Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2016:838

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
10-03-2016
Datum publicatie
10-03-2016
Zaaknummer
08/955053-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Geen straf na dodelijk ongeval op Zwolseweg bij ’s-Heerenbroek. De rechtbank Overijssel oordeelt dat de tractorbestuurder een rechterlijk pardon krijgt voor het ongeval op donderdagavond 9 oktober 2014 op de Zwolseweg in ‘s-Heerenbroek. Daarbij reed een auto op de aanhanger achter zijn tractor, waardoor één slachtoffer overleed en 3 anderen gewond raakte.

De rechtbank oordeelt dat de man met een aanhangwagen, zonder reflectoren aan de zijkant, de weg blokkeerde toen hij een oprit niet verder kon inrijden. Hij beging daarmee een verkeersovertreding. Door een zeer ongelukkige samenloop van omstandigheden mochten alle voorzorgsmaatregelen die de man vooraf had getroffen om de oprit veilig te bereiken niet baten.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat het opleggen van een straf of maatregel aan de tractorbestuurder onder de gegeven omstandigheden niet passend is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Overijssel

Afdeling Strafrecht

Zittingsplaats Zwolle

Parketnummer (P): 08/955053-15

Datum vonnis: 10 maart 2016

Vonnis (promis) op tegenspraak van de rechtbank Overijssel, meervoudige kamer voor strafzaken, rechtdoende in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,

wonende te [woonplaats] .

1 Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 1 oktober 2015, 16 november 2015 en 25 februari 2016. De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. M. Lousberg en van hetgeen door de verdachte en diens raadsvrouw mr. M. Schlepers, advocaat te Groningen, naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte een verkeersongeval heeft veroorzaakt waardoor een ander werd gedood en bij anderen (zwaar) lichamelijk letsel is ontstaan, dan wel dat hij gevaar op de weg heeft veroorzaakt.

Voluit luidt de tenlastelegging aan de verdachte, dat:

hij op of omstreeks 9 oktober 2014 omstreeks 20.34 uur, zijnde een tijdstip waarop de duisternis was ingetreden te 's-Heerenbroek, gemeente Kampen als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (landbouwtrekker met aanhangwagen), komende uit de richting Kampen, daarmede rijdende over de weg, de Zwolseweg

zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig, onoplettend en/of onachtzaam heeft gereden, hierin bestaande dat verdachte,

ter hoogte van van het pand [adres] aldaar,

terwijl de lengte van die aanhangwagen, zijnde een voertuig van de voertuigcategorie O, als bedoeld in artikel 1.1 van de Regeling voertuigen, die door dat motorrijtuig (landbouwtrekker) werd voortbewogen, 12,40 meter bedroeg, zijnde een grotere lengte dan de maximum, ingevolge artikel 5.14.6 van de Regeling voertuigen, toegestane lengte van 12.00 meter en/of

die aanhangwagen in strijd met het gestelde in artikel 15.14.51 onder g en/of artikel 5.14.53 onder 7 van de Regeling voertuigen, niet aan de zijkanten was voorzien en/of ingericht van/met ambergele en/of rode retroreflectoren en/of

die aanhangwagen in strijd met het gestelde in artikel 15.14.51 onder h en/of artikel 5.14.53 onder 8 van de Regeling voertuigen, niet was voorzien en/of ingericht van/met markeringslichten en/of

het voor hem, verdachte, - gelet op die overschrijdende lengte van die aanhangwagen, het ontbreken van die retroreflectoren op de zijkanten van die aanhangwagen en/of het ontbreken van markeringslichten-,

ingevolge artikel 5.1.1.1 van de Regeling voertuigen verboden was om met vorenstaande aanhangwagen, die niet van deugdelijke bouw en/of inrichting was en/of niet voldeed aan de in artikel 2 tot 17 van hoofdstuk 5 van de Regeling voertuigen ten aanzien van de bouw en/of van inrichting van voertuigen van de categorie waartoe dat voertuig, te weten voormelde aanhangwagen, behoort, te rijden en/of

met dat motorrijtuig (landbouwtrekker met aanhangwagen) naar links gaand, een aan die weg (Zwolseweg) gelegen inrit/oprit is opgereden, zijnde een bijzondere manoeuvre, als bedoeld in artikel 54 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 en/of

dat motorrijtuig (landbouwtrekker met aanhangwagen) op zodanige wijze tot stilstand heeft gebracht, dat de achterzijde of een gedeelte van de achterzijde(laadvloer) van die aanhangwagen zich op een hoogte van ongeveer 1,4 meter - en/of

onder het einde van die aanhanger, zich op een hoogte van ongeveer 0,90 meter gemonteerde scherpe metalen delen, boven het wegdek van,

-gezien, zijn verdachtes aanvankelijke op de Zwolseweg gevolgde rijrichting-,

het voor het tegemoetkomende verkeer bestemde weggedeelte van die Zwolseweg

bevond/en en/of

in strijd met het gestelde in artikel 54 van voormeld reglement, die bijzondere manoeuvre heeft uitgevoerd, waarbij hij, verdachte een op dat voor het tegemoetkomende verkeer bestemde weggedeelte rijdende bestuurder van een ander motorrijtuig (personenauto) niet voor heeft laten gaan en/of

waardoor dat andere motorrijtuig(personenauto, merk Renault) is gebotst tegen of in aanrijding gekomen met voormelde aanhanger en/of

waardoor of waarbij dat andere motorrijtuig (personenauto, merk Renault) geheel of gedeeltelijk op het, gezien, zijn rijrichting (de rijrichting van dat andere motorrijtuig(personenauto, merk Renault)), voor het tegemoetkomend verkeer bestemde weggedeelte van die weg (de Zwolseweg) is terechtgekomen en/of op een afstand van ongeveer 120 meter, -gerekend vanaf de plaats van vorenstaande aanrijding-, frontaal, althans bijna frontaal op een over dat

laatstgenoemde voor het tegemoetkomend verkeer bestemde weggedeelte rijdend,

toen dicht genaderd zijnd ander motorrijtuig (personenauto, merk Mini Cooper),

is gebotst en/of aangereden

waardoor hij verdachte zich aldus zodanig heeft gedragen dat een aan zijn, verdachtes schuld te wijten verkeersongeval/len heeft/hebben plaatsgevonden, waardoor een ander (genaamd [slachtoffer 1] )werd gedood en/of [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] zwaar lichamelijk letsel of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan;

ALTHANS, voor zover voor het vorenstaande onder 1 geen veroordeling mocht of zou

kunnen volgen, SUBSIDIAIR, terzake dat

hij op of omstreeks 09 oktober 2014 omstreeks 20.34 uur, zijnde een tijdstip waarop de duisternis was ingetreden te 's-Heerenbroek, gemeente Kampen, als bestuurder van een motorrijtuig (landbouwtrekker met aanhangwagen), daarmede komende uit de richting 's-Heerenbroek en gaande in de richting Kampen, heeft gereden over de weg, de Zwolseweg en ter hoogte van perceel [adres] aldaar,

terwijl de lengte van die aanhangwagen, zijnde een voertuig van de voertuigcategorie O, als bedoeld in artikel 1.1 van de Regeling voertuigen, die door dat motorrijtuig (landbouwtrekker) werd voortbewogen, 12,40 meter bedroeg, zijnde een grotere lengte dan de maximum, ingevolge artikel 5.14.6 van de Regeling voertuigen, toegestane lengte van 12.00 meter en/of

die aanhangwagen in strijd met het gestelde in artikel 15.14.51 onder g en/of artikel 5.14.53 onder 7 van de Regeling voertuigen, niet aan de zijkanten was voorzien en/of ingericht van/met ambergele en/of rode retroreflectoren en/of

die aanhangwagen in strijd met het gestelde in artikel 15.14.51 onder h en/of artikel 5.14.53 onder 8 van de Regeling voertuigen, niet was voorzien en/of ingericht van/met markeringslichten en/of

het voor hem, verdachte, - gelet op die overschrijdende lengte van die aanhangwagen, het ontbreken van die retroreflectoren op de zijkanten van die aanhangwagen en/of het ontbreken van markeringslichten-,

ingevolge artikel 5.1.1.1 van de Regeling voertuigen verboden was om met vorenstaande aanhangwagen, die niet van deugdelijke bouw en/of inrichting was en/of niet voldeed aan de in artikel 2 tot 17 van hoofdstuk 5 van de Regeling voertuigen ten aanzien van de bouw en/of van inrichting van voertuigen van de categorie waartoe dat voertuig, te weten voormelde aanhangwagen, behoort, te rijden

met dat motorrijtuig (landbouwtrekker met aanhangwagen) naar links gaand, een

aan die weg (Zwolseweg) gelegen inrit/oprit is opgereden, zijnde een

bijzondere manoeuvre, als bedoeld in artikel 54 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 en/of

dat motorrijtuig (landbouwtrekker met aanhangwagen) op zodanige wijze tot

stilstand heeft gebracht,

dat de achterzijde of een gedeelte van de achterzijde(laadvloer) van die

aanhangwagen, zich op een hoogte van ongeveer 1,4 meter en/of

onder het einde van die aanhanger, zich op een hoogte van ongeveer 0,90 meter

gemonteerde scherpe metalen delen, boven het wegdek van,

-gezien, zijn verdachtes aanvankelijke op de Zwolseweg gevolgde rijrichting-,

het voor het tegemoetkomende verkeer bestemde weggedeelte van die Zwolseweg

bevond/en en/of

in strijd met het gestelde in artikel 54 van voormeld reglement, die bijzondere manoeuvre uit uitgevoerd, waarbij hij, verdachte een op dat voor het tegemoetkomende verkeer bestemde weggedeelte rijdende bestuurder van een ander motorrijtuig (personenauto) niet voor heeft laten gaan en/of

waardoor dat andere motorrijtuig (personenauto, merk Renault) is gebotst tegen of in

aanrijding gekomen met voormelde aanhanger en/of

waardoor of waarbij dat andere motorrijtuig (personenauto, merk Renault) geheel of gedeeltelijk op het, -gezien, zijn rijrichting (de rijrichting van dat andere motorrijtuig(personenauto, merk Renault))-, voor het tegemoetkomend verkeer bestemde weggedeelte van die weg (de Zwolseweg) is terechtgekomen en/of op een afstand van ongeveer 120 meter, -gerekend vanaf de plaats van vorenstaande aanrijding-, frontaal, althans bijna frontaal op een over dat laatstgenoemde, voor het tegemoetkomend verkeer bestemde weggedeelte rijdend, toen dicht genaderd zijnd ander motorrijtuig (personenauto, merk Mini Cooper), is gebotst en/of aangereden,

door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd.

3 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor het subsidiair ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een taakstraf, te weten een werkstraf voor de duur van 90 uur, subsidiair 45 dagen hechtenis.

4 De voorvragen

De raadsvrouw heeft bepleit dat de dagvaarding ex artikel 261 Wetboek van Strafvordering (Sv) de wettelijke voorschriften dient te behelzen, waarbij het feit strafbaar is gesteld, zulks op straffe van nietigheid. Voor de verdachte is het onduidelijk welk wettelijk voorschrift van de Regeling voertuigen de officier van justitie op het ten laste gelegde van toepassing acht aangezien een aantal van de ten laste gelegde artikelen niet bestaat. Dit kan niet te gelden hebben als een kennelijke verschrijving. Gelet hierop dient de dagvaarding nietig te worden verklaard.

De rechtbank stelt vast dat de artikelen van de Regeling voertuigen zoals die zijn opgenomen in de tenlastelegging geldend waren op 9 oktober 2014, zijnde de datum waarop het tenlastegelegde feit zich heeft voorgedaan. Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat de dagvaarding in overeenstemming is met de eisen gesteld in het eerste lid van artikel 261 Sv, zodat geen sprake is van nietigheid van de dagvaarding.

De rechtbank stelt voorts vast dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

5 De beoordeling van het bewijs

Deze paragraaf bevat het oordeel van de rechtbank over de vraag of het tenlastegelegde feit bewezenverklaard kan worden of dat verdachte daarvan moet worden vrijgesproken. In het geval de rechtbank tot een bewezenverklaring komt, steunt de beslissing dat verdachte het feit heeft begaan op de inhoud van bewijsmiddelen die als bijlage aan het vonnis zijn gehecht en daarvan op die wijze deel uitmaken. Deze bewijsmiddelen bevatten dan de redengevende feiten en omstandigheden op grond waarvan de rechtbank de overtuiging heeft gekregen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.

5.1

De standpunten van de officier van justitie en de verdediging

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het primair ten laste gelegde niet wettig en overtuigend bewezen kan worden en dat de verdachte daarvan moet worden vrijgesproken. Met betrekking tot het subsidiair ten laste gelegde heeft de officier van justitie aangevoerd dat het feit bewezen kan worden, aangezien de verdachte zich zodanig heeft gedragen dat er gevaar op de weg werd veroorzaakt.

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat verdachte van het primair ten laste gelegde moet worden vrijgesproken aangezien hij zich niet zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden. Van schuld, vereist voor bewezenverklaring van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW) is eveneens geen sprake, zodat verdachte ook van het subsidiair ten laste gelegde moet worden vrijgesproken.

5.2

De bewijsoverwegingen van de rechtbank

Het primair ten laste gelegde

Volgens bestendige jurisprudentie van de Hoge Raad (HR 1 juni 2004, LJN AO5822) komt het bij de beoordeling van schuld in de zin van artikel 6 WVW aan op het geheel van de gedragingen van de verdachte, de aard en ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Dat brengt mee dat niet in algemene zin is aan te geven of één verkeersovertreding voldoende is voor de bewezenverklaring van schuld in de zin van artikel 6 WVW. Daarvoor zijn verschillende factoren van belang, zoals de aard en de concrete ernst van de overtreding en de omstandigheden waaronder die is begaan. Voor schuld is dus meer nodig dan het veronachtzamen van de voorzichtigheid en de oplettendheid die van een normaal oplettende bestuurder mag worden verwacht. Verder kan niet reeds uit de ernst van de gevolgen van verkeersgedrag dat in strijd is met één of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer, worden afgeleid dat er sprake is van schuld in vorenbedoelde zin.

Uit de bewijsmiddelen, waaronder de verklaring die verdachte ter zitting heeft afgelegd, kan worden vastgesteld dat verdachte op 9 oktober 2014 omstreeks 20.34 uur op de Zwolseweg te ’s-Heerenbroek reed als bestuurder van een landbouwtrekker, met hierachter een aanhangwagen gekoppeld. Op dat tijdstip was de duisternis ingevallen en was de straatverlichting in werking. De verdachte kwam uit de richting van de bebouwde kom van ’s-Heerenbroek en reed in de richting van Kampen. Ter hoogte van het perceel aan de [adres] sloeg verdachte met de landbouwtrekker linksaf het erf op van genoemd perceel om naar het achter het perceel gelegen land te rijden. Voordat de verdachte de manoeuvre naar links inzette, zag hij dat uit de tegenovergestelde richting in de verte een auto kwam aanrijden. Deze auto reed op nog grote afstand voor hem, ter hoogte van het verderop gelegen tankstation, waardoor verdachte heeft ingeschat dat hij ruim voldoende tijd had om vóór de auto de oprit in te rijden. Vervolgens is de verdachte de oprit ingereden, waarbij hij direct bemerkte dat hij de oprit niet in zijn geheel kon inrijden omdat de doorgang op het erf werd belemmerd door een aldaar op de oprit geparkeerd staande auto.

De verdachte wist niet dat er een auto op de oprit was geparkeerd, aangezien hij in de veronderstelling verkeerde dat de auto van de bewoner verplaatst zou zijn. Daarover was van te voren contact geweest met de bestuurder van de auto. Bovendien had verdachte, voordat hij de oprit inreed, gezien dat voor het perceel [adres] naast de rijbaan een auto geparkeerd stond. Gelet hierop ging verdachte er van uit dat de auto daadwerkelijk verplaatst was en de oprit dus vrij zou zijn. Voorts heeft de verdachte verklaard dat vanaf de openbare weg niet te zien is of op de oprit een auto geparkeerd staat: het woonhuis belemmert dit zicht.

Nadat verdachte geconfronteerd werd met de op de oprit geparkeerde auto heeft hij de landbouwtrekker zo dicht mogelijk achter deze geparkeerde auto tot stilstand gebracht. Om ruimte te winnen heeft hij de voorlader omhoog gezet. Een deel van de aanhangwagen van de combinatie bleef op het fietspad en de Zwolseweg staan. Doordat er naar links de oprit was ingestuurd, stond de aanhangwagen onder een hoek op de rijbaan. Omdat de verdachte niet goed kon inschatten hoe ver de aanhangwagen over de rijbaan stak en hij had gezien dat er een tegemoetkomende auto op die rijbaan in zijn richting reed, heeft hij de werkverlichting aan de achterzijde van de landbouwtrekker aangezet zodat de aanhangwagen verlicht was en vanaf de weg zichtbaar zou zijn. De verdachte heeft de werkverlichting daarna nog even uitgezet, omdat de werkverlichting de bestuurder van de auto zou kunnen verblinden. Kort daarop heeft verdachte de werkverlichting toch weer aangezet.

De verdachte heeft voorts verklaard dat hij, op het moment dat hij stil kwam te staan en niet verder kon met de combinatie, niet met de landbouwtrekker terug achteruit de weg op is gereden omdat hij vond dat hij daarmee een groot risico zou hebben genomen door ‘blind’ achteruit de weg op te draaien.

Vervolgens duurde het een aantal seconden voordat de bestuurder van de op de oprit geparkeerd staande auto de auto ging verzetten. Terwijl dit gebeurde, zag de verdachte de auto op de rijbaan naderen die hij kort daarvoor hem tegemoet had zien komen rijden. Ter hoogte van de [adres] werd de bestuurder van die auto op enig moment geconfronteerd met de stilstaande aanhangwagen en botste hij met zijn auto tegen het achtergedeelte van de aanhangwagen. De auto reed onder de achterzijde van de aanhangwagen door waardoor de auto zeer beschadigd raakte. De bestuurder werd hierbij door delen van de aanhangwagen geraakt waardoor hij, blijkens het verslag van de gemeentelijke lijkschouwer, door het opgelopen trauma direct overleed. Vervolgens reed de auto ongecontroleerd in de richting ’s-Heerenbroek, verder over de Zwolseweg en botste tegen een vanuit de tegenovergestelde richting komende auto. Bij deze botsing raakten enkele inzittenden van die auto gewond.

Het geheel aan gedragingen van verdachte en de omstandigheden waaronder die gedragingen hebben plaatsgevonden overziende, acht de rechtbank niet bewezen dat er sprake is van schuld in de zin van artikel 6 WVW.

Vastgesteld kan worden dat, door de afslaande manoeuvre van de verdachte richting de oprit, de aanhangwagen van de combinatie met de achterzijde op de rijbaan van de Zwolseweg is komen te staan en dat hierdoor een deel van de rijbaan geblokkeerd is geraakt. Ook stelt de rechtbank vast dat reflectoren aan de zijkant van de aanhangwagen ontbraken. Hierdoor is een zeer gevaarlijke situatie ontstaan die binnen een paar seconden heeft geleid tot een vreselijk ongeval. De vraag is evenwel in hoeverre deze situatie gekoppeld kan worden aan strafrechtelijk relevante gedragingen van de verdachte. In de veronderstelling dat de oprit vrij zou zijn, waartoe verdachte zich kort daarvoor had laten informeren en waar hij dus op dat moment vanuit mocht gaan, is hij de oprit ingereden. De auto die vanuit tegemoetkomende richting kwam aanrijden was - anders is uit het dossier niet komen vast te staan - nog op veilige afstand om daarvoor langs te rijden in een normale situatie. Aldus kan niet worden vastgesteld dat verdachte niet alle voor hem mogelijke voorzorgsmaatregelen heeft genomen om de oprit veilig te bereiken. Vervolgens heeft hij, geconfronteerd met de auto op de oprit, onmiddellijk de verlichting van de aanhanger in werking gezet met als doel het tegemoetkomend verkeer te waarschuwen. In de korte tijdsspanne die verdachte vervolgens nog had voordat de tegemoetkomende auto ter hoogte van de combinatie zou geraken had niet in redelijkheid van hem verwacht kunnen worden dat hij andere gevaarverminderende handelingen zou hebben verricht terwijl redelijke alternatieven ook niet voorhanden lijken te zijn geweest. Gelet op de toedracht, te weten dat het stilstaan van de aanhangwagen en de botsing van de op de rijbaan rijdende auto met die aanhanger heeft plaatsgevonden in enkele seconden, is de rechtbank van oordeel dat in de gegeven omstandigheden niet kan worden vastgesteld dat verdachte zeer, althans aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onoplettend, onachtzaam heeft gereden in de zin van artikel 6 WVW. De rechtbank zal de verdachte daarom van het primair ten laste gelegde vrijspreken.

Het subsidiair tenlastegelegde

In artikel 5 WVW heeft ‘gevaar’ betrekking op de veiligheid op de weg. Het gevaar is gelegen in een reële kans op een ongeval. Artikel 5 WVW stelt als minimumeis een zekere mate van concreet gevaar scheppend gedrag. Hij die zich in het verkeer van een gevaar bewust behoort te zijn, moet zichzelf evenwel in de gelegenheid stellen vast te stellen dat dit gevaar zich niet voordoet (HR 23 oktober 1962, VR 1963 en HR 7 juni 2005, NJ 2005, 435).

De rechtbank is van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het subsidiair ten laste gelegde. Verdachte heeft als bestuurder van een landbouwtrekker met hierachter een aanhangwagen gekoppeld, waarop reflectoren aan de zijkant ontbraken, op enig moment de landbouwtrekker tot stilstand gebracht. De aanhangwagen heeft op de rijbaan van de Zwolseweg stil gestaan en heeft een deel van rijbaan geblokkeerd waardoor er een ongeval heeft plaatsgevonden. Dat is verdachte aan te rekenen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verdachte hiermee gevaar op de weg veroorzaakt.

5.3

De conclusie

De rechtbank acht niet bewezen wat aan de verdachte primair is tenlastegelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

De rechtbank is door de inhoud van de wettige bewijsmiddelen tot de overtuiging gekomen, dat de verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 09 oktober 2014 omstreeks 20.34 uur, een tijdstip waarop de duisternis was ingetreden te 's-Heerenbroek, gemeente Kampen, als bestuurder van een motorrijtuig (landbouwtrekker met aanhangwagen), daarmede komende uit de richting 's-Heerenbroek en gaande in de richting Kampen, heeft gereden over de Zwolseweg en ter hoogte van perceel [adres] aldaar,

terwijl die aanhangwagen in strijd met het gestelde in artikel 15.14.51 onder g en/of artikel 5.14.53 onder 7 van de Regeling voertuigen, niet aan de zijkanten was voorzien en/of ingericht van/met ambergele en/of rode retroreflectoren en

het voor hem, verdachte, gelet op het ontbreken van die retroreflectoren op de zijkanten van die aanhangwagen,

ingevolge artikel 5.1.1.1 van de Regeling voertuigen verboden was om met vorenstaande aanhangwagen, die niet van deugdelijke inrichting was en/of niet voldeed aan de in artikel 2 tot 17 van hoofdstuk 5 van de Regeling voertuigen ten aanzien van de inrichting van voertuigen van de categorie waartoe dat voertuig, te weten voormelde aanhangwagen, behoort, te rijden

met dat motorrijtuig (landbouwtrekker met aanhangwagen) naar links gaand, een

aan die weg (Zwolseweg) gelegen inrit/oprit is opgereden, zijnde een

bijzondere manoeuvre, als bedoeld in artikel 54 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 en

dat motorrijtuig (landbouwtrekker met aanhangwagen) op zodanige wijze tot

stilstand heeft gebracht,

dat een gedeelte van de achterzijde (laadvloer) van die aanhangwagen, zich boven het wegdek van het voor het tegemoetkomende verkeer bestemde weggedeelte van die Zwolseweg bevond

waardoor dat andere motorrijtuig (personenauto, merk Renault) is gebotst tegen voormelde aanhanger en

waardoor dat andere motorrijtuig (personenauto, merk Renault) geheel of gedeeltelijk op het, -gezien, zijn rijrichting (de rijrichting van dat andere motorrijtuig(personenauto, merk Renault))-, voor het tegemoetkomend verkeer bestemde weggedeelte van die weg (de Zwolseweg) is terechtgekomen en/of op een afstand van ongeveer 120 meter, -gerekend vanaf de plaats van vorenstaande aanrijding-, frontaal, althans bijna frontaal op een over dat laatstgenoemde, voor het tegemoetkomend verkeer bestemde weggedeelte rijdend, toen dicht genaderd zijnd ander motorrijtuig (personenauto, merk Mini Cooper), is gebotst,

door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt.

De rechtbank heeft de in de tenlastelegging voorkomende schrijffouten verbeterd in de bewezenverklaring. Verdachte wordt hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan de verdachte subsidiair meer of anders is tenlastegelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

6 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld bij artikel 175 WVW. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:

subsidiair

de overtreding: overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994

7 De strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor het bewezenverklaarde feit.

8 De op te leggen straf of maatregel

Bij de beslissing over de afdoening van de zaak houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. Ook neemt de rechtbank de volgende factoren in aanmerking.

Op de verdachte rust als bestuurder van een motorrijtuig de verantwoordelijkheid zich te allen tijde te vergewissen of er andere verkeersdeelnemers op de openbare weg aanwezig zijn en moet hier rekening mee houden. Verdachte heeft de voor zijn voertuig geldende verkeersregels overtreden, waardoor gevaar is ontstaan en een ongeval is gevolgd waarbij meerdere medeweggebruikers betrokken zijn geraakt. Bij het ongeval is een persoon overleden en zijn andere personen gewond geraakt. Dat het ongeval grote gevolgen heeft gehad voor de nabestaanden van het overleden slachtoffer en de andere slachtoffers blijkt uit de schriftelijke slachtofferverklaringen.

De rechtbank is van oordeel dat in beginsel vanuit het oogpunt van normbevestiging op gevaarzettend gedrag een straf en/of maatregel dient te volgen. De rechtbank merkt op dat een straf, ongeacht in welke vorm deze wordt gegoten, het verdriet van de nabestaande en de angst en pijn die de andere slachtoffers hebben ervaren, niet kan wegnemen.

De verdachte heeft door relatief gering onvoorzichtig te handelen een ernstig ongeval veroorzaakt. Het strafbare feit waaraan verdachte zich heeft schuldig gemaakt, is een overtreding. In de jurisprudentie wordt voor overtredingen als deze een werkstraf als uitgangspunt genomen.

De rechtbank is van oordeel dat in dit geval het opleggen van een straf of maatregel geen enkel strafdoel (preventie of vergelding) meer dient.

De rechtbank kent veel gewicht toe aan de omstandigheden zoals deze zich voorafgaand aan het ongeval hebben voorgedaan, te weten de voorzorgsmaatregelen die verdachte heeft genomen om de oprit – ook voor andere weggebruikers – veilig te bereiken. Tevens houdt de rechtbank rekening met de zeer ongelukkige samenloop van omstandigheden waaronder het ongeval heeft plaatsgevonden. Ook op verdachte heeft het ongeval een grote impact gehad, zoals blijkt uit zijn verklaring ter zitting. Verder houdt de rechtbank rekening met de tijd die is verstreken tussen de datum van het ongeval en die van de berechting en dat verdachte een nagenoeg blanco strafblad heeft.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat het opleggen van een straf of maatregel aan verdachte onder de gegeven omstandigheden niet passend is.

9 De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.

10 De beslissing

De rechtbank:

vrijspraak/bewezenverklaring

  • -

    verklaart niet bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;

  • -

    verklaart bewezen, dat verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

  • -

    verklaart niet bewezen wat aan verdachte subsidiair meer of anders is tenlastegelegd en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid

  • -

    verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;

  • -

    verklaart dat het bewezenverklaarde het volgende strafbare feit oplevert:
    subsidiair: overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.

  • -

    verklaart verdachte strafbaar voor het subsidiair bewezenverklaarde;

- bepaalt dat geen straf of maatregel wordt opgelegd.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. van Bruggen, voorzitter, mr. F. van der Maden en

mr. J.H.W.R. Orriëns-Schipper, rechters, in tegenwoordigheid van H.J.A. Teerlink, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 10 maart 2016.

Mr. F. van der Maden is buiten staat het vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage bewijsmiddelen

Leeswijzer

Deze bijlage maakt deel uit van het vonnis en bevat de bewijsmiddelen.

Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit bladzijden uit het dossier van de regiopolitie Oost-Nederland met nummer IJsselland PL04KA 2014084714. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.

1.

het proces-verbaal van de terechtzitting van 25 februari 2015, voor zover inhoudende de verklaring van de verdachte, zakelijk weergegeven:

“(…) Op 9 oktober 2014 reed ik op de Zwolseweg te ’s-Heerenbroek richting Kampen als bestuurder van een landbouwtrekker met aanhangwagen. (…) Op een gegeven moment moest ik de oprit oprijden van het perceel met [adres] . In de verte, ter hoogte van het benzinestation en de rotonde, zag ik op de tegemoetkomende rijbaan een auto rijden. De auto was nog zo ver weg dat ik voldoende tijd had om voor de auto de oprit op te rijden. (…) Toen ik de oprit opreed zag ik dat er een auto geparkeerd stond. Vanaf de weg is dit niet zien en ik was ook in de veronderstelling dat dit niet het geval zou zijn aangezien van te voren contact was geweest over het verplaatsen van de auto en ik aan de kant van de weg een auto geparkeerd zag staan. (…) Ik ging er dus van uit dat de oprit vrij was. (…) Ik heb de voorlader van de landbouwtrekker omhoog gedaan en ben zo ver als mogelijk de oprit op gereden. (…) Ik zag dat een deel van de aanhangwagen op de rijbaan stond. (…) Omdat ik wist dat er een auto op de andere rijbaan naderde heb de werkverlichting aan de achterzijde van de landbouwtrekker aangezet zodat de aanhangwagen verlicht werd en zichtbaar was vanaf de weg. (…) Omdat ik de bestuurder van de auto niet wilde verblinden heb ik de werkverlichting uit gezet en vervolgens weer aangezet. (…) Ik ben met de landbouwtrekker en aanhanger niet achteruit de weg op gereden omdat ik daarmee een groot risico zou nemen. (…) Vervolgens duurde het enkele seconden voordat de bestuurder van de op de oprit geparkeerde auto zijn auto ging verplaatsen. (…) Ik keek naar de weg en zag een auto aan komen rijden die vervolgens tegen de aanhanger botste. (…).”

2.

het proces-verbaal Forensische Opsporing Verkeers Ongevallen Analyse, met foto’s, van verbalisanten [verbalisant] en [verbalisant] d.d. 6 februari 2015, voor zover inhoudende het relaas van de verbalisanten, zakelijk weergegeven:

“(…)

1.2

Beknopte beschrijving ongeval

Op de Zwolseweg te ’s-Heerenbroek, gemeente Kampen, hadden een tweetal aanrijdingen plaats gevonden tussen a) een personenauto en autonome aanhangwagen (hierna aanhangwagen) van een landbouwtrekker en vervolgens b) was de personenauto frontaal tegen een tweede personenauto gebotst. Bij het eerste ongeval kwam de bestuurder van de eerste genoemde personenauto om het leven en werden, door de tweede aanrijding, drie personen uit de tweede personenauto overgebracht naar het ziekenhuis te Zwolle.

1.3.

Betrokken voertuig(en)

Bij dit ongeval waren de volgende voertuigen betrokken:

1.3.1

Landbouwtrekker, merk Case IH, Type CVX 1145. Met hierachter gekoppeld:

1.3.2

Aanhangwagen, merk onbekend. (zogenaamde platte wagen)

1.3.3.

Personenauto, merk Renault, Type Megane, (…).

1.3.4

Personenauto, merk Mini, Type One D (…)

1.5

Conclusie/beantwoording (…)

De aanhangwagen voldeed niet aan de permanente eisen welke gesteld zijn in artikel 5.14.0 van de Regeling voertuigen. (…)

Artikel 5.1.1.1. Regeling voertuigen

Het is de bestuurder van een voertuig verboden daarmee te rijden en de eigenaar of houder verboden daarmee te laten rijden, indien het voertuig: a. niet deugdelijk van (…) inrichting is (…). c. niet voldoet aan de in de afdelingen 2 tot en met 17 van dit hoofdstuk ten aanzien van de bouw of inrichting van voertuigen van de categorie waartoe het voertuig behoort, gestelde eisen. (…)

Artikel 5.14.51 Eisen – Aanhangwagen moeten zijn voorzien van:

(…) g. ambergele retroreflectoren aan elke zijkant van het voertuig, de achterste retroreflector aan de zijkant mag rood zijn; (…)

Foto 1 (…).

C. Op de Zwolseweg te ’s-Heerenbroek reed de bestuurder van een landbouwtrekker, met hierachter een aanhangwagen gekoppeld. Deze combinatie was komende uit de richting van de bebouwde kom van ’s-Heerenbroek en gaande in de richting van Kampen. Ter hoogte van het perceel [adres] sloeg de bestuurder van de landbouwtrekker linksaf het erf van genoemd perceel op. (…) Zijn doorgang werd op het erf belemmerd door een geparkeerde personenauto. Hierop bracht de bestuurder van de landbouwtrekker zijn combinatie tot stilstand. De aanhangwagen van de combinatie bleef met de achterzijde op, danwel boven, de Zwolseweg staan. Hierdoor blokkeerde de aanhangwagen een zeer groot deel van de, voor de bestuurder van de Renault bestemde, rijstrook. Vanuit Kampen reed in de richting van ’s-Heerenbroek de bestuurder van de Renault Mégane. Ter hoogte van de [adres] werd deze, kennelijk zeer plotseling, geconfronteerd met de stilstaande aanhangwagen. Door het naar links insturen van de combinatie stond de aanhangwagen, gezien de rijrichting van de naderende Renault, onder een hoek van ongeveer 135°. De naderende Renault kon een aanrijding met de aanhangwagen niet voorkomen en botste op de rechter achterzijde van deze aanhangwagen. (…) De beide zijdes van de aanhangwagen waren niet voorzien van enige contourverlichting en/of reflectie. (…) De Renault reed onder de achterzijde van de aanhangwagen door. (…) Ongecontroleerd reed c.q. rolde, de Renault in zijn oorspronkelijke rijrichting, richting ’s-Heerenbroek, verder over de Zwolseweg. Vanuit de tegenovergestelde richting naderde de bestuurster van een personenauto merk: Mini. (…) 120 meter na de eerste botsing, botste de Renault, met een overlap van ongeveer 60%, frontaal tegen de voorzijde van de Mini. (…) Bij de tweede botsing raakte twee, van de drie, personen van de Mini gewond, (…).

2.2.6

Lichtgesteldheid

Op het moment van de aanrijding was de lichtgesteldheid, (…) Duisternis. Tijdstip 20.34 uur, 1e melding Meldkamer Oost Nederland. (…)

2.2.7

Wegverlichting

(…) straatverlichting in werking. (…).

3.3

Aanhangwagen

3.3.1

Merk Onbekend

(…) Wij zagen dat de aanhangwagen: (…) niet was voorzien van ambergele retroreflectoren (of rode mocht het de achterste zijn) aan elke zijkant van het voertuig, (zie foto’s 21 en 22). 3.3.2 Eindpositie voertuig

(…) Wij zagen dat de aanhangwagen in de botspositie met het achterste deel, de achteroverhang van de aanhangwagen de gehele breedte van de rijstrook, waar ook de Renault op reed, blokkeerde. Wij zagen, dat in de botspositie, de rechter wielen van de achterste as op de kantstreep stonden. Foto 30 en 31: Aangetroffen situatie door ons, na de botsing was de landbouwcombinatie naar voren geplaatst. Bord 3 geven de schuifsporen op het wegdek aan. Foto 32 en 33: de gepositioneerde aanhangwagen in de botspositie.

3.4.2

Eindpositie voertuig

(…) De Renault kwam 120 meter na de eerste botsing frontaal in botsing met de Mini welke uit tegenovergestelde richting naderde. (…) Foto 39. (…)

4 Nader onderzoek en berekening

4.1

Doel onderzoek

Het doel is het doen van nader onderzoek aan sporen en omstandigheden, teneinde deze te verrekenen tot concrete ongeval gegevens.

4.11.

Bepaling botsposities

Aan de hand van de schade en de aangetroffen sporen aan de voertuigen, werden de voertuigen tegen elkaar geplaatst. Hierdoor werd duidelijk hoe de Renault en de aanhangwagen zich ongeveer ten opzichte van elkaar bevonden en hoe vervolgens de Renault en de Mini zich ongeveer ten opzichte van elkaar bevonden op het moment van de aanrijdingen. (…) Doordat het landbouwtrekker en de daarachter gekoppelde aanhangwagen ingestuurd stond om het erf op te rijden. Stond de aanhangwagen niet haaks op de rijrichting van de Renault. De Renault reed hierdoor onder een hoek tegen de rechter achterzijde van de aanhangwagen. Deze hoek konden wij bij benadering reconstrueren door de schade van de ongevals-Renault op te meten en door middel van stickers over te zetten op de reconstructie-Renault. Hierbij is het Renault merkteken op de voorzijde van de motorkap gebruikt als referentie. Foto 53: De zware schade op de motorkap van de Renault. (…) Foto 57 en 58: De reconstructie-Renault gepositioneerd tegen/onder de aanhangwagen met daarbij de rijrichtingen van de voertuigen daarbij aangeduid. De inrijdhoek is gebaseerd op de best passende schade tussen de motorkap en de scherpe delen. (…).”