Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2016:885

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
02-03-2016
Datum publicatie
29-03-2016
Zaaknummer
C/08/164814 / HA ZA 14-582
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Faillissement. Bestuurdersaansprakelijkheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2016/895
INS-Updates.nl 2016-0149
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Almelo

zaaknummer / rolnummer: C/08/164814 / HA ZA 14-582

Vonnis van 2 maart 2016

in de zaak van

HENDRIE AARNINK in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
Powertech Projects & Contracts B.V.,

kantoorhoudende te Enschede,

eiser in conventie,

verweerder in reconventie,

hierna te noemen ‘de curator’,

advocaat: voorheen mr. M. Snel-de Kroon te Enschede,

thans mr. I. de Boer te Enschede,

tegen

[X] ,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde in conventie,

eiser in reconventie,

hierna te noemen ‘ [X] ’,

advocaat: mr. J.M. Wagenaar te Enschede.

1 Het verdere procesverloop

1.1.

Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 18 maart 2015;

  • -

    de conclusie van antwoord in reconventie tevens houdende akte wijziging en vermeerdering eis in conventie;

  • -

    de antwoordakte na wijziging en vermeerdering eis in reconventie;

  • -

    de akte uitlating producties van [X] ;

  • -

    de akte overlegging producties van [X] ;

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 29 september 2015;

  • -

    de akte uitlating na gehouden comparitie.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De gewijzigde vordering van de curator in conventie

2.1.

De curator heeft zijn eis bij akte gewijzigd. De curator vordert thans:

in conventie:

primair:

  • -

    een verklaring voor recht dat [X] als (middellijk) bestuurder van Powertech zijn taak kennelijk onbehoorlijk heeft vervuld en dit een belangrijke oorzaak is van het faillissement van Powertech als bedoeld in artikel 2:248 lid 2 BW;

  • -

    dat [X] veroordeeld wordt om aan de failliete boedel van Powertech, respectievelijk de curator, de schulden van Powertech te betalen, voor zover deze schulden niet door vereffening van de overige baten van curanda kunnen worden voldaan, zoals deze zal zijn na het houden van de verificatievergadering, te vermeerderen met de faillissementskosten in het faillissement van Powertech;

subsidiair:

  • -

    een verklaring voor recht dat [X] als (middellijk) bestuurder van Powertech zijn taak kennelijk onbehoorlijk heeft vervuld en dit een belangrijke oorzaak is van het faillissement van Powertech als bedoeld in artikel 2:248 lid 1 BW;

  • -

    dat [X] veroordeeld wordt om aan de failliete boedel van Powertech, respectievelijk de curator, de schulden van Powertech te betalen, voor zover deze niet door vereffening van de overige baten van Powertech kunnen worden voldaan, zoals deze zal zijn na het houden van de verificatievergadering, te vermeerderen met de faillissementskosten in het faillissement van Powertech;

meer subsidiair:

  • -

    een verklaring voor recht dat [X] als (middellijk) bestuurder van Powertech zijn taak onbehoorlijk heeft vervuld als bedoeld in artikel 2:9 BW, als gevolg waarvan [X] jegens Powertech aansprakelijk is voor de door Powertech daardoor geleden schade;

  • -

    dat [X] veroordeeld wordt om aan de failliete boedel van Powertech, respectievelijk de curator, de schade te vergoeden die Powertech, respectievelijk de gezamenlijke schuldeisers van Powertech, door het onbehoorlijk bestuur heeft/hebben geleden, met bepaling dat deze schadevergoeding wordt opgemaakt bij staat en vereffend volgens de wet, vermeerderd met de wettelijke rente ex artikel 6:119 lid 1 BW daarover vanaf 20 augustus 2014, althans de dag der dagvaarding, althans de dag als in de schadestaatsprocedure nader te bepalen, tot de dag van algehele voldoening;

meer meer subsidiair:

  • -

    een verklaring voor recht dat [X] een onrechtmatige daad heeft gepleegd tegenover Powertech, respectievelijk de gezamenlijke schuldeisers van Powertech, op grond van artikel 6:162 BW;

  • -

    dat [X] veroordeeld wordt om aan de failliete boedel van Powertech, respectievelijk de curator, de schade te vergoeden die Powertech, respectievelijk de gezamenlijke schuldeisers van Powertech, door het onbehoorlijk bestuur heeft/hebben geleden, met bepaling dat deze schadevergoeding wordt opgemaakt bij staat en vereffend volgens de wet, vermeerderd met de wettelijke rente ex artikel 6:119 lid 1 BW daarover vanaf
    20 augustus 2014, althans de dag der dagvaarding, althans de dag als in de schadestaatsprocedure nader te bepalen, tot de dag van algehele voldoening;

primair, subsidiair, meer subsidiair en meer meer subsidiair:

dat [X] veroordeeld wordt om aan de failliete boedel van Powertech, respectievelijk de curator, te betalen een bedrag van € 200.000,00 als voorschot, te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 lid 1 BW over € 200.000,00, te rekenen vanaf

20 augustus 2014, althans de dag der dagvaarding, tot de dag der algehele voldoening.

uiterst subsidiair:

dat [X] veroordeeld wordt om aan de failliete boedel van Powertech, respectievelijk de curator, te betalen een bedrag van € 66.499,92, te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 lid 1 BW over € 66.499,92, te rekenen vanaf 20 september 2014, althans de dag der dagvaarding, tot de dag der algehele voldoening;

primair, subsidiair, meer subsidiair, meer meer subsidiair en uiterst subsidiair:

  • -

    dat [X] veroordeeld wordt in de buitengerechtelijke (incasso)kosten van € 1.440,00, te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW over dit bedrag vanaf 20 augustus 2014, althans 20 september 2014, althans de dag van deze dagvaarding, althans vanaf de dag van uitspraak, tot aan de dag van volledige betaling;

  • -

    dat [X] veroordeeld wordt in de kosten van deze procedure, de kosten van de beslagleggingen daaronder begrepen, waarbij betaling dient te geschieden binnen veertien dagen na dagtekening van het te wijzen vonnis, bij gebreke waarvan [X] de wettelijke rente ex artikel 6:119 lid 1 BW verschuldigd is over deze proceskosten;

in reconventie:

dat [X] niet-ontvankelijk wordt verklaard in zijn vorderingen, dan wel dat [X] deze vorderingen worden ontzegd of dat deze vorderingen worden afgewezen.

in conventie en in reconventie:

dat [X] veroordeeld wordt tot betaling van de nakosten:

  • -

    tot een bedrag van € 131,00, indien vrijwillig aan het te wijzen vonnis wordt voldaan, te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW over € 131,00, zodra geen betaling daarvan binnen veertien dagen na dagtekening van het vonnis plaatsvindt;

  • -

    tot een bedrag van € 199,00, indien betekening van het te wijzen vonnis plaatsvindt, te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW over € 199,00, zodra geen betaling daarvan binnen veertien dagen na dagtekening van de betekening plaatsvindt.

2.2.

De curator heeft samengevat aan zijn gewijzigde eis het volgende ten grondslag gelegd.

2.3.

Voorafgaand aan deze procedure heeft [X] , of één van zijn adviseurs, geen opheldering gegeven over een pretense borgstellingsvergoeding noch over (substantiële) privé-investeringen in Powertech. Integendeel, in de gesprekken en e-mailwisseling met [X] en de heer [P] , hebben deze heren aan de curator bevestigd, dat [X] op basis van de rekening-courant een bedrag van € 66.499,92 is verschuldigd aan Powertech. Uit de administratie van Powertech is geen tegenvordering gebleken. Pas op 6 februari 2015 heeft mr. Wagenaar namens [X] gesteld dat er sprake is van een substantiële tegenvordering. Ook uit de jaarrekeningen blijkt de vordering van [X] wegens borgstellingsvergoeding niet.

2.4.

Er wordt geen enkel (begin van) bewijs geleverd dat Rabobank in 2007 aan Powertech leningen heeft verstrekt ter hoogte van € 200.000,00, waarbij [X] jegens Rabobank zich borg zou hebben gesteld. De financieringsdocumentatie ter zake de in 2007 door Rabobank aan Powertech verstrekte leningen ter hoogte van € 200.000,00 en de borgtochtakte tussen Rabobank en [X] zijn door [X] niet in het geding gebracht.

2.5.

De vermeende borgstellingsvergoedingsovereenkomst van 29 november 2007 kan geen betrekking hebben op de uit de financieringsdocumentatie d.d. 5 maart 2009 blijkende hoofdelijkheid en daaruit voortvloeiende verplichtingen. Uit deze documentatie blijkt dat [X] niet als borg staat genoemd, maar als hoofdelijk kredietnemer.

2.6.

Dat [X] uit hoofde van de pretense borgtocht een schuld van Powertech zou hebben betaald, die zou leiden tot een borgtellingsvergoeding, is gesteld noch gebleken.

2.7.

Indien op basis van de borgstellingsvergoedingsovereenkomst al enig bedrag verschuldigd zou zijn geweest, dan is die verplichting geëindigd op 5 maart 2009. De curator verwijst in dit kader naar artikel 6 van de borgstellingsvergoedingsovereenkomst. Hierin staat de borgstellingsvergoedingsovereenkomst eindigt, zodra de schuldeiser de borgstellingsovereenkomst eindigt.

2.8.

In de brief van de Rabobank van 5 juli 2007 (productie 1 bij de antwoordakte na wijziging en vermeerdering eis in reconventie) wordt verwezen naar een vermogensverklaring met borgstelling van [X] van € 113.445,05 van 1 december 2000, waarop [X] zijn stellingen en (tegen)vordering in reconventie laat baseren.

Op 1 december 2000 bestond Powertech nog niet eens. Powertech is pas op 7 oktober 2004 opgericht, zodat de borgstelling d.d.1 december 2000 niet kan zien op Powertech.

Het is aannemelijk dat de borgstelling van 1 december 2000 ziet op Techno Partners en Powertech Partners. Het bedrag dat genoemd wordt in de brief van 5 juli 2007

(€ 113.445,05) komt ook niet overeen met de het door [X] gestelde bedrag van de pretense borgstelling van € 200.000,00.

Het zakelijke krediet van 1 december 2000 en de aangepaste offerte 2007, waar [X] onder 8 van de antwoordakte naar verwijst, ziet niet op Powertech, maar op Techno Partners en Powertech Partners. De borgstelling, waarop [X] doelt, heeft geen betrekking op de geldlening die aan Powertech is verstrekt.

2.9.

Indien al sprake zou zijn van borgstellingsvergoedingen, zouden die ook in de
IB-aangiften moeten zijn verantwoord/opgenomen (als inkomsten van [X] ). Zowel in de IB-aangiften 2014 als de IB-aangiften 2012 en 2013 zijn de borgstellingsvergoedingen niet verantwoord/opgenomen.

2.10.

Subsidiair betwist de curator dat Powertech de borgstellingsvergoeding nimmer heeft voldaan. Kennelijk klopt de rekening-courantverhouding volgens [X] al zeven jaar niet. De curator wijst erop dat hij van de juistheid van de administratie van Powertech mag uitgaan (artikel 2:10 jo. 3:15i BW).

2.11.

Meer subsidiair doet de curator een beroep op verjaring ten aanzien van de door [X] gevorderde borgstellingsvergoedingen van 2007, 2008 en 2009
(artikel 3:307 lid 1 BW).

2.12.

De curator betwist dat er sprake is geweest van privé-investeringen.

2.13.

Een regresvordering van een hoofdelijk verbonden schuldenaar of borg bestaat pas op het moment waarop de schuldenaar of borg het bedrag waarvoor hij een regresvordering heeft, heeft voldaan (HR 6 april 2012, ECLI:HR:2012:BU3784). Nu niet gebleken is dat [X] door de Rabobank tot aflossing van de geldlening is aangesproken en [X] dientengevolge enige betalingen aan de Rabobank heeft verricht, is er geen sprake van een verrekenbare tegenvordering uit hoofde van dit regres.

2.14.

Uit de administratie van Powertech is niet gebleken van een vordering van [X] op Powertech in verband met privé-investeringen.

[X] heeft onvoldoende gesteld, zodat aan een verwijzing naar de schadestaatsprocedure niet kan worden toegekomen.

2.15.

Het belang van de failliete boedel van Powertech en de crediteuren van Powertech bij een spoedige executie van het vonnis dient te prevaleren boven de – niet geconcretiseerde – belangen van [X] bij een uitstel van executie.

Ook de gevorderde opheffing van de beslagen dient te worden afgewezen.

2.16.

Voor zover en indien juist zou zijn dat [X] een tegenvordering op Powertech zou hebben die niet uit de administratie per datum faillissement blijkt, is sprake van een schending van de administratieplicht (artikelen 2:10 BW jo. 3:15i BW).

2.17.

De administratie van Powertech is niet volledig en geeft geen correct beeld ten aanzien van de activaposten.

Uit de actuele administratie blijkt dat er inventaris en computers aanwezig zouden moeten zijn, die niet door de curator zijn aangetroffen.

Tussen de gepubliceerde jaarrekeningen 2012 en 2013 is geen aansluiting voor wat betreft de vergelijkende cijfers, zonder dat sprake is (geweest) van stelselwijzigingen. De curator verwijst naar artikel 2:236 lid 5 BW. Er is in de jaarrekening van 2013 ten aanzien van de vergelijkende cijfers niet alleen sprake van rubriceringsverschillen, maar ook van een verschil in eigen vermogen, waardoor niet wordt voldaan aan de stelselmatigheid en/of toelichting daarop.

2.18.

[X] is als middellijk bestuurder van Powertech hoofdelijk aansprakelijk voor het boedeltekort van Powertech (artikel 2:248 lid 2 BW).

Nu [X] in strijd heeft gehandeld met artikel 2:10 BW, staat vast dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan kennelijk onbehoorlijk bestuur. Deze onbehoorlijke taakvervulling wordt vermoed een belangrijke oorzaak te zijn geweest van het faillissement van Powertech. [X] heeft dit vermoeden niet weerlegd. [X] is derhalve aansprakelijk voor het boedeltekort. Afgezien van de boedelkosten, bedraagt de schuldenlast van Powertech, die ter verificatie is ingediend, voorlopig circa € 332.000,00.

2.19.

De curator heeft subsidiair een beroep gedaan op artikel 2:248 lid 1 BW, althans

artikel 2:9 BW, respectievelijk artikel 6:162 BW.

2.20.

[X] heeft de vliegtuigramp in de Oekraïne als oorzaak van het faillissement van Powertech genoemd. Hij heeft dit echter niet verder toegelicht. De activiteiten van Powertech waren in november 2012 de facto al gestaakt.

2.21.

Doordat Powertech herhaaldelijk haar verplichtingen jegens de Rabobank niet nakwam, heeft de Rabobank het krediet opgezegd. [X] heeft nagelaten om aan de Rabobank een plan van aanpak te zenden.

[X] heeft nog geen begin van bewijs aangeleverd, dat er overleg is geweest met een aantal schuldeisers over een herstructurering en een eventueel crediteurenakkoord.

Ook heeft Powertech de voorraad niet getaxeerd. Pas na faillissement is de voorraad getaxeerd. [X] heeft de waarde van de voorraad toen vastgesteld op € 1,00, hetgeen afbreuk doet aan de door [X] gestelde reële mogelijkheid van herfinanciering.

2.22.

De curator betwist dat Powertech potentiële opdrachten/offertes had, zoals door [X] is aangevoerd. [X] heeft nagelaten om onderliggende documentatie van de door hem genoemde opdrachten/offertes in het geding te brengen. De curator betwist dat de door [X] in het geding gebrachte potentiële opdrachten/offertes tot winst zouden hebben geleid. Bovendien werden de bedrijfsactiviteiten van Powertech door BioPlus en Turbine Trading voortgezet en had Powertech zelf geen personeel en geen inventaris meer.

3 Het verweer van [X] in conventie

3.1.

[X] heeft aanvullend op hetgeen reeds bij het vorige tussenvonnis is vermeld, het volgende verweer gevoerd.

3.2.

[X] verwijst naar een brief van de Rabobank waarin reeds wordt verwezen naar een borgstelling van [X] voor het zakelijk krediet van 1 december 2000
(productie 1 bij antwoord akte na wijziging en vermeerdering eis in reconventie). Deze financiering is vervolgens meerdere malen aangepast middels offerte 2007 en de kredietovereenkomst van 2009.

3.3.

Van een verjaring kan geen sprake zijn, omdat dergelijke vorderingen normaal gesproken geboekt worden in de rekeningcourantverhouding tussen de vennootschap en de aandeelhouder/bestuurder. Dat deze vorderingen niet zijn opgenomen in de jaarrekeningen, is een vergissing geweest, welke aldus slechts administratief gecorrigeerd dient te worden.

3.4.

Dat [X] omtrent de voorraden tegenstrijdige verklaringen zou hebben afgelegd, is niet relevant en wordt betwist door [X] . De curator heeft dit waarschijnlijk niet juist begrepen van [X] .

3.5.

De financiële draagkracht van [X] en verhaalsmogelijkheden zijn negatief en/of nihil.

3.6.

[X] betwist dat er sprake is van kennelijk onbehoorlijke taakvervulling en/of schending van de administratieplicht.

3.7.

Het faillissement vindt zijn oorzaak in het opzeggen van het krediet door de bank, het uiteindelijk niet doorgaan van een aantal potentiële projecten en de eenzijdige actie van één crediteur hangende de herstructurering.

3.8.

[X] heeft zich maximaal ingespannen om de onderneming te redden en daarbij de crediteuren (zoveel mogelijk) tegemoet te komen.

4 Het verweer van de curator in reconventie

4.1.

De curator doet een beroep op artikel 25, 26 en 53 Fw. en/of artikel 6:127 BW en heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van [X] in zijn vorderingen.

5 De beoordeling

in conventie:

5.1.

Primair heeft de curator een verklaring voor recht gevorderd dat [X] als (middellijk) bestuurder van Powertech zijn taak kennelijk onbehoorlijk heeft vervuld en dat dit een belangrijke oorzaak is van het faillissement van Powertech als bedoeld in

artikel 2:248 lid 2 BW.

De curator heeft gedetailleerd aangevoerd dat de administratie van Powertech op verschillende onderdelen niet op orde is en dus niet klopt. De curator heeft daarvan veel voorbeelden gegeven. [X] is op al deze voorbeelden niet ingegaan. [X] heeft de door de curator genoemde omissies niet betwist. [X] heeft derhalve zijn taak van middellijk bestuurder van Powertech onbehoorlijk vervuld. Deze onbehoorlijke taakvervulling wordt vermoed een belangrijke oorzaak te zijn geweest van het faillissement van Powertech.

Een redelijke uitleg van artikel 2:248 lid 2 BW brengt mee dat ter weerlegging van het bewijsvermoeden volstaat dat de aangesproken bestuurder aannemelijk maakt dat andere feiten dan of omstandigheden dan zijn kennelijk onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak van het faillissement zijn geweest.

5.2.

[X] heeft in dat kader aangevoerd dat het faillissement veroorzaakt is door de vliegramp in de Oekraïne, door het opzeggen van het krediet door de Rabobank, vanwege het niet doorgaan van een aantal potentiële projecten door onrust in Oost-Europa en vanwege een eenzijdige actie van één crediteur hangende de herstructurering.

5.3.

De vliegtuigramp in de Oekraïne vond plaats op 17 juli 2014. Het staat vast dat ruim vóór deze datum de activiteiten van Powertech waren gestaakt, het personeel van Powertech was ontslagen en de inventaris van Powertech was weggegeven. Daar komt bij dat het faillissementsverzoek is ingediend door de Stichting Pensioenfonds Metaal en Techniek, Stichting Opleidings- en Ontwikkelingsfonds voor het Metaalbewerkingsbedrijf en Stichting Sociaal Fonds Metaal en Techniek op basis van een vonnis van 17 december 2013, voor vorderingen die dateren uit het derde kwartaal 2012. De vliegtuigramp in de Oekraïne heeft op deze gang van zaken geen enkele invloed kunnen hebben.

Bij brief d.d. 7 december 2012 heeft de Rabobank de lening met Powertech opgezegd en terugbetaling gevorderd van het openstaande bedrag, destijds € 176.722,26. Uit deze brief blijkt dat Powertech al geruime tijd haar financiële verplichtingen jegens de bank niet meer nakwam. Dit laatste is door [X] niet betwist. Bovendien heeft Powertech nagelaten om een plan van aanpak op te stellen ten behoeve van de Rabobank. Dit blijkt uit de antwoorden die de heer [L] heeft gegeven op de vragen van de curator verwoord in zijn

e-mailbericht van 27 juli 2015 (productie 36 bij akte overlegging producties zijdens de curator). De rechtbank volgt derhalve [X] niet in zijn stelling dat het faillissement is veroorzaakt door toedoen van de Rabobank.

[X] heeft een aantal offertes in het geding gebracht van volgens hem potentiële projecten voor Powertech. Deze offertes hebben niet geresulteerd in opdrachten voor Powertech. Waarom dat niet het geval is geweest, blijkt niet uit de stukken. Het had op de weg van [X] gelegen om ook die stukken in het geding te brengen. Het betreffen volgens [X] projecten uit 2013 en 2014. Vanaf 2013 had Powertech geen personeel, noch inventaris. Powertech had toen haar activiteiten al gestaakt. De bedrijfsactiviteiten werden toen al door BioPlus en Turbine Trading voortgezet. Bovendien had de Rabobank al in december 2012 de geldkraan dichtgedraaid. [X] legt ook niet uit op welke wijze Powertech mogelijk gevolg had kunnen geven aan mogelijke opdrachten die zouden zijn voortgevloeid uit de door [X] in het geding gebrachte offertes.

Tenslotte staat niet vast dat Powertech winst zou hebben gegenereerd met de mogelijke opbrengsten uit de eventuele opdrachten.

Kortom, nu de rechtbank niet kan vaststellen waarom de offertes niet tot opdrachten hebben geleid voor Powertech, of Powertech mogelijke opdrachten had uitgevoerd of kunnen uitvoeren en of de mogelijkemopdrachten voor Powertech tot hadden geleid,geleideleid,rechtbankkomt de rechtbank tot de conclusie, dat opdezedeze offertes niet kan worden geconcludeerd, dat [X] er alles aan heeft gedaan om het heeft gedaan om het faillissement voor Powertech Powertech te voorkomen. Bovendien blijkt uit de door [X] in het geding stukken hethet gedingbrachte stukken niet, dat de onrust niett de onrust in de Oost-Europa de was van an het uiteindelijk niet doorgaan van het uiteindelijk niet van r [X] gesteldeprojecten dat d at de reden is geweest van het aillissement van Powertech.

[X] heeft aangevoerd dat een eenzijdige actie van één crediteur hangende de herstructurering oorzaak is geweest van het faillissement van Powertech. [X] heeft in dat kader verwezen naar de ‘aankondiging faillissementsaanvraag’, productie 6 bij antwoord akte na wijziging en vermeerdering eis in reconventie. Uit deze aanvraag blijkt niet dat de Stichting Pensioenfonds Metaal en Techniek een herstructurering van Powertech heeft gefrustreerd. Bovendien blijkt uit de schriftelijke reactie van de heer [L] van de Rabobank d.d. 27 juli 2015, op de vragen van de curator verwoord in het e-mailbericht van 9 juli 2015, productie 36 zijdens de curator bij akte overlegging producties, dat er helemaal geen herstructurering heeft plaatsgevonden, omdat er geen deugdelijk plan lag van [X] /Powertech en of zijn/haar adviseur(s).

Op grond van het bovenstaande komt de rechtbank tot de conclusie dat [X] niet aannemelijk heeft gemaakt dat er andere feiten dan of omstandigheden dan zijn kennelijk onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak van het faillissement zijn geweest.

De rechtbank is van oordeel dat [X] zijn stellingen onvoldoende heeft onderbouwd. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om [X] zijn stellingen te laten bewijzen.

5.4.

De rechtbank zal derhalve voor recht verklaren dat [X] als (middellijk) bestuurder van Powertech zijn taak kennelijk onbehoorlijk heeft vervuld en dit een belangrijke oorzaak is van het faillissement van Powertech als bedoeld in

artikel 2:248 lid 2 BW.

5.5.

De curator heeft in dit kader gevorderd dat [X] veroordeeld wordt tot betaling van een voorschot van € 200.000,00 . [X] heeft een beroep gedaan op verrekening.

Aansprakelijkheid van [X] ex art. 2:248 BW is geen aansprakelijkheid jegens Powertech maar jegens de boedel. [X] komt derhalve geen recht op verrekening toe.

[X] is geen schuldenaar van Powertech, terwijl zijn schuld bovendien niet vóór de faillietverklaring is ontstaan of voortvloeit uit handelingen door hem vóór de faillietverklaring met de vennootschap verricht, zodat niet is voldaan aan de door art. 53 Fw. voor verrekening gestelde voorwaarden.

De rechtbank verwijst in dit kader naar het arrest van de Hoge Raad van 18 september 2010 (JOR 2010/29).

5.6.

De curator heeft aangevoerd dat de schuldenlast van Powertech, afgezien van de boedelkosten, voorlopig op een bedrag staat van € 332.000,00. Dit is door [X] niet betwist. De rechtbank zal dan ook het gevorderde voorschot van € 200.000,00 toewijzen.

De rechtbank zal [X] voorts veroordelen om aan de failliete boedel van Powertech, respectievelijk de curator, de schulden van Powertech te betalen, voor zover deze schulden niet door vereffening van de overige baten van Powertech kunnen worden voldaan, zoals deze zal zijn na het houden van de verificatievergadering, te vermeerderen met de faillissementskosten in het faillissement van Powertech.

5.7.

De rechtbank zal de gevorderde buitengerechtelijke kosten ad € 1.440,00 toewijzen. De curator heeft vergoeding van BTW gevorderd over de buitengerechtelijke kosten. Deze vordering kan slechts worden toegewezen indien de curator stelt en bij betwisting bewijst, dat hij geen ondernemer is in de zin van de Wet op de omzetbelasting 1968 of dat hij als ondernemer een vrijgestelde prestatie verricht waarop de vordering betrekking heeft. Nu de curator daaromtrent niets heeft gesteld, wordt dit deel van de vordering afgewezen.

5.8.

De rechtbank zal [X] als de in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de kosten van deze procedure en begroot deze kosten als volgt:

verschotten:

griffierecht: € 1.251,00

kosten dagvaarding: € 79,15

beslagkosten: € 196,61

€ 196,61

€ 196,61

€ 196,61

€ 81,40

€ 214,10 +

totaal: € 2.412,09

kosten advocaat:

beslagrekest: 1 punt

dagvaarding: 1 punt

akte wijziging van eis: ½ punt

akte uitlating producties: ½ punt

akte uitlating na gehouden comparitie: ½ punt +

totaal: 3½ punt x € 2. 000 ,00 = € 7.000,00

Voorts zal de rechtbank [X] veroordelen in de nakosten.

in reconventie:

5.9.

[X] heeft een verklaring voor recht gevorderd dat hij een vordering jegens Powertech / de curator heeft van minimaal € 89.550,00, althans en bedrag zoals nader door de rechtbank in goede justitie te bepalen.

De rechtbank zal [X] niet-ontvankelijk verklaren in deze vordering. De rechtbank verwijst in dit kader naar het bepaalde in de artikelen 25 en 26 Fw. Het betreft immers een vordering welke is ontstaan reeds vóór het ontstaan van het faillissement van Powertech.

5.10.

[X] heeft een verklaring voor recht gevorderd dat hij bevoegd is zijn vorderingen jegens Powertech/de curator te verrekenen met de vorderingen van Powertech/de curator jegens [X] . De rechtbank zal deze vordering afwijzen.

De rechtbank verwijst in dit kader naar hetgeen zij aangaande verrekening in conventie heeft overwogen in rechtsoverweging 5.5.

5.11.

[X] heeft gevorderd dat hij in de gelegenheid zal worden gesteld om zijn (regres)vorderingen jegens Powertech op grond van de privé investeringen nader vast te stellen en/of partijen daartoe te verwijzen naar de schadestaatprocedure.

[X] heeft in dit kader verwezen naar productie 3 bij de antwoordakte na wijziging en vermeerdering eis in reconventie.

Ook hier geldt dat [X] niet-ontvankelijk verklaard zal worden in zijn vorderingen. Ook hier verwijst de rechtbank naar het bepaalde in de artikelen 25 en 26 Fw. Bovendien heeft [X] op dit onderdeel onvoldoende gesteld en nog geen begin van bewijs geleverd.

5.12.

[X] heeft gevorderd dat de rechtbank de curator verbiedt om in verband met de door de curator ingestelde vordering(en) executiemaatregelen jegens [X] en/of derden te nemen. Voorts heeft [X] gevorderd dat de curator veroordeeld zal worden om de reeds gelegde beslagen op te heffen binnen een termijn van veertien dagen na de datum van dit vonnis. [X] heeft aangevoerd dat er geen overwaarde is ten aanzien van de privé woning en dat er geen overige bezittingen zijn. De curator heeft derhalve geen belang bij beslagen en op executiemaatregelen, aldus [X] .

De rechtbank zal deze vorderingen afwijzen. Aangezien [X] in conventie wordt veroordeeld tot betaling van € 200.000,00, is de curator gerechtigd om executiemaatregelen te nemen. De door de curator gelegde beslagen zijn rechtmatig gebleken en zullen dan ook niet worden opgeheven. Powertech en de crediteuren hebben een gerechtvaardigd belang bij het bewaren van verhaalsmogelijkheden. De belangen van Powertech en haar schuldeisers dienen te prevaleren boven het mogelijke belang van [X] bij uitstel van executie.

5.13.

De rechtbank zal [X] als de in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de proceskosten. De rechtbank zal deze kosten aan de zijde van de curator begroten op een bedrag van € 3.500, 00 aan kosten van de advocaat. Voorts zal de rechtbank [X] veroordelen in de nakosten .

6 De beslissing

De rechtbank:

in conventie:

6.1.

Verklaart voor recht dat [X] als (middellijk) bestuurder van Powertech zijn taak kennelijk onbehoorlijk heeft vervuld en dit een belangrijke oorzaak is van het faillissement van Powertech als bedoeld in artikel 2:248 lid 2 BW.

6.2.

Veroordeelt [X] om aan de failliete boedel van Powertech, respectievelijk de curator, te betalen een bedrag van € 200.000,00 als voorschot, te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 lid 1 BW over € 200 .000,00, te rekenen vanaf

20 augustus 2014.

6.3.

Veroordeelt [X] om aan de failliete boedel van Powertech, respectievelijk de curator, de schulden van Powertech te betalen, voor zover deze schulden niet door vereffening van de overige baten van Powertech kunnen worden voldaan, zoals deze zal zijn na het houden van de verificatievergadering, te vermeerderen met de faillissementskosten in het faillissement van Powertech.

6.4.

Veroordeelt [X] in de buitengerechtelijke (incasso)kosten van € 1.440,00.

6.5.

Veroordeelt [X] in de kosten van deze procedure, de kosten van beslaglegging daaronder begrepen, en begroot deze kosten aan de zijde van de curator op een bedrag van

€ 2.412,09 aan verschotten en op een bedrag van € 7.000,00 aan kosten van de advocaat, waarbij betaling dient te geschieden binnen veertien dagen na dagtekening van dit vonnis, bij gebreke waarvan [X] de wettelijke rente ex artikel 6 : 119 lid 1 BW verschuldigd is over deze proceskosten.

6.6.

Veroordeelt [X] in de nakosten van deze procedure ten bedrage van respectievelijk € 131,00 zonder betekening en € 199 ,00 in geval van betekening, indien en voor zover [X] niet binnen een termijn van veertien dagen na aanschrijving aan dit vonnis heeft voldaan, met bepaling dat indien deze kosten niet binnen twee weken na betekening van dit vonnis zijn betaald, gedaagde daarover de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW is verschuldigd vanaf dat moment tot aan de dag der algehele voldoening.

in reconventie:

6.7.

Wijst de vorderingen af.

6.8.

Veroordeelt [X] in de kosten van deze procedure en begroot deze kosten aan de zijde van de curator op een bedrag van € 3.500,00 aan kosten van de advocaat.

6.9.

Veroordeelt [X] in de nakosten van deze procedure ten bedrage van respectievelijk € 131,00 zonder betekening en € 199 ,00 in geval van betekening, indien en voor zover [X] niet binnen een termijn van veertien dagen na aanschrijving aan dit vonnis heeft voldaan, met bepaling dat indien deze kosten niet binnen twee weken na betekening van dit vonnis zijn betaald, gedaagde daarover de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW is verschuldigd vanaf dat moment tot aan de dag der algehele voldoening.

in conventie en in reconventie:

6.10.

Verklaart de onderdelen 6.2., 6.3., 6.4., 6.5., 6.6., 6.8. en 6.9. Uitvoerbaar bij voorraad.

6.11.

Wijst af het anders of meer gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.H. Margadant en in het openbaar uitgesproken op 2 maart 2016.1

1 type: coll: