Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2016:833

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
10-03-2016
Datum publicatie
10-03-2016
Zaaknummer
Awb 16/472
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Omgevingsvergunning verleend voor het realiseren van vrijetijdscentrum "Bowlen en Zo" in Zwolle; verlening niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening of rijksbeleid; verder sprake van totaalconcept waarvan horeca onderdeel is; past binnen beleidskader'; afwijzing verzoek om voorlopige voorziening.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Horeca 2016/2751
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Zwolle

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 16/472

uitspraak van de voorzieningenrechter op het verzoek om voorlopige voorziening in

de zaak tussen

I. WOK Stadion BV, gevestigd te Zwolle, verzoekster I,

II. Stadion Ontwikkeling Zwolle BV, gevestigd te Utrecht, verzoekster II,

samen te duiden als verzoeksters,

gemachtigde: mr. S. Maakal, advocaat te Heerenveen,

en

het college van burgemeester en wethouders van Zwolle, verweerder,

gemachtigde: mr. H. van Dop.

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: Businesspark Zwolle BV,

gemachtigde: mr. N.S. Commijs, advocaat te Zwolle.

Procesverloop

Bij besluit van 3 december 2015 (het primaire besluit) heeft verweerder aan Businesspark Zwolle BV (verder: vergunninghouder) met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onderdeel 2°, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo)

een omgevingsvergunning verleend voor het realiseren van vrijetijdscentrum ‘Bowlen & Zo’ op het perceel Boerendanserdijk 43 te Zwolle.

Verzoeksters hebben tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt op 11 januari 2016.

Zij hebben op 12 februari 2016 de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen tot schorsing van het besluit.

Verweerder heeft een reactie op het ingediende verzoek gegeven.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 maart 2016.

Verzoeksters zijn verschenen bij hun gemachtigde en H.C. Wu, directeur van verzoekster I. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Vergunninghouder is verschenen bij haar gemachtigde en G. Jansen.

Overwegingen

1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

2. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

3. De voorzieningenrechter ziet zich allereerst ambtshalve voor de vraag gesteld of verzoekers als belanghebbenden in de zin van de Awb kunnen worden aangemerkt.

Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Awb wordt onder belanghebbende verstaan degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

Verzoekster I exploiteert een wokrestaurant op slechts 300 meter afstand van het vrijetijdscentrum. Binnen het vrijtetijdscentrum zal tevens een wereldrestaurant van “steak tot sushi” worden gerealiseerd. Reeds gelet hierop is de voorzieningenrechter van oordeel dat verzoekster I en “Bowlen en Zo” in hetzelfde marktsegment en hetzelfde verzorgingsgebied werkzaam zijn, zodat verzoekster I als belanghebbende kan worden aangemerkt.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter geldt dit tevens voor verzoekster II, zakelijk gerechtigde van de bedrijfsruimte aan het Stadionplein 2 te Zwolle, waarin verzoekster I is gevestigd. Immers, niet is uitgesloten dat de onderhavige omgevingsvergunning de verhuurbaarheid van het pand van verzoekster II nadelig kan beïnvloeden.

De hiervoor opgeworpen vraag wordt derhalve bevestigend beantwoord.

4. Het spoedeisend belang is gegeven nu vergunninghouder is gestart met de interne verbouwing.

5. De voorzieningenrechter stelt voorop dat toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onderdeel 2°, van de Wabo een discretionaire bevoegdheid betreft. Het al dan niet gebruiken van die bevoegdheid wordt door de bestuursrechter terughoudend getoetst. Dat betekent dat in dit verband de vraag voorligt of verweerder, bij afweging van alle betrokken belangen, in redelijkheid van deze bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken.

6. Verzoeksters hebben aangevoerd dat oneigenlijk gebruik is gemaakt van de lijst,

die is opgenomen in artikel 4 (Hoofdstuk IV) uit bijlage II behorende bij het Besluit omgevingsrecht (Bor). Verder past Leisure als planologische functie in algemene zin niet

op het onderhavige bedrijventerrein en heeft de provincie Overijssel (nog) niet ingestemd met het toelaten van de functie “Leisure” op bedrijventerreinen. Ook past het initiatief niet

in het Beleidskader Commerciële Vrijetijdsvoorzieningen (verder: het Beleidskader). Daarnaast is op het bedrijventerrein slechts ondergeschikte horeca toegestaan, zoals een bedrijfskantine of een kantine bij een sportgelegenheid. Tenslotte is niet gebleken van een acute regionale behoefte.

7. Verweerder stelt zich op het standpunt dat het initiatief “Bowlen & Zo” verenigbaar is met zowel het provinciale als het gemeentelijke beleid en dat de gemeentelijke beleidskaders het initiatief niet in de weg staan.

8. Het plan voorziet in de realisatie van een vrijetijdscentrum “Bowlen & Zo” op het perceel Boerendanserdijk 43 (boven de Sligro op de eerste en tweede verdieping van het reeds bestaande pand, inclusief parkeerplaatsen op het parkeerdek boven de tweede bouwlaag) te Zwolle. Het gaat om een totaalconcept voor vermaak, waarbij kan worden gekozen uit bowling (11 banen), glowgolf, games, pooltafels, vergaderruimte en diverse flexibel in te zetten spelvormen. En er is een restaurant.

Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan “De Vrolijkheid” rust op dit perceel

de bestemming “Gemengd-1”. Gronden binnen deze bestemming mogen worden gebruikt

ten behoeve van bedrijven, sport en groothandels. Daarnaast zijn er specifieke functieaandui-dingen waar kleinschalige kantoorunits mogen worden opgericht.

9. Niet in geschil is dat het project in strijd is met de gebruiksvoorschriften van het geldende bestemmingsplan en dit bestemmingsplan zelf geen mogelijkheid biedt om de afwijking toe te staan.

Ingevolge artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo is het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan.

Op grond van artikel 2.10, tweede lid, van de Wabo wordt een aanvraag die in strijd is met het planologische regime door het bevoegd gezag aangemerkt als een aanvraag om af te wijken van dat planologisch regime op grond van artikel 2.1, eerste lid, sub c, van de Wabo.

Op grond van artikel 2.12 van de Wabo wordt een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1 eerste lid sub c slechts verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en : a. indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan 2e. in

de bij algemene maatregel van bestuur (amvb) aangewezen gevallen. De amvb waarover hier gesproken wordt is het Besluit omgevingsrecht (hierna: het Bor).

Ingevolge artikel 2.7 van het Bor worden als categorieën van gevallen, als bedoeld in artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2º, aangewezen de categorieën gevallen in artikel 4 van bijlage II.

Ingevolge artikel 4, aanhef en negende lid, van deze bijlage komt voor verlening van een omgevingsvergunning waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2°, van de Wabo van het bestemmingsplan wordt afgeweken, in aanmerking het gebruiken van bouwwerken, eventueel in samenhang met bouwactiviteiten die de bebouwde oppervlakte

of het bouwvolume niet vergroten en van bij die bouwwerken aansluitend terrein.

10. De voorzieningenrechter stelt vast dat het plan voorziet in een interne verbouwing (door interne aanpassingen worden de brandcompartimenten gewijzigd) en de functie-wijziging van een reeds bestaand gebouw en parkeerterrein. Niet aannemelijk is gemaakt

dat er een uitbreiding van de bebouwde oppervlakte of het bouwvolume plaatsvindt.

Verweerder heeft daarom naar het oordeel van de voorzieningenrechter toepassing kunnen geven aan de hierbedoelde kruimelregeling.

Het vorenstaande neemt niet weg dat verlening van een omgevingsvergunning als de onderhavige niet in strijd mag zijn met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dienen alle ruimtelijk relevante belangen door verweerder te worden afgewogen. De rechter dient die belangenweging in beginsel te respecteren.

11. In de schriftelijk gegeven reactie op het ingediende verzoekschrift heeft verweerder uiteengezet dat bedrijventerrein “De Vrolijkheid” eerder zware industrie mogelijk maakte.

Met de herontwikkeling van “De Vrolijkheid” heeft verweerder echter uitdrukkelijk ingezet op functiemenging, waardoor het bedrijventerrein in een nieuwe invloedssfeer is komen te liggen. In het bestemmingsplan van 2010 is “De Vrolijkheid” nu aangemerkt als een klein-schalig gemengd bedrijventerrein, waarin verschillende functies naast elkaar bestaan:

diverse bedrijven, autoboulevard, sport (topsporthal en een gemeentelijk zwembad), onderwijs, groothandel (Sligro) en kleinschalige kantoorunits. De bestemmingen “Gemengd-1”en “Gemengd-2” geven hieraan gestalte.

12. Op basis van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting is de voorzieningen-rechter voorlopig tot het oordeel gekomen dat gelet op het beschreven gewijzigde profiel van het bedrijventerrein en gelet op het op 20 juni 2011 door de gemeenteraad van de gemeente Zwolle vastgestelde Beleidskader waarin juist op de locatie Boerendanserdijk 43 in een Leisure initiatief is voorzien waarop het huidige initiatief voortbouwt, de verlening van de onderhavige omgevingsvergunning niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en

dat de door verweerder gemaakte belangenafweging kan worden gerespecteerd.

13. Verzoeksters hebben de voorzieningenrechter er niet van overtuigd dat de verleende omgevingsvergunning in strijd is met het rijksbeleid. De voorzieningenrechter volgt verweerder in zijn standpunt dat, gelet op recente jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (verder: de Afdeling), zoals blijkend uit een uitspraak van 16 december 2015, nr. 201502129/1/A1, de ladder voor duurzame verstedelijking niet van toepassing is bij vergunningen die zijn verleend met toepassing

van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2°, van de Wabo.

14. Verzoekers hebben aangevoerd dat omgevingsvergunning is verleend in strijd met

het provinciaal beleid, doch de voorzieningenrechter is voorshands niet gebleken dat de provincie een drempel heeft opgeworpen tegen Leisure op een bedrijventerrein als “de Vrolijkheid”, zodat ook deze grond niet slaagt.

15. Voor zover namens verzoeksters is aangevoerd dat de onderhavige omgevingsvergun-ning is verleend in strijd met het gemeentelijk beleid zoals dit is neergelegd in de “Horeca-visie Zwolle, 2012-2017” kan de voorzieningenrechter verzoekers hierin niet volgen nu in casu het Beleidskader richtinggevend is. Het gaat immers bij het concept “Bowlen en Zo” om een commerciële vrijetijdsvoorziening (Leisure) waarvoor dit beleidskader het toetsingskader is.

16. Op grond van artikel 5.5 sub d van de planvoorschriften behorende bij het bestemmingsplan “De Vrolijkheid” wordt als strijdig gebruik in ieder geval gerekend het gebruik van gronden en bouwwerken voor horeca met uitzondering van het gebruik voor ondergeschikte horeca ten behoeve van een bedrijfskantine, een sportkantine e.d.

De voorzieningenrechter heeft vastgesteld dat het initiatief “Bowlen en Zo” betrekking heeft op een vrijetijdsfunctie waarbij er een combinatie plaatsvindt van activiteiten en horeca. Verweerder heeft in dit verband aangegeven dat het gaat om een totaalconcept, waarbij voornamelijk arrangementen zullen worden aangeboden om zo de gast een totaalbeleving te kunnen aanbieden (een activiteit wordt aangekleed met het nuttigen van eten). De horeca is in die zin dus onderdeel van het concept, aldus verweerder. De voorzieningenrechter kan verweerder hierin volgen en is van oordeel dat dit samenhangend concept in de lijn ligt van de in het Beleidskader beschreven en voorgestane ontwikkelingen op het gebied van leisure.

Daarom heeft verweerder tot afwijking van het planvoorschrift van artikel 5.5 sub d kunnen besluiten.

De voorzieningenrechter voegt hier nog aan toe dat de gemachtigde van vergunninghouder ter zitting heeft toegelicht dat aanzienlijk wordt geïnvesteerd in de aanleg van de bowling-banen en de glowgolf, zodat naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet gezegd kan worden dat vergunninghouder alleen de bedoeling heeft op het perceel Boerendanserdijk 43 een goedlopend restaurant te beginnen.

17. Blijkens het gestelde in het beroepschrift en het verhandeld ter zitting gaat het verzoeksters naar het oordeel van de voorzieningenrechter eigenlijk alleen om het concurrentiebelang.

De voorzieningenrechter stelt in dit verband voorop dat uit vaste jurisprudentie volgt dat besluiten in het kader van de ruimtelijke ordening er niet toe strekken bedrijven tegen de vestiging van concurrerende bedrijven in hun verzorgingsgebied te beschermen. Concurrentieverhoudingen vormen bij een planologische belangenafweging in beginsel

geen in aanmerking te nemen belang, tenzij zich een duurzame ontwrichting van het voorzieningenpatroon zal voordoen die niet door dwingende redenen wordt gerechtvaardigd. Dit laatste is door verzoekers niet gesteld.

18. Alles overziende is de voorzieningenrechter van oordeel dat verweerder bij afweging van alle betrokken belangen, in redelijkheid van zijn bevoegdheid, zoals hiervoor beschreven onder rechtsoverweging 5, gebruik heeft gemaakt, zodat het bestreden besluit in bezwaar naar verwachting in stand zal blijven. Er is daarom geen reden voor schorsing van dat besluit of het treffen van een andere voorlopige voorziening.

19. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af.

20. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Oosterveld, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van C. Kuiper, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.