Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2016:774

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
03-02-2016
Datum publicatie
08-03-2016
Zaaknummer
C/08/167727 HA ZA 15-90
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Contractsovername. Derdenbeding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2016/682
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Almelo

zaaknummer: C/08/167727 HA ZA 15-90

datum vonnis: 3 februari 2016

Vonnis van de rechtbank Overijssel, enkelvoudige kamer voor burgerlijke zaken, in de zaak van:

[eiseres] ,

wonende te [woonplaats] ,
eiseres,

verder te noemen [eiseres] ,

advocaat: mr. L.J.A. Eshuis-Nijmeijer te Wierden,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde] ,
statutair gevestigd te [vestigingsplaats] ,

gedaagde,

verder te noemen [gedaagde] ,

advocaat: mr. A. Visser te Wierden.

1 Het procesverloop

Voor het procesverloop wordt verwezen naar het eerdere tussenvonnis van 7 oktober 2015. Bij dat vonnis is een comparitie van partijen gelast die heeft plaatsgevonden op
10 november 2015. Van de comparitie en het aldaar verhandelde is een proces-verbaal opgemaakt dat zich bij de processtukken bevindt. Na de comparitie is bepaald dat opnieuw vonnis zal worden gewezen.

2 De feiten en standpunten van partijen.

Voor de feiten en de standpunten van partijen wordt eveneens verwezen naar het eerdere

tussenvonnis van 7 oktober 2015, en met name naar hetgeen in het tussenvonnis is samengevat onder 2 en 3. Partijen hebben ter comparitie hun standpunt met betrekking tot concreet in het tussenvonnis gestelde vragen verduidelijkt.

3 De verdere beoordeling

3.1

Zoals in het tussenvonnis reeds is overwogen, heeft [eiseres] destijds met
Parallel II B.V. gecontracteerd, onder meer over de levering aan haar van een strook grond en de sloop van de zich daarop bevindende dubbele woning. Voordat levering van de strook grond plaatsvond en voordat sloop van de dubbele woning werd gerealiseerd, heeft
Parallel II B.V. zowel het dubbele woonhuis als de grond waarop dit staat verkocht en geleverd aan [gedaagde] In de notariële akte tussen Parallel II B.V. en
is een letterlijke weergave opgenomen van dat deel uit de notariële akte tussen Parallel II B.V. en [eiseres] waarin de verplichtingen en afspraken tussen Parallel II B.V. en [eiseres] met betrekking tot de strook grond en de sloop zijn omschreven. De vordering van [eiseres] in deze procedure tegen [gedaagde] is gebaseerd op de gedachte dat [gedaagde] is getreden in de verplichtingen die aanvankelijk Parallel II B.V. jegens [eiseres] had. Beoordeeld moet derhalve worden of van die door [eiseres] gestelde situatie sprake is.

3.2

In het tussenvonnis onder 4c heeft de rechtbank reeds overwogen dat de oorspronkelijke verplichting van Parallel II B.V. jegens [eiseres] niet als een kettingbeding is geduid, terwijl er ook geen sprake is van een kwalitatieve verplichting als bepaald in
artikel 6: 252 BW. Voor een verplichting van [gedaagde] om jegens [eiseres] te doen wat Parallel II B.V. was verplicht te doen of voor een vorderingsmogelijkheid van [eiseres] jegens [gedaagde] is meer nodig dan de eenvoudige opsomming in de akte tussen Parallel II B.V. en [gedaagde] van de verplichtingen die
Parallel II B.V. jegens [eiseres] op zich had genomen. Denkbaar zou zijn geweest dat Parallel II B.V. haar rechtsverhouding jegens [eiseres] zou hebben overgedragen aan [gedaagde] Meer in concreto bepaalt artikel 6: 159 BW dat een partij bij een overeenkomst haar rechtsverhouding tot de wederpartij met medewerking van deze laatste kan overdragen aan een derde bij een tussen haar en de derde opgemaakte akte. Anders gezegd, in de akte tussen Parallel II B.V. en [gedaagde] had Parallel II B.V., met medewerking van [eiseres] , haar rechtsverhouding tot [eiseres] en dus ook de verplichting om grond te leveren en panden te slopen, aan [gedaagde] kunnen overdragen.

3.3

Nadrukkelijk vereiste voor een mogelijke contractoverneming door
[gedaagde] is derhalve de medewerking van [eiseres] , die immers niet zonder haar medewerking kan worden geconfronteerd met een andere contractpartij dan waarmee zij daadwerkelijk gecontracteerd heeft. Het standpunt van [eiseres] daarover is echter meer dan duidelijk geweest. Door [gedaagde] is als productie 2 bij conclusie van antwoord in het geding gebracht de brief van de toenmalig raadsman van [eiseres] aan de toenmalig raadsman van Parallel II B.V. van 2 november 2005 waarin namens [eiseres] als volgt wordt verklaard:

in de akte Parallel II B.V. – [gedaagde] kan ik niet lezen dat
[gedaagde] zich heeft verbonden tot levering aan cliënten van de bewuste strook grond zoals overeengekomen met Parallel II B.V.. Bovendien ontbreekt de ingevolge artikel 6: 159 BW vereiste medewerking daaraan van cliënten alsmede ontbreekt de ingevolge artikel 6: 155 BW vereiste toestemming van cliënten betreffende de schuldoverneming. Cliënten hebben met [gedaagde] dan ook niets te maken en houden uw cliënte dan ook aan diens verplichtingen tot levering c.q. boetebetaling.

Het in de hiervoor aangehaalde brief ingenomen standpunt is door de toenmalig raadsman van [eiseres] nog eens herhaald in een brief van 16 november 2005, die als productie 3 bij conclusie van antwoord in het geding is gebracht. Aldaar valt te lezen:

• Cliënten hebben met [gedaagde] niets te maken en stellen uw cliënte hierdoor nog eenmaal in de gelegenheid alsnog vrijwillig de boete te betalen en wel tot uiterlijk 30 november a.s.. Na genoemde termijn acht ik mij vrij tot dagvaarding over te gaan.

3.4

De rechtbank kan niet anders concluderen dan dat derhalve [eiseres] niet heeft willen meewerken aan of instemmen met contractovername door [gedaagde]

Artikel 6: 159 BW biedt [eiseres] derhalve geen mogelijkheid om [gedaagde] tot nakoming aan te spreken.

3.5

Artikel 6: 253 BW bepaalt in lid 1: een overeenkomst schept voor een derde het recht een prestatie van een der partijen te vorderen of op andere wijze jegens een van hen een beroep op de overeenkomst te doen, indien de overeenkomst een beding van die strekking inhoudt en de derde dit beding aanvaardt. Lid 4 van dit artikel voegt daar aan toe: is het beding onherroepelijk en jegens de derde om niet gemaakt, dan geldt het als aanvaard, indien het ter kennis van de derde is gekomen en door deze niet onverwijld is afgewezen. Niet nodig is dat een derdenbeding nadrukkelijk als zodanig wordt geduid in de overeenkomst tussen promissor en stipulator. Een derdenbeding kan zelfs stilzwijgend worden overeengekomen. Dit alles laat echter onverlet dat de derde, dus in casu [eiseres] , pas rechten aan het derdenbeding kan ontlenen indien zij, na kennisneming, het beding aanvaardt. Ook hier gaat het, zo oordeelt de rechtbank, voor [eiseres] mis door de nadrukkelijk ingenomen standpunten in de hiervoor aangehaalde brieven van 2 november 2005 en 16 november 2005. In ieder geval [gedaagde] kon er door die brieven vanuit gaan dat [eiseres] niet jegens haar aanspraak op nakoming wilde maken. Van belang daarbij is dat pas ongeveer 7,5 jaar na de brief van de toenmalig raadsman van 14 november 2005 bij zowel
Parallel II B.V. als [gedaagde] een brief in kwam van een opvolgend raadsman van [eiseres] . Die brief werd verstuurd op 4 juli 2013. In die brief valt te lezen:
(zie productie 5 bij dagvaarding)

• Mijn cliënten hebben dus ook een rechtstreekse aanspraak jegens
[gedaagde] ter zake nakoming van genoemde verplichting. Zie hiervoor het bepaalde in artikel 6: 253 BW. Cliënten hebben dit beding aanvaard en voor zover u dit mocht ontkennen aanvaard ik hierbij namens cliënten dit beding.

3.6

De rechtbank oordeelt dat [eiseres] ook het derdenbeding nadrukkelijk heeft verworpen dan wel niet heeft aanvaard, zodat [gedaagde] daar verder van kon uitgaan. De brief van de opvolgend raadsman van 4 juli 2013 kon in die situatie geen relevante wijziging meer brengen.

3.7

De rechtbank oordeelt derhalve dat [eiseres] jegens [gedaagde] geen nakoming kan afdwingen van de contractuele afspraken die zij destijds met Parallel II B.V. heeft gemaakt. De primaire vorderingen van [eiseres] moeten daarop dan ook stranden.

3.8

Overigens vermeldt de rechtbank dat zij natuurlijk kennis heeft genomen van afspraken die wel tussen [eiseres] en [gedaagde] zijn gemaakt. Met name wordt daarbij gedoeld op het feit dat [gedaagde] zich jegens [eiseres] bereid heeft verklaard om de strook grond alsnog te leveren, doch niet eerder dan nadat zij de sloopwoning met grond aan een derde heeft verkocht en daarna tot sloop overgaat. Blijkens de brief van haar toenmalig raadsman van 22 februari 2006 (productie 7 bij conclusie van antwoord) aan de toenmalig raadsman van Parallel II B.V., waarvan de inhoud in deze procedure door
[gedaagde] is onderschreven, heeft [eiseres] die toezegging door
[gedaagde] aanvaard. Meer in concreto valt in die brief te lezen:

• Met referte aan uw schrijven van 20 februari jl. bericht ik u dat cliënten vertrouwen op een correcte nakoming door [gedaagde] van de gemaakte afspraken betreffende de strook grond zodra mogelijk en zo spoedig als mogelijk. [gedaagde] heeft naar mij toe hierover voldoende duidelijk gemaakt dat ook hij daarbij alle belang heeft.

Het valt, naar de rechtbank oordeelt, buiten het bestek van deze procedure om te oordelen over de vraag naar inhoud en uitwerking van die afspraken. Het beroep door [eiseres] op het bepaalde in artikel 6: 258 BW, hetgeen zich heeft vertaald in haar subsidiaire vordering, is daarvoor niet geëigend. [eiseres] vordert immers op basis van genoemd wetsartikel een wijziging van (een deel van) de afspraken, zoals die blijken uit de akte van
15 december 1998 tussen Parallel II B.V. en [gedaagde] terwijl hiervoor is overwogen dat [eiseres] aan die akte jegens [gedaagde] geen relevante binnen de omvang van deze procedure vallende vorderingen kan ontlenen.

3.9

De rechtbank oordeelt derhalve dat de vorderingen van [eiseres] niet voor toewijzing vatbaar zijn. Als in het ongelijk gestelde partij zal [eiseres] de kosten van deze procedure moeten dragen.

De beslissing

I. Wijst af de vorderingen van [eiseres] .

II. Veroordeelt [eiseres] tot betaling aan [gedaagde] van de kosten van deze procedure, welke kosten worden begroot op € 1.909,- ter zake verschotten (griffiegeld) en € 2.682,- ter zake kosten van de advocaat (3 punten maal € 894,-).

III. Verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen te Almelo door mr. G.G. Vermeulen op 3 februari 2016 en in het openbaar uitgesproken door mr. J.H. van der Veer in tegenwoordigheid van de griffier.