Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2016:976

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
10-02-2016
Datum publicatie
23-03-2016
Zaaknummer
C/08/177858 / FA RK 15-2522
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Niet verwijtbaar niet voor herstel vatbaar inkomensverlies. Rechtbank gaat uit van huidig inkomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2016-0088
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Familierecht en Jeugdrecht

Zittingsplaats Almelo

zaaknummer: C/08/177858 / FA RK 15-2522

beschikking van de enkelvoudige familiekamer voor burgerlijke zaken d.d. 10 februari 2016

inzake

[verzoeker] ,

verder te noemen: de man,

wonende te [woonplaats 1] ,

verzoeker,

advocaat mr. B.E.A. Lamping.

en

[verweerder] ,

verder te noemen: de vrouw,

wonende te [woonplaats 2] ,

verweerder,

advocaat mr. M.A. Knobben.

1 Het procesverloop

1.1.

De rechtbank heeft kennis genomen van de navolgende bescheiden:

- het verzoek met bijlagen, binnengekomen op 21 oktober 2015;

- het verweer met bijlagen, binnengekomen op 11 december 2015;

- een op 28 januari 2016 binnengekomen brief van mr. Knobben van 26 januari 2016 met bijlagen;

1.2.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft met gesloten deuren plaatsgevonden op 3 februari 2016. Ter zitting zijn verschenen en gehoord: partijen beiden bijgestaan door hun advocaat.

2 De feiten

2.1.

Partijen hebben een relatie met elkaar gehad, uit welke relatie is geboren het navolgende minderjarige kind:

[A] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] .

De man heeft [A] erkend. Beide ouders oefenen het gezamenlijk gezag over [A] uit. [A] heeft haar hoofdverblijfplaats bij de vrouw.

2.2.

De man heeft eenmaal per veertien dagen van vrijdag 18.00 uur tot zondag 18.00 uur alsmede een deel van de vakanties en feestdagen contact met [A] .

2.3.

Bij beschikking van 29 februari 2012 heeft de rechtbank Almelo de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [A] met ingang van 31 augustus 2011 vastgesteld op € 304,- per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen.

2.4.

Ingevolge de wettelijke indexering beloopt voormelde bijdrage met ingang van 1 januari 2015 € 318,54 per maand.

3 Het verzoek

De man verzoekt, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de bij beschikking van de rechtbank Almelo van 29 februari 2012 vastgestelde bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [A] te wijzigen en deze bijdrage met ingang van 21 oktober 2015 nader vast te stellen op € 78,- per maand, dan wel op € 136,- per maand, dan wel op een zodanig bedrag en met ingang van een zodanig moment als de rechtbank juist acht, kosten rechtens.

4 Het verweer

De vrouw verzoekt de rechtbank de man in zijn verzoek niet-ontvankelijk te verklaren dan wel dit verzoek af te wijzen dan wel de door de man aan haar te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [A] nader vast te stellen op € 136,- per maand, bij vooruitbetaling te voldoen, kosten rechtens.

5 De beoordeling

De ontvankelijkheid

5.1.

Nu de vrouw niet betwist dat sprake is van een relevante wijziging van omstandigheden die een hernieuwd onderzoek naar de behoefte en de draagkracht noodzakelijk en gerechtvaardigd maakt, kan de man in zijn verzoek worden ontvangen.

De bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding

De behoefte

5.2.

Niet in geschil is dat de behoefte van [A] de geïndexeerde (per 1 januari 2015) bijdrage in de kosten van haar verzorging en opvoeding beslaat van € 464,45 per maand, zodat die behoefte in rechte vaststaat.

5.3.

De rechtbank overweegt dat beide ouders naar rato van hun draagkracht dienen bij te dragen. De rechtbank zal dan ook ieders draagkracht vaststellen.

De draagkracht van de man

5.4.

De rechtbank gaat bij de berekening van de draagkracht van de man voor een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van hun minderjarige kind uit van de navolgende gegevens.

5.5.

De rechtbank zal als eerste de stelling van de vrouw behandelen, waarin zij stelt dat sprake is van een aan de man te wijten voor herstel vatbaar inkomensverlies. De vrouw is van mening dat de man nog jong is en in staat moet worden geacht om een soortgelijk inkomen te generen als hij had gedurende zijn dienstverband bij defensie. Als geen sprake is van voor herstel vatbaar inkomensverlies, dan is zij van mening dat het inkomensverlies verwijtbaar is, nu de man zijn dienstverband bij defensie zelf heeft beëindigd. Dit terwijl de man bij defensie goede vooruitzichten had gelet op zijn leeftijd en opgedane ervaring.

5.6.

De man heeft de stellingen van de vrouw betwist. Hij voert aan dat hij vier maanden voor de beëindiging van zijn contract een andere baan heeft aanvaard. Dit omdat binnen defensie een reorganisatie gaande was en het voor de man geenszins zeker was dat hij binnen defensie werkzaam zou kunnen blijven. De man heeft op meerdere functies gesolliciteerd, maar dit heeft helaas niet tot het gewenste resultaat geleid.

5.7.

De rechtbank overweegt dat het bij de bepaling van de draagkracht van een onderhoudsplichtige niet alleen aan komt op het inkomen dat hij verwerft, maar ook op het inkomen dat hij geacht kan worden zich redelijkerwijs in de naaste toekomst te verwerven. Indien een onderhoudsplichtige door eigen gedragingen een vermindering van zijn inkomen heeft teweeggebracht dient een onderscheid te worden gemaakt tussen een inkomensvermindering die wel voor herstel vatbaar is en een inkomensvermindering die niet voor herstel vatbaar is. Er is sprake van een voor herstel vatbare inkomensvermindering indien de onderhoudsplichtige redelijkerwijs in staat moet worden geacht zich in de naaste toekomst opnieuw het oorspronkelijk inkomen te gaan verwerven en de onderhoudsgerechtigde dit ook van hem kan vergen.

5.8.

Uit de beschikking waarvan thans wijziging wordt verzocht volgt dat de man op dat moment werkzaam was als militair in actieve dienst. Zijn belastbare loon alstoen bedroeg blijkens de in die procedure overgelegde jaaropgaaf 2011 € 37.331,-. Het huidige inkomen van de man bedraagt blijkens de salarisspecificaties over de periode van 26 mei 2015 tot en met 6 september 2015 € 1.656,38 bruto per vier weken, te vermeerderen met vakantietoeslag. Dit komt rekening houdend met de pensioenpremie en de premie WIA-hiaatregeling neer op een belastbaar loon van € 21.762,- per jaar. Dit inkomen is gebaseerd op een werkweek van circa 138 uur per vier weken, ofwel 149 uur per maand.

5.9.

De rechtbank acht de inkomensvermindering van de man niet voor herstel vatbaar. Hij is al geruime tijd ontslagen bij defensie en naar het oordeel van de rechtbank heeft hij voldoende aannemelijk gemaakt dat het hem ondanks diverse pogingen niet is gelukt om een nieuwe werkkring binnen defensie te vinden. Gebleken is dat de man gedurende de periode dat hij werkzaam was bij defensie zijn rij-opleidingen heeft behaald. Hij kan daarom de functie van vrachtwagenchauffeur uitoefenen. Algemeen bekend is dat de transportsector erg onder druk staat. Met de man is de rechtbank van oordeel dat niet van hem mag worden verwacht een baan te vinden als internationaal vrachtwagenchauffeur nu dit met zich brengt dat hij een hele week dan wel hele weken van huis zal zijn, waardoor het contact met [A] onder druk komt te staan. De man moet in staat worden gesteld een normale vader-dochter band met haar te onderhouden. Zeker nu de man ook in het verleden zulke werkzaamheden niet heeft verricht, valt niet in te zien waarom de man thans dergelijke werkzaamheden zou moeten accepteren. De rechtbank concludeert daarom dat de man redelijkerwijs niet langer in staat moet worden geacht zich in de naaste toekomst opnieuw zijn oorspronkelijke inkomen te gaan verwerven. Wel is de rechtbank van oordeel dat van de man, mede gelet op zijn leeftijd, zijn opleidingen, werkervaring en het feit dat hij geen minderjarige kinderen heeft te verzorgen, verwacht mag worden dat hij in ieder geval volledig aan het arbeidsproces deelneemt. Gesteld noch gebleken is dat hij daartoe op grond van fysieke en/of psychische omstandigheden niet in staat zou zijn. De rechtbank gaat daarom uit van een werkweek van 40 uur. Op basis van een dergelijke werkweek stelt de rechtbank het belastbare loon van de man in redelijkheid op € 25.316,- per jaar.

5.10.

In geval van een onherstelbare inkomensvermindering geldt het volgende. Het hangt af van de omstandigheden van het geval of de inkomensvermindering bij het vaststellen van de draagkracht geheel of ten dele buiten beschouwing behoort te blijven. Daarbij zal in het bijzonder moeten worden bezien of de onderhoudsplichtige zich, uit hoofde van zijn verhouding tot de onderhoudsgerechtigde met het oog op diens belangen, had behoren te onthouden van de gedragingen die tot de inkomensvermindering hebben geleid. Verder dient in het oog te worden gehouden dat het buiten beschouwing laten van de inkomensvermindering in beginsel niet mag leiden tot het resultaat dat de onderhoudsplichtige als gevolg van zijn aldus berekende fictieve draagkracht bij voldoening aan zijn onderhoudsplicht feitelijk niet meer over voldoende middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van zijn eigen bestaan te voorzien, en in geen geval tot het resultaat dat zijn totale inkomen zakt beneden het niveau van 90% van de op hem toepasselijke bijstandsnorm.

5.11.

Beoordeeld dient te worden of de man zich, uit hoofde van zijn onderhoudsplicht jegens de minderjarige, had behoren te onthouden van de gedragingen die tot de inkomensvermindering hebben geleid. Op grond van hetgeen uit de stukken is gebleken en wat ter mondelinge behandeling naar voren is gebracht komt de rechtbank tot het oordeel dat geen sprake is van verwijtbaar inkomensverlies aan de zijde van de man. Gebleken is dat de man slechts vier maanden voor afloop van zijn contract zijn dienstverband met defensie heeft beëindigd. Voldoende aannemelijk is gemaakt dat er voor de man na de reorganisatie geen plek meer zou zijn en dat hij, toen hij nog werkzaam was bij defensie, steeds heeft gedaan wat in zijn vermogen lag om een andere baan binnen defensie te verkrijgen maar dat hij daar niet in is geslaagd.

5.12.

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen gaat de rechtbank daarom bij de berekening van de draagkracht van de man uit van voormeld belastbaar loon van € 25.316,- per jaar.

5.13.

Bij de berekening van het besteedbaar inkomen van de man houdt de rechtbank rekening met de verschuldigde premieheffing en de inkomstenbelasting. De man heeft recht op de algemene heffingskorting en de arbeidskorting.

5.14.

Op grond van voormelde gegevens becijfert de rechtbank het netto besteedbaar inkomen (NBI) van de man op € 1.672,- per maand.

5.15.

De rechtbank berekent de draagkracht van de man aan de hand van de formule 70% x [NBI – (0,3 NBI + 875)].

5.16.

De man wenst dat op voormelde formule een correctie wordt toegepast in verband met de door hem te betalen rente en aflossing van € 100,- per maand op een schuld aan zijn ouders. Hij stelt dat de schuld ziet op de negatieve verkoopopbrengst van de woning die hem en zijn vorige partner toebehoorde. Hij voert aan dat uit de nota van afrekening van de notaris volgt dat na verkoop en levering van de woning en na aftrek van de op de woning rustende hypotheek een restschuld resteerde van € 16.431,85. Na aftrek van de polis levensverzekering van € 5.488,- resteerde een schuld van circa € 11.000,-, waarvoor zowel de man als zijn toenmalige partner aansprakelijk waren. Omdat de man en zijn toenmalige partner over onvoldoende financiële middelen beschikten om deze schuld te voldoen hebben de ouders van de man en de ouders van zijn toenmalige partner deze schuld voor hen voldaan. Op grond hiervan is de man aan zijn ouders een bedrag verschuldigd van € 5.500,-. De man moet op dit moment nog circa € 3.000,- à € 4.000,- aflossen.

5.17.

De vrouw betwist dat met voormelde last rekening gehouden dient te worden. Zij betwist, bij gebrek aan bewijs, dat sprake is van een restschuld na verkoop van de woning. Het betreft geen huwelijkse schuld, nu de vrouw al op 21 september 2011 is ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid. De man heeft de noodzaak voor het ontstaan van deze schuld onvoldoende aangetoond.

5.18.

De rechtbank overweegt dat overige lasten, zoals rente en aflossing van een schuld, in beginsel buiten beschouwing blijven bij de berekening van de draagkracht voor een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van het minderjarige kind. Wel kan er reden zijn dat met bepaalde lasten rekening wordt gehouden door het draagkrachtloos inkomen te verhogen met die lasten. De rechtbank zal dan moeten beoordelen of deze lasten niet verwijtbaar en niet vermijdbaar zijn.

5.19.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft de man onvoldoende het bestaan van de door hem opgevoerde schuld aangetoond alsmede dat sprake is van een niet verwijtbare en niet vermijdbare last. De rechtbank is, mede gelet op de gemotiveerde betwisting door de vrouw, van oordeel dat het op de weg van de man had gelegen om het bestaan en de noodzaak van bedoelde schuld met de nodige justificatoire bescheiden te onderbouwen. Weliswaar is ter zitting door hem de nota van afrekening waaruit bedoelde schuld zou kunnen worden afgeleid ter sprake gebracht, echter hij heeft verzuimd deze nota in het geding te brengen. Voor de rechtbank en de vrouw valt daarom niet te controleren of de daadwerkelijk sprake is van een restschuld na verkoop van de woning. Gelet op de eigen stelling van de man en het verweer van de vrouw had dat wel van hem mogen worden verwacht. Bij de bepaling van de draagkracht van de man houdt de rechtbank daarom geen rekening met voormelde last.

5.20.

De rechtbank baseert de draagkracht van de man daarom op basis van voormelde formule op € 207,- per maand.

De draagkracht van de vrouw

5.21.

De rechtbank gaat bij de berekening van de draagkracht van de vrouw voor een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige uit van de navolgende gegevens.

5.22.

De rechtbank zal als eerste de stelling van de man behandelen, waarin hij stelt dat sprake is van een aan de vrouw te wijten voor herstel vatbaar inkomensverlies. Hij is van mening dat de vrouw in staat moet worden geacht om een soortgelijk inkomen te generen als zij had gedurende haar dienstverband bij defensie. Als geen sprake is van voor herstel vatbaar inkomensverlies, dan is hij van mening dat het inkomensverlies verwijtbaar is, nu de vrouw haar dienstverband bij defensie zelf heeft beëindigd.

5.23.

De vrouw heeft de stellingen van de man betwist. Zij voert aan dat het door de geboorte van [A] niet langer mogelijk was om bij defensie te blijven werken, nu dat zou inhouden dat zij geregeld weken van huis zou zijn. Dit was en is niet te combineren met de zorg voor een jong kind.

5.24.

De rechtbank overweegt dat uit de beschikking waarvan thans wijziging wordt verzocht volgt dat de vrouw op dat moment eveneens werkzaam was als militair in actieve dienst. Haar inkomen bedroeg alstoen € 24.352,-. Blijkens de jaaropgaaf 2015 bedraagt haar huidige belastbare loon in de periode van 7 juli 2015 tot en met 31 december 2015 € 9.046,-, hetgeen omgerekend naar een jaar neerkomt op circa € 18.050,- belastbaar per jaar.

5.25.

Gelet op de door de vrouw aangevoerde omstandigheden acht de rechtbank de inkomensvermindering van de vrouw niet voor herstel vatbaar.

5.26.

In geval van een onherstelbare inkomensvermindering geldt het volgende. Het hangt af van de omstandigheden van het geval of de inkomensvermindering bij het vaststellen van de draagkracht geheel of ten dele buiten beschouwing behoort te blijven. Daarbij zal in het bijzonder moeten worden bezien of de onderhoudsplichtige zich, uit hoofde van zijn verhouding tot de onderhoudsgerechtigde met het oog op diens belangen, had behoren te onthouden van de gedragingen die tot de inkomensvermindering hebben geleid. Verder dient in het oog te worden gehouden dat het buiten beschouwing laten van de inkomensvermin-dering in beginsel niet mag leiden tot het resultaat dat de onderhoudsplichtige als gevolg van zijn aldus berekende fictieve draagkracht bij voldoening aan zijn onderhoudsplicht feitelijk niet meer over voldoende middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van zijn eigen bestaan te voorzien, en in geen geval tot het resultaat dat zijn totale inkomen zakt beneden het niveau van 90% van de op hem toepasselijke bijstandsnorm.

5.27.

In aanmerking nemende de hiervoor onder 5.10 overwogen omstandigheden dient beoordeeld te worden of de vrouw zich, uit hoofde van haar onderhoudsplicht jegens de minderjarige, had behoren te onthouden van de gedragingen die tot de inkomensvermindering hebben geleid. Op grond van hetgeen uit de stukken is gebleken en wat ter mondelinge behandeling naar voren is gebracht komt de rechtbank tot het oordeel dat geen sprake is van verwijtbaar inkomensverlies aan de zijde van de vrouw. Voldoende aannemelijk is gemaakt dat het voor de vrouw, gelet op haar zorg voor [A] , niet mogelijk was om haar dienstverband met defensie te continueren.

5.28.

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen gaat de rechtbank daarom bij de berekening van de draagkracht van de vrouw uit van voormeld belastbaar loon van € 18.050,- per jaar.

5.29.

Bij de berekening van het besteedbaar inkomen van de vrouw houdt de rechtbank rekening met de verschuldigde premieheffing en de inkomstenbelasting. De vrouw heeft recht op de algemene heffingskorting, de arbeidskorting en de inkomensafhankelijke combinatiekorting.

5.30.

Op grond van voormelde gegevens becijfert de rechtbank het netto besteedbaar inkomen (NBI) van de vrouw op € 1.431,- per maand. De rechtbank zal dit NBI verhogen met een kindgebonden budget en de alleenstaande ouderkop waarop de vrouw aanspraak kan maken. Op basis van haar verzamelinkomen becijfert de rechtbank dit kindgebonden budget inclusief de alleenstaande ouderkop op € 340,- per maand. Voor de berekening van de draagkracht van de vrouw gaat de rechtbank daarom uit van een NBI van € 1771,- per maand.

5.31.

De rechtbank berekent de draagkracht van de vrouw aan de hand van de formule 70% x [NBI – (0,3 NBI + 875)] op € 255,- per maand.

De draagkrachtvergelijking

5.32.

Nu de gezamenlijke draagkracht van man en de vrouw van € 462,- (€ 207,- + € 255,-) per maand lager is dan het eigen aandeel van de ouders in de kosten van hun minderjarige kind van € 464,45 per maand, ziet de rechtbank geen reden de bijdrage van de man in de kosten van verzorging en opvoeding van het kind op een lager bedrag vast te stellen dan zijn draagkracht toelaat.

De zorgkorting

5.33.

Niet weersproken is dat de man aanspraak heeft op een zorgkorting van 25%. Nu het aandeel van de ouders in de kosten van hun minderjarige kind € 464,45 per maand bedraagt, beloopt de zorgkorting (afgerond) € 116,- per maand.

5.34.

Nu de draagkracht van de ouders onvoldoende is om volledig in het aandeel van de ouders van in de kosten van minderjarige kind te voorzien, wordt het tekort aan draagkracht aan beide ouders voor de helft toegerekend. Voor de man betekent dit dat de helft van het tekort in mindering komt op zijn zorgkorting, zodat de door hem te betalen bijdrage als volgt wordt berekend: € 207,- (draagkracht) minus (€ 116,- (zorgkorting) minus € 1,- (de helft van het tekort aan draagkracht, te weten € 464,- minus 462,-) = € 92,- per maand. Voormelde bijdrage acht de rechtbank in overeenstemming met de wettelijke maatstaven en zal zij toewijzen.

De ingangsdatum

5.35.

De vrouw heeft de door de man verzochte ingangsdatum van de gewijzigde bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [A] niet weersproken, zodat de rechtbank overeenkomstig het verzoek van de man zal beslissen.

De proceskosten

5.36.

Nu partijen gewezen partners zijn, zal de rechtbank bepalen dat elk van de partijen zijn eigen kosten draagt.

6 De beslissing

De rechtbank:

I. wijzigt de bij beschikking van de rechtbank Almelo van 29 februari 2012 vastgestelde bijdrage van de man aan de vrouw in de kosten van verzorging en opvoeding van het minderjarige kind van partijen:

[A] , geboren te [woonplaats 1] op [geboortedatum]

en stelt die bijdrage met ingang van 21 oktober 2015 op € 92,- (tweeënnegentig euro) per maand, voor de toekomst telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

II. verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

III. compenseert de kosten van deze procedure in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

IV. wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven te Almelo door mr. A.A.J. Lemain en in het openbaar uitgesproken op 10 februari 2016 in tegenwoordigheid van S. van Eijk, griffier.