Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2017:1018

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
06-03-2017
Datum publicatie
08-03-2017
Zaaknummer
C/08/178954 / ES RK 15-3872 en C/08/184603 ES RK 16-1233
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Na abusievelijk niet ingeschreven echtscheiding in 2006 met echtscheidingsconvenant, volgt in 2016 noodgedwongen nieuwe echtscheidingsprocedure. Bijzonder geval om af te wijken van verdeling bij helfte ex artikel 1:100 BW en evenmin partneralimentatie te bepalen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
EB 2017/57
RFR 2017/89
PFR-Updates.nl 2017-0073
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Familierecht en Jeugdrecht

Zittingsplaats Zwolle

zaaknummer: C/08/178954 / ES RK 15-3872 en C/08/184603 ES RK 16-1233

beschikking van de enkelvoudige familiekamer voor burgerlijke zaken d.d. 6 maart 2017

inzake

[verzoeker] ,

verder te noemen: de man,

wonende te [woonplaats 1] ,

verzoeker,

advocaat mr. V.N. Sakkers te Amstelveen,

en

[belanghebbende] ,

verder te noemen: de vrouw,

wonende te [woonplaats 2] ,

belanghebbende,

advocaat mr. E. Schriemer te Zwolle.

1 Het procesverloop

De rechtbank heeft kennis genomen van de navolgende bescheiden:

- het verzoek met bijlagen, binnengekomen op 18 november 2015;

- het exploot van de betekening van 27 november 2015, respectievelijk 14 december 2015;

- het verweer, tevens zelfstandig verzoek, met bijlagen, binnengekomen op 04 februari 2016;

- het verweer tegen het zelfstandig verzoek, binnengekomen op 1 april 2016;

- een op 3 mei 2016 binnengekomen brief van mr. Sakkers;

- op 27 en 31 mei 2016 binnengekomen brieven van mr. Schiemer met bijlagen:

- een op 12 juli 2016 binnengekomen brief van mr. Sakkers;

- een op 12 juli 2016 binnengekomen brief van mr. Schriemer;

- de echtscheidingsbeschikking d.d. 13 juli 2016;

- een op 19 juli 2016 ingekomen F9-formulier van mr. Sakkers;

- op 20 en 21 januari 2017 toegezonden producties door mr. Schriemer;

- op 23 januari 2017 en 24 januari 2017 binnengekomen brieven van mr. Schriemer;

- een op 2 februari 2017 binnengekomen brief van mr. Schriemer.

2 De feiten

Partijen zijn [1998] te [plaats 1] te [land 1] met elkaar gehuwd. Uit het huwelijk zijn geen kinderen geboren.

Partijen hebben de Nederlandse nationaliteit.

Met het oog op hun aanstaande echtscheiding zijn partijen in september 2005 een convenant overeengekomen – kort gezegd – tegen finale kwijting waarbij de man de huwelijkse schulden ad circa EUR 21.500,= zou voldoen onder vrijwaring van de vrouw, waardoor de man geen draagkracht had voor partneralimentatie, terwijl de vrouw verwachtte na enige tijd bijstand te hebben ontvangen, in haar eigen levensonderhoud te kunnen voorzien. Ieder van partijen behield de roerende zaken waarover hij/zij inmiddels beschikte nu partijen al geruime tijd gescheiden woonden. Tenslotte werd vastgelegd dat de regeling niet veranderd kon worden op grond van onvoorziene omstandigheden en werd een beding van niet-wijziging overeengekomen.

Op 8 november 2006 is op gemeenschappelijk verzoek van partijen de echtscheiding uitgesproken. Deze beschikking - met opneming van het door partijen ondertekende via een gemeenschappelijke echtscheidingsadvocaat tot stand gekomen echtscheidingsconvenant - is abusievelijk door de advocaat niet ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

De echtscheiding is na een hernieuwd echtscheidingsverzoek d.d. 18 november 2015 opnieuw uitgesproken bij beschikking van 13 juli 2016 onder aanhouding van de nevenvoorzieningen: partneralimentatie en verdeling van de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap.

De echtscheiding is inmiddels ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

3 Het resterende verzoek

De man verzoekt de rechtbank bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

a) de verdeling vast te stellen conform het door partijen ondertekende echtscheidingsconvenant van september 2005.

4 Het verweer tevens houdend zelfstandig verzoek

De vrouw verzoekt de rechtbank het door de man verzochte af te wijzen. Zij verzoekt de rechtbank voorts bij beschikking:

I) te bepalen dat de man zal bijdragen in de kosten van het levensonderhoud van de vrouw met € 2.100,- per maand;

II) partijen te veroordelen tot verdeling over te gaan onder opgave van de man van zijn vermogensbestanddelen.

5 Het verweer op het zelfstandig verzoek

Naar de mening van de man dienen de zelfstandige verzoeken te worden afgewezen. De man persisteert voor het overige.

Subsidiair verzoekt hij de rechtbank te bepalen a) dat hij geen draagkracht heeft, dan wel de alimentatie te limiteren en b) te verrekenen en te verdelen conform zijn verdelingsvoorstel, kosten rechtens.

6 De beoordeling

Rechtsmacht en toepasselijk recht

Nu de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft met betrekking tot het verzoek tot echtscheiding, komt gelet op het bepaalde in artikel 4, derde lid Wetboek van Burgerlijk Rechtsvordering (Rv) tevens aan de Nederlandse rechter rechtsmacht toe ten aanzien van de daarmee verband houdende nevenvoorzieningen.

Niet gebleken is dat partijen vóór het huwelijk een op hun huwelijksvermogensregime toepasselijk recht hebben aangewezen. Krachtens artikel 4 van het Haags Huwelijksvermogensverdrag van 1978, Trb. 1988, 130, wordt het huwelijksvermogensregime beheerst door het Nederlands recht, aangezien de man onbetwist heeft gesteld dat partijen na de huwelijkssluiting, in Nederland hun eerste huwelijksdomicilie hebben gehad vanwege hun eerste gewone verblijfplaats in Nederland.

Een en ander blijkt, naar het oordeel van de rechtbank, ook uit het convenant, waarin staat dat partijen na hun huwelijk in [land 1] in Nederland, waar de man al woonde, zijn gaan wonen nadat voor de vrouw een verblijfsvergunning was verkregen.

Verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap

Vast staat dat de echtscheiding van de man en de vrouw in vervolg op de echtscheidingsbeschikking van 8 november 2006 abusievelijk juridisch geen feit is geworden. De man stelt immers dat de voormalig rechtshulpverlener/procureur van partijen nalatig is geweest om de echtscheiding binnen de wettelijke termijn te laten inschrijven in de registers van de burgerlijke stand, hetgeen de vrouw niet heeft weersproken.

Nu voormelde echtscheidingsbeschikking niet is ingeschreven, is de huwelijksgoederengemeenschap pas ontbonden op het moment dat het tweede echtscheidingsverzoek is ingediend, te weten op 18 november 2015.

Standpunt van de man

Primair stelt de man voor wat betreft de verdeling en de partneralimentatie dat het convenant van september 2005 geldig is gebleven, immers in kracht van gewijsde is gegaan na de beschikking d.d. 8 november 2006, en subsidiair ingeval van een hernieuwde verdeling dat deze moet plaatsvinden in het licht van de (negatieve) vermogensbestanddelen waarover partijen in 2005 beschikten.

De man stelt voorts dat de vrouw nimmer een beroep deed op vernietigbaarheid van het convenant wegens geestelijke stoornis, dwang, dwaling, bedrog, misbruik van omstandigheden of benadeling voor meer dan een kwart.

De man betwist dat de handtekening van de vrouw op het convenant niet authentiek is en stelt dat de vrouw haar stelling ook overigens onvoldoende heeft onderbouwd, te meer daar uit de door de man overgelegde brief van 18 februari 2016 van de toenmalige rechtshulpverlener van partijen, mr. Van Vulpen, blijkt dat laatstgenoemde het concept-convenant eerst aan de vrouw verzond met het verzoek dit ondertekend door te zenden naar de man, waarna het ondertekende convenant door mr. Van Vulpen is ontvangen.

Partijen hadden nadien nimmer enig contact en leefden in de vaste veronderstelling van echt gescheiden te zijn en hebben uitvoering gegeven aan de inhoud van het convenant, waaronder het aflossen van de huwelijkse schulden door de man.

Subsidiair stelt de man voor wat betreft het verzoek van de vrouw om partneralimentatie dat

  • -

    de rechtbank de man nimmer een alimentatieplicht oplegde;

  • -

    (thans) geen sprake meer is van lotsverbondenheid, nu partijen al meer dan 10 jaar gescheiden leven en geen contact meer met elkaar hebben;

  • -

    de vrouw eerst in [plaats 2] is gaan samenwonen, als ware zij gehuwd, en thans met een opvolgende partner in [woonplaats 2] , zonder dat zij ooit aanspraak maakte op alimentatie van de man;

  • -

    de vrouw niet behoeftig was / is (geweest); uitgaande van de stelling van de vrouw dat het NBI van partijen in 2005 EUR 5.000,= bedroeg, bedroeg het netto inkomen van de vrouw kennelijk EUR 2.115,=; de man heeft bovendien de huwelijkse schulden afgelost;

  • -

    meer subsidiair: de man heeft geen draagkracht; de man is in september 2016 door zijn werkgever ontslagen; hij woont in [land 2] samen met een niet-verdienende partner die hij onderhoudt;

  • -

    eventuele partneralimentatie dient te worden gelimiteerd tot 2,5 dan wel 4 jaar.

Standpunt van de vrouw

De vrouw stelt dat het echtscheidingsconvenant niet langer rechtskracht heeft, omdat de echtscheidingsbeschikking niet binnen zes maanden na datum in kracht van gewijsde is ingeschreven (artikel 1:163 BW).

Daarnaast stelt de vrouw dat nu het convenant niet binnen drie maanden na de totstandkoming daarvan, is ingediend samen met het echtscheidingsverzoekschrift, dit komt te vervallen, reden waarom de huwelijksgoederengemeenschap alsnog bij helfte moet worden verdeeld op basis van door haar overgelegde formulieren Verdelen en verrekenen en overige bescheiden. Vanwege het door de man niet overleggen van een overzicht activa en passiva verzoekt de vrouw de rechtbank te bepalen dat de verzwegen boedelbestanddelen ex artikel 3:194 lid 2 BW aan de vrouw worden toegedeeld en waarbij de man ex artikel 843a Rv wordt bevolen inzage te geven in zijn boedelbestanddelen, waaronder die in [land 2] .

Voorts betwist de vrouw de echtheid van haar handtekening onder het convenant, hetgeen, aldus de vrouw, in het licht van haar eerdergenoemde stellingen geen nadere bespreking behoeft.

Ten aanzien van het verzoek tot vaststelling partneralimentatie stelt de vrouw dat nu het echtscheidingsconvenant niet langer rechtskracht heeft, partneralimentatie vastgesteld dient te worden. Volgens de vrouw was het netto besteedbaar gezinsinkomen op het moment van uiteengaan ongeveer € 5.000,-, zodat haar behoefte bepaald kan worden op € 3.000,-. De vrouw stelt arbeidsongeschikt te zijn en een uitkering te ontvangen van € 878,37 per maand. De vrouw betwist dat de lotsverbondenheid is verbroken nu zij tot voor kort nog juridisch gehuwd waren. De vrouw betwist na het uiteengaan van partijen te zijn gaan samenwonen. De man heeft zijn inkomen en kosten niet onderbouwd en de vrouw betwist dat de man schulden aflost. Eventuele limitering van de alimentatie is niet op zijn plaats.

De rechtbank overweegt als volgt.

Volgens vaste rechtspraak kunnen partijen in de aanloop naar een echtscheiding op voorhand, geheel vormvrij en naar eigen inzicht een convenant maken hoe zij de huwelijksgoederengemeenschap willen verdelen en/of afwijken van overeengekomen huwelijkse voorwaarden.

Nu echtscheiding in 2006 geen feit geworden is, is de vraag of respectievelijk welke betekenis aan het convenant van september 2005 moet worden gehecht, omdat volgens het oude en het nieuwe recht de huwelijksgoederengemeenschap - anders dan de uitdrukkelijke bedoeling van partijen en zonder dat partijen hiervan wetenschap hadden - steeds is blijven bestaan en eerst verbroken is door het echtscheidingsverzoek d.d. 18 november 2015.

Ingevolge HR 20 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:2050 is vaste rechtspraak dat peildatum voor vaststelling van de samenstelling en omvang van de huwelijksgemeenschap het tijdstip van ontbinding van de huwelijksgemeenschap is (vgl. HR 6 september 1996, NJ 1997/593). Van dit tijdstip kan niet worden afgeweken, ook niet op grond van de eisen van redelijkheid en billijkheid. Reeds die omstandigheid brengt met zich dat het echtscheidingsconvenant uit 2005 goederenrechtelijk in 2006 geen rechtskracht heeft verkregen.

Ten aanzien van de verdeling van een huwelijksgemeenschap bij echtscheiding kunnen verschillende fasen worden onderscheiden: de eerste fase van vaststelling van de samenstelling en omvang van de gemeenschap, de tweede fase van waardering van de tot de gemeenschap behorende goederen en tot slot de derde fase van de eigenlijke verdeling. De eerste en tweede fase hebben ieder een eigen peildatum.

Voor de waardering van de tot de gemeenschap behorende goederen geldt de datum van de verdeling(safspraak) (door de rechter) als uitgangspunt. Zie onder meer HR 22 september 2000, NJ 2000/643 en HR 12 februari 1999, NJ 1999/551. Deze peildatum heeft het karakter van een uitgangspunt. Een andere peildatum is mogelijk, indien partijen deze zijn overeengekomen, of indien zo’n ander peilmoment uit de redelijkheid en billijkheid voortvloeit. Dat laat onverlet dat, tenzij partijen hier zelf voor kiezen, de rechter geen waarderingstijdstip kan kiezen vóór de datum van ontbinding van de huwelijksgoederengemeenschap.

De rechter kan evenwel in het kader van de hem toekomende vrijheid bij de verdeling, in het licht van alle bijzondere omstandigheden van het geval, in afwijking van de regel van artikel 1:100 BW een verdeling vaststellen die niet bij helfte plaatsvindt, omdat dit in het licht van alle (zeer uitzonderlijke) omstandigheden van het geval naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid tot een onaanvaardbare uitkomst zou leiden. Dit laatste blijkt uit HR 20 september 2013, ECLI:NL:HR:2013:CA3748 en HR 30 maart 2012, NJ 2012/407. Tot die bijzondere omstandigheden rekent de rechtbank de onkunde van partijen inzake de in 2006 door hen beoogde, doch door hun advocaat niet ingeschreven echtscheiding, het leven en handelen van partijen gedurende een periode van meer dan 10 jaar sedertdien alsof zij van echt gescheiden waren met aldus het ontbreken van lotsverbondenheid, en het gegeven dat de vrouw (evenals de man) nimmer een beroep deed op rechtsongeldigheid van het convenant (ter voorlichting: zie in dit verband kortheidshalve Tekst en Commentaar artikel 3:196 – 200 BW), omdat partijen niet aan de rechtsgeldigheid daarvan twijfelden en er ook niet op terug wensten te komen. Het beroep op vervallen rechtsgeldigheid heeft de vrouw eerst in onderhavige procedure gedaan.

Voor zover de door de vrouw eerst in onderhavig geschil, lees: 10 jaar na dato, ingenomen stelling dat haar handtekening op het convenant niet authentiek is - terwijl de man deze stelling gemotiveerd heeft betwist - al als een stellige betwisting door de vrouw kan worden verstaan, leidt de rechtbank uit het ontbreken van een reactie van de vrouw op het verweer van de man af dat de vrouw haar stelling kennelijk niet langer handhaaft, zodat hieraan kan worden voorbijgegaan, mede omdat deze stelling louter terloops is aangevoerd.

Gesteld noch gebleken is dat in het licht van bovengenoemde omstandigheden aan de inhoud en de wijze van tot stand komen van het convenant via een voor partijen gemeenschappelijk optredende rechtshulpverlener verbintenisrechtelijk niet die betekenis kan worden gehecht om, analoog, thans de verdeling van de ontbonden gemeenschap aldus vast te stellen dat partijen aan de inhoud van de destijds door hen overeengekomen bepalingen gehouden zijn. Een andere uitkomst acht de rechtbank naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar. Daarbij weegt ook dat partijen daarin de uitdrukkelijke intentie vastlegden om de gevolgen van het uit elkaar gaan tegen finale kwijting, niet ontbindbaar en met een niet-wijzigingsbeding qua partneralimentatie, te regelen, zoals hiervoor aangehaald. De omstandigheid dat de echtscheiding in 2006 juridisch niet geëffectueerd is, maakt het vorenstaande niet anders.

De rechtbank ziet daarom aanleiding om het verzoek van de man om de verdeling van de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap thans vast te stellen conform voormeld (vervallen) convenant toe te wijzen in dier voege dat met betrekking tot het verzoek van de vrouw tot een (algehele) verdeling bij helfte van de per datum 18 november 2015 aanwezige vermogensbestanddelen alsmede haar overige verzoeken aldus wordt beslist dat aan ieder van partijen, zonder nadere vergoeding wegens over- dan wel onderbedeling, worden toegedeeld de vermogensbestanddelen waarover ieder van hen thans feitelijk reeds beschikt, met dien verstande dat partijen over en weer gehouden zijn en veroordeeld zullen worden op eerste verzoek van de ander mee te werken aan (een) te wijzigen tenaamstelling(en) respectievelijk aan notariële levering van onroerende zaken, zodat deze uitsluitend op naam komen te staan van degene, die hierover thans feitelijk reeds beschikt, en toekomstige verkoop en levering hiervan geen (nieuwe) problemen opwerpt.

De bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw

Rechtsmacht en toepasselijk recht

Nu de vrouw haar gewone verblijfplaats in Nederland heeft, komt ten aanzien van het verzoek om een uitkering tot levensonderhoud in deze zaak gelet op het bepaalde in artikel 3 sub b van de Alimentatieverordening aan de Nederlandse rechter rechtsmacht toe.

Gelet op het bepaalde in artikel 10:116 onder a BW juncto artikel 3 van het Protocol inzake het recht dat van toepassing is op onderhoudsverplichtingen (PbEU L 331/17, het Haagse Protocol van 2007), dient Nederlands recht toegepast te worden omdat de vrouw hier haar gewone verblijfplaats heeft.

De rechtbank overweegt dat aan de lotsverbondenheid tussen partijen – welke lotsverbondenheid de grondslag vormt van de onderhoudsverplichting als bedoeld in artikel 1:157 BW – een einde is gekomen. Partijen leven sedert de eerste (abusievelijk niet ingeschreven) echtscheidingsbeschikking van 8 november 2006 alsof zij reeds gescheiden waren. Partijen waren onwetend dat het huwelijk niet was ontbonden, terwijl zij dit wel voor ogen hadden. Onweersproken staat vast dat de vrouw in ieder geval vanaf 8 november 2006 in eigen levensonderhoud heeft voorzien zonder financiële middelen door de man. In de periode van bijna 10 jaar na de vermeende echtscheiding heeft geen contact tussen partijen plaatsgevonden. Beide partijen hebben in ieder geval vanaf 8 november 2006 geen enkele financiële (dan wel sociale) verwevenheid met elkaar gehad. Na ommekomst van een dergelijke periode in samenhang met de bijzondere omstandigheden in dit geval geldt dat de lotsverbondenheid tussen partijen verbroken, althans verbleekt is.

Van belang is voorts dat partijen in het convenant in september 2005 zijn overeengekomen dat geen ruimte bestond voor een bijdrage in de kosten van het levensonderhoud van de vrouw, mits de man de in het convenant opgenomen schulden betaalde hetgeen hij onweersproken heeft gedaan. Verder is in het convenant opgenomen dat de vrouw verwacht in haar eigen levensonderhoud te kunnen voorzien, terwijl voorts een niet-wijzigingsbeding is overeengekomen.

Tenslotte wordt overwogen dat de vrouw haar behoefte aan partneralimentatie, dan wel haar behoeftigheid, mede in het licht van de betwisting door de man, onvoldoende heeft onderbouwd.

Gelet op voornoemde feiten en omstandigheden kan van de man in redelijkheid niet worden gevergd om in het levensonderhoud van de vrouw bij te dragen, zodat dit verzoek van de vrouw wordt afgewezen.

De proceskosten

Omdat partijen ex-echtelieden zijn, zal de rechtbank bepalen dat elk van partijen de eigen kosten draagt.

7 De beslissing

De rechtbank:

stelt de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap als volgt vast:

aan ieder van partijen worden, zonder nadere vergoeding wegens over- dan wel onderbedeling, toegedeeld de vermogensbestanddelen waarover ieder van hen thans feitelijk reeds beschikt,

veroordeelt partijen over en weer op eerste verzoek van de ander, mee te werken aan (een) te wijzigen tenaamstelling(en) respectievelijk aan notariële levering van onroerende zaken, zodat deze uitsluitend op naam komen te staan van degene, die hierover thans feitelijk reeds beschikt,

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de kosten van dit geding in die zin, dat elke partij de eigen kosten draagt;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven te Zwolle door mr. L.M. Rijksen en in het openbaar uitgesproken op 6 maart 2017 in tegenwoordigheid van mr. L.M. Rosenkranz griffier.