van 2 weken met een proeftijd van 2 jaar en een taakstraf van 100 uur. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan openlijke geweldpleging in de binnenstad van Hengelo.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Overijssel

Afdeling Strafrecht

Zittingsplaats Almelo

Parketnummer (P): 08/770228-16

Datum vonnis: 7 maart 2017

Vonnis (promis) op tegenspraak van de rechtbank Overijssel, meervoudige kamer voor strafzaken, rechtdoende in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte]

geboren op [geboortedatum 1] 1992 in [geboorteplaats] ,

wonende te [woonplaats 1] , [adres] ,

1 Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 21 februari 2017. De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. M. Groothuizen en van hetgeen door de gemachtigd raadsman mr. U. Ural, advocaat te Enschede , naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

primair: openlijk en in vereniging met anderen geweld heeft gepleegd tegen een persoon, dan wel subsidiair al dan niet in vereniging met anderen een persoon heeft mishandeld.

Voluit luidt de tenlastelegging aan de verdachte, dat:

hij op of omstreeks 16 oktober 2016 te Hengelo, althans elders in Nederland, met een ander of anderen, op of aan de openbare weg, kruispunt Willemstraat, Burgemeester Jansenplein en

Langestraat, in elk geval op of aan een openbare weg, openlijk en in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer] , welk geweld bestond uit een worsteling en/of slaan en/of stompen en/of schoppen en/of trappen, waarbij verdachte die [slachtoffer] met kracht heeft geschopt en/of getrapt en welk door hem gepleegd geweld enig lichamelijk letsel voor die

[slachtoffer] ten gevolge heeft gehad;

ALTHANS, voor zover voor het vorenstaande onder 1 geen veroordeling mocht of zou

kunnen volgen, SUBSIDIAIR, terzake dat

hij op of omstreeks 16 oktober 2016 te Hengelo, gemeente Hengelo (O), althans in Nederland, tezamen en in vereniging, althans alleen [slachtoffer] heeft mishandeld door die [slachtoffer] met kracht tegen het bovenlichaam en/of de maagstreek en/of de onderrug en/of het hoofd en/of het gezicht te slaan en/of stompen en/of te schoppen en/of trappen, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel, te weten een gebroken neus en/of een fractuur in het jukbeen ten gevolge heeft gehad.

3 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte, onder bewezenverklaring van het primair tenlastegelegde, wordt veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 150 uur subsidiair 75 dagen vervangende hechtenis en tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee (2) maanden met een proeftijd van twee (2) jaren. Voor het strafverzwarend onderdeel in het primair tenlastegelegde, te weten het toebrengen van enig lichamelijk letsel bij het slachtoffer, dient, aldus de officier van justitie, vrijspraak te volgen.

4 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

5 De beoordeling

Deze paragraaf bevat het oordeel van de rechtbank over de vraag of het tenlastegelegde feit bewezenverklaard kan worden of dat daarvan moet worden vrijgesproken.

In het geval de rechtbank tot een bewezenverklaring komt, steunt de beslissing dat verdachte het feit heeft begaan op de inhoud van bewijsmiddelen die als bijlage aan het vonnis zijn gehecht en daarvan op die wijze deel uitmaken. Deze bewijsmiddelen bevatten dan de redengevende feiten en omstandigheden op grond waarvan de rechtbank de overtuiging heeft gekregen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.

5.1

De standpunten van de officier van justitie en de verdediging

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte zich samen met twee medeverdachten aan openlijke geweldpleging heeft schuldig gemaakt. Verdachtes aandeel bestaat, aldus de officier van justitie, uit het één keer trappen tegen het lichaam van [slachtoffer] .

De verdediging heeft zich, in aanvulling op de ter terechtzitting overgelegde pleitnota, op het primaire standpunt gesteld dat verdachte handelde uit noodweer, aangezien verdachte zijn vriend [medeverdachte 1] wilde bevrijden uit de worsteling met aangever [slachtoffer] .

Subsidiair, voor het geval de rechtbank van oordeel is dat geen sprake is van noodweer, is de raadsman van mening dat het primair tenlastegelegde bewezen verklaard kan worden, met dien verstande dat vrijspraak dient te volgen voor het strafverzwarend onderdeel van het toebrengen van enig letsel bij [slachtoffer] .

5.2

De bewijsoverwegingen van de rechtbank

Op basis van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting staat vast dat er in de nacht van 16 oktober 2016 in de binnenstad van Hengelo (O) een worsteling heeft plaatsgevonden tussen [slachtoffer] (hierna aangever) en medeverdachte [medeverdachte 1] . Daarbij hebben meerdere personen, waaronder verdachte, geweld tegen aangever gebruikt, in het bijzonder door met kracht tegen het lichaam van aangever te schoppen, terwijl deze op de grond lag. Het aandeel van verdachte is geweest dat hij, aanvankelijk alleen kijkend naar de worsteling op de grond tussen aangever en [medeverdachte 1] waarbij anderen fors op aangever intrapten, uiteindelijk ook zelf geweld tegen aangever heeft gebruikt.

Uit de ter terechtzitting getoonde camerabeelden blijkt dat verdachte één trap heeft gegeven tegen het lichaam van aangever, hetgeen verdachte ter zitting ook heeft erkend. Waar verdachte echter heeft gesteld dat hij enkel een ‘duwtrap’ heeft gegeven zonder kracht, constateert de rechtbank op grond van de ter terechtzitting getoonde beelden dat verdachte zijn been eerst naar achteren heeft gehaald om vervolgens met kracht uit te halen en aangever heeft geraakt. Deze constatering wordt ondersteund door het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 1] .

De rechtbank is van oordeel dat verdachtes optreden moeten worden aangemerkt als openlijke geweldpleging. Van openlijke geweldpleging is sprake wanneer het geweld in vereniging wordt gepleegd en voor derden zichtbaar is of had kunnen zijn, waardoor de openbare orde wordt verstoord. Geweld wordt in vereniging gepleegd als de dader nauw en bewust samenwerkt met een of meer anderen en daaraan een “significante of wezenlijke bijdrage” levert. Verdachte heeft zich niet duidelijk gedistantieerd van het geweld. Hij heeft daarentegen, nadat en terwijl anderen reeds geweld uitoefenden tegen aangever, aangever ook zelf met kracht een schop gegeven en daarmee een wezenlijke bijdrage geleverd aan het geweld. Zodoende acht de rechtbank bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan openlijke geweldpleging.

Uit de bewijsmiddelen blijkt niet dat de trap die verdachte heeft gegeven tot lichamelijk letsel bij aangever heeft geleid, zodat verdachte van de strafverzwarende omstandigheid zal worden vrijgesproken.

5.3

De conclusie

De rechtbank is door de inhoud van de wettige bewijsmiddelen tot de overtuiging gekomen, dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 16 oktober 2016 te Hengelo, met anderen, op de openbare weg, kruispunt Willemstraat, Burgemeester Jansenplein en Langestraat, openlijk en in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer] Galvan, welk geweld bestond uit een worsteling en schoppen, waarbij verdachte die [slachtoffer] met kracht heeft geschopt.

De rechtbank heeft de eventueel in de tenlastelegging voorkomende schrijffouten verbeterd in de bewezenverklaring. Verdachte wordt hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan de verdachte primair meer of anders is tenlastegelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

6 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte heeft gehandeld uit noodweer, aangezien verdachte zijn vriend [medeverdachte 1] wilde bevrijden uit de worsteling met aangever [slachtoffer] .

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat aan verdachte geen beroep op noodweer toekomt, nu uit de bewijsmiddelen blijkt dat aangever en [medeverdachte 1] op elkaar afrenden én niet voldaan is aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit, aangezien er al anderen doende waren om het probleem op te lossen, zodat schoppen geen passende actie was.

De rechtbank overweegt met betrekking tot het gevoerde noodweerverweer het volgende. Een beroep op noodweer kan slechts slagen indien het begane feit geboden is door de noodzakelijke verdediging van eigen of andermans lijf, eerbaarheid of goed tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding. De rechtbank stelt in dit verband vast dat op grond van de zich in het dossier bevindende stukken en de camerabeelden niet exact is vast te stellen hoe de worsteling tussen betrokkenen is begonnen en wie daarvan de aanstichter(s) is/zijn geweest.

Zo er in dit geval al sprake zou zijn geweest van een noodweersituatie waarin een “bevrijdingsactie” met gebruikmaking van geweld geboden was, dienen de gepleegde handelingen te worden getoetst aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. Er dient evenwicht te bestaan in de verhouding tussen het gekozen verdedigingsmiddel en het aangerande rechtsbelang en de verdediging dient gepast te zijn: niet riskanter dan strikt genomen vereist.

De rechtbank is van oordeel dat, zeker ook gelet op het getalsmatige overwicht dat de verdachten hadden op de aangever, volstaan had kunnen en moeten worden met handelingen gericht op het wegtrekken van aangever bij [medeverdachte 1] , waartoe een ander ook in staat is gebleken. Het tegen aangever uitgeoefende geweld, in vereniging gepleegd en zoals dat hierboven is vastgesteld, is naar het oordeel van de rechtbank door zijn aard en de kracht waarmee het is toegepast, in strijd met de beginselen van subsidiariteit en proportionaliteit en derhalve niet aan te merken als een noodzakelijke verdedigingshandeling. De rechtbank verwerpt daarom het beroep op noodweer.

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld bij artikel 141 van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert op het misdrijf:

openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen.

7 De strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor het bewezenverklaarde feit.

8 De op te leggen straf of maatregel

8.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 150 uur subsidiair 75 dagen vervangende hechtenis en tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee (2) maanden met een proeftijd van twee (2) jaren.

8.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de eis van de officier van justitie niet past bij het aandeel van verdachte in de openlijke geweldpleging. De raadsman is van mening dat een taakstraf van 50 uren passend is.

8.3

De gronden voor een straf of maatregel

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. Ook neemt de rechtbank de volgende factoren in aanmerking.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan openlijke geweldpleging. Het slachtoffer is meerdere keren met kracht geschopt, onder meer éénmaal door verdachte. Verdachte heeft door zijn handelen inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer en heeft, zonder dat daarvoor een rechtvaardiging bestaat, bijgedragen aan geweld tegen het slachtoffer. Uit de slachtofferverklaring van aangever blijkt dat hetgeen op 16 oktober 2016 aldaar is gebeurd grote impact op hem heeft (gehad). De rechtbank rekent dit verdachte aan. Bij de strafoplegging houdt de rechtbank echter ook rekening met het gegeven dat het door aangever opgelopen letsel niet is veroorzaakt door het handelen van verdachte en dat de geweldshandelingen van verdachte beperkt zijn gebleven tot het één keer tegen het lichaam van aangever schoppen.

Verdachte is, zo blijkt uit het uittreksel van de justitiële documentatiedienst, eerder met justitie in aanraking geweest, maar niet ter zake soortgelijke feiten als het onderhavige.

De rechtbank neemt als uitgangspunt voor strafoplegging de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Daarin staat dat bij openlijk geweld zonder lichamelijk letsel een taakstraf van 150 uur past.

De rechtbank acht, gelet op het aandeel van verdachte en zijn persoonlijke omstandigheden, in dit geval oplegging van een taakstraf van 100 uur passend en geboden. Daarnaast acht de rechtbank het geboden dat een voorwaardelijke gevangenisstraf wordt opgelegd, aangezien verdachte zich niet heeft ontzien om een op de grond liggend slachtoffer - dat al meerdere keren op forse wijze door anderen is geschopt - zonder enige redelijke aanleiding nogmaals op forse wijze te schoppen. Mede gelet op het kennelijke gemak van verdachte om een dergelijk verwerpelijk feit te plegen, is de rechtbank van oordeel dat een voorwaardelijke gevangenisstraf geboden is, mede teneinde verdachte er van te weerhouden in de toekomst soortgelijke feiten te plegen.

9.1

De vordering van de benadeelde partij

[slachtoffer] , wonende te [woonplaats 2] , heeft zich voorafgaand aan het onderzoek op de zitting, op de wettelijk voorgeschreven wijze als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert veroordeling van de verdachte tot betaling van in totaal

€ 2.234,86, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd. Deze schade bestaat uit de volgende posten:

  • -

    T-shirt € 19,95

  • -

    schoenen € 94,95

  • -

    jas € 119,96

  • -

    immateriële schade van € 2.000,00.

Ook heeft de benadeelde partij gevraagd een schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

9.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de gehele vordering moet worden toegewezen, onder oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

9.3

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering met betrekking tot vergoeding van (de kosten van) het T-shirt en de jas kan worden toegewezen, maar dat, nu de schoenen volgens het proces-verbaal aan benadeelde zijn c.q. worden teruggegeven, niet vast staat dat die schoenen beschadigd zijn, het deel van de vordering dat ziet op die schoenen moet worden afgewezen.

Met betrekking tot de vordering tot vergoeding van de immateriële schade heeft de raadsman aangevoerd dat een deskundigenrapport ontbreekt en dat zonder nadere onderbouwing een vordering van € 2.000,00 veel te hoog is. Bovendien dient, aldus de raadsman, bij de beoordeling van de civiele vordering de rol van aangever, te weten een deel eigen schuld voorafgaand aan de openlijke geweldpleging, te worden meegewogen, zodat het gevorderde smartengeld, aldus de raadsman, fors dient te worden gematigd.

9.4

Het oordeel van de rechtbank

Naar het oordeel van de rechtbank is de benadeelde partij in zijn vordering ontvankelijk en is de vordering deels gegrond. Door de gebezigde bewijsmiddelen en de behandeling op de terechtzitting is komen vast te staan dat de verdachte door het primair bewezenverklaarde feit rechtstreeks schade heeft toegebracht aan het slachtoffer. De opgevoerde schadeposten ter zake het T-shirt en de jas zijn niet betwist en voldoende onderbouwd en aannemelijk. De rechtbank zal zodoende ten aanzien van de materiële schade een bedrag van € 139,91 toewijzen.

Gelet op de aard en de ernst van de gevolgen voor de aangever, de omstandigheden rondom het gepleegde feit en rekening houdend met de bedragen die in soortgelijke zaken worden toegewezen, acht de rechtbank het redelijk en billijk om ter zake immateriële schade een bedrag van € 750,00 aan schadevergoeding toe te wijzen.

De rechtbank zal het gevorderde daarom deels toewijzen voor een bedrag van in totaal

€ 889,91, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum waarop het strafbare feit is gepleegd. Daarnaast zal de rechtbank verdachte veroordelen tot betaling van de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt of zal maken voor rechtsbijstand en de executie van dit vonnis.

De gestelde schade voor wat betreft de schoenen en een gedeelte van de gestelde immateriële schade ten bedrage van € 1.250,00 zijn door de benadeelde partij niet voldoende onderbouwd. Het in de gelegenheid stellen van de benadeelde partij om zijn stellingen alsnog nader te onderbouwen leidt tot een onevenredige belasting van de strafrechtelijke procedure, zodat de rechtbank de benadeelde partij ten aanzien van deze schadeposten niet-ontvankelijk zal verklaren. De benadeelde partij kan zijn vordering in zoverre slechts aanbrengen bij de burgerlijke rechter.

9.5

De schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank zal hierbij de maatregel als bedoeld in art. 36f Sr opleggen, aangezien de verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht (mede) aansprakelijk is voor de schade die door het primaire feit is toegebracht.

Gelet op het geringere aandeel van verdachte in het bewezenverklaarde feit zal de rechtbank de vervangende hechtenis matigen tot 5 dagen.

10 De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op het hiervoor genoemde wetsartikel. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d en 27 Sr.

11 De beslissing

De rechtbank:

vrijspraak/bewezenverklaring

  • -

    verklaart bewezen, dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

  • -

    verklaart niet bewezen wat aan verdachte primair meer of anders is tenlastegelegd en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid

  • -

    verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;

  • -

    verklaart dat het primair bewezenverklaarde het volgende strafbare feit oplevert:
    openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen;

  • -

    verklaart verdachte strafbaar voor het primair bewezenverklaarde;

straf

  • -

    veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van twee (2) weken voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren;

  • -

    bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast, omdat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- veroordeelt verdachte tot een taakstraf, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid voor de duur van honderd (100) uren;

  • -

    beveelt, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van vijftig (50) dagen;

  • -

    beveelt dat de tijd die de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de taakstraf in mindering wordt gebracht, waarbij als maatstaf geldt dat voor de in verzekering doorgebrachte dag, twee uren per dag aftrek plaatsvindt;

schadevergoeding

  • -

    veroordeelt de verdachte hoofdelijk tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer] , wonende te [woonplaats 2] , van een bedrag van € 889,91 vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 16 oktober 2016 tot aan de dag der algehele voldoening, met dien verstande dat indien en voor zover de een aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan, de een of meer anderen daarvan in zoverre zullen zijn bevrijd;

  • -

    veroordeelt de verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;

  • -

    legt de maatregel op dat verdachte verplicht is ter zake van het primair bewezen verklaarde feit tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 889,91, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 16 oktober 2016 tot aan de dag der algehele voldoening, ten behoeve van de benadeelde, met bevel, voor het geval dat volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt, dat vervangende hechtenis voor de tijd van 5 dagen zal worden toegepast, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft;

  • -

    bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen, en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden in zoverre komt te vervallen;

  • -

    bepaalt dat de benadeelde partij: [slachtoffer] voor een deel van € 1.344,95

niet-ontvankelijk is in zijn vordering, en dat de benadeelde partij de vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Dit vonnis is gewezen door mr. F.H.W. Teekman, voorzitter, mr. P.M.F. Schreurs en

mr. A.A. Smit, rechters, in tegenwoordigheid van H.K.S. Feijer, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 7 maart 2017.

Bijlage bewijsmiddelen

Leeswijzer

Deze bijlage maakt deel uit van het vonnis en bevat de bewijsmiddelen.

Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit bladzijden uit het dossier van de politie Oost-Nederland, district Twente met nummer PL0600-2016510561, welk geheel is doorgenummerd blz. 1 tot en met blz. 295. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.

Het proces-verbaal van bevindingen (blz. 41-42) van 16 oktober 2016, zakelijk weergegeven, inhoudende het relaas van de verbalisant [verbalisant 2] :

Op 16 oktober 2016, was ik verbalisant [verbalisant 2] belast met een horecasurveillance voor de binnenstad van Hengelo. Op voorgenoemde datum, omstreeks 5:30 uur stond ik samen met collega [verbalisant 4] ter hoogte van eetcafé Shalom aan de Willemstraat te Hengelo. Ik

keek in de richting van het stadhuis aan het Burgemeester Jansenplein en ik hoorde geschreeuw vanuit die richting komen. Ik zag dat er aan het einde van de Willemstraat een opstootje gaande was met meerdere personen. Daarop heb ik door middel van mijn portofoon doorgegeven dat er een opstootje was ter hoogte van het stadhuis aan het einde van de Willemstraat. Daarop ben ik samen met collega Petersen in de richting van het stadhuis gelopen. Ik zag dat er een groepje van ongeveer vier personen met elkaar aan het vechten was. Toen ik verbalisant samen met mijn collega ter hoogte van café Goodfellows aan de Willemstraat was, zag ik dat een jongen met een opvallende witte trui de jongen die op de

grond lag begon te trappen met zijn rechter been. Ik zag dat de jongen op de grond ook

nog door een andere jongen werd geschopt. Daarop heb ik geschreeuwd dat wij van de politie waren en dat ze moesten stoppen. Ik zag dat er niet werd gereageerd op mijn roepen in de richting van de jongens en ik hoorde ook mijn collega Petersen schreeuwen dat ze moesten stoppen. Toen ik op ongeveer vijf meter vanaf de vechtpartij was zag ik dat de jongen in de witte trui om de jongen op de grond liep en

vanaf de linkerzijde de jongen op de grond bij zijn hoofd pakte en daarop zijn

rechter been naar achteren haalde en vervolgens met zijn geschoeide voet vol uithaalde naar het hoofd van de jongen op de grond. Ik zag dat de jongen op de grond met zijn hoofd achterover op de grond viel.

Het proces-verbaal van bevindingen (blz. 47-48) van 17 oktober 2016, zakelijk weergegeven, inhoudende het relaas van verbalisant [verbalisant 3] :

Op 17 oktober 2016 heb ik, [verbalisant 3] , de aangeleverde beelden omtrent de poging doodslag onderzocht. De camera is geplaatst op de kruising Willemstraat, Burgemeester Jansenplein en de Langestraat in Hengelo. De camera is in eerste instantie gericht op de Langestraat.

Om 05.31.45 uur draait de camera vanaf de Langestraat naar de Willemstraat. De vechtpartij is op dat moment al bezig.

Tijd 05.31.45 uur.

Vanaf dit moment is de camera gericht op de vechtpartij die gaande is. De vechtpartij

vindt plaats aan het einde van de Willemstraat. Op camerabeelden is te zien dat er twee

personen op de grond liggen. Deze mannen rollen over elkaar heen. Eén van deze mannen

is het latere slachtoffer. Het slachtoffer is in het donker gekleed. De andere man is

gekleed in een blauwe broek en een witte shirt, met korte mouw.

Tijd 05.31.46 uur.

Op beelden is niet te zien dat het slachtoffer aan het vechten is. Door meerdere personen wordt er ingetrapt op de mannen op de grond. In totaal wordt er door 3 personen getrapt.

Het proces-verbaal van bevindingen (blz.55-56) d.d. 2 november 2016, zakelijk weergegeven, inhoudende het relaas van de verbalisant [verbalisant 1] :

Ik was op 19 oktober 2016 belast met recherchewerkzaamheden aan het politiebureau te Hengelo. Ik was bezig met het uitkijken van camerabeelden in verband met poging doodslag/moord. Ik las in de aangifte dat dit feit gepleegd is tussen zaterdag 15

oktober 2016 en zondag 16 oktober 2016.

Ik zag dat er een bestand beschikbaar werd gesteld. Dit bestand is voorzien van bewegende beelden. Bij het uitkijken van de beelden zag ik het volgende:

Ik zag onder in het scherm van het camerabeeld dat het gedateerd was met 16-10-2016. Ik zag dat verschillende personen betrokken waren bij dit incident. Ik heb deze personen gecijferd van 1 tot en met 4. Personen 1 tot en met 4 zijn ambtshalve bekend

als: 1. [medeverdachte 2] , [geboortedatum 2] -1993, 2. [medeverdachte 3] [geboortedatum 3] -1993, 3. [verdachte]

[geboortedatum 1] -1992, 4. [medeverdachte 1] [geboortedatum 4] -1997.

Ik heb per persoon beschreven wat zij deden.

3. Ik zag een man die ik als volgt kan omschrijven:

- zwarte haarkleur, opgeschoren kapsel (zijkanten kort, bovenop iets langer)

- zwarte jas

- donkerkleurige broek

- donkerkleurige schoenen, witte rand ter hoogte van de zool.

Ik zag dat hij korte tijd op afstand stond. Ik zag dat hij rechts in het beeld stond.

Ik zag op tijdstip 5:31:47.663 richting het slachtoffer liep. Ik zag dat hij, toen hij bij het slachtoffer stond, zijn rechterbeen naar achteren bewoog. Ik zag dat hij uithaalde in de richting van het slachtoffer. Ik zag dat hij hierbij het slachtoffer raakte. Ik zag op tijdstip 5:31:52.561 dat hij op afstand van het slachtoffer bleef staan. Ik zag dat hij in de richting, vanwaar de politie kwam, keek. Ik zag dat hij vervolgens wegliep, linkerkant op, in de menigte.

Het proces-verbaal van aangifte d.d. 18 oktober 2016 (blz. 12-15), zakelijk weergegeven inhoudende de verklaring van [slachtoffer] :

Mij is opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toegebracht. Ik voel daardoor veel pijn. Op 16 oktober 2016 omstreeks 2.00 uur ben ik naar café Twins in Hengelo (O) gegaan.

Volgens mij ben ik later voor Twins in elkaar geslagen. Ik zag dat mensen op mij sloegen. Ik ben daar ook op de grond gevallen. Ik weet nog dat ik een klap kreeg, daarna weet ik niet meer precies hoe het is gegaan. Ik ben erg vergeetachtig doordat ik onder andere een hersenschudding heb opgelopen naar aanleiding van de vechtpartij. Wat ik weet is dat ik vuisten op mijn achterhoofd voelde, ik voelde daardoor pijn. Ik werd in ieder geval geslagen. Ik had zelf het gevoel dat ik buiten bewustzijn raakte. Ik weet nog dat ik op een gegeven moment niets meer voor me zag en dat ik het gevoel kwijt raakte. Ik weet nog dat ik opeens slecht kon ademen. Dat was op het moment dat ik op de grond lag.

Ik ben naar het ziekenhuis gegaan. Op dat moment ben ik behandeld door een dokter bij de huisartsenpost. We zijn toen naar de eerste hulp doorgestuurd en daar ben ik behandeld door een neuroloog. Daar is ook een MRI scan gemaakt. De neuroloog zei dat er vocht in het hoofd zat en dat er te zien was dat mijn neus gebroken was.

Vandaag, 18 oktober 2016, ben ik opnieuw naar het ziekenhuis geweest, ditmaal naar de KNO arts, dhr. Duijvensteijn. Deze vertelde dat mijn neus in het midden gebroken en

gesplinterd was.

Het proces-verbaal van verhoor d.d. 1 november 2016, blz. 255-259, zakelijk weergegeven, inhoudende de verklaring van verdachte (in vraag-antwoordvorm):

V: Kan je ons vertellen hoe jou dag eruit zag, zaterdag 15 op zondag 16 oktober?

A: Het was een hele leuke gezellige avond. We kwamen bij [medeverdachte 2] thuis samen met drie andere jongens. [medeverdachte 3] , [medeverdachte 3] zijn broertje en ik. We wilden naar Index, in Duitsland, gaan maar omdat we hier eerder een keer problemen hebben gehad besloten we naar Hengelo (O) te gaan. Met [medeverdachte 3] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] . Daarnaast gingen er nog vier vrouwen mee.

We lopen op een geven moment naar de auto om naar huis te gaan, we waren met acht

personen. Buiten zag ik die zwarte man op ons af komen lopen. Ik zag dat hij [medeverdachte 2] vastpakt en [medeverdachte 1] ook. Ik heb puur een trap gegeven om aan te geven dat die jongen van [medeverdachte 1] af moest.

De eigen waarneming van de rechtbank ter terechtzitting betreffende de getoonde beelden ter zake de openlijke geweldpleging.

De rechtbank heeft waargenomen dat [slachtoffer] door twee personen (niet zijnde de verdachte [verdachte] ) meerdere keren wordt geschopt en dat daarna verdachte zijn rechterbeen naar achteren haalt en vervolgens met kracht tegen het lichaam schopt van de op de grond liggende [slachtoffer] .