Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2016:883

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
14-03-2016
Datum publicatie
15-03-2016
Zaaknummer
4676217 \ CV EXPL 15-6697
Formele relaties
Einduitspraak: ECLI:NL:RBOVE:2016:882
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Beslissing in kort geding aangehouden omdat het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst nog kan worden ingetrokken door de werkgever.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2016-0266
AR 2016/762
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Almelo

Zaaknummer : 4676217 \ CV EXPL 15-6697

Vonnis in kort geding van 14 maart 2016

in de zaak van

[eiser] ,
wonende te [woonplaats] ,

werknemer, hierna ook wel te noemen [eiser] of werknemer,

gemachtigde: mr. E.P. Cornel en mr. L.D. Hazenberg, advocaten te Enschede,

tegen

1 de stichting STICHTING WERKGEVERSCHAP RIJNBRINK,
gevestigd en kantoorhoudende te Nijverdal, hierna te noemen Rijnbrink of werkgever

en

2 de stichting STICHTING KULTURHUS DE BIJENKORF BORNE,
gevestigd en kantoorhoudende te Borne, hierna te noemen Kulturhus of werkgever,

gezamenlijk te noemen: gedaagden

gemachtigde: mr. E.F.M. van den Biesen, advocaat te Enschede.

1 De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

1.1.

De namens werknemer betekende dagvaardingen van 23 en 24 december 2015, waarbij werknemer een vordering heeft ingesteld tot het treffen van een voorlopige voorziening en gedaagden heeft opgeroepen ter zitting in kort geding te verschijnen.

1.2.

Werknemer en gedaagden hebben ter voorbereiding van de mondelinge behandeling nog producties in het geding gebracht.

1.3.

De vordering is behandeld ter zitting van 4 januari 2016, waar werknemer is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde.

Gedaagden zijn eveneens verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde.

Tegelijkertijd heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden van een door werkgever ingediend verzoek en een door werknemer ingediend (voorwaardelijk) tegenverzoek. In beide procedures wordt separaat uitspraak gedaan.

1.4.

Werknemer heeft zijn standpunt laten toelichten door zijn gemachtigde, die daarbij gebruik heeft gemaakt van pleitaantekeningen. De gemachtigde van gedaagden heeft tegen de vordering verweer gevoerd en heeft daarbij eveneens gebruik gemaakt van pleitaantekeningen. De griffier heeft van hetgeen ter zitting is besproken proces-verbaal opgemaakt.

1.5.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Werknemer, geboren [1957] , vervulde laatstelijk de functie van Coördinator Informatie en Communicatie [verder te noemen: Coördinator] voor 36 uur per week. Werknemer verrichtte zijn werkzaamheden behorend bij die functie bij de stichting Stichting Kulturhus De Bijenkorf Borne [verder te noemen: het Kulturhus].

Werknemer genoot laatstelijk een salaris van € 4.816,20 bruto per maand, exclusief 8% vakantietoeslag en overige emolumenten, waaronder een eindejaarsuitkering van 1,89% van het bruto jaarsalaris. Het salaris werd betaald door Rijnbrink. De loonstroken werden door Rijnbrink verstrekt.

2.2.

Werknemer is, voorafgaand aan de hiervoor genoemde functie, op 10 juli 1979 in dienst getreden bij (één van de) rechtsvoorgangers(s) van de Provinciale Bibliotheek Centrale Overijssel Oost in de functie van bibliothecaris, later hoofdbibliothecaris. Aansluitend heeft werknemer tot 2012 gewerkt in de functie van directeur.

2.3.

In het vonnis van de voorzieningenrechter/kantonrechter te Almelo, tussen partijen gewezen op 9 november 2015, is, voor zover hier van belang, onder de feiten het navolgende opgenomen:

"Gedaagden hebben verklaard dat de werkgever van werknemer is de stichting Stichting Werkgeverschap Rijnbrink Groep (hierna te noemen RBG). Partijen verklaren het erover eens te zijn dat RBG de werkgever is van [eiser] zodat de kantonrechter RBG zal aanduiden als werkgever partij."

2.4.

De naam van de stichting Stichting Werkgeverschap RBG is hangende de onderhavige procedure gewijzigd in de Stichting Werkgeverschap Rijnbrink.

2.5.

Op 27 juni 2014 heeft [D] (directeur van het Kulturhus Borne, verder te noemen: [D] ) een gesprek gevoerd met de medewerksters van de bibliotheek, buiten aanwezigheid van werknemer. Vervolgens is werknemer door [D] op of omstreeks

18 augustus 2014 aangesproken op zijn handelen jegens één medewerkster, welk handelen tot een ziekmelding van die medewerkster zou hebben geleid. Van het gesprek is een verslag opgemaakt, gedateerd 18 augustus 2014. Daar in staat onder meer (productie 3 bij verzoekschrift):

"[….]

Ondergetekende verwijt [eiser] dat:

1. Het doen van dergelijke mededelingen op erg onhandige manier en tijdstip is uitgevoerd.

2. Uit het gevoerde gesprek met de vrijwilligers op 27 juni kan worden opgemaakt dat er onvoldoende aansturing is geweest en dat er onvoldoende proactief is gewerkt."

2.6.

Op 13 april 2015 heeft een evaluatiegesprek (productie 4 bij het verzoekschrift) plaatsgevonden tussen werknemer, [D] en [J] (medewerker staf/beleid HRM). In het daarvan opgemaakte verslag staat onder meer vermeld:

"Reden voor het gesprek: onrust bij de medewerkers bibliotheek en receptie, weergave van de onrust in mailwisselingen en toename van de twijfel bij directeur [D] over de wijze van leidinggeven van [eiser] aan deze groep medewerkers en over zijn rol als leidinggevende Kulturhus.

[…].”

2.7.

Op 16 en 20 april 2015 hebben er gesprekken plaatsgevonden tussen de medewerkers bij de Bibliotheek en de receptie in het Kulturhus enerzijds en Marijke Adams, vertrouwenspersoon Kulturhus en [J] , staf-/beleidsmedewerkster, anderzijds.

In het daarvan opgemaakte een verslag (productie 5 bij verzoekschrift) staat onder meer:

“Redenen voor het gesprek zijn de aanhoudende klachten rond gedrag en werkhouding van [eiser] t.o.v. de medewerkers van de bibliotheek/receptie.

[….]

Het beeld ontstaat dat van motiverend, inspirerend en coachend leiderschap geen sprake

is. De medewerkers functioneren al jaren “ondanks´ en niet “dankzij” hun leidinggevende.

Het verslag is door alle aanwezigen getekend, op één medewerkster na. Zij heeft separaat schriftelijk verklaard met de inhoud van het verslag akkoord te zijn, maar het verslag zelf niet te willen tekenen vanwege haar persoonlijke vriendschap met [eiser] .

2.8.

Werknemer is op 23 april 2015 in een gesprek met [D] en de heer [V] (HRM adviseur bij werkgever, verder te noemen: [V] ) op non-actief gesteld. Dat is niet schriftelijke bevestigd. Zijn toegang tot het digitale systeem van de bibliotheek is afgesloten.

2.9.

Werknemer wordt door [V] uitgenodigd voor een gesprek op 6 mei 2015.

Op 4 mei 2015 krijgt werknemer het verslag van de besprekingen met de medewerksters van

16 en 20 april 2015 toegezonden. Werknemer laat werkgever weten juridische bijstand te gaan zoeken en het gesprek op 6 mei te kort dag te vinden. Hij zegt het geplande gesprek om die reden af.

2.10.

Bij brief van 1 juni 2015 heeft de gemachtigde van werknemer werkgever verzocht werknemer toe te laten tot het verrichten van zijn werkzaamheden, eventueel na een daartoe te voeren gesprek. Bij e-mail van 3 juni 2015 heeft [V] laten weten dat werkhervatting op dat moment (nog) niet mogelijk is en eerst een gesprek met werknemer in kader van hoor- en wederhoor dient plaats te vinden.

2.11.

Werknemer heeft vervolgens een kort geding aangespannen, de dagvaarding is betekend op 29 juni 2015. Het kort geding is behandeld ter zitting van 26 augustus 2015 en vervolgens geschorst in verband met mediation en/of onderhandelingen.

2.12.

Begin augustus 2015 hebben intakegesprekken bij een mediator plaatsgevonden. Tot mediation is het evenwel niet gekomen. Na uitvoerige mailwisseling kiest werknemer er voor in augustus 2015 voor het dan eerder aangehouden kort geding door te laten gaan

2.13.

Op 9 september 2015 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen werknemer, de teamleden en mevrouw [H] , bestuurder van RBG. Op 15 september 2015 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen werknemer, [H] en [V] . Bij die gelegenheid heeft RBG werknemer een beëindigingsovereenkomst aangeboden.

2.14.

Op 26 oktober 2015 is de mondelinge behandeling van het kort geding voortgezet. Bij vonnis van 9 november 2015 heeft de kantonrechter als voorzieningenrechter vonnis gewezen en werkgever veroordeeld werknemer binnen zeven dagen na betekening van het vonnis in de gelegenheid te stellen zijn werkzaamheden te hervatten, met alle faciliteiten en bevoegdheden die werknemer uit hoofde van zijn arbeidsovereenkomst geniet, zulks op verbeurte van een in het vonnis genoemde dwangsom.

RBG heeft beroep ingesteld tegen het vonnis van 9 november 2015 in kort geding.

2.15.

Op 12 november 2015 heeft er een gesprek plaatsgevonden tussen werknemer bijgestaan door de heer [L] in de rol van adviseur, [D] en [V] . Uit het gespreksverslag (productie 8 bij verzoekschrift) blijkt dat afspraken zijn gemaakt terzake werkhervatting. In het gespreksverslag staat onder meer vermeld:

[D] geeft aan uiteraard mee te zullen werken aan werkhervatting. Hij heeft reeds de medewerkers van de bibliotheek op de hoogte gebracht. De medewerkers van de bibliotheek waren niet blij met de mededeling. Zij gaven dan ook aan tijd nodig te hebben voor het verwerken van deze onverwachte terugkeer van [eiser] . Zij willen dan ook de eerste week geen leiding van [eiser] en willen ook nog niet met hem in één ruimte verblijven.

[D] geeft naar [eiser] aan, gezien het bovenstaande, het verstandig te vinden om

zijn terugkeer ‘geleidelijk’ te laten plaatsvinden.

Geen enkele partij is er bij gebaat dat, als de terugkeer van [eiser] te abrupt of te snel

plaatsvindt, zich bijvoorbeeld medewerkers ziek melden en daardoor de continuïteit

van het werk en de bedrijfsvoering binnen de bibliotheek onnodig in gevaar komt.

[D] vraagt aan [eiser] hoe hij zijn werkhervatting ziet. Immers, er is (op 9 september) uitgesproken dat zijn team hem niet meer ziet zitten en dat probleem moet wel opgelost worden.

[eiser] geeft aan dat hij graag 1 op 1 gesprekken wil met de mensen van zijn afdeling

om te kijken wat er nodig is om de werkrelatie te herstellen.

Verder heeft hij nog niet zo’n helder beeld van zijn werkhervatting. Hij wil zo snel

mogelijk weer aan het werk.”

2.16.

Werknemer laat bij e-mail van vrijdag 13 november aan [D] het volgende weten:

"Ik heb jullie voorstel besproken met mijn advocaat. Ik zal me houden aan het vonnis en dat betekent dat ik maandag weer gewoon plaatsneem achter mijn computer. Ik ben bevoegd om al mijn werkzaamheden weer te hervatten zoals ik die voor 23 april jl. ook verrichtte.

Ik zal rond 9.00 uur komen zodat jij jouw voorbereidingen kunt treffen."

2.17.

Werknemer is per e-mail van 14 november 2015 opgeroepen zijn werkzaamheden te hervatten. In die mail is het volgende geschreven:

"Wij zullen ons ook houden aan het vonnis en je voldoende faciliteren om in eerste instantie de relatie te herstellen. Bij ons staat een goed functionerende bibliotheek voorop.

Ik heb met onze medewerkers in de bibliotheek afspraken gemaakt en de belangrijkste afspraak is dat ze in de eerste week nog geen contact met je willen. Zij geven aan dat ze niet kunnen functioneren wanneer dit al wel direct gebeurt. Afgelopen donderdag heb ik dit ook duidelijk met je afgesproken. Wij zullen langzaam moeten werken aan het herstel waarin jij inhoudelijk en qua opstelling je verantwoordelijkheid moet nemen, van ons kun je dat voor wat betreft het proces ook verwachten. […].

Ik heb geen voorbereidingen te treffen."

2.18.

Op zondagavond 15 november 2015 laat de gemachtigde van werknemer weten dat werknemer maandag 16 november niet op het werk zal verschijnen nu, kort gezegd, werkgever niet bereid is hem volledig toe te laten tot het verrichten van zijn eigen functie met alle daarbij behorende faciliteiten. De gemachtigde stelt voor dat werknemer een week later, op maandag 23 november 2015 zijn eigen werkzaamheden zal hervatten en in de daaraan voorafgaande week één op één gesprekken met de medewerkers zal voeren, eventueel begeleid door een onafhankelijk persoon, waarbij hij een voormalig kantoorgenoot, thans mediatior, heeft voorgesteld.

2.19.

Werknemer is 16 november 2015 niet op het werk verschenen. In de loop van de ochtend roept [D] werknemer per mail op alsnog te komen. Werknemer belt daarop en laat weten met zijn advocaat te willen overleggen. Daarop stuurt werkgever een mail (16 november 2015, 11.13 uur) dat het loon zal worden stopgezet als werknemer niet direct verschijnt. Werknemer verschijnt niet.

2.20.

Werknemer heeft het kort geding vonnis van 9 november 2015 op 17 november 2015 laten betekenen.

2.23.

Op vrijdag 20 november 2015 is werknemer op het werk verschenen.

Op 23 november 2015 stuurt [D] een e-mail, hij laat weten dat de één op één gesprekken zijn voorbereid en doet een voorstel met een tijdschema voor de te voeren één op één gesprekken met de medewerkers, alsmede dat daarbij [V] aanwezig zal zijn omdat de medewerkers niet alleen met werknemer willen spreken.

2.21.

Werknemer laat weten geen één op één gesprekken met medewerkers te willen voeren in aanwezigheid van [V] . Hij wil of alleen met de medewerkers praten of in aanwezigheid van de door hem voorgestelde mediator.

2.22.

In het e-mailbericht van 24 november 2015 van [V] aan werknemer staat vermeld:

“Wij ontvingen via [D] onderstaande mail. Vervolgens heeft [H] jou rond 16:00 uur gebeld. Daarin heeft [H] , in haar rol van juridisch werkgever, aangegeven dat het niet acceptabel is dat je de werkopdracht van [D] inzake de gesprekken van morgen niet uitvoert.

Zij gaf aan dat je onverkort de werkopdrachten van [D] moet opvolgen.

Als je morgen niet de gesprekken laat plaatsvinden zoals opgedragen, wordt dat opgevat als werkweigering. Dit zou de tweede werkweigering zijn na de werkweigering van vorige week die leidde tot een loonstaking.

Als jij desondanks besluit om de werkopdracht niet uit te voeren, zal dat ernstige gevolgen hebben voor de voortzetting van jouw arbeidsovereenkomst en zal ontslag volgen.”

2.23.

Werknemer heeft nogmaals laten weten dat hij de één gesprekken niet in aanwezigheid van [V] wil voeren maar alleen in aanwezigheid van een onafhankelijke (door hem voorgestelde) derde.

2.24.

Werknemer is vervolgens met ingang van 25 november 2015 (opnieuw) op non-actief gesteld.

3 Het geschil

3.1.

De vordering

[eiser] heeft bij dagvaarding de kantonrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen door bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

1. Gedaagden te veroordelen om [eiser] binnen 24 uur na betekening van

het ten deze te wijzen vonnis in staat te stellen zijn werkzaamheden te hervatten, met

alle faciliteiten en bevoegdheden die [eiser] uit hoofde van de

arbeidsovereenkomst geniet;

2. Gedaagden te veroordelen tot betaling van een dwangsom groot € 10.000,- voor iedere

dag (een deel van de dag daaronder begrepen) dat zij in gebreke zijn, geheel of ten

dele aan dit vonnis te voldoen, met een maximum van € 150.000,- aan te verbeuren

dwangsommen in totaal;

3. Werkgever sub 1 te veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eiser]

te voldoen wegens vertraging ex artikel 7:625 BW vanaf de respectieve

vervaldatum tot aan de dag der algehele voldoening, al de hiervoor bedoelde

bedragen eveneens te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW

vanaf de respectieve vervaldata tot aan de dag der algehele voldoening;

4. Tot slot gedaagden te veroordelen in de kosten van deze procedure

3.2.

Het verweer

Gedaagden concluderen - samengevat - tot het niet ontvankelijk verklaren dan wel tot afwijzing van de vordering.

3.2.1.

Gedaagden stellen dat Rijnbrink de werkgever is zodat [eiser] in zijn vordering tegen het Kulturhus niet ontvankelijk dient te worden verklaard.

3.2.2.

[eiser] dient in zijn vordering tegen Rijnbrink niet ontvankelijk te worden verklaard omdat hij reeds beschikt over een vonnis tot werkhervatting.

3.2.3.

Daarnaast voeren gedaagden aan dat de vordering van [eiser] moet worden afgewezen. Door toedoen van [eiser] is de huidige patstelling ontstaan. [eiser] heeft wederom een redelijke werkopdracht niet uitgevoerd en weigert mee te werken aan het oplossen van het teamprobleem. Ook de gevorderde dwangsommen, wettelijke verhoging en wettelijke rente dienen te worden afgewezen. Tot slot stellen gedaagden dat de door [eiser] gevorderde veroordeling van gedaagden in de proceskosten moet worden afgewezen.

4 De beoordeling

4.1.

De vordering jegens gedaagde sub 2, de stichting Kulturhus dient te worden afgewezen nu het Kulturhus naar voorlopig oordeel niet als werkgever van werknemer heeft te gelden. Werknemer heeft niet alleen in de eerdere kort geding procedure, die heeft geleid tot het vonnis van de kantonrechter Almelo van 9 november 2015, erkend c.q. zich op het standpunt gesteld dat de Stichting Werkgeverschap Rijnbrink zijn werkgever is maar heeft dat standpunt ook ingenomen in de ten behoeve van het onderhavige kort geding dagvaarding (randnummer 7 en volgende).

In het verweerschrift ter zake van de ontbindingsprocedure waarvan de mondelinge behandeling gelijktijdig met de onderhavige vordering heeft plaatsgevonden, alsmede ter zitting heeft werknemer zich op het standpunt gesteld dat niet gedaagde sub 1, Rijnbrink, maar het Kulturhus zijn werkgever is.

Werknemer heeft niet, althans onvoldoende, onderbouwd waarom, terwijl geen nieuwe feiten en/of omstandigheden zijn gesteld of gebleken, in weerwil van de ter zake gemaakte afspraken (ter zetting in het eerdere kort geding) en zijn eerdere standpunten, thans geoordeeld moet worden dat niet Rijnbrink doch het Kulturhus zijn werkgever is. De enkele, in algemene zin opgeworpen vergelijking met payrolling die werknemer daartoe bij verweerschrift en tijdens de mondelinge behandeling heeft gemaakt, is daartoe onvoldoende. Rijnbrink heeft er op mogen vertrouwen dat partijen het er over eens waren en zijn dat zij werkgever van werknemer is.

4.2.

Het verweer van werkgever dat werknemer niet-ontvankelijk dient te worden verklaard omdat er reeds een vonnis in kort geding is gewezen zal worden verworpen. Weliswaar is eerder een kort geding vonnis gewezen tot werkhervatting maar nadien zijn nieuwe feiten en omstandigheden opgekomen. [eiser] is dan ook ontvankelijk in zijn vordering tegen Rijnbrink.

4.3.

Gelet op de beschikking heden onder zaaknummer 4659148 EJ VERZ 15-262 en 4901240 EJ VERZ 16-58 tussen partijen gewezen, in welke beschikking waarin wordt geoordeeld dat het verzoek van Rijnbrink strekkende tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst moet worden toegewezen op grond van artikel 7:669 lid 3 sub g BW (verstoorde arbeidsverhouding) en dat, indien het verzoek niet wordt ingetrokken, de arbeidsovereenkomst tussen partijen met ingang van 1 augustus 2016 wordt ontbonden, heeft [eiser] in zijn vordering in kort geding tot werkhervatting thans geen belang.

Mocht werkgever het ontbindingsverzoek intrekken, heeft werknemer wel belang bij zijn vordering tot wedertewerkstelling.

Zolang niet zeker is of werkgever het ontbindingsverzoek al dan niet intrekt, zal de kantonrechter iedere verdere beslissing in dit kort geding aanhouden, en wel, nu intrekking tot uiterlijk 11 april 2016 mogelijk is, tot 14 april 2016 of zoveel eerdere indien werkgever het verzoek intrekt.

4.4.

Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

5 De beslissing in kort geding

De kantonrechter houdt iedere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen te Almelo door mr. E.W. de Groot, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 14 maart 2016.