Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2016:786

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
23-02-2016
Datum publicatie
09-03-2016
Zaaknummer
4386211 \ CV EXPL 15-5690
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vordering in vrijwaring van festivalorganisatie/huurster van licht- en geluidsapparatuur jegens evenementenverzekeraar wegens schade aan die apparatuur, ontstaan door het instorten van de festivaltent tijdens noodweer. Beroep van verzekeraar op zogeheten opzichtclausule faalt. Die clausule houdt een ver uitstrekkende uitsluiting van de dekking van de evenementenverzekering in, die voor de festivalorganisatie onverwacht is. In dit geval had de organisatie geen feitelijke bemoeienis met de licht- en geluidsapparatuur en was de schade niet het gevolg van quasi-eigenaarsgedrag ten aanzien van de apparatuur, maar van extreme weersomstandigheden. Deze situatie wordt niet geacht te vallen onder de opzichtclausule. Nb. Zie voor hoofdzaak: ECLI:NL:RBOVE:2016:787)

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Zwolle

Zaaknummer : 4386211 \ CV EXPL 15-5690

Vonnis in vrijwaring van 23 februari 2016

in de zaak van

de stichting STICHTING DICKY WOODSTOCK,
gevestigd en kantoorhoudende te Steenwijk,

eisende partij in vrijwaring, hierna te noemen: “de stichting”,

gemachtigde: mr. M. Kremer, advocaat te Groningen,

tegen

de naamloze vennootschap NATIONALE-NEDERLANDEN SCHADEVERZEKERING MAATSCHAPPIJ N.V.,
gevestigd en kantoorhoudende te 's-Gravenhage,

gedaagde partij in vrijwaring, hierna te noemen: “Nationale-Nederlanden”,

gemachtigde: mr. C. Bruin, advocaat te Den Haag.

1 De procedure in vrijwaring

1.1.

Het verloop van de procedure in de vrijwaringszaak blijkt uit:

- de dagvaarding d.d. 18 augustus 2015

- de akte overlegging producties d.d. 25 augustus 2015

- de conclusie van antwoord d.d. 20 oktober 2015

- de conclusie van repliek d.d. 17 november 2015

- de conclusie van dupliek d.d. 12 januari 2016.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

De stichting organiseert jaarlijks in Steenwijkerwold (Steenwijk) het zogeheten Dicky Woodstock Popfestival. Dit festival is in 2012 gehouden op 2 tot en met 4 augustus.

2.2.

De in Oldemarkt gevestigde onderneming R&G Sound (hierna: R&G Sound) richt zich onder meer op de verhuur van professionele geluids- en lichtapparatuur en muziekinstrumenten.

2.3.

Ten behoeve van dat festival in 2012 heeft de stichting van R&G Sound licht- en geluidsapparatuur gehuurd, welke apparatuur door R&G Sound is geplaatst en bediend in een door de stichting gebruikte festivaltent. Het betrof een zogeheten pagode- of circustent.

2.4.

Op de avond van zaterdag 4 augustus 2012 is de festivaltent, waarin voormelde licht- en geluidsapparatuur was geplaatst, tijdens een onweersbui ingestort. Daarbij is onder meer die aan R&G Sound toebehorende apparatuur beschadigd, door contact met andere materialen en/of door contact met water.

2.5.

Per brief van 23 september 2013 heeft R&G Sound de stichting aansprakelijk gesteld voor de haar op 4 augustus 2012 geleden schade ad € 19.390,34, stellend dat de gehuurde goederen in dezelfde staat hadden moeten worden ingeleverd als deze zijn geleverd. De stichting heeft daarop ter afwering een beroep gedaan op overmacht.

2.6.

Bij vonnis van heden in de door R&G Sound jegens de stichting aangespannen procedure (zaaknummer 3843546 CV 15-829 betreffende de verstek en zaaknummer 3970630 CV 15-1912 betreffende het verzet) is - geparafraseerd - het door de stichting gedane beroep op overmacht verworpen en is de stichting veroordeeld tot vergoeding van de door R&G Sound geleden schade, onder veroordeling van de stichting in de proceskosten.

2.7.

De stichting heeft in verband met het door haar in 2012 te houden festival bij Nationale-Nederlanden een zogeheten Evenementenverzekering afgesloten, zijnde een (bedrijfsmatige) verzekering tegen aansprakelijkheid. Op deze verzekering is toepasselijk het door Nationale-Nederlanden gebruikte “Voorwaardenblad 06.1”. In artikel 1 “Schadebegrip” van dat blad is vermeld:

Deze verzekering dekt de aansprakelijkheid van de verzekerden voor:

1.1

Schade

Schade aan personen en schade aan zaken.

(…)

1.3

Schade aan zaken

Beschadiging, vernietiging en verdwijning, maar ook verontreiniging of vuil worden, van zaken van anderen dan verzekeringnemer, met inbegrip van de schade die daaruit voortvloeit.

In artikel 10 “Zaken onder opzicht” is voor zover van belang vermeld:

Niet gedekt is de aansprakelijkheid voor schade aan zaken, veroorzaakt gedurende de tijd, dat een verzekerde of iemand namens hem deze zaken in beheer, ter bewaring, in huur, in gebruik, ten vervoer, ter bewerking, ter behandeling of om een andere reden onder zich had.

Deze uitsluiting geldt niet voor: (…)

2.8.

Het Verbond van Verzekeraars heeft in verband met discussies over de uitleg van de opzichtbepaling in de aansprakelijkheidsverzekering voor particulieren (AVP) opgesteld de zogeheten “Handvatten voor de toepassing van de opzichtbepaling in de AVP-polis”. Daarin is onder meer vermeld:

1.1

Wanneer is sprake van opzicht?

In geval van opzicht heeft een verzekerde een zaak van een derde onder zich; hij oefent de feitelijke macht uit over deze zaak. Van opzicht is sprake, zodra de zaak van een derde aan de zorg van een verzekerde is toevertrouwd of die een verzekerde op de een of andere manier onder zijn hoede heeft genomen. (…) Zodra zaken van derden zich in de macht van verzekerde bevinden, bestaat het risico dat deze zaken beschadigd raken en dat verzekerde hiervoor door de derde aansprakelijk wordt gesteld. Dit feitelijke risico, het “opzichtrisico”, valt uiteen in twee gedeelten, te weten het doe-hetzelfrisico en het quasi-eigenaarsrisico. (…)

2 Grondslag van de opzichtuitsluiting

De opzichtuitsluiting beoogt het zogenaamde ‘quasi-eigenaarsrisico’ en het ‘doe-het-zelfrisico’ uit te sluiten dan wel te beperken.

2.1

Quasi-eigenaarsrisico

Bij het quasi-eigenaarsrisico gaat het om zaken van derden die aan de zorg van verzekerde worden toevertrouwd of die een verzekerde op de een of andere manier onder zijn hoede heeft genomen. In feite worden deze zaken tijdelijk aan de bezittingen van verzekerde toegevoegd. Verzekerde gebruikt die zaken voor zichzelf en heeft ze tot zijn beschikking alsof het zijn eigen zaken zijn. In dat geval oefent verzekerde een zo grote feitelijke macht over die zaken uit, dat de kans op schade vergelijkbaar is met de kans, dat de eigenaar schade toebrengt aan zijn eigen zaken.

2.2

Doe-het-zelf-risico

Ook hier gaat het om zaken, die aan zorg van verzekerde zijn toevertrouwd om deze te gebruiken of te bewerken. Ook hier is de kans groot, dat er schade ontstaat.

In beide gevallen is de kans op schade aan deze zaken van anderen even groot en te vergelijken met de kans, dat men schade toebrengt aan eigen zaken. Vanuit verzekeringstechnisch oogpunt is de omvang van dit risico zo groot, dat verzekeraars hiervoor geen onbeperkte dekking willen of kunnen bieden.

3 Het geschil

3.1.

De vordering

De stichting vordert - samengevat - de veroordeling van Nationale-Nederlanden tot betaling aan de stichting van al hetgeen waartoe de stichting in de hoofdzaak jegens R&G Sound zal worden veroordeeld en tot betaling van alle kosten van rechtsbijstand die de stichting heeft gemaakt en zal maken inzake het verweer in de hoofdzaak en in de vrijwaringszaak, primair nader op te maken bij staat dan wel subsidiair te stellen op een bedrag van € 1.210,-, een en ander onder veroordeling van Nationale-Nederlanden in de kosten van de procedure in de hoofdzaak en de procedure in vrijwaring.

3.2.

Het verweer

Nationale-Nederlanden concludeert - samengevat - tot afwijzing van de vordering van de stichting, onder veroordeling van de stichting in de kosten van de procedure, te vermeerderen met nakosten.

3.3.

Op wat de stichting aan haar vordering dan wel Nationale-Nederlanden aan haar verweer ten grondslag heeft gelegd, zal, voor zover relevant, in het navolgende worden ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

In geschil is in deze vrijwaringszaak het antwoord op de vraag of Nationale-Nederlanden jegens de stichting gehouden is de nadelige gevolgen te dragen van de veroordeling van de stichting in de hoofdzaak.

4.2.

Nationale-Nederlanden heeft als verweer onder meer aangevoerd dat zij geen dekking hoeft te verlenen omdat de stichting haars inziens niet tot schadevergoeding gehouden is aan R&G Sound en omdat zij de hoogte en de juistheid van de schade betwist. Dit verweer faalt. Zoals hiervoor onder 2.6. is vermeld, is in de hoofdzaak de aansprakelijkheid van de stichting jegens R&G Sound vastgesteld en is de stichting veroordeeld tot vergoeding van de door R&G Sound geleden schade. In deze procedure is uitsluitend aan de orde of op Nationale-Nederlanden een verplichting rust de stichting te vrijwaren van de gevolgen van die veroordeling in de hoofdzaak. Aan wat zij heeft aangevoerd over de gegrondheid van de vordering van R&G Sound zal derhalve als niet ter zake dienend voorbij worden gegaan.

4.3.

Nationale-Nederlanden heeft voorts als verweer een beroep op de hiervoor onder 2.7. vermelde opzichtclausule gedaan. Zij voert aan dat de stichting de organisator was van het festival en daarvan de leiding en het toezicht heeft gehad. Het is de stichting die heeft bepaald of en hoe R&G Sound de licht- en geluidsapparatuur diende te installeren en te gebruiken. Dat R&G Sound de apparatuur feitelijk heeft geïnstalleerd en gebruikt, maakt niet dat zij ter zake niet (meer) handelde in opdracht dan wel op instructie van de stichting. De licht- en geluidsapparatuur is daardoor aan de zorg van de stichting toevertrouwd geweest en feitelijk tijdelijk aan de bezittingen van de stichting toegevoegd. Aan haar komt dan ook een beroep toe op de opzichtclausule, aldus Nationale-Nederlanden.

4.4.

De kantonrechter stelt voorop dat nu Nationale-Nederlanden zich op een uitsluitingsgrond beroept, te weten voormelde opzichtclausule, op haar de verplichting rust om de feiten en omstandigheden te stellen waaruit kan worden afgeleid dat de stichting de licht- en geluidsapparatuur ‘onder zich’ had in de zin van de van de verzekeringsovereenkomst deel uitmakende polisvoorwaarden.

4.4.1.

Inzake wat partijen met betrekking tot de verzekeringsovereenkomst mochten verwachten geldt het volgende. De stichting organiseerde jaarlijks een muziekfestival, te houden in het eerste weekend van augustus van ieder jaar. Als algemeen bekend heeft te gelden dat allerhande zaken/materieel, personen en diensten moeten worden ingehuurd, ten behoeve van het kunnen houden van dat evenement. Wanneer een (rechts)persoon een verzekering afsluit ter dekking van haar/diens aansprakelijkheid bij het organiseren en houden van zo’n evenement zal deze dan ook in beginsel mogen verwachten dat indien zich schade voordoet als gevolg van het houden van dat evenement - en met name ook wanneer het gaat om schade aan voor dat evenement gebruikte zaken - dergelijke schade wordt gedekt, ook als er schade is aan ingehuurde zaken en aan zaken van ingehuurde derden. Dit geldt te meer indien, zoals in dit geval, in de polis én in de voorwaarden expliciet dekking wordt geboden voor schade aan personen én aan zaken. Wanneer een verzekeraar een dergelijke aansprakelijkheids-verzekering/evenementenverzekering aanbiedt die - via een opzichtclausule of anderszins - desondanks geen dekking geeft voor schade aan kernzaken, benodigd voor het houden van een evenement als hiervoor omschreven, zoals tent, podium en licht- en geluidsapparatuur, dan dient de verzekeraar daarop als eerste bedacht te zijn, en in beginsel de verzekerde (of diens tussenpersoon) daarop expliciet te wijzen en de in dit geval ver uitstrekkende uitsluiting van dekking niet enkel te vermelden in een als een bijlage bij de polis gevoegd voorwaardenblad.

4.4.2.

De kantonrechter overweegt dat het daarnaast bij de uitleg van polisvoorwaarden aankomt op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan de polisvoorwaarden mochten toekennen en wat zij te dien aanzien redelijkerwijs mochten verwachten. Nu gesteld noch gebleken is dat de opzichtclausule onderwerp van onderhandeling tussen partijen is geweest en evenmin gesteld of gebleken is dat Nationale-Nederlanden de stichting expliciet heeft gewezen op de beperkte dekking in de hiervoor omschreven zin, zijn daarbij met name objectieve factoren van belang, zoals de bewoordingen waarin de clausule is gesteld, gelezen in het licht van de polisvoorwaarden als geheel. Ook de aard en strekking van die bepaling spelen daarbij een rol.

4.4.3.

Daarbij heeft (ook) in dit geval als algemeen gezichtspunt te gelden dat bij de beoordeling van de uit te leggen overeenkomst naar gelang van de omstandigheden mag meewegen dat eenzijdig door de verzekeraar opgestelde polisvoorwaarden in geval van twijfel over de uitleg ervan in het nadeel van de verzekeraar en ten gunste van de verzekerde moeten worden uitgelegd (vergelijk HR 18 oktober 2002; ECLI:NL:HR:2002:AE7002).

4.5.

Wat betreft de aard van de opzichtclausule - een uitsluiting van de dekking voor aansprakelijkheid in bepaalde gevallen - geldt dat aan de bepaling geen uitleg mag worden gegeven die verder gaat dan noodzakelijk is om het doel van de opzichtclausule te bereiken. Dit doel, de strekking, van de opzichtclausule is om het quasi-eigenaarsrisico en het doe-het-zelf-risico van dekking uit te sluiten, zo blijkt uit de hiervoor onder 2.8. vermelde inhoud van de handvatten. Bedoeld risico ontstaat indien zaken van een ander aan de zorg van verzekerde worden toevertrouwd en daardoor in feite aan de bezittingen van verzekerde worden toegevoegd. De feitelijke macht die verzekerde over die zaken uitoefent, is zo groot dat de kans op schade vergelijkbaar is met de kans dat de eigenaar schade toebrengt aan zijn eigen zaken, wat van dekking is uitgesloten. Dat die handvatten zijn geschreven voor de uitleg van de opzichtclausule in een aansprakelijkheidsverzekering voor particulieren, maakt dat niet anders. Nationale-Nederlanden heeft immers niet gemotiveerd gesteld dat en waarom die uitleg bij een opzichtclausule als beschreven in de handvatten, ongeschikt is voor toepassing als uitleg bij een in essentie gelijke opzichtclausule, opgenomen in een bedrijfsmatige aansprakelijkheidsverzekering zoals hier aan de orde.

4.6.

Bij de beantwoording van de vraag of hier sprake is van schade die in verband staat met de uitoefening van een feitelijke macht door de stichting stelt de kantonrechter vast dat de licht- en geluidsapparatuur weliswaar door de stichting is gehuurd doch dat zij daarmee feitelijk geen bemoeienis had. Nationale-Nederlanden heeft immers niet weersproken dat R&G Sound de licht- en geluidsapparatuur heeft opgebouwd / geïnstalleerd en tijdens het festival heeft bediend. Dat de stichting R&G Sound in algemene zin instructies heeft verstrekt aangaande de door de door haar ingehuurde artiesten te verzorgen optredens - aangaande geluidsvolume, lichtshow etc. - maakt naar het oordeel van de kantonrechter niet dat sprake is van een situatie dat de stichting feitelijke macht uitoefent over de licht- en geluidsapparatuur. Naar moet worden aangenomen had de stichting ook niet de intentie om zelf iets te doen met de licht- en geluidsapparatuur; dat liet zij juist over aan de werknemers van R&G Sound. Niet valt aan te nemen dat indien (de werknemers van) R&G Sound bij de opbouw, installatie en bediening de eigen licht- en geluidsapparatuur zou hebben beschadigd, R&G Sound daarvoor een aanspraak jegens de stichting geldend zou hebben kunnen maken. Onder deze omstandigheden kan niet worden gezegd dat R&G Sound en de stichting hebben beoogd de licht- en geluidsapparatuur aan de stichting ter beschikking te stellen, in die zin dat de stichting de zorg voor en de macht over die apparatuur (nagenoeg) geheel heeft overgenomen.

4.7.

Het oordeel dat niet gezegd kan worden dat de zorg voor en de macht over de licht- en geluidsapparatuur feitelijk bij de stichting is komen te rusten, leidt ertoe dat geen sprake is van een situatie waarin de feitelijke macht die verzekerde is gaan uitoefenen, zo groot is dat de kans op schade vergelijkbaar is met de kans dat de eigenaar schade toebrengt aan zijn eigen zaken. Dit geldt te minder nu geen sprake is geweest van schade bij R&G Sound als gevolg van feitelijk handelen van de stichting of van iemand namens haar; de schade is ontstaan doordat de festivaltent bij extreme weersomstandigheden is ingestort. De stichting is daarvoor in de verhouding met R&G Sound aansprakelijk gehouden omdat de beschadiging van de apparatuur als gevolg van die ineenstorting naar in het verkeer geldende opvattingen voor haar rekening diende te komen, dit vanwege - geparafraseerd - het onvoldoende treffen van passende (voorzorgs- of veiligheids-)maatregelen tegen extreme weersomstandigheden.

4.8.

De stichting mocht de opzichtclausule dus zo begrijpen dat de hiervoor beschreven situatie niet onder het bereik van die clausule zou vallen, mede in acht genomen de omstandigheid dat gesteld noch gebleken is dat de stichting vooraf expliciet is gewezen op de door Nationale-Nederlanden aangehangen uitleg van de dekking, zoals hiervoor bedoeld onder 4.4.1. Nationale-Nederlanden had dus aan die bepaling diezelfde zin moeten toekennen. Voor zover zij dat niet of in mindere mate heeft gedaan, geldt wat hiervoor onder 4.4.3. is overwogen en wordt aan de uitleg van de stichting meer gewicht toegekend dan aan die van Nationale-Nederlanden. De opzichtclausule moet dus zo worden uitgelegd dat deze niet ziet op een situatie als hier aan de orde. Dit betekent dat ook dit verweer van Nationale-Nederlanden wordt verworpen.

4.9.

Nu Nationale-Nederlanden geen ander verweer heeft opgeworpen, dient de vordering tot vrijwaring in beginsel te worden toegewezen. Nationale-Nederlanden heeft echter onbetwist gesteld dat met de stichting een eigen risico is overeengekomen van € 500,00, zodat dit bedrag in mindering dient te worden gebracht op het aan de stichting uit te keren bedrag.

4.10.

De stichting heeft, naast voormelde vordering tot vrijwaring en de vordering tot veroordeling van Nationale-Nederlanden in de kosten van de procedures in de hoofdzaak en in vrijwaring, een afzonderlijke vordering ingesteld tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten. De stichting is over die vordering echter weinig helder; zij stelt in dat verband dat Nationale-Nederlanden gehouden is te vergoeden “alle kosten van rechtsbijstand die de stichting heeft gemaakt en nog zal maken ter zake van het voeren van verweer in de hoofdzaak en de onderhavige vrijwaringsprocedure”. Het gaat dus om proceskosten. Die kosten kunnen slechts binnen de grenzen van de artikelen 237-240 Rv ten laste van - in dit geval - Nationale- Nederlanden worden gebracht. Voor een afzonderlijke toewijzing is dan ook geen grond. Voor zover de stichting heeft beoogd deze vordering te baseren op het bepaalde in artikel 6:96 lid 2 BW geldt dat zij onvoldoende heeft onderbouwd dat de verrichtingen waarvoor zij een vergoeding vordert, op meer betrekking hebben gehad dan die verrichtingen waarvoor de in de artikelen 237-240 Rv een vergoeding plegen in te sluiten.

4.11.

Nationale-Nederlanden dient als de overwegend in het ongelijk gestelde partij te worden aangemerkt. Zij zal daarom in de proceskosten van dit vrijwaringsgeding te worden verwezen. De kosten aan de kant van de stichting worden begroot als hieronder vermeld. De nakosten worden begroot op maximaal € 100,00.

5 De beslissing

De kantonrechter:

5.1.

veroordeelt Nationale-Nederlanden om aan de stichting te betalen datgene waartoe de stichting als gedaagde in bij deze rechtbank aanhangige (hoofd)zaak (zaaknummer 3843546 CV 15-829 betreffende de verstek en zaaknummer 3970630 CV 15-1912 betreffende het verzet) jegens R&G Sound als eiseres is veroordeeld met inbegrip van de kostenveroordeling, verminderd met € 500,00 eigen risico, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het eventueel intreden van verzuim aan de kant van Nationale-Nederlanden tot aan de voldoening;

5.2.

veroordeelt Nationale-Nederlanden in de kosten van het vrijwaringsgeding, tot heden aan de zijde van de stichting begroot op:

 € 800,00 voor salaris gemachtigde (2,0 punten × tarief € 400,00)

 € 100,00 voor nakosten

 € 87,42 voor explootkosten

 € 932,00 voor griffierecht;

5.3.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.4.

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. W.F. Boele, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 23 februari 2016.