Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2016:914

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
14-03-2016
Datum publicatie
16-03-2016
Zaaknummer
C/08/183398 / KG ZA 16-77
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Gebod tot instemming aanbod saneringsvoorstel? Bij toewijzing van een vordering tot medewerking aan een buitengerechtelijk akkoord is terughoudendheid geboden. Slechts onder zeer bijzondere omstandigheden kan plaats zijn voor een bevel aan een schuldeiser om aan de uitvoering van een hem aangeboden akkoord mee te werken. Waarborgen Faillissement. Vordering tot instemming wordt afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2016/779
INS-Updates.nl 2016-0151
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Almelo

zaaknummer / rolnummer: C/08/183398 / KG ZA 16-77

Vonnis in kort geding van 14 maart 2016

in de zaak van

1 [eiser] ,

wonende te [woonplaats] ,

2. [eiseres],

wonende te [woonplaats] ,

eisers,

advocaat mr. G.W. Weenink te Almelo,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

INTERNATIONAL CARD SERVICES B.V.,

gevestigd te Diemen,

gedaagde,

advocaat mr. E.H.J. Slager te Amsterdam.

Partijen zullen hierna ‘ [eiser] ’ en ‘ICS’ genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding met producties;

  • -

    de conclusie van antwoord tevens houdende eis in reconventie met producties;

  • -

    de mondelinge behandeling en de ter gelegenheid daarvan overgelegde aanvullende productie van de zijde van ICS en intrekking van de reconventionele vordering;

  • -

    de pleitnota van [eiser] .

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 Waarvan kan worden uitgegaan

2.1.

[eiser] heeft adviesdiensten geleverd op het gebied van beleggingen en daarmee negatieve resultaten behaald. [eiser] is inmiddels gepensioneerd.

2.2.

[eiser] ziet zich thans geconfronteerd met vorderingen van diverse beleggers en kredietverstrekkers. De totale schuldenlast bedraagt volgens [eiser] € 785.134,55.

2.3.

Na beraad met de diverse beleggers, die zich hebben verzameld in een ‘Werkgroep’, en hun raadsman, heeft [eiser] zijn crediteuren een saneringsvoorstel gedaan, hetgeen heeft geresulteerd in een, met uitzondering van ICS, door alle crediteuren getekende vaststellingsovereenkomst.

2.4.

Het saneringsvoorstel houdt – zakelijk weergegeven – in dat [eiser] ‘over een periode van zeven jaar tot betaling van ongeveer 37% van alle schulden’ zal overgaan.

2.5.

Na daartoe verkregen verlof van de voorzieningenrechter in deze rechtbank heeft ISC ten laste van [eiser] conservatoir derdenbeslag laten leggen onder ABN AMRO Bank en ING Bank.

2.6.

Er is een bodemprocedure aanhangig bij de kantonrechter in deze rechtbank waarin ICS onverkort betaling heeft gevorderd van het uit hoofde van een door haar aan [eiser] verstrekt consumptief krediet openstaand bedrag van ruim € 26.00,00. De kantonrechter zal vonnis wijzen op 15 maart 2016.

3 De vordering en de standpunten van partijen

3.1.

[eiser] vordert samengevat - een gebod aan ICS in te stemmen met het door hem aangeboden saneringsvoorstel, alsmede de opheffing van de gelegde conservatoire derdenbeslagen, met veroordeling van ICS in de proceskosten.

3.2.

[eiser] legt - zakelijk weergegeven - aan zijn vorderingen ten grondslag dat hij technisch falliet is en dat het saneringsvoorstel dat er nu ligt een voorstel is dat voor de crediteuren verreweg te preferen is boven een faillissement en eventueel opvolgende schuldsaneringsregeling. Zelfs als het niet tot een schuldsaneringsregeling komt, zal het resultaat voor de crediteuren minder zijn, aldus [eiser] . Alle aangeschreven crediteuren hebben het saneringsvoorstel ondertekend. Enkel ICS heeft niet getekend. Ten onrechte volgens [eiser] , want ICS ontvangt in een faillissementssituatie minder dan zij in een minnelijke regeling zou ontvangen. Met haar weigerachtige houding handelt ICS onrechtmatig jegens [eiser] .

3.3.

ICS voert gemotiveerd verweer en concludeert tot niet ontvankelijkheid van [eiser] in zijn vorderingen, dan wel afwijzing van de vorderingen. Zij kan zich - zakelijk weergegeven -, nog los van alle formele hobbels die er in haar ogen zijn, zoals de omstandigheid dat de schulden te kwader trouw zijn ontstaan, de juistheid van de overige schulden en de omstandigheid dat het voorstel onvoldoende onderbouwd, niet onafhankelijk en niet deskundig is, niet verenigen met een voldoening van 37% van haar vordering.

3.4.

Op de (overige) stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Het gaat in deze zaak om het antwoord op de vraag of ICS kan worden gedwongen in te stemmen met het door [eiser] aangeboden saneringsvoorstel.

4.2.

De voorzieningenrechter stelt voorop dat, ingevolge de algemene bepalingen van het verbintenissenrecht, het een schuldeiser in beginsel vrij staat het hem door de schuldenaar aangeboden buitengerechtelijk akkoord – dat inhoudt dat hij genoegen neemt met voldoening van slechts een (beperkt) deel van zijn vordering – te weigeren.

4.3.

Bij toewijzing van een vordering tot medewerking aan een buitengerechtelijk akkoord is terughoudendheid dan ook geboden. Slechts onder zeer bijzondere omstandigheden kan plaats zijn voor een bevel aan een schuldeiser om aan de uitvoering van een hem aangeboden akkoord mee te werken. Het ligt in beginsel op de weg van de schuldenaar die zodanige medewerking in rechte wenst af te dwingen de specifieke feiten en omstandigheden te stellen en, zo nodig, te bewijzen waaruit kan worden afgeleid dat de schuldeiser naar redelijkheid niet tot weigering van instemming met het akkoord heeft kunnen komen (zie HR 12 augustus 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT7799).

4.4.

[eiser] stelt weliswaar dat ICS door te weigeren in te stemmen met het saneringsvoorstel, misbruik van bevoegdheid maakt, maar dat standpunt treft, mede gelet op hetgeen ICS gemotiveerd heeft aangevoerd, geen doel.

4.5.

ICS heeft desgevraagd verklaard dat zij geen genoegen kan en wenst te nemen met het in het saneringsvoorstel gedane aanbod dat neerkomt op voldoening van 37% van de schuld. Dat is gegeven de omstandigheden geen onredelijke houding. Onvoldoende aannemelijk is geworden dat het saneringsvoorstel, zoals dat thans voorligt, (jegens ICS) voldoende deugdelijk onderbouwd is en evenmin dat het kwijtingsvoorstel is opgesteld door een onafhankelijke professional. [eiser] heeft het saneringsvoorstel immers zelf, al dan niet tezamen met zijn advocaat, opgesteld. ICS heeft, in tegenstelling tot het gros van de overige crediteuren, bovendien geen onzekere ‘beleggingsvordering’ (waarvan niet vast staat of (moeilijk) kan worden vastgesteld wat exact de hoogte is van de vordering), maar een concreet opeisbare vordering uit hoofde van een door haar aan [eiser] verstrekt consumptief krediet ter hoogte van ongeveer € 26.000,=. Voldoende aannemelijk is geworden dat die vordering - die ter beoordeling voorligt bij de kantonrechter - door de kantonrechter zal worden toegewezen.

4.6.

Daar komt bij dat het saneringsvoorstel van [eiser] de waarborgen ontbeert die de Faillissementswet biedt bij de totstandkoming en de gevolgen van een buitengerechtelijke schuldeisersakkoord met betrekking tot de vaststelling van en het toezicht op de vermogenspositie van de schuldenaar door de curator, de bewindvoerder en de rechter-commissaris. De ten behoeve van de uitvoering van het saneringsvoorstel door de beleggers opgerichte vereniging volstaat in dat opzicht niet.

4.7.

De vordering tot medewerking aan het saneringsplan wordt reeds daarom – nog daargelaten het antwoord op de vraag of een dergelijke vordering zich, gelet op het karakter van de vordering tot medewerking, leent voor toewijzing in kort geding en of er een voldoende spoedeisend belang is bij toewijzing van de vordering – afgewezen. [eiser] heeft met zijn stellingen onvoldoende aannemelijk gemaakt dat ICS naar redelijkheid aanvaarding van het aanbod niet had kunnen weigeren en dat hij daarmee misbruik van bevoegdheid maakt. ICS onthoudt in de gegeven omstandigheden dan ook niet ten onrechte haar instemming aan het aangeboden saneringsvoorstel.

4.8.

Zelfs als zou moeten worden aangenomen dat de financiële positie van [eiser] vast staat en ICS de slechte financiële positie van [eiser] kent of behoort te kennen, dan nog zal dat in het algemeen niet genoeg zijn om te oordelen dat ICS misbruik van bevoegdheid maakt door te weigeren met het akkoord in te stemmen. Tegenover het belang van [eiser] dat door de instemming van ICS met het saneringsvoorstel de mogelijkheid bestaat dat een faillissement of schuldsaneringsregeling wordt voorkomen, staat immers het zwaarwegender belang van ICS bij voldoening van haar vordering door verhaal op alle goederen van haar schuldenaar. Van ICS kan niet worden gevergd dat zij het belang dat [eiser] beoogt te behartigen, namelijk dat hij (sneller) van zijn bestaande schuldenlast wordt bevrijd indien alle schuldeisers met het saneringsvoorstel instemmen, laat prevaleren.

4.9.

ICS heeft gelet op het voorgaande een gerechtvaardigd belang bij weigering van haar instemming aan het saneringsvoorstel.

4.10.

De vordering tot opheffing van de gelegde conservatoire beslagen wordt eveneens afgewezen. Gesteld noch gebleken is dat op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen zijn verzuimd, dat sprake is van de ondeugdelijkheid van het door de beslaglegger ingeroepen recht of van het onnodige van het beslag, of, dat voor deze vordering voldoende zekerheid is gesteld.

4.11.

[eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van ICS worden begroot op:

- griffierecht € 619,00

- salaris advocaat 527,00

Totaal € 1.146,00.

4.12.

De gevorderde veroordeling in de nakosten is in het kader van deze procedure slechts toewijsbaar voor zover deze kosten op dit moment reeds kunnen worden begroot.

De nakosten zullen dan ook worden toegewezen op de wijze zoals in de beslissing vermeld.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

wijst de vorderingen af,

5.2.

veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van ICS tot op heden begroot op € 1.146,00,

5.3.

veroordeelt [eiser] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [eiser] niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak,

5.4.

verklaart dit vonnis met uitzondering van dictumonderdeel 5.1. uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.H. van der Veer en in het openbaar uitgesproken op 14 maart 2016.